Het was den volgenden morgen al vrij laat, toen Kees wakker werd. Hij
begaf zich naar het beekje in de nabijheid van het huis om een
verfrisschend bad te nemen. Toen hij terugkwam, had Marti reeds rijst
voor hem klaar gezet.
Na het eenvoudige maal sprak Marti:
»Heer, ik heb vannacht, toen u al sliep, nog geruimen tijd met
enkele Dajaks zitten praten. Eén van hen was meermalen in het
Lawit-gebergte op de jacht geweest. Dezen, en nog een paar jonge
mannen, die op avonturen belust zijn, heb ik reeds half overgehaald,
ons te vergezellen. De vrees voor de antoe's in den Goenoeng Lawit
weerhoudt hen echter. Maar nu heb ik hun verteld, dat u veel machtiger
is dan die booze geesten en dat u, met uw revolver, die zes keer kan
schieten, alle antoe's gemakkelijk kunt overwinnen."
»Goed gesproken, Marti," riep Kees lachend uit. »En geloofden ze dat?"
»Maar half, heer. Ze zeiden, dat ze het eerst moesten zien. Nu moet
u ze overtuigen, dat u werkelijk zesmaal achtereen de revolver kunt
afvuren. Zoodra ze zien, dat ik de waarheid heb gesproken, zullen ze
de rest ook wel gelooven."
»Het is goed, Marti. Je hebt het heel slim overlegd," zei Kees,
die het verhaal van zijn trouwen helper met vreugde had aangehoord.
»Maar vertel me eens, Marti, waarom doe je zooveel moeite! Ik weet,
dat je er niet erg op gesteld bent, om naar de Sibaoe's te gaan. En
ik dacht, dat je heel blijde zou zijn, wanneer de reis niet zou
kunnen doorgaan."
»Dat is zoo, heer! Ik voor mij zou veel liever terugkeeren. Maar u
wilt beslist de reis doorzetten. En ik ben toch uw dienaar? Ik moet
u dus helpen," zei Marti eenvoudig.
»Goed, Marti, je bent een trouwe kerel," antwoordde Kees vriendelijk.
»Ga nu maar gauw aan die Dajaks vertellen, dat ik straks in het bosch
de revolver zal laten werken."
De woorden van Marti hadden Kees weer hoop gegeven. Hij wist dat
kleinigheden grooten invloed konden uitoefenen op de besluiten
der Dajaks. Hij moest hen overtuigen, dat ook hij over een zekere
tooverkracht kon beschikken. Dan was het zeer goed mogelijk, dat ze
zich ineens volkomen bereid verklaarden, mee te gaan.
Hij kende het karakter van de Dajaks zeer goed. Hij wist, dat vooral
de jonge mannen gaarne groote tochten maakten en soms maanden
lang in vreemde streken rondzwierven om avonturen te beleven
en koppen te snellen. Alles hing af van de voorteekens, die ze
raadpleegden. Waren deze gunstig, dan ondernamen ze zonder bezwaar
de grootste zwerftochten.
Juist toen Kees zich gereed wilde maken om naar het bosch te gaan,
werd hij door een onverwachte gebeurtenis opgehouden.
Een man, gekleed in de gewone dracht der Maleiers kwam op hem
toegeloopen en begroette hem onderdanig. Verwonderd vroeg hij den man:
»Wie zijt gij?"
»Ik ben Amat, heer."
»Zoo, Amat, wat voert u hierheen?"
»Ik ben een Maleier, heer, en ik verkoop aan de Dajaks amuletten om
hen onkwetsbaar te maken."
Kees lachte.
»Maken ze werkelijk onkwetsbaar?" vroeg hij.
»Ik weet het niet, heer," zei de Maleier met een sluw lachje. »Maar
de Dajaks gelooven het en betalen er veel voor," vervolgde hij.
»Ik geloof, dat jij een slimme vogel bent, Amat; je klopt die arme
Dajaks het geld uit den gordel."
»Zij willen de amuletten graag hebben, heer. Daarom verkoop ik ze. Daar
is toch niets tegen?"
»O, neen, verkoop jij maar, het kan mij niets schelen! Ben je nu
juist gekomen?"
»Neen, heer, ik ben hier al eenige dagen."
»Ik heb je toch gisterenavond niet gezien."
»Ik was in een der lawangs, heer, en wilde u niet lastig vallen."
»Zoo, en wat wilde je nu?"
»Men heeft mij verteld, dat u naar de Sibaoe-dajaks wilt gaan. Is
dat zoo, heer?"
»Ja, dat is zoo. Maar gaat jou dat wat aan?"
»Neen, niets heer," zei de Maleier eenigszins weifelend.
»Nu, wat wil je dan? Voor den dag er mee!" zei Kees ongeduldig.
»Ik ben maar een handelaar, heer; u moet niet boos worden, maar ik
wilde u een gunst vragen."
»Wat is dat dan?" vroeg Kees, nieuwsgierig geworden.
»Ik heb hier de heele streek al afgereisd. Nu zou ik gaarne ergens
anders heen gaan om mijn amuletten te verkoopen. Bij de Sibaoe's
ben ik nog nooit geweest. Mag ik u nu op uw reis vergezellen? Alleen
durf ik zoo'n grooten tocht niet aan. Ik zou geholpen zijn, als ik
mij bij u aan mocht sluiten. Gaarne wil ik onderweg voor u dragen."
Kees had het verzoek met verbazing aangehoord en dacht eenige
oogenblikken na. De Maleier had iets in zijn uiterlijk, dat hem niet
beviel. En dan--waar kon hij dien man toch eerder hebben gezien?
»Zeg eens, Amat! waar heb ik je vroeger eens gezien?"
»Nergens, heer. Voor zoover ik me herinneren kan, heb ik u vroeger
nooit gezien," zei de Maleier, heel even zenuwachtig met de oogen
knippend.
»Zoo; ik weet het ook niet zeker. En toch--je gezicht komt me zoo
bekend voor," zei Kees. En toen vervolgde hij: »Ik zal er eens over
nadenken. Kom vanmiddag nog maar eens praten. Ik moet nu weg. Goeden
dag."
»Goeden dag, heer," zei de Maleier onderdanig.
Hij keek Kees nog een oogenblik na. Een valsch lachje gleed over zijn
gezicht; toen verdween hij in één der lawangs.
Intusschen was Kees naar buiten gegaan. Hij voegde zich bij Marti,
die met eenige Dajaks op hem stond te wachten. Allen begaven zich nu
een eindweegs het bosch in en daar vuurde Kees de revolver zesmaal
achtereen af. De Dajaks stonden stom van verbazing. Deze blanke
beschikte inderdaad over zeer machtige toovermiddelen.
Hij liet het nu verder aan den slimmen Marti over om de Dajaks verder
te overreden en ging het bosch in om een vogel te schieten, die hij
bij zijn maaltijd zou kunnen gebruiken.
Toen hij teruggekeerd was en gegeten had, zette Marti zich voor hem
neer en deelde hem het verdere resultaat van zijn bemoeiingen mede.
»Wij zullen slagen, heer! De Dajaks toonen zich niet meer zoo bevreesd
voor den Goenoeng Lawit en de Sibaoe's als in 't begin. Bovendien is
hier in het dorp een Maleier. Ook deze schijnt hun gezegd te hebben,
dat u wel in staat was, de antoe's en geesten in het gebergte te
overwinnen. Heeft u dien man al gezien?"
»Ja, hij heeft mij van morgen gevraagd, of hij mee mocht gaan."
»Wil hij meegaan?" riep Marti verbaasd uit. »Wat moet die Maleier
bij de Sibaoe's doen? Is hij niet bang om gesneld te worden?"
»Blijkbaar niet! Hij verkoopt amuletten voor onkwetsbaarheid. Misschien
is hij zelf ook wel onkwetsbaar," lachte Kees spottend.
»Zulke amuletten bestaan er, heer," zei Marti ernstig, »als men de
goede maar heeft."
»Komt de Dajak weer boven, Marti?"
Marti antwoordde niet, doch ging met een onverstoorbaar gezicht voort:
»Die Maleier wil dus mee. Nu begrijp ik, waarom hij de Dajaks tracht te
bepraten. Hij zal zeker nog meer zijn best doen, als u hem toestemming
geeft, ons te vergezellen."
»Dus jij vindt, dat ik hem maar mee moet nemen?"
»Waarom niet, heer?"
»Ik weet het eigenlijk niet, Marti. Ik heb het gevoel, dat hij niet
te vertrouwen is. Zijn gezicht bevalt me niet. En ofschoon ik hem in
't geheel niet ken, wil het denkbeeld me niet uit 't hoofd, dat ik
hem reeds eerder ontmoet heb."
»Ik kan me niet voorstellen, waar we hem eerder gezien zouden hebben,
heer. En waarom zou hij niet te vertrouwen zijn? Ook loopt hij bij
de Sibaoe's meer gevaar dan u. Ze zullen eerder een Maleier snellen
dan een blanke."
»Dat is zoo, Marti, maar ik wantrouw dien man. Ik geloof, dat we
voorzichtig met hem moeten zijn."
»Het is jammer, heer; zijn diensten zouden uitstekend te pas kunnen
komen, want de Dajaks hier hebben veel vertrouwen in hem."
»Ik zal er nog eens over denken, Marti; je hebt misschien wel gelijk."
Kees verzonk in gedachten. Waar en wanneer kon hij dien Amat toch
ontmoet hebben? Reeds den heelen morgen had hij in zijn herinnering
gezocht. Zou hij zich toch bedriegen? Marti kon het zich niet te binnen
brengen. De man zelf ontkende het. En toch.... en toch.... Kees kon
maar tot geen resultaat komen.
's Middags kwam de Maleier terug, om te hooren wat Kees besloten had.
»Amat," zei Kees, »je kunt meegaan. Maar bedenk wel, dat het een
onderneming vol gevaren is. Het gebergte is bijna ontoegankelijk. Er
is zelfs kans, dat we terug moeten keeren. Gelukt het ons echter
een doortocht te vinden, dan zijn we nog niet klaar. De Sibaoe's
zijn verraderlijk en moordzuchtig. We zullen moeite genoeg hebben,
hen gunstig te stemmen. Ook van die zijde bedreigen ons gevaren."
»Dat alles is me bekend, heer. En toch zou ik gaarne meegaan. Ik ben
er zeker van, dat ik daar bij de Sibaoe's goede zaken kan doen. Juist
die oorlogszuchtige stammen hebben gaarne amuletten."
»Welnu dan, afgesproken. Je gaat mee. Maar op voorwaarde, dat ge een
deel der levensmiddelen voor me draagt. We zullen veel rijst moeten
meenemen en dragers kunnen we hier moeilijk krijgen."
»Ja, heer, ik zal als drager dienst doen. Bovendien zal ik Marti,
uw helper, bijstaan in het werven van een paar Dajaks. Ik zal ze een
paar amuletten geven voor niets."
»Goed, Amat, help ons, zooveel in je vermogen is."
»Wanneer gaan we vertrekken, heer?"
»Over een paar dagen, denk ik. Zoodra ik mijn besluit genomen heb,
zal ik het je zeggen. Eerst moet ik zeker zijn van mijn dragers."
De Maleier ging nu Marti opzoeken, om hem te zeggen, dat zijn heer
hem had toegestaan, de reis mede te doen. Beiden wendden nu hun
overredingskracht aan op de betrokken Dajaks.
Tegen den avond deelde Marti Kees mede, dat ze naar wensch geslaagd
waren. De man, die in het voorgebergte van den Goenoeng Lawit wel
gejaagd had, zou als gids optreden.
Kees besloot nu, nog twee dagen in Tapang te blijven. Hij wilde dien
tijd volkomen rust genieten, alvorens de zware tocht te aanvaarden.
Den volgenden morgen deelde hij aan de bijgeloovige Dajaks mede, dat
zijn antoe's hem in den droom hadden bezocht. Zij hadden hem gezegd,
dat de derde dag gunstig was, om op reis te gaan. Niemand twijfelde
een oogenblik aan de waarheid van dit orakel.
Gedurende deze twee dagen maakte Kees alles in orde. Hij kocht de
noodige rijst en liet deze verpakken om meegedragen te kunnen worden.
Tot 's avonds laat, ja tot diep in den nacht zaten de Dajaks van
Tapang met elkaar te praten over de gevaarvolle onderneming van
Kees en de zijnen. De drie mannen uit het dorp, die mee zouden gaan,
waren de helden van den dag. Aller oogen rustten met bewondering op
hen. Met trotsche gezichten liepen ze rond, omdat ze nu ineens zulke
gewichtige personages geworden waren.
Eindelijk was de dag van vertrek aangebroken. Vroeg in den morgen
zette de kleine stoet zich in beweging. De heele bevolking van Tapang
met Petinggi aan het hoofd deed hen uitgeleide.
Vooraan liep de Dajak, die den weg zou wijzen. Daarachter ging Kees,
vervolgens Marti en Amat; daarna kwamen de twee andere Kenjaoe's, die
evenals de gids en de Maleier de levensmiddelen in hun draagmanden
op den rug droegen. Marti droeg alleen wat bagage van zijn heer en
de patronen voor de vuurwapenen.
Aanvankelijk vorderde men goed. Het terrein was heuvelachtig, maar
er was een goed boschpad. Nu en dan passeerde men nog een huis of
een paar ladangs; maar de sporen van menschelijk leven werden steeds
schaarscher.
De laatste der meegeloopen Dajaks keerden terug en nu begon de
eigenlijke reis.
Kees verkeerde in groote spanning. Hij was verlangend kennis te maken
met den Goenoeng Lawit. Uit de verhalen der bewoners van Tapang had
hij wel begrepen, dat het een uiterst woest en grillig gebergte moest
zijn. Groote koelbloedigheid en voorzichtigheid zouden geboden zijn.
Op een gegeven oogenblik voerde het voetpad over een slechts schaarsch
begroeiden heuvel. Vrij gemakkelijk bereikten ze den top. Daar zagen
ze plotseling, ver in het Oosten, een reeks van hooge bergtoppen. Voor
een gedeelte schenen deze begroeid met zwaar oerwoud, doch voor de
rest vertoonden ze slechts kale, grijze rotswanden.
De voorste Dajak wendde zich naar Kees en op het gebergte wijzende,
zei hij:
»De Goenoeng Lawit."
Kees stond stil. Welke geheimen hielden die sombere steenmassa's
verholen? Met een gemengd gevoel van verlangen en angst tuurde Kees in
de verte. Tusschen de plek, waar ze nu stonden, en de hoogste toppen
verhieven zich nog verscheidene hooge heuvelrijen, welke ten slotte
in een soort voorgebergte overgingen.
Hij keerde zich tot Marti en zeide:
»Als we daar maar eerst overheen zijn, Marti, dan zijn we in het land
der Sibaoe's."
»Ja, heer," zei Marti met een lichte zucht en hij voelde
onwillekeurig eens naar zijn hals. Na de verhalen der Tapangers over
de koppensnellende Sibaoe's was hij niet erg verlangend naar een
kennismaking met dien stam.
»Zou je denken, dat het gebergte zoo ontoegankelijk is als Petinggi
Datoek vertelde, of zou hij uit angst voor de antoe's hebben
overdreven?" vroeg Kees aan Marti.
Deze trachtte het gedeelte van het gebergte, dat men voor zich zag,
nauwkeurig te bestudeeren en zei toen:
»Van hieruit gezien lijkt het niet ontoegankelijk, ofschoon er vele
steile rotswanden zijn. Doch men kan nooit weten, wat er achter die
bosschen verscholen ligt."
»Naar mijn idee zal het een zeer moeilijke tocht worden," zei de
Maleier Amat.
»We zullen zien," zei Kees, »als nu onze Dajaks ons maar niet in den
steek laten, want anders...."
»Anders komen we nooit meer uit dat gebergte terug," vulde Marti aan.
»Vooruit!" riep Kees plotseling. Hij wilde zich niet laten ontmoedigen
door de sombere gedachten, die hem onwillekeurig bestormden.
Langzaam daalde men nu den heuvel af en trok het bosch weer in. Steeds
verder ging de tocht, over heuvels en riviertjes, door bosschen en
over open vlakten. Soms zag men nog eens een stuk van 't gebergte,
maar meestentijds was het geheel onzichtbaar door het dichte oerwoud.
Gelukkig was het in het bosch niet warm. Men schoot flink op. Kees
floot een wijsje. Marti en Amat onderhielden zich met de Dajaks,
die hun allerlei verhalen van den Goenoeng Lawit opdischten.
Tegen het vallen van den avond keek Kees eens uit naar een geschikte
plek om te overnachten. De gids vertelde, dat iets verder een paar
zandige heuvels waren. Daar zou men goed kunnen kampeeren.
Werkelijk bereikte men na korten tijd dit terrein en Kees vond de
plaats heel geschikt voor nachtverblijf.
Den volgenden morgen werd de tocht weer met nieuwen moed aanvaard. De
bodem begon nu meer en meer op te loopen; het pad werd steeds
slechter. Het voortgaan werd bemoeilijkt door groote en kleine steenen,
waarmee het pad bezaaid was. De gids stapte echter flink door, zeker
van zijn zaak.
Op een gegeven oogenblik zei hij plotseling tegen Kees:
»Hier dicht bij ligt het graf van Rimaoe."
»Wie was dat?"
»Een groot Hoofd van onzen stam, heer. Toen die nog leefde, waren
wij machtig en gevreesd door onze buren. Rimaoe maakte groote
mengajaoe-tochten (sneltochten) tot diep in Serawak."
Kees herinnerde zich nu, dat Petinggi Datoek ook had gesproken over
Rimaoe en het bloeitijdperk van de Kenjaoe-dajaks. Die groote tijd
was echter sinds lang voorbij.
»Komen we langs dat graf? Hoe ziet het er uit?" vroeg hij.
»We komen er niet langs, heer, dat kan niet. De antoe's zouden ons
zeker straffen. Ik heb echter gehoord, dat er een heel groote tampájan
(steenen pot) staat, waarin zich de asch van Rimaoe's lichaam bevindt."
»Verbranden de Kenjaoe's dan hun dooden? Ik dacht, dat zij ze
begroeven."
»Ja, heer, tegenwoordig begraven de Dajaks hun dooden. Of wel
ze plaatsen de lichamen op stellages in hooge boomen of op steile
rotsen. Maar men zegt, dat de dooden vroeger verbrand werden. Hun asch
werd in tampájans geborgen. Deze werden dan op verafgelegen plaatsen
neergezet. Een enkele maal vindt men ze nog hier of daar."
Reeds had men de plek, waar het graf van den beroemden held lag, achter
zich gelaten. Gaarne zou Kees dit eens van nabij hebben gezien. Hij
vond het echter beter zijn nieuwsgierigheid te beheerschen, dan de
bijgeloovigheid der Dajaks te prikkelen. Bovendien was het beter,
uitsluitend het doel van den tocht voor oogen te houden.
Toen de dag ten einde liep, vestigde men het nachtkwartier in de
nabijheid van een kristalhelder bergriviertje.
Na den maaltijd zaten de mannen nog een tijdlang om het vuur. De
Dajaks zaten de wonderlijkste verhalen over de antoe's en de booze
geesten van het gebergte op te disschen. Zelfs Marti en Amat zaten ten
slotte te rillen van angst. Kees werd ongerust, dat de Dajaks onder
den invloed van hun eigen spookverhalen zoo bevreesd zouden worden,
dat ze hun wel eens in den steek konden laten. En wat dan?
»Mannen, het is tijd om te gaan slapen. Morgen wacht ons een moeilijke
dag. Wij hebben onze nachtrust noodig."
Tegen deze opwekking, kort en beslist uitgesproken, was weinig in te
brengen. Allen strekten hun vermoeide leden uit. Weldra verkondigde
de regelmatige ademhaling van de inlanders, dat ze rustig sliepen.
Maar de blanke man sliep nog niet. Lang zat hij overeind op zijn
leger van bladeren, den blik gericht op den Goenoeng Lawit. Scherp
staken de donkere silhouetten van het gebergte af tegen den hemel,
die verzilverd werd door het licht der maan. Forsch en dreigend
teekenden de gekartelde kammen van die zwijgende steenmassa's zich
af. Welke geheimenissen hielden ze verholen? Welke gevaren dreigden
er op dien grilligen, woesten oerbodem van rotsen en wouden, welke
nimmer door een menschenvoet werden betreden? Hij pijnigde zich met
het raadsel van den Goenoeng Lawit.
Een verwarde stroom van gedachten, gevoelens en angsten bruiste door
zijn brein, martelde de slaap weg uit zijn oogen. Tot diep in den nacht
was hij ten prooi overgeleverd aan de schimmen zijner verbeelding. Toen
kwam er vervaging; afgemat zonk hij neer; zijn spieren verslapten en
hij viel in een onrustige sluimering. En zelfs in den droom schenen
de antoe's van den Goenoeng Lawit hem niet met rust te laten.