Weer klonken de kreten, die hen zoo hadden doen schrikken. Daar zagen
ze eensklaps om een bocht der rivier achter zich een tweetal booten,
ieder met een zestal Dajaks bemand, snel op zich afkomen.
Kees stiet een verwensching uit.
»Roeien, Marti! Anders gaat onze kop er af!"
Maar het roeien hielp niet veel. Ze hadden hun handen vol met
sturen. Toch naderden de Dajaks nu niet dichter. Waar zaten ze
nu? Hadden ze zich aan den oever begeven? Waanden ze zich zeker van
hun prooi en zouden ze deze door het bosch heen den pas afsnijden?
Neen, ze waren toch nog op de rivier. Af en toe kreeg men ze in
't vizier. Meestentijds waren ze door het dichte bosch aan 't oog
onttrokken. Beangstigend was die herhaalde onzichtbaarheid der
vervolgers! Steeds vreesden de beide mannen dan in een hinderlaag
te vallen.
Eindelijk zei Kees: »Als ze zich weer vertoonen zal ik schieten,
Marti." En hij maakte zijn geweer in orde.
»Ze hebben zelf ook een geweer, heer."
»Jawel, maar het mijne draagt veel verder en schiet veel zuiverder. Als
ik er een paar neergelegd heb, geven ze misschien de jacht op."
Toen ze kort daarop weer een bocht omvoeren, hoorden ze het geschreeuw
opnieuw achter zich. Toen de vervolgers weer te voorschijn kwamen,
was de afstand veel kleiner geworden.
Kees maakte toebereidselen om te schieten. Terwijl hij met zijn geweer
bezig was, keek Marti achterom en bemerkte, dat een der Dajaks in de
voorste boot eveneens van plan was te schieten.
»Schiet, heer!" riep hij angstig.
Kees mikte en gaf vuur.
»Geraakt!" juichte Marti, die het roeien een oogenblik gestaakt had,
om de uitwerking te zien.
De Dajak sprong plotseling hoog op, liet zijn geweer vallen en
tuimelde in de rivier. Onmiddellijk werd hij door den stroom gegrepen
en verdween in het schuimende water.
Oogenblikkelijk hielden de anderen op met roeien en verborgen zich
onder de afhangende takken van den oever.
Zouden ze de vervolging opgeven?
De beide vluchtelingen hoopten in ieder geval weer een voorsprong
te krijgen. Ze roeiden zoo krachtig mogelijk, doch het ging niet te
best. Ze waren doodmoe. Bovendien werden ze telkens opgehouden door
boomstammen, die de rivier bijna over de geheele breedte versperden.
Geen van beiden wist van uur of tijd. Het ging om hun leven! Ze
roeiden, roeiden....
Spreken deden ze niet. Af en toe wisselden ze kort en beslist een
enkele opmerking of waarschuwing betreffende hindernissen in den
stroom. Ze roeiden maar! De eenige mogelijkheid om het veege leven
te redden!
Eensklaps herinnerde Kees zich een opmerking van Jan Verveer. Een
nieuwe angst greep hem aan.
»Er moet in deze rivier ergens een waterval zijn! Zouden we daar al
dicht bij zijn? Zouden we er met dezen waterstand overheen komen?"
»De oevers zien er hier nog niet naar uit, heer. Het aangrenzende land
is vrij laag. Als de bodem hoog en rotsachtig wordt, moeten we scherp
uitkijken. Dan moeten we de boot over land langs den waterval sleepen
en een eind benedenwaarts weer te water gaan. We kunnen er onmogelijk
door heen sturen; de stroom is te woest en te sterk gezwollen."
Kees was het geheel met Marti eens. Hij zweeg, om nu weer al zijn
aandacht aan het besturen van de djaloer te wijden.
Eenige oogenblikken verliepen.
Daar hoorden ze plotseling weer het moordzuchtig geschreeuw hunner
vervolgers. Deze hadden dus de jacht niet opgegeven. Omziende bemerkten
ze, dat de Dajaks hun weer dicht op de hielen zaten.
»Schiet, heer!"
»Even geduld," antwoordde Kees. »De afstand is nog te groot. Ik
wil geheel zeker zijn van mijn schot. Elke treffer maakt indruk op
die duivels!"
Ze bepaalden er zich voorloopig toe, de Dajaks goed in 't oog te
houden, ten einde van elk gunstig oogenblik een goed gebruik te
kunnen maken.
Maar de djaloers der Dajaks bleven voortdurend op denzelfden
afstand. Wat beteekende dat? Welke duivelsche list school
daarachter? Al weer een martelende onzekerheid! Bijna wenschte Kees,
dat ze maar liever tot den aanval overgingen. Dan wist hij, waaraan
hij zich te houden had! Dan kon hij handelen!
Op een gegeven oogenblik constateerde Marti, dat de oevers weer
wat hooger werden. Kees zag, dat het lage land blijkbaar overging
in heuvelland. De oevers waren niet meer overstroomd, doch staken
duidelijk boven het water uit. Scherp teekende de rivier zich af. Nu
behoefden ze niet meer bevreesd te zijn, dat de Dajaks door het
ondergeloopen bosch met hun djaloers een bocht zouden kunnen afsnijden.
Steeds hooger werden de oevers. Hier en daar vertoonden ze vrij
steile rotswanden. De rivier werd smaller, de stroom sterker. Een
nieuw gevaar! De boot zou verpletterd worden, wanneer zij door den
krachtigen stroom tegen de steenachtige oevers geslingerd werd.
De booten van de Dajaks bleven intusschen denzelfden afstand
bewaren. Nu en dan klonken een paar schelle kreten door de lucht. De
kerels schenen een satanisch genot te hebben in de jacht. Ze martelden
hun prooi, waarvan ze zich zeker waanden.
»Ze zullen wachten tot den nacht. Dan besluipen ze ons, als we aan
wal zijn," zei Kees. »Zouden we niet dóór kunnen roeien?"
»Neen, heer! dat is onmogelijk! Er is geen maan en we zouden in
het duister stellig tegen de rotsen geslingerd worden. We hebben
nù al de grootste moeite om de boot in den stroom te houden. Er
komen waarschijnlijk ook nog riams. En dan die waterval! Neen, dat
is onmogelijk!"
»Dan vrees ik, dat ze den nacht afwachten. Wat zouden ze anders in
hun schild voeren?"
»We kunnen ten minste niet gaan slapen, heer, en moeten duchtig de
wacht houden. Bij het minste verdachte geluid moeten we schieten. Dan
blijven ze misschien op een afstand."
Weer roeiden ze geruimen tijd voort en keken ten slotte bijna niet
meer om naar hun vervolgers, die toch niet naderbij kwamen.
Plotseling echter werden ze opgeschrikt door een woedend gehuil en
gebrul, dat veel sterker klonk dan te voren. Ze keken om. Daar zagen
ze, dat nog een vijftal grootere djaloers zich bij de vervolgers had
aangesloten. Naar schatting waren er nu wel een zestigtal vijanden!
»We zijn verloren!" riep Marti geheel moedeloos. Hij scheen den
wedstrijd te willen opgeven.
»Roeien!" gilde Kees. De angst gaf hem vernieuwde kracht.
»Vergeefsch, heer!" zei Marti somber. »In elke boot zitten acht of
tien roeiers. Zij vorderen veel sneller dan wij. En u kunt ze toch
niet allemaal neerschieten. Wij zijn reddeloos verloren!"
»Die duivels hebben op versterking gewacht!" siste Kees woedend
tusschen zijn tanden. »Nu durven ze wel!"
Hij gaf de revolver aan Marti.
»Hier is de revolver! Er zitten zes patronen op! Je kunt er zes
neerschieten, voor ze je grijpen! Ik voor mij zal mijn leven zoo duur
mogelijk verkoopen!"
»Ze zullen ons snellen, heer!" jammerde Marti.
»Wat kan mij dat schelen, als ik toch dood ben!" gromde Kees nijdig
terug.
»Maar ik kom zonder hoofd niet in den hemel van Allah!"
»Daar kom je toch niet in, als je zoo bang bent. Allah houdt niet
van lafaards!" dreigde Kees.
Deze woorden maakten eenigen indruk op de ziel van den Mohammedaan. Dan
zou hij maar trachten, zonder hoofd in zijn hemel te komen door dapper
te vechten.
Al korter werd de afstand tusschen de beide partijen. Het
triomfantelijk geschreeuw van de Dajaks klonk de beide vluchtelingen
tergend in de ooren.
Ontzettend was de spanning, waarin ze verkeerden. Ze vergaten op
te merken, dat de rivier nog smaller, de oevers nog steiler en
rotsachtiger werden.
Daar.... plotseling!.... vlak voor zich zag Kees een witte streep
over de geheele breedte van de rivier. Schuim was het! Daar ziedde het
water met onweerstaanbare kracht tegen de uit de bedding omhoogstekende
rotsen aan.
»De waterval!" gilde hij.
Marti keek onverschillig op en zei met doffe berusting: »Nu verdrinken
we. Dat is tenminste beter dan gesneld te worden door dat ontuig."
Een oogenblik flitste het Kees door zijn brein, om aan land te gaan
en de boot over den wal heen te sleepen. Maar dan vielen ze in de
handen der Sibaoe's. Dan maar liever te gronde gaan in het woeste
water van de rivier. Beter dat de natuur hen tot zich nam, dan dat
die menschelijke duivels hen vermoordden.
»Houd je vast, Marti! Let op! Stuur rechtuit!.... Daar gaan wij....!"
Als of een onzichtbare reuzenhand plotseling het ranke vaartuigje
had aangegrepen schoot het voorwaarts, pijlsnel voorwaarts door het
woedende water. Sturen was ondoenlijk! Doodsbleek, de oogen star
gericht op den waterval, wachtten ze het noodlot af. Krampachtig
klemden ze hun handen om de randen van de boot!
Daar waren ze op de plek! Kees sloot de oogen, bereid zich in de
armen van den dood te werpen. Donderend loeide het water tegen de
rotsen. Een ondeelbaar oogenblik bevonden ze zich in een wolk van
rillend schuim. Op hetzelfde oogenblik werden ze met boot en al
opgeheven. Toen smakten ze neer in de diepte....
Snel als de gedachte was de djaloer onverlet over de rotsen heen
geschoten en gleed voorwaarts in het lagere gedeelte van de rivier. De
mannen zaten versuft te kijken, nog altijd de handen om de boorden
geklemd.
Kees herkreeg het eerst zijn bezinning. De djaloer stond vol water.
»Hoozen, Marti!"
Marti ontwaakte nu ook uit zijn verdooving.
Ze hadden nog juist den tijd het water uit te hoozen, anders zou de
boot zijn gezonken.
Terwijl ze hier mee bezig waren, herinnerden ze zich plotseling
hun vervolgers. Ze wendden de oogen naar den waterval, die nog goed
zichtbaar was. Daar zagen ze, wat er met de Dajaks gebeurde....
In het vuur der vervolging, zich zeker wanende van hun prooi, hadden
deze blijkbaar niet op de rivier gelet. Daardoor waren ze veel dichter
bij de waterval gekomen, dan ze gedacht hadden.
Eensklaps zagen ze het bootje van Kees en Marti tusschen de steenen
door in den ziedenden stroom verdwijnen. Nu eerst beseften ze hun
eigen gevaarlijken toestand. Ze stelden krachtige pogingen in 't
werk, om den oever te bereiken. Te laat! De sterke stroom had de
djaloers dicht opeen gedreven. De vrij lange vaartuigen hadden nu
geen voldoende ruimte, om zich naar willekeur te bewegen. Machteloos
stormden ze voorwaarts.
Een der booten werd dwars in den stroom gesleurd.
Onmiddellijk daarna zagen Kees en Marti met ontzetting, hoe de djaloers
hunner vijanden wild door elkaar werden geworpen. Met reuzenkracht
werden ze tegen de rotsen verpletterd. Gelijk een zaaier het koren
strooit, zoo werden de roeiers eruit geslingerd.
Een oogenblik klonken vreeselijke doodskreten door de lucht. Toen
waren de Dajaks spoorloos verdwenen in de wielende draaikolken beneden
den waterval.
Alles was beslist. Slechts enkele seconden waren voor dit vreeselijk
drama noodig geweest. Geen geluid werd meer vernomen dan het donderend
geraas van het neerstortend water.
Ademloos hadden Kees en Marti toegezien. Toen werd het hoog tijd,
dat ze weer aan hun eigen toestand dachten. De boot begon bedenkelijk
in den stroom te draaien. Wee hunner, wanneer het vaartuig dwars in
de rivier kwam te liggen!
Sprakeloos en bleek van de geweldige gemoedsbeweging, waaraan ze
ten prooi waren geweest, togen ze aan het werk. Geruimen tijd later,
toen ze de boot weer geheel in hun macht hadden en geregeld verder
voeren op het nu betrekkelijk nog al kalme water, zei Marti:
»We zijn gered. Geloofd zij Allah! Hij heeft ons geholpen."
»Ja," zei Kees met een hartgrondigen zucht, »ik geloof nu ook, dat
we gered zijn."
»Ze zijn allen dood," vervolgde Marti.
Zwijgend roeiden zij nog een tijdje verder.
Toen kwam de ontspanning en voelden ze, dat ze nu van uitputting niet
meer konden.
»We zullen aan den volgenden hoek aanleggen, Marti, ik ben doodop."
Marti knikte bevestigend met het hoofd, doch scheen te lusteloos om
een woord te zeggen.
»Onze vijanden zijn nu dood. Het is noodig, dat we rust en voedsel
krijgen," vervolgde Kees. Onwillekeurig keek hij nog eens achter
zich. De schrik zat er nog in. Het was alsof zijn beangste verbeelding
nog een nagalm hoorde van de dreigende kreten der vervolgers. Maar de
rivier lag verlaten en stil en voerde haar prooi mee, misschien ver,
ver weg--naar de zee.
Intusschen was de hoek weldra bereikt. Kees stuurde de boot naar den
wal, die hier zandig en heuvelachtig was. Meer landwaarts in verhieven
zich vrij hooge heuvels, met zware bosschen begroeid.
Het duurde maar kort, en beide mannen lagen languit onder de schaduw
der boomen en zonken weg in een zwaren, diepen slaap.
Na een paar uur ontwaakte Kees. Hij bemerkte, dat de avond reeds
begon te vallen. De plek leek hem zeer geschikt om er meteen maar
te overnachten.
Hij wekte Marti en droeg hem op, rijst te koken.
Een oogenblik later kwam Marti met een bedrukt gezicht naar hem toe
en zei:
»Heer, al onze rijst is nat geworden. Morgen zal alles bedorven
zijn. Het beste is, dat ik voor morgen ook maar kook. Dan hebben we
dien dag ten minste eten. Maar hoe het dan verder moet, weet ik niet."
»Dan moeten we maar weer een paar dagen honger lijden. Ik hoop echter,
dat we spoedig menschen zullen ontmoeten."
»Als het dan maar geen koppensnellers zijn, heer; daar heb ik mijn
bekomst van."
»Dat moeten we afwachten! Maar Sibaoe-dajaks zullen het in ieder
geval niet zijn."
Terwijl Marti kookte, ging Kees op verkenning uit. Hij beklom één
der hoogere heuvels. Op den top gekomen, ontwaarde hij in 't Noorden
hooge bergketens. Naar het Westen en Oosten bespeurde hij ook bergland,
doch in het Zuiden waren geen bergtoppen te zien. Hij begreep, dat de
rivier zich hier een weg gebaand had door de zuidelijke uitloopers
van het gebergte. Daar de rivier naar het Zuiden stroomde, had men
het gebergte dus geheel achter den rug. Bevredigd daalde hij den
heuvel weer af. Alleen de vraag, hoe aan voedsel te komen, als ze
niet spoedig bewoonde oorden bereikten, stemde hem minder gerust.
Bij zijn terugkomst deelde hij aan Marti zijn bevindingen mede. Nu
overlegden ze, hoe verder te handelen.
Het eenvoudigste was, de rivier slechts af te varen. Doch Kees
herinnerde zich, dat zijn vriend Verveer, de diamantzoeker, hem
indertijd had gewaarschuwd voor uitgestrekte en in hooge mate ongezonde
moerassen. Deze streken wilde hij dus liefst vermijden.
»We kunnen in ieder geval doorvaren, zoolang de oevers nog heuvelachtig
zijn en dan zien," besloot Kees.
»Komen we nog bij de Kenjaoe's terug, heer?" vroeg Marti aarzelend.
»Ik denk het niet. Waarom zouden we daarheen gaan? Het lijkt mij
het verstandigst, zoo gauw mogelijk naar huis te gaan. De diamanten
zijn toch verloren. Die zullen wel in bezit komen van den verrader,
Amat. Ik hoop, dat de Sibaoe's hem snappen en zijn kop afslaan."
»Misschien konden we hier vandaan gemakkelijk bij de Kenjaoe's
komen. Als we in hun land zijn, weten we den weg naar huis."
»Daar is wel iets van aan!" zei Kees nadenkend.
»En dan is er nog iets, heer," ging Marti verlegen voort. Hij had
blijkbaar nog iets op 't hart. »Ik heb u niet alles verteld, wat ik
heb afgeluisterd."
»Spreek duidelijk, Marti," zei Kees streng.
»Vergeef me, heer, dat ik u iets verzweeg. Ik was zoo bang... ik
dacht alleen aan de gevaren, die òns bedreigden.... Ik dacht.... ik
meende...."
»Spreek niet langer in raadselen. Zeg, wat je weet!" beval Kees.
»Allah heeft ons gered, vandaag!" zei Marti plechtig.... »Ik geloof,
dat ik alles zeggen moet, om anderen ook te redden."
»Anderen? Wat anderen? Wie dan toch?"
»De Kenjaoe-dajaks, heer!"
»Zijn de Kenjaoe's dan in gevaar?" vroeg Kees met steeds toenemende
verbazing.
»Ja, heer! Toen ik het gesprek der Dajaks afluisterde, bleek me,
dat Senawa behalve met ons, ook met anderen wilde afrekenen. Het was
noodzakelijk ons zoo spoedig mogelijk te doen verdwijnen met het oog
op de andere plannen."
»En welke plannen dan?"
»Is het u niet opgevallen, dat er in 't huis van Senawa zooveel mannen
waren? Veel meer dan er woonden! Hebt u er wel aandacht aan geschonken,
dat allen zwaar bewapend waren en soelauw-baadjes droegen? Dat alles
wijst er op, dat ze een sneltocht zullen ondernemen. En uit hetgeen
ik opving, kon ik opmaken, dat de voorgenomen mengajaoe-tocht gemunt
was op de Kenjaoe's."
»Arme kerels!" riep Kees medelijdend uit.
»Maar waarom heb je dat niet eerder gezegd, Marti?"
»Ik vreesde, dat u dan pogingen zou doen, om Petinggi Datoek te
waarschuwen en daar ik van alle avonturen genoeg had, zag ik daartegen
op," bekende Marti verlegen.
»En wat wou je nu?" vroeg Kees.
»Zooals ik u reeds zei, heer; Allah heeft ons gered. Ik heb er over
nagedacht en nu geloof ik, dat onze redding een vingerwijzing van
Allah is, om die arme Kenjaoe's te waarschuwen. Daarom wilde ik toch
gaarne naar hun land terug. Zou dat hier vandaan niet mogelijk zijn?"
»Ik denk het wel! Het ligt ten Noordwesten van de streek, waar we
nu zijn. Als we morgen nog een eind de rivier afzakken en dan naar
het Noord-Westen loopen, zullen we er wel kunnen komen. Mijn eenige
zorg is het gebrek aan rijst. Bovendien weet ik niet hoelang de tocht
moet duren....
Maar ik vind toch ook, dat we Petinggi Datoek moeten waarschuwen;
dat is onze plicht! De Kenjaoe's hebben ons vriendelijk ontvangen en
flink geholpen. Wij mogen hen niet in den steek laten."
Marti betuigde zijn ingenomenheid met dit besluit.
»En nu gaan we slapen," zei Kees. »Gevaar zal hier wel niet zijn;
we zullen dus maar geen wacht houden."
Voor de zooveelste maal spreidden ze hun leger van bladeren en legden
zich neer onder het zware loover van het oerwoud. Bijna onmiddellijk
sliepen ze in en zonken ze weg in de diepten, waar geen droomen zijn.
Zoo rustten ze den ganschen nacht, ongestoord, tot de zonsopgang van
den komenden nieuwen dag.