V. DE GEVAREN VAN DEN GOENOENG LAWIT.

Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke

gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte

het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan

weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.

Weer liepen ze in den middag op zoo'n smal pad voort, waar bijna

elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige

gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul,

dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen

de bergen.

De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:

»Beren!"

Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag

hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den

smallen weg geheel versperden.

De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald

zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast

worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.

Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de

achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige

muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende

voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo

in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen

wachtte dit lot.

De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had

zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe,

een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.

Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat

opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk

daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar

beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos,

doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.

De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden,

vluchtte achter Kees.

Voor dezen was het een oogenblik van spanning.

Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen,

dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten

worden doodgedrukt.

Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs

langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest

geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.

Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor

kreeg Kees gelegenheid het een doodenden kogel toe te zenden, en

weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.

Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het

kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen,

achterblijven.

De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer

hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid

van een helder bergstroompje.

De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in 't geheel

niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk

vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.

Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke

richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal

evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars

overstaken.

Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen

gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.

Tegen den middag bereikten ze de kam van een nieuwen keten en Kees

zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan

de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.

Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige

kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan

enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.

Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets

te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld,"

dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de

allerergste gevaren kennis zou maken.

»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!" zeide hij, terwijl hij zijn helper

op de kale rotswanden wees.

»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen

zulke steilten kan geen mensch opklimmen."

»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de

vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare

plaats kunnen vinden."

De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de

tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met

elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek

had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:

»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil

naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen;

de anderen willen het hier recht tegenover probeeren."

»Ik zal zelf eens met hen praten," zei Kees en begaf zich naar de

luid redetwistende Dajaks.

De beide voorstellen werden van alle kanten overwogen en na lange

besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.

Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.

De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben,

volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.

Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren,

vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar

het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.

Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op

die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich

maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich

beter tot gaan leende.

Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette

meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.

Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan

eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens

bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:

»Ik kan niet verder, heer!"

Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:

»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?"

»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op

een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me

niet verder te laten glijden."

Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog

hij zich voorover en keek in de diepte. Het was waar, wat de Dajak

gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond,

die wel drie- of vierhonderd meter diep was.

Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een

vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze

aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.

»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!" riep hij.

Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af

laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was

onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?

Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.

Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs

de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij,

dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende

diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste

voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen

te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette

en vrij goed begaanbaar scheen.

Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen

bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het

lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met

verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.

Maar er was geen keuze. Hij moest!

Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveel mogelijk drukte

hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein

struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke

schrede.

Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige

ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....

Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.

Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als

de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht

hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig

af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig

en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.

Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en

het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.

Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht

bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven

wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.

Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra

volgden ook Amat en twee der Dajaks.

De derde dezer mannen aarzelde.

»Ik durf niet, heer! De antoe's willen mij naar beneden trekken."

»Kom maar vlug! De antoe's hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak

voort, wij moeten verder!"

»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen, heer! Zij grijpen

mij al bij de beenen," jammerde de Dajak.

»Dat is de angst, lafaard!" brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij

verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!"

De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te

spreken.

Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot

de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun,

zich bij het overbuigen vastklemmende aan de struik.

Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels

uit de rotsspleet los....

Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere

omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken

gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.

Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel

aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken,

moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos

luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den

doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar

losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen

verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen,

zijn water in het ravijn deed neerstorten.

Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te

vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat

deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien,

aan den voet der rotsen moest liggen--ontzield.

Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:

»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen

we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood."

»Ja, hij is dood!" herhaalde Amat.

»De antoe's hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste

waarschuwing," zei een der Dajaks met sidderende stem.

Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:

»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!"

Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde,

gingen ze op weg.

Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke

richting.

Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was

ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap

vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.

Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg

vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den

indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.

Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename

kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen

onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze

de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En

wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel

nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats

bekroop Kees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van

hun makker zoo'n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer

zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie

kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen

op hun verderen weg zouden voordoen?

Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar

mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het

gebeurde, beangst met verhalen over de antoe's. Ongetwijfeld waren

deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied

te betreden.

Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven

met Marti en Amat.

Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar

onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt

door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.

Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij

wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot

zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks

waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren

zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra

riep Amat:

»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen

zijn."

Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de

beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om

te vluchten.

»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad,"

zei Marti.

»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?" vroeg Kees.

»Op goed geluk het gebergte in," oordeelde de Maleier.

»Die komen nooit meer terecht, vrees ik," zuchtte Kees.

»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!" meende Amat.

»Maar ze hebben geen eten!" zei Marti.

Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een

electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!

»Onze rijst!" riep hij uit.

Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar

de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks

hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid

levensmiddelen was verdwenen.

Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn

mand droeg.

Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou

duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en

besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.

Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht

deden zich weldra weer geducht gelden.

Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze

zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen

eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden

ze om moeten komen in deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan

grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.

Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en

zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte

hersenen.

Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun

onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen

van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama

ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de

zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag

voor hen.

In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze

eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een

triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de

ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen

van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.

Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in

dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met

de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze

hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel

de maag vulden, doch geen voedsel gaven.

De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun

zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit

ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.

Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te

dalen en voorgoed te verlaten.

Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door

dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven

te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden

een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling

tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting

nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti

stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen,

wat de vreemdelingen wenschten.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 8 / 20 题