Door het lange oponthoud van den vorigen dag was men de Sibaoe's
geheel kwijt geraakt. De sporen van hun voetstappen waren echter
duidelijk. Men was op den goeden weg.
Bizonder snel ging men evenwel niet voorwaarts, daar de bodem van
het ravijn oneffen en veelal moeilijk begaanbaar was.
»Nu zijn we voor den tweeden keer in het land der Sibaoe's, Marti!" zei
Kees vroolijk tot zijn trouwen reisgezel, die als gewoonlijk vlak
bij hem liep.
»Ja, heer! maar het is te hopen, dat het beter afloopt."
»Ben je weer beangst, Marti? We zijn nù toch heel sterk. De heele
bala der Kenjaoe's is immers bij ons!"
»Maar de Sibaoe's zijn in hun eigen land sterk genoeg, om den bala
te verslaan. Zij kunnen ons ook in een hinderlaag lokken en dan is
't met ons gedaan."
»Dat is waar, Marti; maar je hebt toch gezien, dat de Sibaoe's niet
de minste moeite hebben gedaan, om hun sporen te verbergen. Ze denken
in 't geheel niet, dat wij hen volgen. Indien ze ons hadden willen
verslaan, zouden ze dat heel gemakkelijk hebben kunnen doen in het
rotshol. Ze denken zonder twijfel, dat ze veilig zijn en keeren naar
hun dorpen terug."
»Het is mogelijk heer; doch ik zou toch liever zien, dat de bala wat
voorzichtiger vooruitging. Hier tusschen die rotsen en dat dichte
struikgewas kunnen enkele mannen ons reeds geduchte verliezen
bezorgen."
»Zeg dat even aan Petinggi Datoek," raadde Kees.
Marti begaf zich naar het hoofd en besprak de zaak met dezen. Hij
nam onmiddellijk maatregelen voor meerdere veiligheid en zond enkele
verkenners vooruit.
Kees liep intusschen weer te denken over andere dingen. Het verlangen,
om de diamanten te bezitten, werd, nu hij dichter bij zijn doel kwam,
steeds heviger. Hoe zou hij ze in zijn handen krijgen? Had Amat
ze niet reeds lang weggehaald? En op welke manier zou hij met den
trouweloozen Maleier afrekenen?
»Het eenige middel is, een paar Sibaoe's te ondervragen," overlei
hij in zich zelf. »Maar hoe krijg ik dat gedaan? De Kenjaoe's maken
geen gevangenen. Die snellen onmiddellijk alles wat in hun handen
komt. Ik zal er eens met Petinggi over spreken. Die moet mij helpen,
om een paar Sibaoe's levend in handen te krijgen."
Hij wendde zich tot het Dajaksch hoofd: »Zeg Petinggi, weet je nog
wel, dat ik het geweest ben, die je aangeraden heb, om den strijd
met de Sibaoe's te aanvaarden?"
»Zeker, heer! Uw raad was goed!"
»Herinner je je ook, dat ik het was, die volhield dat er een geheime
weg moest zijn? En is het zoo niet uitgekomen? En hebben we daardoor
den vijand niet kunnen blijven volgen?"
»Ja, heer! Ik en alle Kenjaoe's weten dat, en wij allen zijn u
dankbaar. Uw naam zal bekend blijven, zoolang er mannen van onzen
stam leven."
Petinggi keek Kees intusschen met klimmende verwondering aan. Wat
bedoelde de blanke man met al zijn vragen?
»Dat is goed, Petinggi!" zei Kees en vervolgde toen: »Nu wilde ik
vragen, of de Kenjaoe's ook iets voor mij zouden willen doen."
»Natuurlijk, heer! als het in onze macht ligt."
»O, het is heel gemakkelijk, Petinggi!"
»Dan zal het gebeuren, heer!"
»Welnu, Petinggi, je weet, dat ik vroeger ook al in dit land geweest
ben. Het was mijn doel te zoeken naar de Soengei Tekoeng. Het is je
bekend, dat ik toen mijn doel niet bereikt heb. Ik moest vluchten
voor de verraderlijke plannen der Sibaoe's. Nu ben ik weer terug in
dit land en ik wilde gaarne mijn oorspronkelijk plan uitvoeren. Maar
ik weet hier den weg niet. Ook wil ik berichten inwinnen omtrent den
Maleier Amat, die mij verraden heeft, zooals je weet."
»Hij moet zijn straf hebben!" riep de Dajak.
»Juist! Maar daartoe is noodig, dat ik een paar Sibaoe's kan
ondervragen. Die alleen kunnen mij helpen."
»Dat begrijp ik, heer! Maar wat is nu uw wensch?"
»Mijn wensch is, dat de Kenjaoe's een paar Sibaoe's sparen, indien
wij in gevecht komen, en dat ze de gevangenen aan mij afstaan."
»O, dat is goed, heer! Die kunt u krijgen! Wij krijgen koppen
genoeg, als we de huizen overvallen. U kunt wel een paar Sibaoe's
krijgen. Bovendien kunnen we ze later altijd nog snellen."
»Neen, Petinggi, dat wil ik niet! Het is mijn bedoeling, die menschen
geheel voor mij zelf te houden. En als ze mij goede diensten bewijzen,
geef ik ze de vrijheid terug."
De Dajak zette een verwonderd gezicht. Dat was zeker weer een
zonderlinge gewoonte van de blanken; koppen te kunnen krijgen en ze
toch niet snellen. Het was vreemd!
Petinggi hield echter zijn opmerkingen voor zich en zei alleen:
»Zooals u wilt, heer! Wij zijn u veel dank verschuldigd en zullen doen,
wat u verlangt. Ik zal aan de Kenjaoe's zeggen, dat ze degenen, die
levend in onze handen vallen, moeten sparen. Dan kunt u die menschen
ondervragen. Die u dan gebruiken kunt, mag u houden."
»Goed zoo!" riep Kees tevreden.
Eenigen tijd liepen ze zwijgend verder. Toen vroeg Petinggi Datoek
plotseling:
»Wat wilt u toch eigenlijk zoeken bij die Soengei Tekoeng?"
»Dat kan ik je niet zeggen, Petinggi! Het is een geheim en niet
eens van me zelf, doch van een ander, zoodat ik er zeker niet over
spreken mag."
»Dat is zoo, heer," zei de Dajak en vervolgde toen droogjes:
»Meestal is het de blanke menschen, die zoo diep in het land der
Dajaks doordringen, te doen om het gele goud, of om de kleine, witte,
glinsterende steentjes in de rivieren. Maar u zult ongetwijfeld wel
een ander doel hebben."
Half nieuwsgierig, half spottend keek hij Kees van terzijde aan.
»Laat het genoeg zijn, Petinggi!" zei Kees, lichtelijk verstoord.
Alsof hij dat niet bemerkte, vervolgde de Dajak:
»Wij, Dajaks, dragen geen diamanten. Die brengen altijd ongeluk. Ons
volksgeloof zegt, dat het gestolde tranen zijn van een godin, die
heel lang geleden op aarde leefde, en die, volgens de verhalen,
veel verdriet heeft gehad."
Kees achtte het verstandig, op deze en andere opmerkingen het zwijgen
te bewaren, ten einde niets van zijn plannen te laten blijken.
Men had den geheelen dag noodig om door het gebergte te trekken. Van
de Sibaoe's bemerkte men niets anders dan de sporen, welke ze hadden
achtergelaten op den bodem.
Den volgenden dag wezen verschillende kenteekenen er op, dat men
bewoonde streken naderde. Men vond een oud voetpad. Hier hadden
jagers springlansen opgesteld, om groot wild te verschalken. Groote
voorzichtigheid was soms noodig, om niet door deze lansen in de beenen
getroffen te worden.
Het pad werd steeds beter en vertoonde meer sporen van gebruik. In
den namiddag kwam de bala op een punt, waar de weg zich splitste. De
vooruitgezonden verkenners hadden echter door teekens in de boomen
aangegeven, welke der beide paden men moest volgen. Eenigen tijd later
ontdekten de voorste mannen een ladang, waarop men echter geen teeken
van leven bespeurde. Verder op werd echter een huis waargenomen. Zeer
voorzichtig, verborgen door het bosch, trachtte men deze woning te
naderen Nu zag men een klein dorp op een open, vrij hoogen heuvel.
»We kunnen dit huis niet naderen zonder ontdekt te worden," zei Kees.
»Neen, heer! We moeten ons in het bosch verschuilen tot den nanacht
en dan het huis omsingelen."
Weldra was de geheele bala in het struikgewas verdwenen. Niets duidde
het vreeselijk gevaar aan, dat den dorpelingen zoo onmiddellijk
bedreigde.
Scherp werd dien nacht de wacht gehouden. Niemand sliep. Ieder
verkeerde in spanning en luisterde scherp, of zich geen verdachte
geruchten deden hooren. Er bestond in dit vreemde land altijd kans,
ontdekt te worden.
Te middernacht schrokken ze plotseling op door het gejank van een
hond in de richting van het huis.
»We zijn ontdekt!" fluisterde Kees tot Petinggi.
»Ik geloof het niet, heer! De wind is hierheen; die hond kan ons niet
geroken hebben."
Kort daarop zweeg het gejank en ofschoon de Dajaks lang luisterden,
bleek Petinggi gelijk te hebben gehad. Enkele uren na middernacht
achtte het hoofd den tijd gekomen, om aan te vallen.
Voorzichtig sloop men tot den rand van het bosch. Daar lag het open
terrein. Flauw begon de schemering de oosterkim te kleuren. Het
was dus hoog tijd. Een twintigtal mannen schoof als slangen langs
den grond naar het huis toe. De anderen verspreidden zich in kleine
groepjes langs den boschrand om zoo de open plek geheel te omsingelen.
Kees stond in de nabijheid van het bosch en kon alles goed overzien.
Een tiental mannen kroop onder het huis. De anderen stelden zich bij de
ingangen op. Plotseling gaf één der mannen een schreeuw. Zij, die onder
het huis stonden, staken met hun scherpe lansen door den uit latten
bestaanden vloer, waarop de slapende bewoners lagen. Onmiddellijk
klonk een hevig gekerm en geschreeuw uit het huis, dat weldra werd
overstemd door het oorlogsgehuil der Kenjaoe's, die nu wisten, dat
hun toeleg gelukt was.
Daar stoof een Sibaoe met een parang in de hand de ladder af. Hij
had den grond nog niet bereikt, of hij stortte door een speerstoot
getroffen levenloos neer. Een oogenblik later volgden aan de beide
uitgangen nog een drietal mannen en een vrouw. Ook deze werden
opgevangen door hun moordenaars en lagen weldra ontzield ter aarde.
In het huis klonk nog gekerm en geschreeuw en de Kenjaoe's onder de
woning beijverden zich, de ongelukkigen, die volmaakt weerloos waren,
met lanssteken af te maken.
Tenslotte stormden een paar aanvallers de ladders op en betraden
het huis om in de lawangs hun bloedig bedrijf te voltooien. In een
oogwenk was alles afgeloopen en onmiddellijk daarop werden alle
slachtoffers gesneld.
Kees was ondertusschen genaderd. Hem ergerde deze gruwelijke
moordpartij en hij kon zijn afgrijzen niet bedwingen.
»Vindt u 't niet goed, heer?" vroeg een der Dajaks, die zag, hoe
ontdaan Kees was.
»Neen, zoo'n moord op slapende menschen kan ik niet goedkeuren. Aan een
eerlijk gevecht doe ik zelf graag mee; maar dit vind ik afschuwelijk."
»U moet niet vergeten, dat de Sibaoe's altijd gewoon waren, onze dorpen
op deze manier uit te moorden! We hebben dus geen enkele reden, hen
te sparen. En bovendien: koppen zijn koppen, heer. Of ze van vrouwen,
kinderen of mannen zijn, dat doet er niet toe. De antoe's zijn er
tevreden mee en aan de bloedwraak is voldaan," antwoordde de Dajak.
Kees kon er niet veel tegen in brengen. Dajaks zijn nu eenmaal
Dajaks. Zij redeneeren niet volgens de begrippen der blanken.
Plotseling schoot hem te binnen, dat hij geen gevangenen gezien
had. Vermoedelijk hadden de Kenjaoe's in hun wraakzucht niet aan hun
belofte gedacht. Verstoord ging hij naar Petinggi en vroeg:
»Heeft men nu enkele der mannen voor mij gespaard, zooals afgesproken
was?"
De Dajak schrok en riep beschaamd uit:
»Neen, heer! Dat hebben we vergeten. U moet niet denken, dat de
Kenjaoe's ondankbaar zijn; doch het genot, eindelijk eens wraak te
kunnen nemen, doet ons alles vergeten."
»Dus krijg ik geen gevangenen?" vroeg Kees scherp.
»Den volgenden keer zult u ze hebben! Ik sta er voor in, heer!"
»Ik moet het eerst zien, voor ik het geloof, Petinggi!"
»U heeft het recht zoo te spreken, heer!"
Kees verwijderde zich, doch nam zich voor, zelf voor gevangenen te
zorgen, door zich met Marti in den strijd te mengen. Toen de bala
verder trok, bemerkte Kees, dat de Dajaks het uitgemoorde dorp in
brand hadden gestoken. Luid klonk het gebrul der vlammen. Ze vonden
een gemakkelijk voedsel in de hoogst brandbare materialen, waarvan
een Dajaksch huis is opgetrokken. Tusschen het geloei der vlammen
klonken hevige knallen als kanonschoten door het springen der dikke
bamboegeledingen. Het was een helsch lawaai.
Een dichte rookwolk dreef over het bosch.
»Het is zeer dom, dit huis te verbranden. Die rookwolk kan ons
verraden," zei Kees tot Petinggi.
»Dat is wel zoo, heer! Maar we moeten de huizen der Sibaoe's
verbranden. Ze hebben de onze ook verbrand."
»Doe het dan liever op den terugweg; dan levert het minder gevaar
op. Bovendien kunnen we er dan in slapen. Dat is beter, dan altijd
in het bosch te overnachten."
De Dajak schrok.
»Dat kan niet, heer! We kunnen niet slapen in huizen, waar de gedoode
Sibaoe's in hebben gelegen. De antoe's zouden ons dat niet toestaan."
Het was vruchteloos hier iets tegen in te brengen. Voor de zooveelste
maal verwenschte Kees de bijgeloovigheid der Dajaks.
Langzaam en voorzichtig trok de bala verder. In den middag trok
men voorbij een ladang waarop een huisje stond, dat echter geheel
verlaten bleek.
Tegen den avond echter ontdekten de verkenners een groote ladang. Toen
men deze was omgetrokken, zag men het dak van een groot huis
boven het geboomte uitsteken. Op dezelfde wijze als den vorigen
avond werd de bala in het bosch verdekt opgesteld. Ook nu wilde
men onder begunstiging van de duisternis het huis besluipen. Dit
dorp was echter veel grooter, zoodat er heel wat meer mannen onder
het paalwerk moesten kruipen. Dat ging nu minder vlot, want onder
de woning waren varkensstallen afgeschut, waarin een groote menigte
krulstaarten verblijf hield. Enkele van de opgeschikte dieren begonnen
te knorren. Onmiddellijk klonk er een woedend hondengeblaf uit de
woning. Daar binnen was in een oogwenk alles in rep en roer. Vrouwen
en kinderen gilden; dreigende mannenstemmen brulden van woede. Weldra
sprongen een aantal goed gewapende Sibaoe's door de uitgangen aan
het eind en door openingen in de zijwanden naar buiten.
Een hevig gevecht volgde en van alle zijden snelden de Kenjaoe's
toe. Dat was hoog tijd, want zij, die vooruit gegaan waren, kregen
het geducht te kwaad.
Nu echter was de overmacht te groot en de Sibaoe's werden
overwonnen. Verscheidene bewoners van het huis hadden in de verwarring
weten te ontsnappen en waren in het bosch gevlucht. De Kenjaoe's
zelf hadden ook verliezen geleden; eenige hunner waren gedood en ook
enkelen gewond.
Bij het begin van het gevecht had Kees zich met behulp van Marti
meester gemaakt van een der Sibaoe's. Ze ontwapenden hem en hielden
hem stevig vast, totdat de strijd beslist was. Tot groot genoegen
van Kees kwam ook Petinggi Datoek met een gevangene bij hem.
»In het huis ligt er nog een vastgebonden, heer!" zei de Dajak,
zeer voldaan, dat hij nu woord had kunnen houden.
Kees prees hem en vervolgde:
»Mooi, nu heb ik er drie!"
»Misschien kunt u van deze mannen alles vernemen, wat u weten wilt."
»Ik hoop het. Laat een paar mannen de gevangenen stevig binden en
voor mij bewaken. Dan wil ik ze straks ondervragen."
»Ik zal er voor zorgen, heer!"
De Dajak verwijderde zich, om aan het verzoek te voldoen.
Weldra waren de drie Sibaoe's behoorlijk verzekerd en zaten voor Kees
op den grond. Zelf nam hij op een boomstam plaats.
De menschen verkeerden in grooten angst en verwonderden zich
waarschijnlijk, dat hun hoofd nog tusschen de schouders stond.
»Wees niet bevreesd! Ik ben een blanke en zal je niet dooden. Ge hebt
alleen op al mijn vragen te antwoorden. Als ge juiste antwoorden geeft,
zal ik u verder beschermen en misschien wel geheel vrij laten."
De Sibaoe's zeiden niets. Uit hun oogen sprak echter duidelijk
wantrouwen in de bedoelingen van den blanken man. Ze konden zich niet
voorstellen, dat deze hen zou laten leven. Was dat misschien nog
niet veel erger? Zouden ze niet gemarteld en gepijnigd worden? Dan
verkozen ze nog liever een snellen dood!
»Hebt ge mij verstaan en goed begrepen?" vroeg Kees, hen één voor
één in de oogen ziende.
De mannen knikten.
»Welnu, luistert dan! Hoe heet dit dorp?"
»Seboedoet, heer!" antwoordde een der mannen.
»Welk water drinken de menschen van Seboedoet?"
»Het water van de Soengei Pejang, heer!"
Kees had moeite zijn vreugde te verbergen, toen hij dezen naam hoorde.
»De Soengei Pejang is een zijrivier van de Soengei Sibaoe, nietwaar?"
»Ja, heer."
»Kent ge een tak van de Pejang, die de Soengei Tekoeng heet?"
»Die kennen we, heer."
»Is dat hier ver vandaan?"
»Neen, heer; één dag de rivier op ligt de monding van de Tekoeng."
Kees trilde van opwinding, doch het was noodig dat hij zich
beheerschte.
»Dus, gijlieden kunt mij daarheen den weg wijzen?"
»Ja, heer, ik heb daar vaak gevischt," zei één der gevangenen.
»Is hier wel eens meer een blanke geweest?" De Dajaks zwegen op deze
vraag, doch keken elkaar tersluiks even aan.
»Denk aan mijn woorden! Alleen indien ge naar waarheid antwoordt op
mijn vragen, kunt ge op mijn hulp rekenen. Anders lever ik u over
aan de Kenjaoe's!"
Dit dreigement was voldoende om de menschen weer aan 't praten
te krijgen.
»Een paar rijstoogsten geleden is hier ook een blanke geweest. Hij
zwierf hier het land rond; niemand wist, wat hij deed. Slechts een paar
onzer mannen vergezelden hem als dragers. Op zekeren dag bemerkten
deze, dat hij diamanten zocht. Dat brengt ongeluk en daarom wilden
de mannen hem niet verder volgen. Wat er met hem gebeurd is, weet ik
niet. De dragers zeiden, dat hij in den nacht verdwenen was. Doch wij
geloofden het niet. Vermoedelijk hebben ze hem gedood, om de antoe's
te bevredigen. Daar het een blanke was, durfden ze dat waarschijnlijk
niet vertellen."
»En waar zou dat gebeurd zijn?"
»Aan de Soengei Tekoeng, heer," was het aarzelend bescheid.
»Die man was een vriend van mij en ik kom berichten omtrent hem
inwinnen," vervolgde Kees.
»Komt u om zijn dood te wreken, heer?"
»Het is nog niet zeker, dat hij dood is. Nu wil ik nog weten, of ge
een Maleier, Amat genaamd, hebt gezien."
»Ja, heer; die is hier kort geleden geweest. Hij heeft één nacht in
Seboedoet geslapen en is toen weer verder gereisd."
»Was hij alleen?"
»Hij had één drager bij zich; een man uit Metoedjoe."
»En is die niet teruggekeerd? Heeft hij niet gezegd, waar hij
heenging?"
»Neen, heer; hij is in de richting van het hooggebergte gegaan en we
hebben hem niet teruggezien."
»Het is goed. Voorloopig blijven jelui mijn gevangenen. Tracht niet
te ontvluchten; want dan wordt ge gedood."
Kees stond op en begaf zich naar de bala. Deze maakte zich reeds
gereed om te vertrekken, na het huis weer in brand te hebben gestoken.
»Petinggi, laat de mannen nog een oogenblik wachten. Ik moet met
je praten."
Petinggi volgde.
Intusschen stond het dorp Seboedoet in lichte laaie. De vlammen
gierden met rosse tongen omhoog en verkondigden de zegepraal der
Kenjaoe-dajaks.