XII. TERUG IN HET LAND DER SIBAOE-DAJAKS.

Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe's

geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter

duidelijk. Men was op den goeden weg.

Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van

het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.

»Nu zijn we voor den tweeden keer in het land der Sibaoe's, Marti!" zei

Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak

bij hem liep.

»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt."

»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele

bala der Kenjaoe's is immers bij ons!"

»Maar de Sibaoe's zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala

te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is

't met ons gedaan."

»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe's niet

de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken

in 't geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen

verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het

rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar

hun dorpen terug."

»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat

voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte

struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen

bezorgen."

»Zeg dat even aan Petinggi Datoek," raadde Kees.

Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij

nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele

verkenners vooruit.

Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen,

om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam,

steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat

ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den

trouweloozen Maleier afrekenen?

»Het eenige middel is, een paar Sibaoe's te ondervragen," overlei

hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ik dat gedaan? De Kenjaoe's maken

geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen

komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen,

om een paar Sibaoe's levend in handen te krijgen."

Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog

wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd

met de Sibaoe's te aanvaarden?"

»Zeker, heer! Uw raad was goed!"

»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime

weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor

den vijand niet kunnen blijven volgen?"

»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe's weten dat, en wij allen zijn u

dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen

stam leven."

Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat

bedoelde de blanke man met al zijn vragen?

»Dat is goed, Petinggi!" zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik

vragen, of de Kenjaoe's ook iets voor mij zouden willen doen."

»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt."

»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!"

»Dan zal het gebeuren, heer!"

»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest

ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je

bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten

voor de verraderlijke plannen der Sibaoe's. Nu ben ik weer terug in

dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar

ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den

Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet."

»Hij moet zijn straf hebben!" riep de Dajak.

»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe's kan

ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen."

»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?"

»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe's een paar Sibaoe's sparen, indien

wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan."

»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen

genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe's

krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen."

»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen

geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen,

geef ik ze de vrijheid terug."

De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een

zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze

toch niet snellen. Het was vreemd!

Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:

»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen,

wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe's zeggen, dat ze degenen, die

levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen

ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden."

»Goed zoo!" riep Kees tevreden.

Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek

plotseling:

»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?"

»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet

eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over

spreken mag."

»Dat is zoo, heer," zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:

»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der

Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte,

glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel

een ander doel hebben."

Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.

»Laat het genoeg zijn, Petinggi!" zei Kees, lichtelijk verstoord.

Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:

»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons

volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die

heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen,

veel verdriet heeft gehad."

Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen

te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.

Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van

de Sibaoe's bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden

achtergelaten op den bodem.

Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men

bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden

jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote

voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen

getroffen te worden.

Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In

den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De

vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen

aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later

ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken

van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer

voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te

naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.

»We kunnen dit huis niet naderen zonder ontdekt te worden," zei Kees.

»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht

en dan het huis omsingelen."

Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde

het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk

bedreigde.

Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder

verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte

geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans,

ontdekt te worden.

Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een

hond in de richting van het huis.

»We zijn ontdekt!" fluisterde Kees tot Petinggi.

»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet

geroken hebben."

Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden,

bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht

achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.

Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open

terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het

was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs

den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine

groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.

Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.

Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de

ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder

het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten

bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk

klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd

overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe's, die nu wisten, dat

hun toeleg gelukt was.

Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij

had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot

getroffen levenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide

uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden

opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.

In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe's onder de

woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren,

met lanssteken af te maken.

Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden

het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een

oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle

slachtoffers gesneld.

Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke

moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.

»Vindt u 't niet goed, heer?" vroeg een der Dajaks, die zag, hoe

ontdaan Kees was.

»Neen, zoo'n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een

eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk."

»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe's altijd gewoon waren, onze dorpen

op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen

te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen,

kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe's zijn er

tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan," antwoordde de Dajak.

Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal

Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.

Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien

had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe's in hun wraakzucht niet aan hun

belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:

»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken

was?"

De Dajak schrok en riep beschaamd uit:

»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de

Kenjaoe's ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te

kunnen nemen, doet ons alles vergeten."

»Dus krijg ik geen gevangenen?" vroeg Kees scherp.

»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!"

»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!"

»U heeft het recht zoo te spreken, heer!"

Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te

zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala

verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in

brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden

een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan

een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen

klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke

bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.

Een dichte rookwolk dreef over het bosch.

»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons

verraden," zei Kees tot Petinggi.

»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe's

verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand."

»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar

op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd

in het bosch te overnachten."

De Dajak schrok.

»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode

Sibaoe's in hebben gelegen. De antoe's zouden ons dat niet toestaan."

Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste

maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.

Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok

men voorbij een ladang waarop een huisje stond, dat echter geheel

verlaten bleek.

Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen

men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis

boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen

avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde

men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit

dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder

het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder

de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte

krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen

te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de

woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen

en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra

sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe's door de uitgangen aan

het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.

Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe's

toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen

het geducht te kwaad.

Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe's werden

overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring

weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe's

zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook

enkelen gewond.

Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti

meester gemaakt van een der Sibaoe's. Ze ontwapenden hem en hielden

hem stevig vast, totdat de strijd beslist was. Tot groot genoegen

van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.

»In het huis ligt er nog een vastgebonden, heer!" zei de Dajak,

zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.

Kees prees hem en vervolgde:

»Mooi, nu heb ik er drie!"

»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt."

»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en

voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen."

»Ik zal er voor zorgen, heer!"

De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.

Weldra waren de drie Sibaoe's behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees

op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.

De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich

waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.

»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt

alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft,

zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten."

De Sibaoe's zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk

wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet

voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog

niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan

verkozen ze nog liever een snellen dood!

»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?" vroeg Kees, hen één voor

één in de oogen ziende.

De mannen knikten.

»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?"

»Seboedoet, heer!" antwoordde een der mannen.

»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?"

»Het water van de Soengei Pejang, heer!"

Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.

»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?"

»Ja, heer."

»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?"

»Die kennen we, heer."

»Is dat hier ver vandaan?"

»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng."

Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich

beheerschte.

»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?"

»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt," zei één der gevangenen.

»Is hier wel eens meer een blanke geweest?" De Dajaks zwegen op deze

vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.

»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op

mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over

aan de Kenjaoe's!"

Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan 't praten

te krijgen.

»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij

zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar

onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten

deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden

de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik

niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij

geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe's

te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk

niet vertellen."

»En waar zou dat gebeurd zijn?"

»Aan de Soengei Tekoeng, heer," was het aarzelend bescheid.

»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem

inwinnen," vervolgde Kees.

»Komt u om zijn dood te wreken, heer?"

»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge

een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien."

»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in

Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd."

»Was hij alleen?"

»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe."

»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij

heenging?"

»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we

hebben hem niet teruggezien."

»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet

te ontvluchten; want dan wordt ge gedood."

Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds

gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.

»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met

je praten."

Petinggi volgde.

Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen

gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der

Kenjaoe-dajaks.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 15 / 20 题