VII. DE VERRADER.

Na dien avond nog wat gepraat te hebben met Senawa en enkele andere

Dajaks, was Kees tamelijk vroeg gaan slapen. Ook Marti en Amat begaven

zich ter ruste. Weldra was het stil in de gaanderij en scheen alles

in diepen slaap verzonken.

Inderdaad, zoo scheen het. Maar de listige Amat waakte. Na eenigen

tijd rees hij voorzichtig op van zijn mat. Zijn oogen trachtten het

halfduister van 't vertrek te doorboren. Na zich te hebben overtuigd,

dat de andere beide mannen rustig sliepen, stond hij geruischloos

op. Daar kraakte één der latten onder zijn voeten. Bliksemsnel hurkte

hij neer.... Marti maakte een beweging, doch een oogenblik later

hoorde Amat aan een licht gesnurk, dat hij weer rustig doorsliep. Nog

omzichtiger stond hij andermaal op en onhoorbaar verdween hij, om de

lawang van Senawa op te zoeken.

Nauwelijks echter was hij weg, of ook in den schijnbaar zoo vast

slapenden Marti kwam leven. Hij schoof voort in de richting, waarin hij

Amat had zien verdwijnen. Bij de lawangs gekomen, luisterde hij aan de

dunne wanden en sloop toen weer behoedzaam verder, tot hij gemompel van

een paar mannenstemmen vernam. Het kwam uit de lawang van Senawa....

Hij strekte zich languit op den vloer en drukte het oor tegen

den dunnen wand. Zoo bleef hij geruimen tijd onbeweeglijk liggen

luisteren. Eindelijk scheen hij genoeg te hebben verstaan. Even

behoedzaam als hij gekomen was, gleed hij terug naar de plaats, waar

Kees nog altijd rustig lag te slapen, en strekte zich weer op zijn

mat uit.

Eenige oogenblikken later sloop ook Amat terug naar zijn

legerstede. Hij keek eens naar de beide slapende mannen en legde zich

ter ruste.

Geruimen tijd daarna kwam er weer beweging in Marti. Langzaam schoof

hij in de richting van Kees, tot hij ten slotte vlak naast dezen lag.

Toen begon hij hem voorzichtig te wekken.

»Stil, heer!" fluisterde hij. »Houd u slapende. Ik heb u iets te

vertellen; doch zorg vooral, dat we niet gehoord worden."

Hoewel Kees eenigszins verschrikt was, kon hij zich beheerschen en

zich slapende houden.

Hij draaide het hoofd naar Marti en deze begon aan zijn oor te

fluisteren:

»U moet vooral geen geluid maken, Amat ligt hier niet zoo heel ver

af. Als die ons bemerkte, zou alles te laat zijn. Nu is er misschien

nog redding mogelijk."

Kees had met verbazing toegeluisterd en niets van Marti begrijpend,

vroeg hij zoo stil mogelijk:

»Wat is er? Je doet me schrikken."

»U moet weten, heer, dat ik Amat niet erg vertrouwde; al een paar malen

had ik gemerkt, dat hij met Senawa sprak doch dadelijk zweeg, als ik

er bij kwam. Dat beviel me niet, en ik besloot hem in 't oog te houden.

Zoo kon ik afluisteren, dat ze van avond, als wij sliepen, elkaar

zouden ontmoeten in de lawang van Senawa. Ik bleef dus wakker, ten

einde te trachten dat gesprek te beluisteren. Dat is me gelukt. Ik

heb me slapende gehouden, totdat Amat naar Senawa ging; toen ben ik

hem nageslopen. Kunt u me verstaan, heer?"

»Ja, verder."

»Ik hoorde, dat Amat alle moeite deed om Senawa's argwaan tegen u op te

wekken. Hij zei hem, dat u later zeker terug zou komen met soldaten,

als u eerst in dit land den weg maar kende. Hij raadde Senawa aan,

ons te doen vermoorden."

»En toen?" vroeg Kees ademloos.

»Senawa zeide, dat hij dit nooit durfde. Hij was bang voor de

wraak van de Kompenie. Toen gaf Amat den raad, ons op een andere

wijze onschadelijk te maken, door de djaloer te laten omslaan of zoo

iets. Ook dat durfde Senawa niet. Ten slotte heeft Amat hem bepraat,

om aan den gids en den drager te zeggen, dat ze ons een geheel

verkeerden weg moesten wijzen en ons dan in de wildernis te verlaten,

zoodat wij van honger moeten omkomen."

»Waarom heeft die valsche Maleier dat gedaan?" vroeg Kees, bevend

van machtelooze woede.

»Dat is me een raadsel, heer. Maar al een paar dagen had ik een gevoel

van wantrouwen tegen hem."

»Ik heb dien schurk nooit vertrouwd!" fluisterde Kees terug.

»In ieder geval moeten we vluchten, heer. Zoowel Amat als Senawa

willen ons doen verdwijnen. Als hun plan niet gelukt, zullen ze zich

op andere wijze van ons trachten te ontdoen. Dan zou Senawa ten slotte

ook niet voor een moord terugdeinzen."

»We kunnen niet vluchten, Marti. Waar zouden we heen moeten gaan in

den stikdonkeren nacht!"

Kees zuchtte. Al zijn schoone droomen, die hij bijna verwezenlijkt

dacht, zag hij plotseling in nevelen opgaan.

»Ik weet misschien iets, heer! We laten morgen vroeg niets merken, en

gaan heel gewoon weg, zooals afgesproken is. Zoodra we op de rivier

zijn, trachten we ons van de beide mannen te ontdoen. Dan laten we

ons zoo snel mogelijk de Soengei Sibaoe afzakken. Misschien gelukt

dit plan. Zoo niet, dan zijn we verloren; maar dat zijn we toch ook

als we niets doen."

»Dat is een goed plan, Marti. Laat ons nu alles precies afspreken,

zoodat we beiden nauwkeurig weten, hoe te handelen."

Lang nog fluisterden de twee mannen, telkens angstig zwijgend, als

ze eenig gerucht meenden te hooren.

Toen eindelijk alles nauwkeurig was vastgesteld, schoof Marti naar zijn

mat terug en strekte zich uit om nog wat te rusten. Maar nòch hij,

nòch Kees kon dien nacht slapen en ze waren dankbaar, toen eindelijk

de morgenschemering aanbrak.

Weldra hadden de twee Dajaks, die hen zouden vergezellen, zich

aangemeld.

Senawa wenschte hen een goede reis.

Het kostte Kees moeite, een vriendelijk gezicht te zetten tegen

den valschen Dajak. Hij wist zich echter te beheerschen. En nog

grooter was zijn inspanning om niet in drift uit te barsten, toen

de trouwelooze verrader Amat verscheen, om hem op kruiperige wijze

vaarwel te zeggen. Hij had hem wel neer willen schieten als een hond,

maar de omstandigheden dwongen tot de uiterste zelfbeheersching.

Toen verlieten ze het dorp Metoedjoe.

Zoowel Kees als Marti verkeerde in de grootste spanning. Ofschoon ze

hun gedragslijn zoo goed mogelijk hadden bepaald, bleef de mogelijkheid

niet uitgesloten, dat er onverwachte beletselen zouden komen. En

dan.... hun geheele toekomst was in hooge mate onzeker.

Weldra hadden ze de pangkalan bereikt. De mannen brachten de

levensmiddelen en de wapens in de voor de reis bestemde djaloer.

Kees en Marti namen daarop in het bootje plaats. De eerste gelastte

den eenen Dajak de rottan, waarmee het aan een boomtak bevestigd was,

los te maken. De andere Dajak belette het vaartuig weg te drijven

door eenige overhangende takken vast te houden.

Toen de Dajak, die het bootje losgemaakt had, in het water stapte om

nu ook in de djaloer te komen, gaf Marti plots den anderen, die op

den rand van het vaartuigje stond, een hevigen stoot, zoodat de man,

die op zoo'n onverhoedschen aanval in 't geheel niet bedacht was,

voorover in de rivier tuimelde....

Onmiddellijk stuurde Kees het vaartuigje, dat door den stroom

meegevoerd werd, naar het midden van de rivier, waar de stroom nog

sterker was.

Ook Marti had onmiddellijk een dajong ter hand genomen en beiden

begonnen te pagaaien en te sturen, hetgeen hard noodig was, daar de

boot reeds bedenkelijk in den stroom begon te draaien.

De beide Dajaks stonden verbluft te kijken. Blijkbaar begrepen ze

eerst niets van hetgeen er eigenlijk gebeurd was. Weldra drong het

echter tot hen door, dat ze leelijk beet genomen waren. Ze zagen, dat

de djaloer zich snel stroomafwaarts bewoog en dat de beide inzittenden

uit alle macht roeiden, om zoo spoedig mogelijk voort te komen.

De Dajaks sprongen aan land. Daar keken ze een oogenblik met

onheilspellende blikken de vluchtenden na, uitten een paar dreigende

kreten en verdwenen inderhaast in het bosch.

»Ze gaan de anderen waarschuwen," zei Kees.

»Ze hebben twee uur noodig, om in de booten te kunnen zijn. Het is

meer dan een uur loopen naar Metoedjoe," antwoordde Marti.

»Dat is zoo. We hebben een mooien voorsprong. Toch zullen we zoo hard

mogelijk moeten roeien, anders halen ze ons toch nog in. In de grootere

booten kunnen ze met zes of acht man roeien. Ook is er mogelijkheid,

dat ze de rivierbochten afsnijden."

Marti keek eens naar de oevers. Het was waar! de oeverlanden stonden

hier en daar diep onder water, tengevolge der vele regens. Voor de

Dajaks zou het nu gemakkelijk zijn, daar zij het terrein kenden, door

het bosch heen de vele en groote bochten in de rivier af te snijden.

»Ja, heer, dat zullen ze zeker doen. Doch voor ons is het niet

gewenscht. We kennen de rivier niet en zouden met zoeken misschien

veel kostbaren tijd verliezen."

»Dat dunkt mij ook. We zullen onze twee uren voorsprong maar gebruiken,

door zoo hard mogelijk te roeien."

De beide vluchtelingen werkten met de uiterste krachtsinspanning,

om hun bootje de grootst mogelijke snelheid te geven. Dat was een

zeer gevaarlijk werk. Het bruine water, dat groote hoeveelheden

takken en bladeren meesleurde, schoot met groot geweld, al schuimend

en draaikolken vormend, om de vele hoeken en bochten heen. Al

hun stuurmanskunst werd vereischt, om te voorkomen, dat het ranke

vaartuigje tegen de steenige oevers gesmeten en verpletterd werd of

in een draaikolk verdween.

Plotseling schreeuwde Marti:

»Een riam!"

Kees zette zich schrap, teneinde de djaloer zonder letsel door

die stroomversnelling heen te kunnen sturen. Het was een spannend

oogenblik. Nòg sneller werd de vaart van den djaloer; nòg wilder

schuimde en bruiste 't water; nòg dreigender wielden en zogen de

draaikolken, waarin de grootste takken, als door een onzichtbare hand

omlaaggetrokken, spoorloos verdwenen.

Daar was het gevaarlijke punt bereikt.

Plotseling schoot de djaloer met bliksemsnelheid vooruit. Het bootje

kreeg een hevigen schok, zoodat Kees er bijna uitgeslingerd werd. Een

groote golf sloeg over de lage boorden en onmiddellijk daarop bemerkten

Kees en Marti, dat ze zich weer in wat rustiger stroom bevonden. Ze

waren de riam gepasseerd.

»Dat is gelukt!" riep Kees met een zucht van verlichting, terwijl

Marti zich haastte, het binnengeplaste water uit te hoozen.

»Het scheelde niet veel, of we hadden er 't hachje bij in geschoten. De

djaloer heeft een flinken stoot gekregen! Zeker tegen een steen

gebonsd! Bespeur je geen lek?"

»Neen, heer, gelukkig niet! Toch hoop ik, dat er niet veel zulke

riams zijn. Daar tegen is het bootje op den duur niet bestand."

»Opletten! Daar liggen boomstammen."

Weer was de uiterste inspanning noodig, om deze nieuwe beletselen

te overwinnen.

Zoo ging het den ganschen morgen. Meermalen verkeerden de vluchtelingen

in dreigend doodsgevaar.

Slechts nu en dan, wanneer ze zich op een vrij recht gedeelte van de

rivier bevonden, konden ze eenige woorden wisselen. Ook dit deden ze

ten laatste niet meer. Het was eerst middag; maar beiden waren ze, door

het zware werk en de voortdurende onzekerheid en angst, reeds doodmoe.

Op een gegeven oogenblik verbrak Kees plotseling het langdurig zwijgen:

»Nu weet ik het!"

Verwonderd keek Marti op.

»Wat weet u, heer?"

»Wie die Amat is, die ons zoo valsch heeft verraden. Ik dacht al,

dat ik hem meer gezien had. Nu schiet het mij te binnen."

»Wie is het dan?"

»De gewezen bediende van mijn gestorven vriend, den diamantzoeker. Ik

herinner me, dat ik hem éénmaal in diens huis gezien heb, toen ik

hem kort voor zijn dood bezocht."

»Maar waarom heeft hij u dan verraden, heer?"

»Ik vrees, Marti, dat hij het geheim van de diamanten ook

weet. Vermoedelijk heeft hij wat Hollandsch gekend en het gesprek

tusschen mij en zijn meester genoegzaam kunnen volgen, om te weten,

waar het over ging. Dáárom moest hij naar het land der Sibaoe's en

daarom wilde hij mij verhinderen, naar de Soengei Tekoeng te gaan."

»Hoe is het mogelijk heer!" riep Marti uit.

»Het is de eenige verklaring, die ik voor al het gebeurde kan vinden."

»Ja, heer, zoo zal het gegaan zijn. En nu zal die Amat wel zelf naar

de Soengei Tekoeng gaan, om de diamanten te halen."

»De schurk!" siste Kees.

Nog eenigen tijd verdiepten ze zich in hun vermoedens. Toen liet de

vermoeidheid zich weer geducht voelen. Kees dacht er over een geschikte

plek te zoeken, om even uit te rusten. Terwijl hij met dit doel een

onderzoekenden blik wierp op de oevers, klonken er plotseling door

het bosch schelle kreten.

»De Sibaoe's?" riepen ze doodelijk verschrikt.

Door de gevaren van hun tocht en later door hun gesprekken over Amat,

hadden ze het gevaar, dat nog altijd van de zijde der Dajaks dreigde,

geheel vergeten. Maar de koppensnellers waren hen niet vergeten

en herinnerden hen door hun rauw geschreeuw aan hun afschuwelijk

voornemen.

Wat nu?

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 10 / 20 题