»Zijt gij mannen van den stam der Sibaoe's?" vroeg Kees.
»Ja, heer!" antwoordde een der Dajaks.
»Gelukkig, dan zijn we eindelijk aan ons doel!" riep Kees uit.
»Waar komt u vandaan?" vroegen de Sibaoe's, want de plotselinge
verschijning dezer drie mannen had de grootste verbazing bij hen
opgewekt.
»Wij zijn van den Goenoeng Lawit gekomen," zei Marti en wees achter
zich naar de hooge bergtoppen.
Deze mededeeling werd door de Sibaoe's met zichtbare teekenen van
ongeloof ontvangen. Hun houding en hun blik werden wantrouwend.
»Hebt ge niets voor ons te eten?" vroeg Kees, die hoopte eindelijk
zijn honger te kunnen stillen.
De beide Dajaks haalden uit hun manden wat gekookte rijst, die ze
altijd op hun zwerftochten in een potje meevoeren. Met graagte aten
de drie uitgehongerde mannen het hun verstrekte voedsel. De Dajaks
zagen met verwondering toe. Ze begrepen, dat deze menschen honger
geleden hadden.
Toen de maaltijd in letterlijken zin verslonden was, vroegen ze
aan Kees:
»Wat komt u hier zoeken?"
»Ik ben een man van de Kompenie. Dit is mijn helper en dat is een
koopman, die hier handel wil drijven."
Ofschoon in dien tijd het gouvernement zich nog niet veel met de zaken
van het binnenland bemoeide, wist Kees toch wel, dat de Dajaks hem
misschien zouden ontzien, als ze in hem een dienaar van de »Kompenie"
zagen.
»Wat wil de Kompenie hier dan?" vroegen de Dajaks nog steeds
wantrouwig.
Kees achtte het niet raadzaam, iets van zijn eigenlijk plan te laten
blijken. Hij moest het vertrouwen der Dajaks zien te winnen. Daarom
bedacht hij een voorwendsel.
»Ik kom hier naar steenkool zoeken. Als er hier veel steenkool in
den grond zit, wil de Kompenie het er uit halen. Dan kunnen de Dajaks
veel geld verdienen."
De Sibaoe's kenden het gebruik van steenkool voor hun eigen
wapensmederijen en hadden misschien wel eens gehoord, dat de blanken
ook voor andere doeleinden veel steenkool noodig hadden. Ze knikten
met het hoofd en zeiden:
»Er is hier wel steenkool, maar niet zoo heel veel."
»Dat wil ik nu juist onderzoeken," zei Kees. »Ik heb geleerd te zien,
of er diep onder den grond ook nog steenkool zit."
»De witte menschen moeten heel knap zijn. Ik heb hooren vertellen, dat
er in Koetjing (de hoofdplaats van Serawak) een vaartuig is, dat door
vuur in beweging wordt gebracht. Is dat zoo?" vroeg een der Sibaoe's.
»Ja, dat is zoo. Zulke schepen hebben wij. Daarvoor juist hebben we
steenkool noodig," zei Kees.
Marti en Amat hadden stil naar het gesprek geluisterd. De eerste
keek vol bewondering zijn meester aan; hij had nooit gedacht, dat
deze zoo mooi liegen kon. De Maleier daarentegen vertrok geen spier
van zijn gelaat. Het scheen, alsof dat alles hem niets aanging.
Nu begon Kees op zijn beurt zijn nieuwe kennissen te ondervragen over
het land en zijn bewoners.
De twee Dajaks waren uit een dorp, Oelak genaamd. Zij bevonden zich
nu op de jacht en waren volgens hun zeggen twee dagen loopens van
hun woonplaats verwijderd.
Het gesprek vlotte heel goed, ofschoon de Sibaoe's in hun taal enkele
afwijkende woorden bezaten, waarvan Kees niet dadelijk de beteekenis
begreep.
»Is Oelak het voornaamste dorp?" vroeg hij.
»Neen, heer, het grootste dorp ligt verder naar het Oosten en heet
Metoedjoe. Daar woont het voornaamste hoofd van onzen stam, Senawa
genaamd."
»Hoever is dat Metoedjoe hier vandaan?"
»Vier dagen, heer."
»Welnu, ik wilde gaarne eerst naar Metoedjoe gaan, om met Senawa te
spreken en van hem te hooren, of ik hier veilig ben. Ik heb wat zout
en tabak voor hem meegebracht, om te toonen, dat ik als een goed
vriend in dit land kom," zei Kees.
De Dajaks zwegen en wachtten af, wat hij verder te zeggen zou hebben.
»Ik zal jelui goed beloonen, als je me naar Metoedjoe brengt," ging
hij voort.
Na kort onderling beraad zei een der Dajaks:
»We zullen onze jacht opgeven en u naar Senawa geleiden, doch dan
zult u ons zeker ruim beloonen?"
Kees bevestigde zijn belofte en spoedig was men, nu met zijn vijven,
op weg.
Tegen den avond bereikte men een afdakje, dat pas gemaakt
scheen. Inderdaad was het de plaats, waar de beide jagers den vorigen
nacht hadden doorgebracht. Ook nu gaven ze den wensch te kennen,
daar te overnachten. Kees, die zich vrijwel uitgeput gevoelde, kon
daar niets tegen in brengen.
Hij bepaalde evenwel, dat ze met hun drieën om de beurt de wacht zouden
houden. Hij vertrouwde zijn nieuwe vrienden toch niet al te best.
Toen de beurt aan Kees was, om te waken, bleef de Maleier Amat,
dien hij had afgelost, nog eenige oogenblikken met hem praten.
»Het is misschien brutaal, heer, maar ik zou toch gaarne weten,
waarom u eigenlijk naar dit land is getrokken. U heeft dien Dajaks
verteld, dat u steenkool komt zoeken, maar dat kan toch de waarheid
niet zijn. Hoe zou men die steenkool hier vandaan naar de beneden
streken moeten transporteeren? Dat schijnt mij ondoenlijk."
»Amat, ik ben niet van plan, om je te vertellen, wat ik precies ga
doen. Dat gaat niemand iets aan. Waarom wil je dat weten? Jij hebt
nu toch je zin. Je bent bij de Sibaoe's en nu kun je trachten, je
amuletten te verkoopen."
»Ik heb er reeds twee verkocht, heer," zei de slimme Maleier en Kees
hoorde hem zachtjes lachen.
»Jij bent een bijdehante rakker, Amat," lachte Kees nu ook.
»Ik ben een handelaar, heer, en ik mag mijn gelegenheid om te verkoopen
niet ongebruikt voorbij laten gaan. Maar ik wil hier niet altijd
blijven en hoop dit land ook weer te verlaten. Omdat ik graag weer
met u terug ging, vroeg ik u, wat u ging doen. Als u dat misschien
niet kunt zeggen, is het evenwel toch wel mogelijk, dat u kunt zeggen,
wanneer u teruggaat."
»Daar weet ik nog niets van. Ik moet in dit land iets onderzoeken,
maar moet eerst nog informeeren, waar ik precies moet zijn. Als ik dat
weet, kan ik ongeveer zeggen, hoelang mijn verblijf bij de Sibaoe's
zal duren."
»Zoudt u het mij dan willen zeggen?"
»Zeker, maar reken er op, dat ik hier slechts zoo kort mogelijk blijf."
»Dat is goed, heer, ik zelf wensch ook niet zoolang te blijven."
»Je bent er zeker niet geheel van overtuigd, dat je amuletten afdoende
werken," lachte Kees.
»Misschien, heer!" zei de Maleier droogjes. Daarna legde hij zich
ter ruste. Kees was alleen, tot zijn wachttijd om was en Marti hem
weer afloste.
De nacht ging zonder eenige stoornis voorbij, waardoor het vertrouwen
in de Sibaoe's wat beter werd.
Verfrischt en versterkt, opgewekt door het vooruitzicht, spoedig weer
eens onder een dak te zullen slapen, stapten de drie reizigers den
volgenden morgen vroolijk en vlug achter de Dajaks aan.
Toch schoten ze dien dag niet zoo heel veel op. Er vielen hevige
regens, die de kleine riviertjes spoedig sterk deden wassen.
Dankbaar mochten ze zijn, dat ze niet meer in het hooggebergte
waren. Zonder twijfel zouden ze daar onder deze omstandigheden in de
waterloopen zijn omgekomen.
Van slapen kwam dien nacht niet veel; de stortregen plaste zonder
ophouden neer en de grond was doorweekt. Veel moeite hadden ze om
een vuurtje aan te leggen voor het bereiden van hun maaltijd.
Den volgenden morgen trokken ze over een verlaten ladang met een paar
vervallen huisjes er op. Menschen troffen ze er niet aan. Enkele uren
later passeerden ze een uitgestrekte ladang met een grooter huis
er op. Een tiental mannen kwamen te voorschijn, die, nieuwsgierig,
weldra het kleine gezelschap omringden.
Het waren forsch gebouwde menschen, slechts gekleed met een tjawat en
zwaar bewapend. Enkelen hadden een geweer, de anderen zware lansen
en schilden. De groote oorlogsparangs waren versierd met bosjes
menschenhaar.
Kees voelde zich niet erg op zijn gemak tusschen dit troepje Dajaks,
dat er zoo krijgszuchtig uitzag. Doch hij begreep, dat vrees hier een
slechte raadgeefster was. Groote koelbloedigheid en onverschrokkenheid
was hier dringend geboden. Toch voelde hij tersluiks eens naar zijn
revolver en keek tevens zijn geweer eens na.
Marti en Amat bleven zoo dicht mogelijk bij Kees en beschouwden de
Dajaks met een gemengd gevoel van vrees en nieuwsgierigheid.
De Sibaoe's waren een zeer vrijmoedig slag menschen, die Kees,--daar
ze nooit een blanke gezien hadden,--met de grootste opmerkzaamheid
bekeken. Vooral zijn schoenen trokken hun bizondere belangstelling.
Intusschen vertelden de twee gidsen de geschiedenis van hunne
ontmoeting. Het verhaal van de tocht over den Goenoeng Lawit werd
ook thans met ongeloof en wantrouwen ontvangen.
Blijkbaar heerschte onder deze menschen dezelfde vrees voor dat
gebergte als onder de Kenjaoe's. Maar ook kwam Kees tot de overtuiging
dat de Sibaoe's zonder eenigen twijfel ergens in 't Noorden een goeden
weg kenden.
Na eenigen tijd konden ze weer op weg gaan. Enkele der Sibaoe's hadden
zich bij hen aangesloten.
Dien dag bereikten ze nog het dorp Oelak. Het was een groot huis,
gelegen op een uitgestrekt ladang-veld. Om het huis was een stevige
heining van boomstammen.
In dit dorp werden de vreemdelingen vrij goed ontvangen, ofschoon ze
aanvankelijk wel met argwanende oogen werden opgenomen.
Uit alles bleek, dat men hier nog met onvervalschte koppensnellers te
doen had. Overal aan de palen hingen rottan mandjes met gedroogde of
gerookte menschenschedels erin en de zware parangs der krijgers waren
kwistig met bosjes haar versierd. Nu Kees en zijn reisgezellen eenmaal
in het huis ontvangen waren, konden ze zich daar voorloopig veilig
voelen. Het is bij de Dajaks geen gewoonte het gastrecht te schenden.
Alvorens zijn reis voort te zetten, besloot Kees een dag rust te
houden in Oelak, ten einde van alle vermoeienissen en ontberingen
te bekomen. Hij benutte dien tijd vooral door eens te praten met
de Sibaoe's. Hij wilde gaarne een en ander van het land weten en
vorschte naar alles, wat hem eenigszins op het spoor kon brengen van
den begeerden schat. Amat trachtte amuletten te verkoopen, wat hem
heel goed gelukte.
Kees slaagde er in, door voorzichtige vragen, ongemerkt te vernemen,
dat er werkelijk een Soengei Tekoeng bestond, en verder, dat deze
rivier op ongeveer vijf dagen ten Noorden van het dorp Metoedjoe lag.
De wetenschap, dat de gezochte rivier werkelijk bestond, stemde hem
zeer opgewekt. Uit verschillende opmerkingen, welke hij opving, leidde
hij af, dat zijn oude makker met juistheid de plaats beschreven had,
waar de diamanten verborgen waren. Kees herkreeg zijn oorspronkelijke
luchthartigheid. De gevaren waren tot dusverre overwonnen; het grootste
leed scheen wel geleden. De gedachten aan zijn toekomstige rijkdommen
drongen zich weer sterker op den voorgrond. De paleizen zijner droomen
verhieven zich weer in ongerepte pracht tot aan de wolken. Zoo spoedig
mogelijk wilde hij voortgaan, handelen, rijk worden!
Zijn plannen waren, meende hij, rijpelijk overdacht. In het dorp
Metoedjoe zou hij een gids zoeken, die hem naar de Soengei Tekoeng zou
brengen. Hij zou, als hij een eind deze rivier opgevaren was, Marti
met dien man achter laten en geheel alleen de diamanten gaan halen.
Maar vooraf moest hij Metoedjoe zien te bereiken en vriendschap
sluiten met den invloedrijken Senawa.
In den vroegen morgen van den volgenden dag ging het gezelschap alweer
op marsch, geleid door de beide Dajaksche jagers.
Een tweetal dagen liepen ze door zonder gebeurtenissen van eenig
belang te beleven. Toen bereikten ze het groote dorp Metoedjoe,
waar ze het Sibaoe-hoofd Senawa aantroffen.
Metoedjoe bestond uit twee zeer groote huizen. Deze waren verbonden
door een paar halve boomstammen, welke als brug dienst deden.
Ook hier zag Kees vele onmiskenbare teekenen van gehouden
sneltochten. Zelfs viel het hem op, dat verscheidene der koppen nog
vrij versch waren.
De mannen waren meestal zwaar gewapend en voorzien van zeer groote
schilden, die met kunstige figuren waren versierd. Ook droegen
vele Sibaoe's een zoogenaamde soelauw. Dat is een soort van vest,
vervaardigd van geklopte boomschors, dienst doende als harnas tegen
pijlen en lansen. Dit primitieve harnas dragen de Dajaks bij hun
mengajaoe-tochten. Er waren zeer veel strijdbare mannen in het dorp
en allen zagen er zeer krijgszuchtig uit. Verscheidene hunner hadden
de hoofddeksels versierd met de halfwitte, halfzwarte veeren van den
neushoornvogel. Daaruit leidde Kees af, dat ze pas van een sneltocht
teruggekeerd waren, of dat ze er zich op voorbereidden.
Toch was de ontvangst in Metoedjoe vrij goed en Senawa nam de
geschenken van Kees, bestaande uit tabak en zout, goedgunstig aan.
Toen hij evenwel vernam, dat Kees iemand van de Kompenie was, begon
hij bevreesd te worden, dat het vrije leven der Sibaoe's aan banden
gelegd zou worden. Hij wist wel, dat het Nederlandsche Gouvernement
geen sneltochten zou dulden. En nu begon hij argwaan te krijgen,
dat de komst van dezen blanke een voorbode was van de inmenging der
Kompenie in de zaken der Sibaoe's. Hoe zouden de Sibaoe's dan aan
koppen kunnen komen, als teeken van hun dapperheid en om hun huizen
te sieren? Hoe zouden ze in het volgende leven, na hun dood, kunnen
bestaan, als hun gesnelde vijanden hen niet als slaven dienden?
Het was voor den Dajak een ernstige zaak. Deze blanke man met zijn
reisgezellen moest zoo spoedig mogelijk het vrije land der Sibaoe's
verlaten. Zoo overlegde Senawa in stilte.
Kees gaf den wensch te kennen, hem alleen te spreken over een zeer
belangrijke zaak, en beloofde hem nog wat zout en tabak voor zijn
moeite. Weldra zaten beide in de kleine lawang van Senawa, zonder
verder gezelschap, druk te praten.
»Ik kom zoeken naar steenkool, Senawa!"
»Dat heb ik gehoord, heer, maar er is hier niet veel in de buurt. U
zult tevergeefs zoeken. Wij zelf hebben veel moeite, om de voor
onze wapensmederij benoodigde steenkool te vinden. Meestal gebruiken
wij houtskool."
»Hier dichtbij is misschien niet veel, Senawa, dat is mogelijk. Maar
ik weet een plek, waar veel steenkool in den grond moet zitten,
en daar wilde ik eens gaan onderzoeken."
»Waar is dat dan, heer?"
»Aan de Soengei Tekoeng."
De Dajak zeide niets, doch kuchte eens.
»Weet je die rivier?" vroeg Kees.
»Zeker, heer, het is een zijrivier van de Soengei Pejang, die weer
een tak is van de Soengei Sibaoe."
»Nu, daar wil ik heen; zoek een man, die mij daar heen kan brengen,"
vervolgde Kees, die moeite had zijn vreugde niet te laten blijken.
De Dajak kuchte weer. Hij scheen iets te willen zeggen, doch wachtte
af.
»Wat is er, Senawa? Je hebt nog iets te vragen."
»Ja, heer," zei de Dajak aarzelend. »Een paar oogsten geleden was
hier ook een blanke, die naar de Tekoeng wilde. Hij heeft daar eenigen
tijd gezocht en is toen plotseling gevlucht. Weet u daar iets van?"
»Neen, daar heb ik niets van gehoord," loog Kees.
»Waarom vluchtte hij?"
»Dat weet ik niet, heer," zei de Dajak en terwijl hij loerend naar
Kees zag, vervolgde hij:
»De menschen zeiden, dat hij glinsterende steenen zocht. Dat brengt
ongeluk."
»Zoo, nu daar weet ik niets van, Senawa. Zoek jij nu maar een goeden
gids en een paar dragers voor mij. Dan zal ik je goed beloonen,
als ik de steenkool gevonden heb," zei Kees, van zijn mat opstaande.
»Nog één vraag, heer," zei Senawa, ook oprijzend.
»Wat gebeurt er, als u veel steenkool vindt? Komen er dan meer menschen
van de Kompenie? En soldaten?"
Een oogenblik wist Kees niet, wat hij antwoorden moest. Hij begreep,
dat het Senawa niet aangenaam kon zijn, als hij zijn vrijheid van
handelen moest verliezen. Weldra vond hij er iets op.
»Misschien nog één of twee blanken en verder zouden de Dajaks veel
geld kunnen verdienen door te werken. Soldaten komen er zeker niet."
De Dajak scheen eenigszins gerustgesteld. Hij zeide althans:
»Ik zal een paar menschen voor u zoeken, heer."
»Goed, Senawa, denk aan de belooning."
Kees verliet de lawang en weldra trad ook Senawa naar buiten.
Toen het vertrek verlaten was, kwam in de aangrenzende lawang met
de uiterste behoedzaamheid een man langs een paal naar beneden
glijden. Hij kwam van het zoldertje, de rijstbergplaats, welke zich
boven de vertrekken bevond.
Het was Amat, de Maleier!
»Nu weet ik het geheim," fluisterde hij, »den naam van die rivier
heb ik toen dien avond te Pontianak niet goed kunnen verstaan. Nu
weet ik het en nu zijn de diamanten voor mij."
Voorzichtig keek hij, alvorens de lawang te verlaten door een
spleet. Er was geen onraad en de deur openend stapte hij zoo vlug
mogelijk naar buiten.
Reeds den volgenden dag kwam Senawa aan Kees mededeelen, dat hij een
gids en een drager had gevonden, die bereid waren hem van dienst te
zijn. De tocht zou, naar hij beweerde, vier of vijf dagen duren. Na een
dag of tien zou Kees, mits zijne onderzoekingen niet te lang duurden,
weer terug kunnen zijn.
Kees verzekerde, dat hij niet veel tijd noodig had om tot een
vaststaand resultaat te komen.
»Het is het beste, dat u morgen reeds op weg gaat, heer," zei Senawa.
Kees verwonderde zich over dien haast en vroeg:
»Waarom morgen al? Ik wilde nog een rustdag hebben."
»Het regent elken dag, heer. Als u langer wacht, zal het
moeilijk worden, de rivieren op te varen wegens de groote
stroomsnelheid. Bovendien staan de oeverstreken door de vele regens
vaak geheel onder water."
»Dan is het inderdaad beter, morgen te vertrekken. Dank voor je goeden
raad, Senawa. Stuur die twee menschen maar dadelijk bij mij."
»Ja, heer," zei de Dajak en verwijderde zich.
Kees zocht Marti op en deelde hem zijn voornemen mede. Eenige
oogenblikken later verscheen ook Amat en zeide:
»Ik hoor dat u verder gaat, heer. Vindt u goed, dat ik hier blijf? Ik
verkoop hier veel amuletten en wilde nog wel eenige dagen in dit dorp
blijven. Wanneer komt u terug? Als u 't goed vindt, zou ik daarop
willen wachten, om me dan weer bij u aan te sluiten."
»Dat is goed, Amat. Ik denk, dat ik over een dag of tien terug ben. Dan
verlaat ik dit land zoo spoedig mogelijk en kun je weer mee reizen."
»Heel goed, heer," antwoordde de Maleier en na een onderdanige buiging
gemaakt te hebben, ging hij zijns weegs.
Kees tuurde hem na met nadenkend gelaat en mompelde nog eens, wat
hij zichzelf reeds meermalen had afgevraagd:
»Ik moet dien kerel meer hebben gezien. Maar waar? waar?"
Veel tijd om daarover na te denken, had hij echter niet, want hij
moest alles nog regelen voor het vertrek.
Hij kocht voldoende rijst voor vier mannen om tien dagen van te
leven. Toen ging hij naar de pangkalan, die ongeveer een uur van het
dorp verwijderd was, om een geschikt vaartuig uit te zoeken.
Weldra had hij tusschen de talrijke djaloers er één gevonden, die hem
hecht en sterk leek. Daarna ging hij met den eigenaar onderhandelen
over den huurprijs.
Nu waren de voorbereidende maatregelen getroffen en kon men met
gerustheid den volgenden dag tegemoet zien.