X. DE HINDERLAAG.

Weldra verzamelden de mannen zich op de aangegeven plaats. Ook vele

vrouwen hadden zich bij hen gevoegd, nieuwsgierig om te hooren,

wat er gezegd zou worden.

Toen de vergadering genoegzaam voltallig was, trad Kees naar voren

en sprak:

»Mannen van de Kenjaoe! Ge hebt allen het verhaal gehoord der

vluchtelingen, die tot ons gekomen zijn. De Sibaoe's hebben hun

vrouwen en kinderen gedood. Ook vele mannen zijn reeds onder hun

slagen bezweken. De hoofden der vermoorden dienen nu als zegeteekenen

voor uwe vijanden. Vermoedelijk trekken deze nu op naar de andere

dorpen. Menschen zullen ze daar nu wel niet meer vinden. Deze zijn

gewaarschuwd en gevlucht. Doch dan zullen ze hun wraak koelen aan

uw huizen en aan uw vee. Over eenigen tijd, als uw vijanden het land

verlaten hebben, zult gij naar uw dorpen terug willen keeren. Dan vindt

ge uw ladangs verwoest, uw woningen verbrand, uw varkens geroofd. Wilt

ge dit toelaten?"

Een dof gemompel ging op uit de rijen der mannen.

»Ik heb gehoord, dat het aantal der Sibaoe's slechts een honderdtal

bedraagt. En hier zijn wel meer dan honderd en vijftig goed weerbare

mannen. Indien ge wilt, zouden we den strijd kunnen wagen. Wanneer het

ons gelukt, de Sibaoe's te verslaan, zouden uwe bezittingen gespaard

blijven. En tevens zoudt gij wraak kunnen nemen voor den hoon, dien

zij u hebben aangedaan. Of wilt ge u hier liever als laffe vrouwen,

blijven verstoppen en uw parangs en lansen laten rusten?"

Weer klonk een dreigend gemompel.

Kees vervolgde met vuur:

»Laat ons vechten, mannen! De antoe's helpen ons, als we maar dapper

strijden! Wat zeggen de mannen van de Kenjaoe nu?"

Een druk gepraat ging door de rijen. Enkele jonge mannen stieten

oorlogskreten uit. Anderen sloegen op hun schilden. De meesten echter

wachtten met ingespannen verwachting, wat de oudsten en hoofden

zouden zeggen.

Een der oudere mannen stond op en nam het woord:

»Hoe zullen wij ooit kunnen vechten tegen de Sibaoe's? Zij zijn

veel behendiger in den strijd dan wij. Zij beschikken over allerlei

tooverkunsten. Zij hebben machtiger antoe's. Naar mijn meening is

het beter, in dit kamp de gebeurtenissen af te wachten."

Kees gaf nu Petinggi Datoek een wenk. Deze trad naar voren.

»Mannen," zei hij, »onze blanke vriend hier, die ons nog net vroeg

genoeg heeft gewaarschuwd, meent het goed met de Kenjaoe-dajaks. Hij

heeft medelijden met de arme vrouwen en kinderen, die hier in het bosch

in grooten getale sterven. Zijn hart is ziek bij het zien van al die

ellende. Hij heeft een plan bedacht, om de Sibaoe's te bestrijden en

ik geloof, dat het een goed plan is."

Zich tot Kees wendende vervolgde hij:

»Wilt u het plan nòg eens verklaren, heer? Dan kunnen alle mannen het

hooren. Want al is een oorlogsplan goed voor de blanke menschen, het

kan wel minder goed zijn voor domme Dajaks. Als u het ons uitlegt, kan

iedereen hooren, dat het overeenkomt met de strijdwijze der Dajaks."

»Welnu," riep Kees, »luistert goed toe. Dan kunt ge allen uw oordeel

vormen.

Wij zijn met ongeveer honderd en vijftig mannen, van wie de meesten

geweren bezitten. De anderen zijn goed bewapend met lansen en

mandau's. Ik stel voor om een paar vlugge jonge mannen vooruit te

zenden, die als spionnen moeten gaan verkennen, langs welken weg

de Sibaoe's oprukken. Zoodra we dat precies weten, gaan de mannen,

die geweren hebben, langs dien weg in hinderlaag liggen. De anderen

stellen zich verdekt op in het bosch en laten den vijand eerst

ongemoeid langs zich heen trekken.

Zoodra ze nu de hinderlaag genaderd zijn, zal ik, ten teeken van

aanval, mijn geweer afschieten. Daarop schieten al de anderen hun

geweer ook af en stormen vervolgens met de parang op den vijand in. Als

deze dan in verwarring terugtrekt, vallen plotseling de anderen hem aan

van uit het bosch en snijden hem den terugweg af. Zoo mòet het dunkt

me gelukken, den vijand gevoelige verliezen toe te brengen. Alles

komt echter op de verrassing aan. De plek voor de hinderlaag moet

dus zorgvuldig gekozen worden."

Er ging onder de Dajaks een algemeen gejuich op. Velen sloegen op hun

lansen en schilden. Kees, door deze gunstige gezindheid aangemoedigd,

ging voort:

»Ge zult een groot aantal koppen buit maken. Uw parangs zult ge

versieren met het haar uwer vijanden. We zullen een groot feest vieren,

als we terugkeeren!"

Een wild geschreeuw steeg op.

»Wij willen vechten! Wij willen de koppen der Sibaoe's!"

»Dat is goed, mannen!" riep Kees uit. »Maar dan moet er onmiddellijk

worden gehandeld. Dadelijk moeten de verkenners er op uit. Wie biedt

zich daartoe aan?"

Een aantal jonge mannen trad naar voren. Met behulp van Petinggi Datoek

zocht Kees er een viertal uit. Deze kregen nog eenige aanwijzingen

en maakten zich gereed om op staanden voet te vertrekken.

Vervolgens wist Kees het stamhoofd te overtuigen, dat het beter was,

dat alle strijdbare mannen zich naar Tapang begaven. Vandaar uit

konden ze vlugger de te kiezen hinderlaag bereiken. De vrouwen en

kinderen konden dan onder bewaking van een klein aantal mannen op

den Boekit Seloewa achterblijven.

Den volgenden dag vertrok de strijdmacht der Kenjaoe's naar Tapang. Na

een tocht van drie dagen kwam men aldaar aan. Daar men zich vleide

met de hoop op eene schitterende overwinning, werd er een feest

aangericht, waarbij door een deel der mannen een groote hoeveelheid

toewak werd gedronken. De angst van vroeger maakte bijna plaats voor

dollen overmoed.

Enkele der Dajaks zochten een aantal tawak-tawak [14] bijeen,

die ze wenschten mee te nemen in den strijd. Kees verzette zich

hier tegen. Hij was bang, dat deze trommen hen ontijdig zouden

verraden. Maar de Kenjaoe's hielden vol, dat het geluid der trommen

hun moed zou verlevendigen en bovendien de antoe's zou oproepen, om hen

te helpen in den strijd. Ten slotte moest Kees er dan ook in berusten.

Reeds den volgenden dag kwamen de verkenners melden, dat de bala [15]

der Sibaoe's naderde en den dag daarop reeds verwacht kon worden uit

de richting van een dorp, genaamd Seboeloeh.

Onmiddellijk toog Kees met Petinggi Datoek en anderen er op uit,

om langs dit pad een geschikte plek voor een hinderlaag te zoeken.

Op ongeveer twee uren afstands van Tapang vond men een

uitstekende plaats. Het pad was daar smal en omgeven door dicht

struikgewas. Heuveltjes in het bosch gaven een mooie gelegenheid om

de reserve-afdeeling te verbergen. Deze zou den vijand, wanneer hij

in verwarring gebracht was, den genadeslag geven.

Toen men de plek goed had vastgesteld, ging een der mannen terug, om

de overige Kenjaoe's te halen. Men zou in de nabijheid der hinderlaag

overnachten om vroegtijdig op post te kunnen zijn.

Ter plaatse aangekomen, werd de geheele macht in twee afdeelingen

gesplitst. De eene afdeeling, hoofdzakelijk met geweren bewapend,

legerde zich langs het pad. De andere stelde zich meer in de richting

van den vijand op, doch wat dieper in het bosch, achter de heuvels.

Allen tintelden van strijdlust. Allen waren bezield met een

onwankelbaar vertrouwen op den goeden afloop.

Een der strijders werd als verkenner langs het pad vooruit gezonden,

om tijdig te kunnen waarschuwen. Hij mocht bij het terugkeeren niet

blijven stilstaan bij de hinderlaag; maar moest doorloopen in de

richting van Tapang, om de opstelling niet te verraden, indien de

Sibaoe's hem vlak op de hielen volgden.

Kees zou het waarschuwingsschot geven, dat het sein voor den algemeenen

aanval zou zijn.

Marti lag naast Kees in het struikgewas verscholen. Hij was bewapend

met de revolver van zijn meester en bovendien nog met een zware

Dajaksche oorlogsparang.

De mannen, die de tawak-tawak zouden slaan, hadden zich met hun

instrumenten dieper in het bosch opgesteld, om daar gedurende het

gevecht ongestoord er op los te kunnen trommelen.

Zoo lagen de mannen, geheel gereed voor den komenden strijd, op den

vijand te wachten. Doodstil moest men blijven liggen. Geen struik

mocht verdacht ritselen; geen woord mocht gesproken worden. Het

wachten in deze hinderlaag was een ware geduldproef. Kees had al

zijn zelfbeheersching noodig, om rustig op zijn plaats te blijven

liggen. Meermalen stond hij op het punt, eens te zien, of de verkenner

nog niet terugkeerde. Telkens moest hij zich weer voorhouden, dat

het bevredigen van deze verklaarbare nieuwsgierigheid noodlottige

gevolgen kon hebben. Zoo wist hij zich ten slotte te bedwingen en

bleef onbeweeglijk de wacht houden.

Hij wist, dat er veel, ja, dat zijn leven op het spel stond. Het was

waar: de Kenjaoe's hadden veel voordeelen aan hun zijde. Maar het was

ook waar, dat de Sibaoe's ervaren strijders en geduchte vijanden waren.

Ook Marti was vervuld van ernstige overpeinzingen. Hij kon het maar

niet van zich afzetten, dat hij slechte voorteekenen gezien had,

toen ze hun tocht begonnen waren. Die droom van bloed en vuur deed

hem nog steeds het ergste vreezen. Dat zijn heer ook zoo eigenzinnig

was! Marti kon zich die avontuurlijke dwaasheden van de blanke menschen

maar niet indenken!

Enkele uren verliepen.

Plotseling schrikten de mannen in de hinderlaag op door het geluid

van vlugge voetstappen langs het pad. Ieder spande zich in iets te

hooren. Scherp spiedde men tusschen de struiken door.... Het was de

verkenner, die vlug de opstellingsplaats voorbij liep.

In 't voorbijgaan zei hij:

»Ze komen!"

Spoedig was hij langs het pad verdwenen. De spanning steeg tot den

hoogsten graad. Weldra zouden de geduchte vijanden er zijn.... spoedig

zou alles beslist zijn. Nu overwinnen of.... de dood.

Kees luisterde ongeduldig in hevige spanning. Nu en dan schrikte

hij op. Daar waren ze--neen! toch niet! Herhaaldelijk speelde zijn

verbeelding hem parten!

Maar hoor!--Wat was dat?

Duidelijk hoorde Kees het geluid van menschelijke stemmen. Daar

naderden voetstappen! Dáár waren ze! Hij zag de eerste Sibaoe's. Het

hoofddeksel versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den

neushoornvogel; de borst bedekt met soelauwbaadjes; zwaar bewapend

met geweren, lansen en parangs. Niets kwaads vermoedende, liepen de

krijgers in groepjes van vijf of zes man langs het pad. Zonder argwaan

gingen ze hun verderf tegemoet. Ouder gewoonte rekenden ze er op,

dat de Kenjaoe's diep in de bosschen waren gevlucht.

Weldra waren er een veertigtal gepasseerd. Daar zag Kees het hoofd

der Sibaoe's, den valschen Senawa. Hij was in druk gesprek met een

reusachtigen Dajak, die vlak achter hem liep.

»Het geluk is mij gunstig," mompelde Kees.

Hij legde aan op Senawa. Een schot klonk daverend door het bosch;

een salvo van twintig, dertig schoten volgde. Onder woedend gehuil en

geschreeuw sprongen de Kenjaoe's te voorschijn; met opgeheven parangs

stormden zij wild op den vijand in. Ook Kees was door de struiken

gedrongen, gevolgd door Marti. Senawa was onmiddellijk doodelijk

getroffen neergestort. Nu stond hij echter tegenover den reusachtigen

Dajak. Met moeite ontweek hij diens geweldige parangslagen. Daar was

echter de trouwe Marti naast zijn meester gesprongen en weldra lag

de Sibaoe zieltogend ter aarde.

Kees had geen gelegenheid gehad naar de andere Kenjaoe's om te zien. Nu

twee dooden aan zijn voeten lagen, keek hij rond. De strijd was al

bijna afgeloopen; een groot aantal doode of zwaar gewonde Sibaoe's

lag over het pad verspreid. De aanval was schitterend geslaagd. De

Kenjaoe's hadden met hun vlijmscherpe parangs en lansen onbarmhartig

huisgehouden onder de Sibaoe's, die verschrikt waren door den

plotselingen overval.

Wel hadden ze spoedig hun tegenwoordigheid van geest teruggekregen

en duchtig trachtten ze zich te weren. Hun rijen waren echter te zeer

gedund om nog met succes weerstand te bieden.

Van uit het bosch klonk intusschen nog steeds het opwindend geroffel

der keteltrommen, dat de krijgers tot grooter dapperheid aanspoorde.

Terwijl het voorste gedeelte van de bala der Sibaoe's door de

Kenjaoe's werd afgemaakt, haastte de achterhoede zich verschrikt,

terug te trekken. Het pad was niet breed en de overhaaste terugtocht

veroorzaakte ook hier verwarring. Van dezen toestand maakte de reserve

der Kenjaoe's gebruik, om de overgeblevenen van achteren aan te vallen.

Onder leiding van Petinggi Datoek stormden zij te voorschijn. Vol

ongeduld hadden zij liggen wachten, tot hùn oogenblik gekomen

was. En nu zagen ze hun kans schoon. Het tijdstip was inderdaad

gunstig gekozen.

Groot was de ontsteltenis onder de Sibaoe's. Nieuwe drommen vijanden

rukten van den tegengestelden kant aan. Voor ze zich herstellen

konden van hun ontzetting, waren velen met parang en lans neergeveld;

slechts een klein deel, waarvan de meesten nog wonden had bekomen,

wist door het struikgewas aan de wraak der Kenjaoe's te ontkomen.

Kees, Marti en een aantal Dajaks, die de vluchtende achterhoede

gevolgd waren, kwamen te laat, om nog aan het gevecht deel te nemen;

de lichamen van doode en gewonde Sibaoe's bedekten ook hier den grond.

Nu begon een weerzinwekkend tooneel. De Kenjaoe's begonnen hun gevallen

vijanden te snellen. Ook voor gewonden was geen genade.

Kees wendde zich vol afgrijzen af. Hij ging terug naar de plaats der

eerste hinderlaag; doch ook daar wachtte hem hetzelfde afschuwelijke

schouwspel. Ook daar waren de Kenjaoe's bezig, met hun scherpe wapenen

de hoofden der gevallenen van de lichamen te scheiden.

Een der Dajaks kwam vroolijk op hem toeloopen, een gesnelde kop

omhoog houdend.

»Deze is van u, heer! U heeft hem neergeschoten!"

Kees herkende het hoofd van Senawa. Huiverend van afschuw wendde hij

zich af. Zonder een woord te spreken, verliet hij deze plaats. De

Dajak stond verstomd over de eigenaardige manieren van de blanke

menschen. Als Kees zijn rechtmatig eigendom dan niet op prijs stelde,

dan zou hij het maar behouden.

Marti deed niet mede aan het bloedig bedrijf. Toch versierde hij zijn

parang met eenige haarlokken. En Kees moest toelaten, dat hij diens

wapen ook versierde met een haarlok van Senawa.

Het bleek, dat men in 't geheel ruim een vijftigtal koppen had

buitgemaakt. De Kenjaoe's waren dol van opwinding over zulk een

succes. Zelf hadden ze een tiental dooden te betreuren en een twaalftal

der hunnen waren gewond.

De geheele bala der Kenjaoe's keerde nu terug naar Tapang. De gewonden

werden meegevoerd op ruwe, van takken vervaardigde, draagbaren.

Weldra was het overwinningsfeest in vollen gang. De vreugdekreten

schalden; de keteltrommen dreunden; het was een oorverdoovend

lawaai. Inmiddels zond Petinggi Datoek een paar boodschappers naar den

Boekit Seloewa. De vijand was verslagen; nu kon men dus ongehinderd

naar de dorpen terugtrekken.

Het groote feest in Tapang werd steeds woester. Groote hoeveelheden

toewak verhitten de hoofden; steeds wilder en hartstochtelijker

werden de krijgsdansen om de op staken geplaatste hoofden der

verslagen Sibaoe's.

In deze heidensche vermaken kon Kees geen behagen scheppen. Hij trok

zich terug in een der lawangs en probeerde, ondanks het toenemend

feestrumoer, wat uit te rusten.

En in die afzondering zweefde hem alweer een nieuw plan voor den geest.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 13 / 20 题