IV. EEN ONVERWACHTE REISGENOOT.

Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij

begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een

verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst

voor hem klaar gezet.

Na het eenvoudige maal sprak Marti:

»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met

enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het

Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge

mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald,

ons te vergezellen. De vrees voor de antoe's in den Goenoeng Lawit

weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger

is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan

schieten, alle antoe's gemakkelijk kunt overwinnen."

»Goed gesproken, Marti," riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?"

»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet

u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt

afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze

de rest ook wel gelooven."

»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd," zei Kees,

die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.

»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet,

dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe's te gaan. En

ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou

kunnen doorgaan."

»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u

wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet

u dus helpen," zei Marti eenvoudig.

»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel," antwoordde Kees vriendelijk.

»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch

de revolver zal laten werken."

De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat

kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten

der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere

tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze

zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.

Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral

de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden

lang in vreemde streken rondzwierven om avonturen te beleven

en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze

raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar

de grootste zwerftochten.

Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan,

werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.

Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem

toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:

»Wie zijt gij?"

»Ik ben Amat, heer."

»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?"

»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om

hen onkwetsbaar te maken."

Kees lachte.

»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?" vroeg hij.

»Ik weet het niet, heer," zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar

de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor," vervolgde hij.

»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme

Dajaks het geld uit den gordel."

»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar

is toch niets tegen?"

»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu

juist gekomen?"

»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen."

»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien."

»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen."

»Zoo, en wat wilde je nu?"

»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is

dat zoo, heer?"

»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?"

»Neen, niets heer," zei de Maleier eenigszins weifelend.

»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!" zei Kees ongeduldig.

»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik

wilde u een gunst vragen."

»Wat is dat dan?" vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.

»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens

anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe's

ben ik nog nooit geweest. Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen

durf ik zoo'n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik

mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen."

Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige

oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet

beviel. En dan--waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?

»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?"

»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger

nooit gezien," zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen

knippend.

»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch--je gezicht komt me zoo

bekend voor," zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over

nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden

dag."

»Goeden dag, heer," zei de Maleier onderdanig.

Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn

gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.

Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti,

die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu

een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal

achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke

beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.

Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder

te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij

bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.

Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem

neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.

»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd

voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe's als in 't begin. Bovendien is

hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben,

dat u wel in staat was, de antoe's en geesten in het gebergte te

overwinnen. Heeft u dien man al gezien?"

»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan."

»Wil hij meegaan?" riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier

bij de Sibaoe's doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?"

»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien

is hij zelf ook wel onkwetsbaar," lachte Kees spottend.

»Zulke amuletten bestaan er, heer," zei Marti ernstig, »als men de

goede maar heeft."

»Komt de Dajak weer boven, Marti?"

Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:

»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te

bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming

geeft, ons te vergezellen."

»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?"

»Waarom niet, heer?"

»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet

te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt me niet. En ofschoon ik hem in

't geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit 't hoofd, dat ik

hem reeds eerder ontmoet heb."

»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben,

heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij

de Sibaoe's meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen

dan een blanke."

»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we

voorzichtig met hem moeten zijn."

»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen

komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem."

»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk."

Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch

ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering

gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen

brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon

maar tot geen resultaat komen.

's Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.

»Amat," zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een

onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er

is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter

een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe's

zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben,

hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren."

»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben

er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe's goede zaken kan doen. Juist

die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten."

»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een

deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten

meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen."

»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti,

uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een

paar amuletten geven voor niets."

»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is."

»Wanneer gaan we vertrekken, heer?"

»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb,

zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers."

De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer

hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun

overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.

Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd

waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel

gejaagd had, zou als gids optreden.

Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien

tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.

Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat

zijn antoe's hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd,

dat de derde dag gunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde

een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.

Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de

noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.

Tot 's avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van

Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van

Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan,

waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op

hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke

gewichtige personages geworden waren.

Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen

zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang

met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.

Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees,

vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe's, die

evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden

op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en

de patronen voor de vuurwapenen.

Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar

er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of

een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds

schaarscher.

De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de

eigenlijke reis.

Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangend kennis te maken

met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had

hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest

zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.

Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch

begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen

ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor

een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de

rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.

De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende,

zei hij:

»De Goenoeng Lawit."

Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa's

verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in

de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen

verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte

in een soort voorgebergte overgingen.

Hij keerde zich tot Marti en zeide:

»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land

der Sibaoe's."

»Ja, heer," zei Marti met een lichte zucht en hij voelde

onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over

de koppensnellende Sibaoe's was hij niet erg verlangend naar een

kennismaking met dien stam.

»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi

Datoek vertelde, of zou hij uit angst voor de antoe's hebben

overdreven?" vroeg Kees aan Marti.

Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag,

nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:

»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele

steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die

bosschen verscholen ligt."

»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden," zei de

Maleier Amat.

»We zullen zien," zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den

steek laten, want anders...."

»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug," vulde Marti aan.

»Vooruit!" riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen

door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.

Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds

verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en

over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van 't gebergte,

maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.

Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees

floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks,

die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.

Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte

plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar

zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.

Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terrein en Kees vond de

plaats heel geschikt voor nachtverblijf.

Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De

bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds

slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen,

waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker

van zijn zaak.

Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:

»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe."

»Wie was dat?"

»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren

wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote

mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak."

Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over

Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd

was echter sinds lang voorbij.

»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?" vroeg hij.

»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe's zouden ons

zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan

(steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe's lichaam bevindt."

»Verbranden de Kenjaoe's dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze

begroeven."

»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel

ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile

rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch

werd in tampájans geborgen. Deze werden dan op verafgelegen plaatsen

neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar."

Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter

zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij

vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de

bijgeloovigheid der Dajaks te prikkelen. Bovendien was het beter,

uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.

Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de

nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.

Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De

Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe's en de booze

geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten

slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder

den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden,

dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?

»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke

dag. Wij hebben onze nachtrust noodig."

Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te

brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde

de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.

Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn

leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp

staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel,

die verzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend

teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa's zich

af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden

er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke

nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met

het raadsel van den Goenoeng Lawit.

Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door

zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht

was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen

kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en

hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen

de antoe's van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 7 / 20 题