Den volgenden dag kwam het reisgezelschap in het eigenlijke
gebergte. Men vorderde nu slechts zeer langzaam. Meermalen gelukte
het alleen maar voorwaarts te komen langs smalle bergranden, aan
weerzijden begrensd door diepe ravijnen met zeer steile hellingen.
Weer liepen ze in den middag op zoo'n smal pad voort, waar bijna
elke schrede berekend moest worden en de minste duizeling noodlottige
gevolgen kon hebben. Plotseling klonk vlak voor hen een woedend gebrul,
dat nog heviger scheen door de weerkaatsing van het geluid tusschen
de bergen.
De gids die een eindweegs vooruit liep, hield verschrikt halt en riep:
»Beren!"
Kees nam vlug zijn geweer ter hand en snelde naar voren. Daar zag
hij op korten afstand voor zich twee kolossale suikerbeeren, die den
smallen weg geheel versperden.
De aard van deze dieren is niet, dat zij den strijd bepaald
zoeken. Toch zijn ze niet vreesachtig van natuur en, als ze verrast
worden, gaan ze gewoonlijk met groote woede tot den aanval over.
Ook nu verhieven de reusachtige dieren zich op de
achterpooten. Langzaam kwamen ze op de mannen af, de geweldige
muil wijd opengesperd en de voorpooten uitgebreid. Met die geopende
voorpooten trachten deze dieren hun vijand te omvangen, om hem zoo
in een verschrikkelijke omhelzing te vermorselen. Ook onze mannen
wachtte dit lot.
De gids had zijn tegenwoordigheid van geest herkregen. Hij had
zijn geweer aangelegd en wilde schieten, doch Kees riep hem toe,
een oogenblik te wachten en dan tegelijk te vuren.
Ze mikten. Twee schoten knalden. Toen de rook van de geweren wat
opgetrokken was, zagen ze het dier over het pad wentelen en dadelijk
daarop rolde het met vreeselijk gebrul van de steile helling naar
beneden. Van schrik stond de andere beer een oogenblik besluiteloos,
doch plotseling bezon hij zich en maakte zich gereed tot den aanval.
De Dajak, die zijn ouderwetsch geweer zoo spoedig niet meer kon laden,
vluchtte achter Kees.
Voor dezen was het een oogenblik van spanning.
Wanneer het hem niet gelukte het monster dadelijk doodelijk te treffen,
dan zou hij zonder eenigen twijfel tusschen de ruige voorpooten
worden doodgedrukt.
Marti overzag onmiddellijk het gevaar. Hij was reeds een eindweegs
langs de helling vooruitgeslopen. Plotseling verscheen hij met woest
geschreeuw, zwaaiende met zijn parang, terzijde van den beer.
Het dier wendde zich onmiddellijk naar den nieuwen vijand. Hierdoor
kreeg Kees gelegenheid het een doodenden kogel toe te zenden, en
weldra lag het geweldige ruige lichaam levenloos voor hun voeten.
Kees besloot, deze plaats zoo spoedig mogelijk te verlaten. Het
kostbare berenvleesch moest, tot grooten spijt van de mannen,
achterblijven.
De rest van dien dag verliep zonder verdere wederwaardigheden en weer
hadden de reizigers het geluk te kunnen overnachten in de nabijheid
van een helder bergstroompje.
De derde dag in het Lawitgebergte brak aan. Kees wist in 't geheel
niet meer, waar ze zich bevonden. Het beste was maar, onvoorwaardelijk
vertrouwen te stellen in den speurzin van den gids.
Aan den stand van de zon merkte hij op, dat ze steeds in Oostelijke
richting voorttrokken. Het gebergte scheen te bestaan uit een aantal
evenwijdige, van Noord naar Zuid loopende ketens, welke ze dwars
overstaken.
Meermalen had men reeds geweldig steile rotswanden en diepe ravijnen
gezien, doch het was den gids nog steeds gelukt, deze te ontwijken.
Tegen den middag bereikten ze de kam van een nieuwen keten en Kees
zag voor zich een ravijn van minstens vijfhonderd meter diepte. Aan
de andere zijde verhief zich een nieuwe bergreeks.
Op de wanden van de bergen aan de overzijde zag hij groote grijsachtige
kale plekken, die hij herkende als loodrechte rotswanden, waarvan
enkele naar schatting wel twee honderd meter hoog waren.
Nu zouden de moeilijkheden pas beginnen. »Petinggi Datoek heeft niets
te veel gezegd van de steilten en afgronden in deze rotsenwereld,"
dacht Kees. Weinig vermoedde hij, dat hij zóó spoedig met de
allerergste gevaren kennis zou maken.
»Dat ziet er niet mooi uit, Marti!" zeide hij, terwijl hij zijn helper
op de kale rotswanden wees.
»Neen, heer, het is onmogelijk dáár het gebergte te bestijgen. Tegen
zulke steilten kan geen mensch opklimmen."
»Toch moeten we er tegen op, Marti, we zullen maar op de
vindingrijkheid van onzen gids vertrouwen; die zal wel een beklimbare
plaats kunnen vinden."
De Dajaks hadden intusschen met groote opmerkzaamheid de
tegenoverliggende bergen opgenomen. Blijkbaar waren ze het niet met
elkaar eens. Weldra kwam de Maleier Amat, die aan hun druk gesprek
had deelgenomen, naar Kees toe, zeggende:
»De Dajaks weten niet, hoe ze verder zullen gaan, heer. De gids wil
naar het Zuid-Oosten, om te trachten gindsche ruggen te beklimmen;
de anderen willen het hier recht tegenover probeeren."
»Ik zal zelf eens met hen praten," zei Kees en begaf zich naar de
luid redetwistende Dajaks.
De beide voorstellen werden van alle kanten overwogen en na lange
besprekingen werd vastgesteld, om het plan van den gids te volgen.
Weldra daalde men in Zuid-Oostelijke richting in het diepe ravijn af.
De helling was zeer steil. Om meer vrijheid van beweging te hebben,
volgden de mannen elkaar niet onmiddellijk op den voet.
Nadat ze een honderdtal meters in schuinsche richting gedaald waren,
vond de gids een randje, dat eenigszins op een pad geleek. En daar
het in de gewenschte richting liep, begon hij het te volgen.
Nu kwamen de mannen vrij snel vooruit en konden een flink eind op
die wijze afdalen. Soms echter was het pad zoo steil, dat ze zich
maar lieten glijden, tot ze weer aan een gedeelte kwamen, dat zich
beter tot gaan leende.
Al hun aandacht was gevestigd op de moeilijke afdaling. Niemand lette
meer op de omgeving, waar ze zich bevonden.
Plotseling bleef de gids roerloos staan. Toen klemde hij zich aan
eenige struiken vast, om niet uit te glijden, spiedde nog eens
bedachtzaam vóór zich en riep Kees toe:
»Ik kan niet verder, heer!"
Kees ging heel voorzichtig iets vooruit en vroeg:
»Waarom niet? Kun je je niet laten glijden?"
»Dat kan hier niet, heer! Ik zie vóór me en opzij niets meer, dat op
een rand gelijkt. Ik geloof, dat ik voor een afgrond sta. Ik durf me
niet verder te laten glijden."
Kees kroop nog iets vooruit. Met de uiterste omzichtigheid boog
hij zich voorover en keek in de diepte. Het was waar, wat de Dajak
gezegd had. Ze bevonden zich aan den uitersten rand van een afgrond,
die wel drie- of vierhonderd meter diep was.
Kees begreep nu, dat ze afgedwaald waren. Ze bevonden zich op een
vooruitspringend randje van een soortgelijke steile rotswand, als ze
aan de overzijde van het ravijn hadden opgemerkt.
»We moeten terugkeeren! Het gaat hier niet!" riep hij.
Doch terugkeeren? Hoe? Meermalen hadden ze zich maar van de steilten af
laten glijden, onbewust van dreigende beletselen. Terugkeeren? Dat was
onmogelijk langs den zelfden weg. En een andere was er niet. Wat dan?
Hier moest het alleruiterste geprobeerd worden.
Kees strekte zich plat op de rots. Voorzichtig kroop hij langs
de anderen naar den voorsten man toe. Hier gekomen ontdekte hij,
dat de rots een hoek vormde, die loodrecht de duizelingwekkende
diepte begrensde. Nog enkele centimeters schoof hij met de grootste
voorzichtigheid vooruit. Toen gelukte het hem, om den rotshoek heen
te kijken. Hij zag, dat zich daar het randje weer breeder voortzette
en vrij goed begaanbaar scheen.
Slechts door den hoek om te stappen, zou hij echter dien rand kunnen
bereiken. Meer dan levensgevaarlijk was deze toer. Misschien zou het
lukken. Grooter echter was de kans, in de diepte te storten en met
verpletterde ledematen den dood te vinden ergens diep in den afgrond.
Maar er was geen keuze. Hij moest!
Met de uiterste behoedzaamheid stond hij op. Zooveel mogelijk drukte
hij het lichaam tegen den rotswand. Met de handen greep hij een klein
struikje, dat in een spleet wortelde. Toen waagde hij de gevaarlijke
schrede.
Onzeker tastte zijn rechter voet een oogenblik in de ledige
ruimte. Toen voelde hij den rand, dien hij zocht....
Met zijn rechterhand greep hij om den hoek een uitstekende rotspunt.
Zijn hart stond een moment stil. Als nu de struik eens losliet.... als
de steen eens afbrokkelde.... dan zou hij.... Maar neen! daaraan mòcht
hij niet denken. Hij verzamelde zijn wilskracht, zette zich krachtig
af met den linkervoet.... en een seconde later bevond hij zich veilig
en wel op den breederen rotswand aan de andere zijde van den hoek.
Een oogenblik moest hij zich neerzetten, want zijn beenen trilden en
het klamme zweet parelde op zijn gelaat en zijn handen.
Weldra was hij geheel tot zich zelf gekomen en bepaalde zijn aandacht
bij zijn metgezellen. Niemand van hen had den stap nog durven
wagen. Kees begon hen aan te sporen, hem te volgen.
Na enkele oogenblikken kwam ook Marti om den hoek stappen. Weldra
volgden ook Amat en twee der Dajaks.
De derde dezer mannen aarzelde.
»Ik durf niet, heer! De antoe's willen mij naar beneden trekken."
»Kom maar vlug! De antoe's hebben ons toch ook geen kwaad gedaan. Maak
voort, wij moeten verder!"
»Ik voel, dat ze mij naar beneden zullen werpen, heer! Zij grijpen
mij al bij de beenen," jammerde de Dajak.
»Dat is de angst, lafaard!" brulde Kees. »Als je niet komt, gaan wij
verder. En dan moet je daar dood hongeren. Er is geen andere weg!"
De andere Dajaks en Amat deden ook hun best, den man moed in te
spreken.
Eindelijk, gedwongen door een onontkoombare noodzakelijkheid, besloot
de man te volgen. Voorzichtig zocht hij met den voet naar steun,
zich bij het overbuigen vastklemmende aan de struik.
Maar deze had reeds zooveel moeten dragen. Eensklaps lieten de wortels
uit de rotsspleet los....
Wild greep de Dajak met zijn eene hand in de lucht; met de andere
omklemde hij krampachtig de uitgetrokken struik en met een vreeselijken
gil stortte de ongelukkige in het diepe ravijn.
Vol ontzetting hadden de anderen dit vreeselijk tooneel
aangezien. Zonder ook maar een hand tot hulp te kunnen uitsteken,
moesten ze hun ongelukkigen makker aan zijn lot overlaten. Ademloos
luisterden ze een oogenblik toe. Van uit de diepte hoorden ze den
doffen smak van een neervallend lichaam en het gebons van een paar
losgeraakte steenen. Toen heerschte weer de doodsche stilte, alleen
verbroken door het geruisch van een waterval, die ergens beneden hen,
zijn water in het ravijn deed neerstorten.
Zwijgend zaten de mannen bijeen. Elk trachtte nog een geluid op te
vangen van den verdwenen makker. Toch wisten ze maar al te zeker, dat
deze hoop ijdel was; dat hij ergens, onherkenbaar verminkt misschien,
aan den voet der rotsen moest liggen--ontzield.
Eindelijk kwam Kees tot zich zelven:
»Mannen, we moeten vooruit. We kunnen hier niet blijven. En hèm kunnen
we niet helpen. Niets zou hem meer kùnnen helpen. Hij is zeker dood."
»Ja, hij is dood!" herhaalde Amat.
»De antoe's hebben hem naar beneden getrokken; dat is hun eerste
waarschuwing," zei een der Dajaks met sidderende stem.
Kees huiverde. Maar zich bedwingende, riep hij:
»Vooruit, mannen! Ik zal voorgaan!"
Zonder een woord te spreken, en diep onder den indruk van het gebeurde,
gingen ze op weg.
Het pad was tamelijk breed en liep, langzaam dalend, in zuidelijke
richting.
Tegen den avond bereikten ze een uitgedroogden waterloop. Daar was
ruimte genoeg voor alle vijf om zich neer te leggen en in den slaap
vergetelheid te zoeken voor de gebeurtenissen van dien dag.
Als gewoonlijk lag Kees weer een tijdlang te tobben. Velerlei zorg
vervulde zijn hart. In de eerste plaats was hij nog diep onder den
indruk van het noodlottig verlies van een zijner reismakkers.
Maar in de tweede plaats had deze gebeurtenis nog een onaangename
kant: met den Dajak was ook een aanzienlijk deel der levensmiddelen
onnaspeurlijk in de diepte verdwenen. Het gevolg was, dat ze
de volgende dagen op verminderd rantsoen zouden moeten leven. En
wanneer de tocht nog lang zou moeten duren, zouden ze misschien wel
nijpend gebrek aan een en ander ondervinden. En in de derde plaats
bekroop Kees de angst, dat de beide andere Dajaks door den dood van
hun makker zoo'n afschrik zouden krijgen, dat zij, wanneer zich meer
zulke hindernissen voordeden, hem in den steek zouden laten. En wie
kon hem waarborgen, dat er zich geen bijna onoverkomelijke beletselen
op hun verderen weg zouden voordoen?
Met argwaan hoorde hij de beide mannen nog lang met elkaar
mompelen. Zeker maakten ze elkaar, onder den diepen indruk van het
gebeurde, beangst met verhalen over de antoe's. Ongetwijfeld waren
deze vertoornd op de vermetele menschen, die het waagden hun gebied
te betreden.
Kees rilde bij de gedachte, dat hij alleen zou kunnen overblijven
met Marti en Amat.
Tenslotte kreeg de vermoeidheid de overhand. Hij sliep in, maar
onrustige droomen kwelden hem, en herhaaldelijk werd hij opgeschrikt
door de schrille doodskreet van den Dajak, die van de rotsen stortte.
Toen de dag aanbrak en het licht begon te worden, ontwaakte hij. Hij
wreef zich de oogen uit en keek eens rond naar zijn metgezellen. Tot
zijn grooten schrik ontdekte hij alleen Marti en Amat. De beide Dajaks
waren verdwenen. Snel wekte hij de slapenden. Oogenblikkelijk waren
zij op de been, en nu onderzochten de drie mannen de omgeving. Weldra
riep Amat:
»Hier is een spoor, heer! Ik geloof dat ze hier naar boven geklommen
zijn."
Kees bekeek de plek en weldra maakten ze de gevolgtrekking, dat de
beide Dajaks van de duisternis gebruik moesten hebben gemaakt om
te vluchten.
»Ze zijn gisteren bang geworden door den dood van hun kameraad,"
zei Marti.
»Waar zouden ze nu heen gegaan zijn?" vroeg Kees.
»Op goed geluk het gebergte in," oordeelde de Maleier.
»Die komen nooit meer terecht, vrees ik," zuchtte Kees.
»Een Dajak vindt al gauw een weg, heer!" meende Amat.
»Maar ze hebben geen eten!" zei Marti.
Plotseling sprong Kees op. De laatste opmerking trof hem als een
electrische schok. Als de Dajaks eens alle rijst hadden meegenomen!
»Onze rijst!" riep hij uit.
Marti en Amat slaakten een kreet van schrik. Snel liepen ze terug naar
de plek waar ze overnacht hadden. Hun vrees bleek gegrond: de Dajaks
hadden de draagmanden meegenomen. Verreweg de grootste hoeveelheid
levensmiddelen was verdwenen.
Voor de drie mannen bleef slechts datgene over, wat Amat in zijn
mand droeg.
Ze verkeerden in absolute onzekerheid, hoelang de tocht nog zou
duren. Ze moesten derhalve zeer zuinig zijn met den mondvoorraad en
besloten slechts heel weinig per dag te gebruiken.
Mismoedig hervatten ze hun tocht, en de moeilijkheden van den bergtocht
deden zich weldra weer geducht gelden.
Slechts zeer langzaam vorderden ze en meermalen zetten ze
zich neerslachtig op een rotsblok neer. Dit gebergte scheen
eindeloos. Altijd weer nieuwe, hooge kammen. Zonder twijfel zouden
ze om moeten komen in deze eenzame, wilde rotsenwoestenij. Maar dan
grepen ze weer moed.... en dan worstelden ze weer verder.
Zes lange dagen ging het zoo voort; zes lange dagen van tobben en
zwoegen met half gevulde magen, met trillende beenen, met versufte
hersenen.
Toen bereikten ze in den namiddag een hooge bergkam. Tot hun
onuitsprekelijke vreugde bleek het, dat ze eindelijk de hoogste toppen
van den Goenoeng Lawit hadden beklommen. Een woest, majestueus panorama
ontrolde zich voor hun blikken: een reeks afdalende bergruggen, de
zijden geflankeerd door oerwouden. Het land der Sibaoe-dajaks lag
voor hen.
In hun blijdschap hieven ze een gejuich aan. Vreemd klonk dat in deze
eenzame, nimmer door een menschelijk wezen bezochte omgeving. Een
triomfkreet van menschelijke durf en ondernemingsgeest trilde door de
ijle lucht, die geen andere geluiden kende dan nu en dan het ratelen
van den donder, honderdvoudig weerkaatst door de bergwanden.
Toen ze eenmaal hun vreugde geuit hadden, deed de afmatting zich in
dubbele mate gevoelen. Ze waren niet in staat, op het oogenblik met
de afdaling te beginnen. Gedurende de laatste twee dagen hadden ze
hun honger trachten te stillen met wat rauwe plantenwortels, die wel
de maag vulden, doch geen voedsel gaven.
De uitgeputte mannen vielen, nu ze voor een klein gedeelte van hun
zorgen ontheven waren, in een loodzwaren, droomeloozen slaap, waaruit
ze eerst den volgenden morgen eenigszins verkwikt ontwaakten.
Langzaam ging het nu weer voorwaarts, om den Goenoeng Lawit af te
dalen en voorgoed te verlaten.
Een tweetal dagen sleepten ze hun verzwakte lichamen voort door
dichte, donkere bosschen, zonder eenig teeken van menschelijk leven
te ontdekken. Eindelijk, op den derden dag, kwam er aan hun lijden
een einde. Bij het overtrekken van een riviertje stonden ze plotseling
tegenover een paar Dajaks. Deze schenen door de onverwachte ontmoeting
nog verschrikter dan zij zelf. Een Dajaksche begroetingskreet van Marti
stelde hen echter gerust en nu kwamen ze dichterbij, om te vernemen,
wat de vreemdelingen wenschten.