XI. HET GEHEIM DER SIBAOE-DAJAKS.

Korten tijd, nadat Kees zich teruggetrokken had in één der kamertjes,

voegde zich Marti bij hem.

»Wel Marti, moet je niet mee feestvieren?"

»Neen, heer! ik heb het eens aangezien; maar het bevalt me toch

niet meer."

»Dat is goed Marti. Daaruit kan ik zien, dat je geen Dajak meer

bent. Heb je ook gehoord, wat de Kenjaoe's verder van plan zijn?"

»De meesten willen na het feest naar huis gaan. Enkelen, waaronder

de jonge mannen, willen met alle geweld de Sibaoe's nog vervolgen."

»Daar dacht ik ook over, Marti. Het is toch eigenlijk jammer, de

overgeblevenen ongemoeid te laten ontsnappen. Maar dan moeten we

dadelijk op weg. Dan kunnen we ze misschien nog inhalen. Als ze dan

nog eens klop krijgen, zullen ze het voorloopig niet weer in hun

hoofd halen, een inval in dit land te doen."

»Maar dat ligt toch niet op uw weg, heer?" riep Marti verschrikt. Zou

zijn blanke meester dan nooit ophouden het gevaar te zoeken?

»Waarom niet? Alles is uitstekend afgeloopen. Ik heb veel lust,

nog verder deel te nemen aan dezen oorlog."

»Wij deden verstandiger, om nu eindelijk eens naar huis terug te

keeren, heer. Allah heeft ons tot dusverre geholpen; maar we moeten

niet moedwillig het gevaar tarten," sprak Marti ernstig.

»Dat is zoo, Marti. Doch er is nog iets anders, dat mijn gedachten

bezig houdt.--Als we de Sibaoe's zoo spoedig mogelijk vervolgen,

ontdekken we misschien, op welke geheimzinnige wijze zij telkens in

dit land plegen te komen. Indien we dáár achter kwamen, zouden we met

de bala een krijgstocht in hun land kunnen wagen. Dat zou een mooie

overwinning voor onze vrienden, de Kenjaoe's, zijn. Bovendien zou ik

misschien gelegenheid hebben, nog een appeltje te schillen met dien

valschen Amat. En ten slotte zouden de diamanten wellicht toch nog

in mijn handen vallen."

»Denkt u nog altijd aan die diamanten, heer? Die heeft Amat

waarschijnlijk al lang weggehaald."

»Dat is mogelijk. Maar is hij er ook in geslaagd, het land der

Sibaoe's te verlaten? Dat is de groote vraag. Is hij er nog, dan

krijg ik de diamanten."

»Ik vrees, dat u te laat zult komen, heer!" Marti vroeg zich bekommerd

af, welke ellende ze nu weer zouden beleven.

»Kom," hernam Kees, »ik ga dadelijk naar Petinggi Datoek, om hem voor

te stellen, de Sibaoe's te vervolgen."

Hij sprong op en verliet de lawang.

»Allah helpe ons!" zuchtte Marti: »Dat ontbreekt er nog maar aan."

Petinggi Datoek was echter druk aan 't feestvieren, en een

feestvierende Dajak is er moeilijk toe te brengen, zijn belangstelling

aan andere zaken te wijden. Toch gelukte het Kees ten slotte hem even

alleen te spreken.

Nu bleek echter, dat Petinggi Datoek zelf reeds met andere hoofden over

de vervolging der Sibaoe's had gesproken. Tot hun spijt was echter het

grootste gedeelte der mannen tevreden met de overwinning. Petinggi

zou daarentegen heel graag een veldtocht ondernemen naar 't

Sibaoe-land. Hij was blij, dat hij een bondgenoot in Kees vond.

Beiden begaven ze zich nu tusschen de opgewonden menigte. Het

kostte groote moeite, hieruit een aantal bijeen te krijgen voor een

vergadering, waar men het nieuwe krijgsplan kon bespreken. Eindelijk

kon Kees het woord nemen. Hij begon met een herinnering aan de behaalde

zege. Maar hiermee was de taak der Kenjaoe's niet afgedaan. De

antoe's hadden hen geholpen. Door nieuwe heldendaden moesten zij

nu de antoe's hun dankbaarheid toonen. Dan zouden de antoe's groote

vriendschap voor de Kenjaoe's gaan koesteren. Ook hadden ze enkele

dooden te betreuren. Die mocht men niet ongewroken laten. De Dajaks

mochten hun eigen wetten van de bloedwraak niet verachten.

Kees eindigde ten slotte:

»Gij hebt u heden veel roem verworven. Maar onvergelijkelijk

grooter zal uw roem zijn, wanneer gij in het land der Soengei-Sibaoe

doordringt. Dan zult gij daar de koppen uwer vijanden uit hun eigen

dorpen halen. De naam der Kenjaoe's zal dan bekend en geëerd worden

onder alle Dajakstammen tot ver in Serawak en in het land der groote

Batang-Loepars!"

Opgewonden juichten de toch al door den feestroes verhitte mannen

deze toespraak toe. Onmiddellijk zou men tot de vervolging overgaan.

Petinggi Datoek zond eenige vlugge jonge mannen uit. Hun taak was,

de Sibaoe's op te sporen en te blijven volgen; door teekens aan de

boomen te kappen zouden ze hun den weg wijzen. De bala kon dan den

volgenden dag zonder moeite volgen.

Aan de feestvreugde werd nu dadelijk een einde gemaakt, want men

moest zich gereedmaken voor een langdurigen tocht.

Vele Kenjaoe's versierden hun rottan hoofddeksels met de veeren,

welke eens de Sibaoekoppen hadden getooid. Ze vonden, dat ze er nu

veel krijgshaftiger uitzagen.

Den volgenden morgen ging men op marsch. Wijselijk besloot men niet

alleen op het pad te loopen, doch ook er naast in het bosch. Dan was

de kans, om in hinderlaag te vallen, zoo goed als uitgesloten.

De dag ging voorbij zonder eenig voorval van belang. Tegen den

avond echter hoorde men in de verte de herkenningsroep van een

der verspieders. Van den verkenner hoorden ze, dat ze hun vijanden

reeds vrij dicht op de hielen zaten. De Sibaoe's kwamen niet snel

vooruit, daar ze een groot aantal gewonden mee moesten voeren. Deze

mededeelingen vermeerderden den strijdlust der Kenjaoe's. Er moest

echter halt gehouden worden om te overnachten. In de legerplaats

weerklonk nog geruimen tijd het geroezemoes van opgewonden stemmen. Men

prikkelde elkanders verbeelding met fantastische verhalen over te

bedrijven heldendaden.

Reeds vroeg in den ochtend brak de bala op, om met groote snelheid

verder te trekken.

Nadat men ruim een uur had geloopen, bleven de voorste Dajaks

plotseling staan. Kees spoedde zich naar hun toe en vroeg:

»Wat is er? Ziet ge vijanden?"

»Neen, heer! doch er is een slecht voorteeken geweest. We kunnen

onmogelijk verder trekken."

»Wat was er dan?"

»Een kiekendief vloog ons tegemoet, heer. Dat is een zeer ongunstig

teeken."

De andere Dajaks, die intusschen naderbij gekomen waren, bespraken het

geval in den breede, en zetten bedenkelijke gezichten. Het algemeen

gevoelen was, dat het hoogst onvoorzichtig zou zijn, den tocht dadelijk

voort te zetten.

Kees was wrevelig. Daar zou het geheele plan schipbreuk lijden op

die domme bijgeloovigheid. Het was toch al twijfelachtig, of men de

Sibaoe's op tijd zou inhalen. Als de bala zich hier lang ophield,

kwam men stellig te laat.

Hij wilde de Kenjaoe's het dwaze van hun vrees duidelijk maken. Maar

al zijn redeneerkunst mocht niets baten. Geen Dajak zou den moed

bezitten moedwillig een slecht voorteeken te minachten. Er moest

eerst weer een goed voorteeken komen. Dan zouden ze verder gaan.

Kees zat vol spijtige woede op een boomstam te wachten en verwenschte

dat heidensche bijgeloof.

Plotseling schoot hem een gelukkige gedachte door 't hoofd. Hij zou

zelf een voorteeken bedenken.

Scherp luisterde hij, of hij niet een opvallende vogelstem in het bosch

hoorde. Nauwelijks deed zich een eenigszins schel gefluit vernemen,

of hij sprong op met teekenen van blijdschap. Hij beval de Dajaks

goed toe te luisteren. Deze vroegen hem de beteekenis van het gefluit.

»Dat is de waarzeggende vogel der blanken. Die zegt mij, dat het

gevaar geweken is en dat we verder kunnen gaan," zei Kees.

De Dajaks vertrouwden de zaak niet erg. Ze maakten eenige

tegenwerpingen. Doch toen liet dezelfde vogel weer zijn schrille

fluittoon hooren. Nu verklaarde Kees, dat hij na deze waarschuwing

niet langer op die plek durfde te blijven. Hij zou dan liever alleen

vooruit gaan. De antoe's zouden hem zeker helpen.

Als de blanke man zoo zeker van zijn zaak was, besloten de Dajaks

maar te volgen. En zoo zette men den pas er weer in.

Gelukkig bleef men gedurende het verdere verloop van den dag bewaard

voor zulke ongunstige teekens. Toch leefde Kees onophoudelijk in zorg,

dat zich meer dergelijke ongewenschte stoornissen zouden voordoen,

die den tocht zeker zouden doen mislukken.

Den volgenden dag passeerde de bala de afgebrande woning van een

tiental Dajaksche families. Dit was het dorp Seboeloeh, dat door

de Sibaoe's verwoest was. Een paar bewoners van het dorp bevonden

zich bij de bala. Het gezicht op hun verbrande bezittingen deed de

wraakzucht weer opvlammen, welk gevoel zich aan de andere Kenjaoe's

mededeelde. Tegen den avond vond men twee mannen aan den kant van

den weg zitten. Het waren twee der verkenners. Een van hen verscheen

onmiddellijk voor Kees en Petinggi Datoek, om verslag van zijn

bevindingen te doen.

»We hebben de Sibaoe's voortdurend op den voet gevolgd en hun

bewegingen bespied. Ze vermoeden waarschijnlijk niet, dat ze gevolgd

worden. Toch schijnen ze voor alle zekerheid maatregelen te nemen;

mijn makker, die daar zit, heeft vanmiddag in een randjoe getrapt. Hij

kon niet verder gaan. Het voorwerp was daar zeker door de Sibaoe's

neergezet."

»En waar zijn de Sibaoe's?" vroeg Kees.

»Eenige uren voor u uit, heer. Morgen kunt u ze inhalen."

Voorloopig besloot men op deze plek te overnachten en dan den anderen

morgen met versnelden pas de vervolging voort te zetten. Toch was

voorzichtigheid geboden, want men vond langs het pad verscheidene

randjoe's, scherp aangepunte bamboestokjes, met de punt naar boven

in den grond gestoken.

Voor hij dien avond in slaap viel, overdacht Kees nog eens het doel

van dezen tocht. Was het wel verstandig, de Sibaoe's den volgenden dag

aan te vallen? Dan zouden ze natuurlijk in verschillende richtingen

vluchten en zich verbergen in het oerwoud. En dan zou men er zeer

moeilijk, misschien in 't geheel niet, in slagen uit te vorschen,

langs welken weg ze in het land der Kenjaoe's gekomen waren.

Zou het niet beter zijn, ze ongemerkt te blijven achtervolgen? Dan

bestond er groote kans op het ontdekken van hun geheimen weg. Dan

kon men in hun land doordringen.--Kees zag in zijn verbeelding de

diamanten reeds in zijn bezit.

Zoodra de dag aanbrak, ging Kees met Petinggi Datoek overleggen.

Petinggi verlangde echter naar dappere daden en voelde niet veel voor

dat werkeloos volgen van den vijand. Toen Kees hem echter duidelijk

maakte, dat hij dan misschien de kans verbeurde, in het stroomgebied

der Soengei Sibaoe te komen, begon hij te weifelen.

»Denk er eens aan, Petinggi, dat het u volgens mijn krijgsplan

misschien gelukken zal, uw mannen in het land van den vijand te

voeren. Dat is in geen jaren gebeurd! Als het gelukt, zal het uw

naam even beroemd maken als die van Rimaoe, het groote opperhoofd der

Kenjaoe's, waarvan ge mij hebt verteld. Dan zal men over vele jaren

ook het heldengraf van Petinggi Datoek kunnen aanwijzen. En uw naam

zal met eerbied worden genoemd door vele geslachten."

Dit beroep op de ijdelheid van den Dajak miste zijn uitwerking

niet. Petinggi was nu overtuigd van de voortreffelijkheid der wijziging

van het veldtochtplan.

Zonder overijling werd nu de tocht voortgezet. Door de nasporingen

der vooruitgezonden mannen wist men, dat men de Sibaoe's dicht op de

hielen zat. In den loop van dien dag passeerde men het dorp, dat het

eerst door de Sibaoe's overvallen was. Slechts eenige verkoolde palen

staken nog omhoog; al het andere was weggebrand. In de nabijheid

lagen nog de afschuwelijk verminkte overblijfselen van eenige der

vermoorde bewoners. Op dit gezicht laaide de wilde strijdlust weer

op; onwillekeurig zou men de tocht in versneld tempo voortzetten, en

daardoor de zaak weer bederven. Het kostte Kees moeite, de vechtlustige

Dajaks te kalmeeren.

Een eind voorbij dit dorp splitste de weg zich. De inkepingen in de

boomen wezen echter het goede spoor.

In den namiddag hielden de voorste Dajaks plotseling halt. Ze

verzamelden zich, luid pratende, om iets, dat op den weg lag. Wat

zou er nu weer zijn? Weldra bemerkten Kees en Petinggi Datoek, dat

het de lichamen van twee Sibaoe's waren, maar zonder hoofd.

»Onze mannen hebben zeker deze vijanden gesneld," zei een der Dajaks

lachend.

»Het zullen gewonden of zieken zijn geweest, die onderweg bezweken

zijn," meende een ander.

Later bleek, dat de vooruitgezonden verkenners deze lijken al zonder

hoofd hadden gevonden. Vermoedelijk hadden de Sibaoe's zelf de koppen

meegenomen, opdat ze niet in 's vijands handen zouden vallen.

Intusschen naderde men het gebergte. De bodem begon te stijgen en

werd rotsachtig. Bij een oude, vervallen ladang, welke men passeerde,

hield het pad, dat men tot dusverre had kunnen volgen, plotseling

op. Men moest zich nu uitsluitend richten naar enkele teekens en de

sporen der Sibaoe's.

Kees begon een gesprek met een der mannen uit het verwoeste dorp in

de nabijheid.

»Ben je hier bekend?"

»Ja, heer, ik heb hier veel gejaagd."

»Hoe ver ging je, om te jagen?"

»Tot den voet van het hooggebergte, heer, waar de rotsen steil

opstijgen."

»En heb je daar nooit iets opgemerkt, dat op een pad of een weg

geleek?"

»Nooit, heer! Ik begrijp ook niet waar die Sibaoe's eigenlijk heen

willen. Denkelijk zullen ze morgen voor de rotsen staan, en ons

daar in handen vallen.... tenzij ze vliegen kunnen, zooals de oude

menschen vertellen."

»Heb jij ooit menschen zien vliegen?"

»Neen, heer, maar al heb ik het nooit gezien, daarom zou het toch

wel kunnen zijn?"

Tegen deze opmerking kon Kees niet veel inbrengen en hij volstond

met te zeggen:

»We zullen het morgen wel zien."

Dit gesprek was door anderen gedeeltelijk aangehoord. Het zette de

verbeelding in vlam en weldra kwamen de tongen weer los. De Sibaoe's

bezaten tooverkrachten. Ze werden door machtige antoe's geholpen. Ze

konden over de bergen vliegen.

Kees trachtte die verhalen te ontzenuwen.

»Waar de Sibaoe's langs kunnen, daar kunnen wij ook langs," zei hij.

»We zullen zien, heer! We zullen zien!" zei een bedachtzaam oud man.

»Dàt zullen we! Het zal er mee gaan als met het gevecht. Eerst heette

het, dat de Kenjaoe's nooit de Sibaoe's zouden kunnen verslaan. En

toch hebben ze hen verslagen en ze vluchten voor ons uit, zoo hard

ze maar kunnen."

»Dat is waar! Dat is waar!" riepen verschillende stemmen.

»Laat ons den dag van morgen afwachten. Dan praten we weer!" riep

Kees vol vertrouwen.

»We zullen ze wel krijgen, heer!" zei een der jongere mannen vroolijk.

»Juist! Als de verkenners maar zorgen, dat zij ze geen oogenblik uit

het oog verliezen."

Toen de avond viel was de bala reeds dicht aan den voet van het

hooggebergte. De grijze rotsmassa's leken hier al even ontoegankelijk

als die van den eigenlijken Goenoeng Lawit. Met beklemming dacht Kees

een oogenblik terug aan wat hij daar ondervonden had, waar de kaken

des doods hem van alle zijden aangrijnsden. Hier leek het al niet

veel beter.

Op deze plaats werd een vrij goede gelegenheid voor nachtkwartier

gevonden.

Den volgenden morgen beklom men een heuvelrug, welke rechtstandig

op het gebergte aanliep. Hoe meer men dit naderde, des te beter zag

men, dat zich overal loodrechte rotswanden verhieven, die volkomen

onbeklimbaar waren.

Kees begreep er niets van. Hij werd ongerust. Van de Dajaksche

tooververhalen geloofde hij geen woord. Toch vreesde hij voor een

raadsel te zullen komen, dat hij misschien niet kon oplossen. Zijn

eenige hoop was gevestigd op de handigheid en de slimheid der

verkenners. Wanneer deze de Sibaoe's geen moment uit het oog verloren,

bestond er kans, dat ze ook den geheimen weg zouden ontdekken.

Plotseling werd hij opgeschrikt door een zacht geroep uit de

verte. Petinggi luisterde en herhaalde het onmiddellijk.

»Wat is dat, Petinggi?"

»Een van onze mannen, heer!"

»Zeker bericht over de Sibaoe's."

»Als het maar goed bericht is, heer!"

Een eind verder zat de verkenner verscholen in het struikgewas.

De bala hield halt en Kees en Petinggi Datoek begaven zich naar

den verkenner.

»Wat nieuws?" vroeg Kees haastig.

»Slecht nieuws, heer!"

»Hoe zoo? Waar zijn de Sibaoe's?"

»Verdwenen, heer! Ze zijn in de lucht verdwenen."

Kees stampte op den grond. Petinggi Datoek stiet een kreet van

bijgeloovige angst uit.

»Waar zijn de andere verkenners?" vroeg Kees eindelijk.

»Die zijn aan den voet der rotsen gebleven, heer. Zij wachten, waar

we de Sibaoe's zagen verdwijnen."

»Heb je ze zien verdwijnen?" vroeg Kees met de grootste verbazing.

»Ja, heer; we waren een paar honderd depa [16] van hen af. Toen

verdwenen ze in het kreupelhout aan den voet der rotsen. Na eenigen

tijd slopen we vooruit, om te zien waar ze gebleven waren. Maar toen

we in het kreupelhout kwamen, was er niets meer te bespeuren."

»En waarheen liepen de sporen?"

»Die waren er niet, heer!"

»Wàt zeg je? Geen sporen?"

Kees schudde het hoofd over de domheid der Dajaks en Petinggi sloeg

in de uiterste verbazing de handen ineen.

»Er wàren geen sporen, heer!"

»Je bazelt, man!" riep Kees driftig.

»Neen, heer, ik heb alles goed gezien. In het kreupelhout kon men

duidelijk zien, dat de Sibaoe's daar gestaan en geloopen hadden. Maar

er was geen spoor van den verderen weg."

»Dan hebben ze je bedrogen en hun spoor onherkenbaar gemaakt. De

Sibaoe's zijn slimmer dan de Kenjaoe's. Ze hebben jelui als vrouwen

om den tuin geleid."

»Het beste is, dat u zelf eens gaat kijken, heer," zei de Dajak

droogjes.

»Dat zal ik doen, en dan zal ik je toonen, dat een blanke beter

sporen kan zoeken, dan een Kenjaoe-dajak," vervolgde Kees, die steeds

boozer werd.

Petinggi Datoek gaf een teeken aan de bala. Deze naderde en men ging

weer vooruit.

De Dajaks omringden nu den verkenner. Zij moesten er het hunne van

hebben en weldra klonken allerlei uitroepen van schrik, angst en

verbazing door de lucht.

»Vooruit!" riep Kees, »wijs ons liever den weg. Met oudewijvenpraatjes

komen we niet verder."

»Het zijn geen praatjes, heer!" verdedigde zich de Dajak.

»Welzeker zijn het praatjes! De Kenjaoe's zijn oude vrouwen, die

gelooven, dat menschen in vogels kunnen veranderen."

»Ik heb u toch gezegd, heer, dat de Sibaoe's altijd bekend zijn

geweest om hun tooverkunsten. U heeft het nooit willen gelooven en

nu ziet u het toch," waagde Petinggi Datoek schuchter op te merken.

»Zwijg, Petinggi!" beval Kees op barschen toon. »Ik geloof het niet

en zal het nooit gelooven!"

Men naderde ondertusschen het kreupelbosch, dat aan den voet der

rotsen groeide.

»Laat ons hier het hout onderzoeken!" zei Kees terwijl hij het

bosch betrad.

Slechts zeer enkele Dajaks volgden hem. De meesten bleven beangst en

schuw op eenigen afstand staan wachten.

In het hout vond Kees de drie andere mannen, die de verklaringen van

hun makker geheel bevestigden.

»Wijs me de plek, waar ge de Sibaoe's het laatst gezien hebt."

»Daar ginds, heer, waar u ook het hout is binnengekomen."

»En hier zie ik duidelijk hun sporen," zei Kees op den bodem wijzende.

»Hier nog wel, heer; maar verder op, vlak bij den rotswand, is een

open plek. Daar houden de sporen op."

Kees begaf zich naar de aangeduide plek en was weldra druk bezig een

vervolg van de sporen te zoeken. Alles tevergeefs. Hij vond niets

anders, dan wat de verkenners al hadden medegedeeld. Hier hadden een

aantal menschen bijeengestaan. Zij hadden wat heen en weer geloopen,

maar er was geen enkele aanwijzing, die aangaf, naar welken kant zij

die open plek hadden verlaten.

Langzamerhand kwamen er meer Dajaks in het kreupelhout. Ieder zocht,

maar niemand vond, wat hij wenschte.

Kees was in een buitengewoon slecht humeur. Hij meende op het gezicht

der verkenners te lezen, dat ze zich heimelijk verheugden over de

onmacht van den blanke. Dit prikkelde hem, te meer, daar hij weer

een druk gemompel hoorde over de raadselachtige tooverkunsten der

Sibaoe's. Raadselachtig was de toestand inderdaad. Maar hij zou en

hij moest het geheim onthullen. Hij snuffelde de geheele open plek nog

eens na en daar hij last had van de Dajaks, beval hij dezen terug te

gaan in het hout. Slechts Petinggi Datoek, Marti en één der verkenners

hield hij bij zich, om hem zoo noodig te helpen.

De vier mannen stelden nu een nauwgezet onderzoek in. Na eenigen

tijd kwamen ze tot het besluit, dat er twee soorten sporen waren,

namelijk geheel versche, die hoogstens eenige uren oud konden zijn

en ook oudere, die niet van de laatste dagen konden zijn.

»De nieuwe sporen zijn van vandaag, de oude van verscheidene dagen

geleden," merkte Marti op.

»Die zijn van den dag, waarop de Sibaoe's dit land zijn binnen

gevallen," vooronderstelde Kees.

»Dat moet wel, heer, maar waar is hun weg!" riep Petinggi Datoek uit.

Marti had intusschen met den anderen Dajak nauwkeurig den bodem

onderzocht. Eensklaps riep hij: »Hier is een gat, alsof er een paal

heeft gestaan."

Werkelijk was de grond daar ter plaatse losgewoeld.

»En hier heeft men de paal langs gesleept," riep Petinggi Datoek

opgewonden.

»Dan zijn ze hier langs een paal naar boven geklommen," zei Kees. »En

die ladder hebben ze omhooggetrokken, toen ze allen boven waren. Er

is geen andere mogelijkheid," riep Kees.

Allen keken opwaarts. Voor hen verhief zich de steile rotswand.

»Dat kan niet, heer; de rots is veel te hoog, zulke lange palen zijn

er niet," zei de Dajak.

»Neen, het is te hoog," erkende Kees nadenkend. »En toch is er geen

andere mogelijkheid!"

Hij trad een eind achteruit om den steilen wand eens goed te

bekijken. Nu trof het hem, dat men een deel van den rotswand niet

kon overzien. Daar sprong een klip een eind naar voren.

Hij wilde niets onbeproefd laten, om het geheim der Sibaoe's te

ontdekken.

»Zoek een langen en dunnen boomstam uit en kap dien!" beval hij aan

een paar Dajaks. Toen aan zijn verlangen voldaan was, liet hij den

stam schuin bij wijze van ladder tegen den rotswand zetten. Daarna

gelastte hij een der Dajaks, om naar boven te klimmen.

Nauwelijks had de man het uitstekende gedeelte van de rotsen bereikt,

of hij riep:

»Hier is een hol!"

»Ha, hier hebben we eindelijk de oplossing van het raadsel!" riep

Kees opgewonden.

Er ontstond nu een geweldig tumult onder de verzamelde Dajaks. Daar

moesten ze meer van hebben en de achtergeblevenen snelden toe, om

hun nieuwsgierigheid te bevredigen.

»Tracht door het gat te kruipen!" riep Kees.

»Ja, heer, maar het is lastig! het is niet wijd!" Men wachtte eenige

oogenblikken vol inspanning. Daar klonk de stem van den Dajak, maar

nu van achter de vooruitstekende rotsen:

»Het gat loopt verder door. Laat nog een paar mannen hier komen! Ik

durf alleen niet verder gaan!"

Kees besloot zichzelf op de hoogte te stellen. Hij klom naar boven,

gevolgd door een der Dajaks, die inkepingen in het hout maakte om

het klimmen voor de anderen gemakkelijker te maken.

Boven gekomen zag Kees, dat het gat juist groot genoeg was, om

één man kruipend door te laten. Niet zonder moeite gelukte het hem,

zich van den boom op de rots te werken en zich daarna door het gat te

wringen. Toen hij in het hol doordrong, bemerkte hij, dat dit weldra

wijder en hooger werd. Na een vijftigtal meters gekropen te hebben,

kon hij opstaan en loopende zijn weg vervolgen. Een eind verder vond

hij den Dajak, die 't eerst naar boven was gegaan, op hem wachten.

Het was vrij donker in deze onderaardsche ruimte. Toch zag men aan

het andere einde de schemering van het licht. Daar moest dus de andere

uitgang zijn.

Weldra hadden zich nog een tiental mannen bij hen gevoegd. Nu ging men

weer verder, om te zien, waar de gang uitkwam. Bij den uitgang zagen ze

een diep ravijn voor zich en in de verte overal de steile rotswanden

van het Lawit-gebergte. In het fijne zand op den bodem, waarop ze

stonden, waren duidelijk de voetsporen der Sibaoe's afgeteekend.

Ten overvloede kwamen eenige Dajaks met een paar tot ruwe ladders

bewerkte boomstammen aansleepen, die ze juist in 't hol hadden

gevonden.

Nu was de laatste vrees der Kenjaoe's voor hun oude vijanden geheel

verdwenen. Ze zagen in, dat ze zich altijd door de listige Sibaoe's

hadden laten verschalken. Alle tooververhalen bleken nu ineens volkomen

onwaar te zijn.

Maar hoe waren de Sibaoe's nu in het ravijn gekomen? Ook dat pad werd

weldra ontdekt. Nu begonnen ze naar beneden af te dalen. Gemakkelijk

was dat niet; hier en daar moesten de mannen gebruik maken van tegen

de rotsen geplaatste boomstammen.

Het duurde verscheidene uren voor de bala in zijn geheel in het diepe

ravijn was aangekomen. Toen kon men den tocht voortzetten. Het ravijn

kronkelde als een holle weg tusschen de hooge en steile rotswanden

door. Het leed geen twijfel, of men was op den goeden weg, die

rechtstreeks naar het land der Sibaoe's voerde.

De vreugde en de opgewondenheid onder de Kenjaoe's was groot. Ook Kees

uitte zijn blijde tevredenheid; hij kwam meer nader bij zijn doel:

de Soengei Sibaoe, waar de schat der diamanten verborgen lag.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 14 / 20 题