III. BIJ DE KENJAOE-DAJAKS.

De djaloers werden voor alle zekerheid stevig vastgelegd; de dajongs

werden in het struikgewas verborgen. Daarna verkenden de reizigers

de omgeving van de pangkalan.

De struiken en boomen waren tot meer dan manshoogte met een laagje

grijze modder bedekt, waaruit men kon afleiden, dat ze meermalen tot

zoover onder water stonden. De aanlegplaats deed vermoedelijk alleen

als zoodanig dienst bij lagen waterstand.

De meeste dorpen hebben twee of meer pangkalans voor verschillende

waterstanden, welke onderling en met het dorp verbonden zijn door

een voetpad.

Allereerst diende nu het pad te worden gezocht, dat hen naar de

woningen der Kenjaoe-dajaks zou voeren.

Toen ze 't gevonden hadden, gingen ze eerst wat rusten. Daarna pakte

Marti de bagage in een rottan draagmand en de reizigers begaven zich

op weg.

Kees droeg het geweer en de revolver, bovendien nog een parang. Marti

droeg de korf op den rug en ook nog een parang.

Zoo uitgerust betraden ze het pad, dat zich duidelijk in het bosch

afteekende en gemakkelijk te volgen was.

Het geboomte was zwaar en hoog met weinig onderhout, zoodat ze vrij ver

voor zich uit konden zien. Nu en dan kwamen ze voor kleine riviertjes,

die meestal door een boomstam waren overbrugd.

Nadat ze ongeveer een uur hadden geloopen, hield Marti even stil

en zei:

»Ik hoor een haan kraaien; we zijn dicht bij een huis."

»Ik denk, dat we nu bij een ladang (rijstveld) komen, het bosch wordt

daar voor ons veel lichter. Misschien vinden we daar wel Dajaks,"

meende Kees.

Dit vermoeden bleek waarheid. Weldra stonden ze aan den rand van het

bosch en zagen een uitgestrekte ladang voor zich. Het was een groot

veld, kris-kras bedekt met omgehakte boomen. Het lichtere hout was

weggebrand, doch de dikke stammen waren blijven liggen, zooals ze

neergestort waren. Tusschen die zwartgeblakerde boomen groeiden de

schaarsche padihalmen. Het is slechts een armoedige oogst, die door

deze allereenvoudigste wijze van roofbouw wordt opgeleverd.

Midden op de ladang stond een klein huisje, vanwaar het hanengekraai

klonk, dat de reizigers in het bosch reeds hadden gehoord.

Toen ze de ladang hadden betreden, stootte Marti eenige malen een

Dajaksche kreet uit, om de bewoners van het huisje te waarschuwen,

dat er vreemdelingen naderden, doch dat deze niets kwaads in den zin

hadden. Dit is in het land der koppensnellers niet overbodig.

Uit het huisje kwam een man te voorschijn, die Marti's geroep

beantwoordde, waarna ook nog een vrouw en een paar kinderen naar

buiten kwamen.

Dit kleine gezin bood het gewone schouwspel van een Dajak-familie: de

man was naakt op een gordel of »tjawet" na; de vrouw droeg een kort

soort rokje, dat tot de knieën reikte; de kinderen waren evenals de

man bijna geheel naakt.

Moeizaam klommen Kees en Marti over de talrijke boomstammen, om het

huisje te bereiken. Naderbij gekomen riep Marti:

»Is dit een ladang van de Kenjaoe-dajaks?"

»Aoe," (ja) antwoordde de Dajak.

»Is hier een groot dorp in de nabijheid?" vroeg Kees.

»Neen, slechts enkele kleine huizen; de groote liggen verder. Ik

moet hier de wacht houden over de ladang, dat de dieren onze oogst

niet vernielen."

»Welk dorp is het voornaamste?" vroeg Kees weer.

»Het huis van Petinggi Datoek, heer."

»Is dat nog ver en kunnen we daar gemakkelijk komen?"

»Twee dagen loopen, heer."

»Dan kunnen we er morgenmiddag zijn," zei Kees tot Marti. Hij wist wel,

dat een Dajak op reis gewoon is veel tijd te verpraten in de huizen,

die hij passeert.

»Wij behoeven ons nergens op te houden, doch kunnen rechtstreeks naar

het huis van Petinggi Datoek gaan," zei Marti.

»Is dit het pad?" vroeg Kees naar de andere zijde van de ladang

wijzende.

»Aoe," zei de man, tot wiens opluchting Kees en Marti weldra weer

hun klimpartij over de boomstammen hervatten en spoedig daarna in

het bosch waren verdwenen.

Beurtelings voerde het pad onze reizigers door bosschen en over

ladangs; zelfs moesten ze eenmaal een uitgestrekt veld met riet en

struikgewas doorworstelen.

Na al deze vermoeienissen kwamen ze eindelijk tegen het vallen van

den avond bij een klein dorp, dat, zooals bijna altijd bij de Dajaks,

uit slechts één huis bestond.

Hier wilden ze nachtverblijf vragen. Ze beklommen één der uit een

boomstam met inkepingen bestaande ladders en traden het huis binnen.

De bewoners ontvingen hen vriendelijk. Dadelijk werden er een paar

matten gespreid in het voor bezoekers en vreemdelingen bestemde

gedeelte van het huis.

Een Dajaksch huis is namelijk in twee helften verdeeld door een gang,

die er in de lengte doorheen loopt. Aan de eene zijde treft men

een open ruimte aan, die bestemd is voor slaapplaats der volwassen

jongelieden en tevens dient tot logeerruimte voor vreemdelingen. De

andere zijde wordt ingenomen door een aantal kamertjes of »lawangs",

ook wel pintoe's (deuren) geheeten. Er zijn zooveel lawangs als er

families in het huis wonen. Deze huizen of dorpen hebben dus een zeer

verschillende lengte, afhankelijk van het aantal inwoners.

Men treft soms huizen aan van twee lawangs, die slechts zes à acht

Meter lang zijn. Maar men vindt er ook wel van vijftig lawangs,

die bijna tweehonderd Meter lang zijn. Onder de huizen, binnen het

paalwerk waar op ze rusten, zijn de varkensstallen afgeschut.

Het dorp, waar Kees en Marti thans vertoefden, bestond slechts uit

een vijftal lawangs en behoorde dus tot de kleinere.

Marti kocht van de bewoners wat rijst en een paar eieren en ging nu

op één der aanwezige vuurplaatsen den maaltijd bereiden.

Middelerwijl had Kees zich op zijn mat neergezet, terwijl een groep

Dajaks zich om hem heen had verzameld. Hij knoopte een gesprek met

hen aan, ten einde verschillende inlichtingen in te winnen.

Het bleek hem, dat, als hij den volgenden morgen vroeg vertrok, hij in

den loop van den dag het huis van Petinggi Datoek zou kunnen bereiken.

Petinggi Datoek was volgens de Dajaks hun voornaamste stamhoofd,

en wanneer hij de reizigers goed gezind was, zouden ze bij de

Kenjaoe-dajaks niet de minste overlast ondervinden. Kees vernam ook,

dat het pad naar het dorp van Petinggi Datoek zeer slecht begaanbaar

was en men gemakkelijk zou kunnen verdwalen. Toen Marti het maal

gereed had, gingen beiden eten en daarna legde Marti zich op zijn

mat, om te slapen. Kees echter had nog geen haast. Hij wilde nog wat

met de Dajaks praten. Hij brandde van verlangen, om iets te vernemen

omtrent de Sibaoe-dajaks en over den weg, die naar hun land voerde.

Maar de berichten waren alles behalve gunstig.

Om in het land der Sibaoe's te komen, moest men door een woest gebergte

trekken, de Goenoeng Lawit geheeten. Het was een onherbergzaam oord,

levensgevaarlijk voor den mensch. Het werd volgens hen bevolkt door

de antoe's, de booze geesten. Onherroepelijk deden ze ieder, die het

waagde hun gebied te betreden, neertuimelen en vermorselen in een

der vele ravijnen en afgronden.

»Is er één uwer dan ooit wel eens daar geweest?" vroeg Kees.

»Neen heer," antwoordde een oud man, »ik geloof niet, dat er één

Dajak leeft, die daar geweest is. Zij die er heen durfden gaan,

zijn nimmer teruggekeerd."

»En welk nut zou het hebben er heen te gaan?" voegde een ander er

aan toe.

»Al kon men dat gebergte oversteken, wat hielp het? Men zou in de

handen der Sibaoe's vallen en gesneld worden. De Sibaoe's zijn nòg

erger duivels dan de antoe's."

»Ja, dat is zoo!" beaamden alle aanwezigen.

De Sibaoe's hadden zich berucht en gehaat gemaakt, doordat ze

meermalen groote roof- en sneltochten in het land der Kenjaoe's

ondernomen hadden. Machtelooze woede kenmerkte alle uitingen van de

laatsten. Gaarne zouden zij eens geducht met deze Sibaoe's afrekenen,

maar ze voelden zich te zwak om tegen hen op te trekken.

Het werd meer en meer duidelijk, dat Kees heel wat moeite zou hebben,

in dit land hulp te krijgen voor zijne onderneming.

Zijn eenige hoop was, dat hij een paar jonge mannen, die gaarne

avonturen beleefden, door een groote belooning over zou kunnen halen

hem te volgen.

Het was reeds nacht, toen Kees eindelijk besloot te gaan slapen. Gaarne

zou hij meer hebben vernomen, maar hij begreep wel, dat een goede

nachtrust volstrekt noodzakelijk was, wanneer hij den volgenden dag

den zwaren tocht naar het dorp van Petinggi Datoek volbrengen zou.

Bij het aanbreken van den dag waren ze reeds weer reisvaardig. Eén der

bewoners van het huis had zich aangeboden, om als gids dienst te doen,

hetgeen Kees met blijdschap had aangenomen.

Het pad was inderdaad zeer slecht. Het liep over vroegere ladangs,

die nu begroeid waren met dicht struikgewas en scherp riet. Nergens

lag over de talrijke riviertjes een boomstam om als brug dienst te

doen. Ook moesten ze een paar moerassen doortrekken, waar ze tot hun

knieën in de modder zakten. En ten slotte voerde het pad zelfs over

een soort van brug, bestaande uit schragen van schuin in de modder

gestoken takken, waarover dunne boomstammen gelegd waren. Het loopen

over deze zwiepende stellages was zeer moeilijk, vooral voor Kees;

de Dajaks echter liepen er als katten over heen.

Daarna kwamen ze weer op hooger terrein, waar de heuvels dicht begroeid

waren met bamboe bosschen. Maar de paden waren er door de afgevallen

bladeren zeer glibberig, zoodat het loopen erg lastig viel.

Het was een afmattende tocht. Dikwijls moesten de reizigers halt

houden, om eenige oogenblikken uit te rusten.

Op een gegeven oogenblik verklaarde de gids, nu terug te willen

keeren. Het pad was verder gemakkelijk te volgen en de groote ladangs

van Petinggi Datoek waren niet ver meer af.

Kees gaf den man een goede belooning voor zijn, werkelijk uitstekende

diensten. Deze nam afscheid en de beide reizigers togen verder.

Ongeveer een uur later bereikten ze inderdaad een uitgestrekte

ladang. Het aanschouwen van deze groote opene vlakte, bedekt met

boomstammen, ontlokte Kees een diepen zucht. Nu moest het klauteren

en springen weer beginnen.... En zijn beenen weigerden hem al bijna

den dienst.

Toch maar weer moedig voorwaarts. Het doel van dien dag kon nu niet

ver meer zijn.

Dankbaar waren ze, toen ze over de laatste boomstam heen gestrompeld

waren en de reuzen van het oerwoud weer hun machtige schaduwdragende

armen boven hun verhitte hoofden uitstrekten. Weldra passeerden ze

een vierkante open plek in het bosch, een hanenkamp plaats. Dat was

een teeken, dat het dorp in de nabijheid lag.

Even verder ontmoetten ze een oud man, die verklaarde in het huis

van Petinggi Datoek te wonen en bereid te zijn met hen terug te gaan.

Weldra waren ze in het dorp, dat Tapang heette. Het bestond uit één

zeer lang huis, dat een veertigtal lawangs telde.

Petinggi Datoek, het hoofd, was een forsch gebouwde man van middelbaren

leeftijd, met een verstandig gelaat. Gastvrij ontving hij de bezoekers

en liet dadelijk een paar nieuwe matten voor hen spreiden. Voor het

nog avond was geworden, voelden ze zich reeds volkomen thuis in dit

dorp. De bewoners legden niet het minste wantrouwen aan den dag en

waren vriendelijk en hulpvaardig.

De overgroote meerderheid der Dajaks had nog nooit een blanke

gezien. Vol nieuwsgierigheid zaten ze om Kees heen en beschouwden

diens persoon en zijn doen en laten met de grootste belangstelling.

Toen Kees en Marti gegeten hadden, knoopten ze een gesprek aan met

Petinggi Datoek. Ook enkele der mannen namen er aan deel, terwijl de

anderen en de vrouwen, die zich ook in den kring hadden geschaard,

stil toeluisterden.

Toen Kees zijn plan kenbaar maakte, naar het land der Sibaoe's te

willen gaan, werd dit door allen met teekenen van schrik en afkeuring

ontvangen. Ook hier ontwaarde hij dezelfde gezindheid, als bij de

Dajaks, die hij den vorigen avond had gesproken. Na eenig zwijgen

zei Petinggi Datoek:

»Heer, ik weet niet, waarom u naar het land der Sibaoe-dajaks wilt

gaan, maar wàt ook de reden mag zijn, het is beter, dat u van die

reis afziet."

»Dat kan niet, Petinggi," zei Kees, »ik mòet er heen en ik zàl er

heen gaan ook."

De Dajak kuchte eens, aarzelde nog een oogenblik en vervolgde toen:

»U moet het me niet kwalijk nemen, heer, dat ik zoo tegen

u spreek. Maar u moet me gelooven: de Sibaoe's zijn niet te

vertrouwen. Zij zijn verraderlijk. Wien ze overdag goed ontvangen

hebben, zullen ze 's nachts heimelijk vermoorden."

»Dat zal zoo erg niet zijn," zei Kees. »Dat is geen Dajaksche

gewoonte. Is men in een huis ontvangen, dan is men veilig."

»Dat is zoo, heer, maar de Sibaoe's zijn duivels in menschengedaante."

»Ik merk wel, dat ge niet erg op hen gesteld zijt, Petinggi," zei

Kees glimlachend.

»Wij Kenjaoe's kennen hen, heer; altijd zijn het onze grootste vijanden

geweest. Vaak kwamen ze in ons gebied, om koppen te snellen. Maar wij

zijn nooit sterk genoeg geweest, om hen te verslaan. Steeds moesten

we vluchten, als ze ons land binnen vielen."

»Dat is alles wel mogelijk, Petinggi, maar ik wil naar hun land toe! Ik

verzeker je, dat ik in 't geheel niet bang ben voor die Sibaoe's. Ik

heb hier een goed geweer, zooals je ziet. En hier is nog een klein

geweer, dat zes keer achter elkaar kan schieten. Zoo iets heb je

zeker nooit gezien. Daar zullen de Sibaoe's kennis mee maken, als ze

mij mochten aanvallen," zei Kees, op zijn geweer en revolver wijzende.

Deze bekeek de beide wapens op een afstand met belangstelling en

eerbied en zeide:

»Ja, heer, dat zijn zeker geweldige wapens, maar de Sibaoe's zullen

ook niet met u vechten. Zij zullen u overdag een vriendelijk gelaat

toonen en u 's nachts dooden."

»Ik zeg je nog eens, Petinggi, ik ben niet bang."

»Goed, heer, maar er is nog meer," vervolgde de Dajak weifelend.

Kees werd ongeduldig.

»Vertel op, wàt is er nog meer?"

»De weg van hier naar het land der Sibaoe-dajaks is zeer

moeilijk. Eigenlijk is er geen weg, tenminste wij weten hem

niet. Daarom geloof ik niet, dat het u gelukken zal er te komen."

»Zou ik dien Goenoeng Lawit niet kunnen overtrekken, Petinggi? Ik

ben wel over hoogere bergen gereisd," zei Kees.

»Het gebergte is niet zoo heel hoog, heer, maar het is ontoegankelijk

voor menschen. Daar tusschen die rotsen kunnen alleen antoe's en booze

geesten leven. En die dulden geen menschen in hun nabijheid. Vroeger

zijn er heel vaak bewoners uit onze dorpen heen gegaan om te

jagen. Nimmer zijn ze teruggekeerd. Nu durft niemand meer de antoe's

te weerstaan. Niemand gaat er meer heen."

»Maar Petinggi," hernam Kees, »als dat zoo is, hoe kunnen dan de

Sibaoe's hier komen om te snellen? Die moeten toch ook over den

Goenoeng Lawit. Waar de Sibaoe's langs kunnen, daar kan ik ook

langs. En als de antoe's hèn geen kwaad doen, zullen ze mij ook wel

met rust laten."

Petinggi Datoek maakte een ontkennende beweging, doch talmde met

zijn antwoord.

Kees vervolgde: »Ik wil wel gelooven, dat er vele menschen in 't

gebergte verongelukt zijn. Maar die zijn waarschijnlijk bij het

vervolgen van het wild in afgronden gestort, of misschien zijn zij

gesneld door op koppenjacht zijnde Sibaoe's."

De Dajak had met een ernstig gelaat geluisterd, doch zeide nu:

»De antoe's doen het, heer! Sibaoe's komen er in het gebergte ook

niet."

»Dat moèt toch wel, Petinggi; je vertelt zelf, dat ze hier komen

snellen."

»Misschien zult ge me niet gelooven, heer, en toch is, wat ik u nu

zal vertellen, de zuivere waarheid. De Sibaoe's komen nooit door het

gebergte heen! Niemand weet eigenlijk, hoè ze hier komen. Wij weten

alleen, dat ze bedreven zijn in allerlei tooverijen, waardoor ze de

hulp krijgen van hun antoe's en geesten."

Kees maakte een ongeduldig gebaar en trok een spottend gezicht,

doch zeide nog niets. De Dajak ging voort:

»Mijn vader heeft mij vroeger verteld, heer, dat de Sibaoe's door de

lucht komen vliegen. Hun antoe's helpen hen over het gebergte heen."

Een toestemmend gemompel ging door de omzittenden. Een oude man kwam

eenigszins naar voren en hurkte voor Kees neer.

»Wat is er?" vroeg deze.

»Ik ben een oud man, heer, en heb veel gezien en gehoord. Ik ken

de Sibaoe-dajaks maar al te goed. Zij gaan inderdaad met tooverij

om. Eens werd een Kenjaoe-dajak gedood door een paar op sneltocht

zijnde Sibaoe's. Zijn zoon zette hen na om wraak te nemen. Hij hoopte

hen in den slaap te verrassen ten einde ze te dooden. Op een dag waren

ze aan den voet van het Lawit-gebergte gekomen. De man van onzen

stam zat hen dicht op de hielen. Plotseling verdwenen ze en vlogen

als groote vogels over het gebergte weg.... Daarom kunnen wij nooit

vechten tegen de Sibaoe-dajaks."

Kees had met verbazing dit verhaal aangehoord. Ofschoon het

waarschijnlijk bij alle aanwezigen overbekend was, maakte het blijkbaar

opnieuw een diepen indruk op de bijgeloovige zielen der Dajaks.

Het was aan de angstige gezichten duidelijk te zien, dat

de tooverkracht der Sibaoe's boven allen twijfel verheven

was. Hoofdschuddend zei Kees eindelijk:

»Ik kan dat verhaal niet gelooven. Er zijn geen menschen, die kunnen

vliegen. Ik denk, dat de man, die dit verhaal het eerst heeft verteld,

het maar heeft verzonnen. Hij wilde de schande ontgaan, dat hij den

dood zijns vaders niet had gewroken."

»Toch moet het wel zoo zijn, heer," hernam de Dajak. »Door het

Lawit-gebergte komen ze zeker niet. Het is slechts op één punt

toegankelijk en wel ten Oosten van dit dorp. De Sibaoe's komen echter

altijd uit het Noorden. Daar is geen toegang. Overal rijzen steile

rotsen op. Die kùnnen niet beklommen worden door menschen."

»En tòch moet er in 't Noorden een weg zijn; anders is het onmogelijk,

dat de Sibaoe's daar langs komen," zei Kees gemelijk.

»Er is geen weg, heer," zei de oude Dajak. »Ik zelf ben daar wel

geweest om te jagen; maar overal stuit men op ontoegankelijke

bergwanden."

»En de toegangsweg naar het Oosten?" vroeg Kees gejaagd. Hij begon te

vreezen, dat al zijn moeite vergeefsch zou zijn geweest, en hij ten

slotte onverrichterzake terug zou moeten keeren. »Is die dan niet te

gebruiken om in het land der Sibaoe-dajaks te komen?"

»Ik weet het niet, heer," antwoordde thans Petinggi Datoek. »Het is

mij niet bekend, of men langs dien weg door het geheele gebergte kan

komen. Wèl weet ik, dat men daar de eerste bergketens kan beklimmen. In

dit voorgebergte wordt nog wel eens door onze jonge mannen gejaagd

en wij hebben daar ook nog begraafplaatsen."

»Zijn hier niet een paar mannen, die den weg kennen en met mij mede

zouden willen gaan?" vroeg Kees aan de omzittenden.

Veel beweging en onderling gepraat was het gevolg van deze vraag;

doch een rechtstreeksch antwoord werd niet gegeven.

Onze reiziger bemerkte wel, dat hij dien avond niet veel verder zou

komen. De Dajaks toonden voor het oogenblik niet veel liefhebberij

in den voor hen zoo schrikwekkenden tocht. Hij zou wat geduld

moeten oefenen. Dan was hij van plan enkele der jongere mannen,

door hen een flinke belooning toe te zeggen, over te halen om hem te

vergezellen. Dat zou hem wel eenige dagen kosten. Maar dat hinderde

niet. Die kon hij dan meteen gebruiken om eens flink uit te rusten. En

dat had hij hard noodig.

Weldra maakte hij zijn verlangen kenbaar, om te gaan slapen. De Dajaks

begaven zich naar hun lawangs, waar nog lang het geroezemoes van

stemmen klonk. In den breede bespraken ze onderling nog de vermetele

plannen van hun blanken gast.

Ook Marti scheen nog aan hun gesprekken deel te nemen; want toen Kees

insliep, was zijn mat nog verlaten.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 6 / 20 题