II. OP WEG!

Over de Kenjaoe-rivier voer een djaloer, die stroom opwaarts geroeid

werd door een stoeren Maleier.

De stuurman van het ranke vaartuigje was een blanke. Deze was

gekleed in een blauw katoenen pak; zijn beenen waren omwikkeld met

beenwindsels, teneinde ze te behoeden tegen den beet van insecten;

op zijn hoofd droeg hij een breedgeranden, slappen stroohoed.

De Maleier droeg op het naakte lijf slechts een vuilwitte pantalon;

een zwart fluweelen mutsje, zooals de Maleiers gewoonlijk dragen,

dekte zijn hoofd.

Diep zakte het ranke vaartuigje in het water weg, slechts enkele

centimeters bleven de boorden boven de oppervlakte. Het was dan ook

zwaar geladen. De beide mannen hadden nogal veel bagage bij zich. Men

zag enkele petroleumblikken, die thans den dienst van reistasschen

vervulden, een zwaar jachtgeweer en ten slotte een paar groote

Dajaksche kapmessen of »parangs", die de reizigers een weg door het

oerwoud moesten helpen banen.

Moeizaam pagaaide de Maleier met een dajong [11] het ranke vaartuigje

tegen den stroom op, terwijl de Europeaan, achterin gezeten, bij

de talrijke en vaak zeer scherpe bochten van de rivier de djaloer

behendig om de hoeken stuurde.

Waar het vaarwater een eind rechtuit liep, hielp hij een handje met

roeien en dan schoot het lichte ding ineens veel sneller voort.

Een echte Borneosche boschrivier, die Kenjaoe.

Het water was donkerbruin, bijna zwart. Tal van takken en massa's

bladeren, die van de overhangende boomkruinen waren neergestort,

werden door den stroom meegevoerd.

Zwijgend gleden ze voort over het donkere water.

Geen menschelijk wezen was overigens te bespeuren. Verlaten lag daar

de stroom; verlaten schenen de wildernissen langs den oever. Slechts

nu en dan hoorde men door de stilte de geluiden van een paar vogels en

het geschreeuw van een paar apen. Dan heerschte weer het geheimzinnig

zwijgen van de ongerepte oernatuur.

Met veel moeite en overleg stuurde Kees Smit de djaloer weer een hoek

om. Weer lag een recht gedeelte van de rivier voor hem. Hij behoefde

nu eenige oogenblikken niet zoo angstvallig op te letten en om de

drukkende stilte te verbreken, zei hij:

»Er zijn heel wat bochten, Marti, en de stroom is sterk."

»Ja, Toean," antwoordde Marti. »De rivier is moeilijk te bevaren voor

twee man. En het zal nog wel erger worden, als we de riams bereiken

en er groote steenen in het vaarwater beginnen te komen."

»Bovendien zie ik, dat de oevers hooger worden. We naderen het

gebergte, Marti. Dan wordt de rivier smaller en de stroom sterker. We

hebben tot nu toe weinig last gehad van boomstammen, maar die kunnen

ons ook nog genoeg plagen."

»Ja, heer," antwoordde Marti en zweeg toen weer. Spraakzaam was hij

nooit, en nu had hij al zijn aandacht noodig voor een nieuwe bocht

in de rivier.

Ook Smit zweeg, om den dajong krachtiger te kunnen hanteeren.

Een vol uur ging voorbij in moeizamen arbeid. Toen hervatte Kees:

»Zou het nog lang duren, voor we aan land moeten gaan? Dat kan dunkt

me niet, want de oevers worden steeds hooger. En zoodra het terrein

beslist bergachtig wordt, moeten we de djaloer aan den kant vastleggen

en gaan loopen."

Marti had in dienst van jagers en onderzoekers en later van Smit,

reeds vele boschrivieren bevaren. Hij kende de beteekenis van elk

verschijnsel aan den oever of op het water. En toen hij, na de

laatste opmerking van Kees, nog eens nauwkeurig had rondgespied,

antwoordde hij:

»Ik reken hoogstens nog op twee dagen, heer. Dan zullen we wel ongeveer

de aanlegplaatsen der Kenjaoe-dajaks bereikt hebben. Daar kunnen we

het best aan land gaan. Ik heb gehoord, dat ze nog al veel dorpen

hebben. Daar zullen we dan ook wel voetpaden vinden."

»Ja, die zijn er zonder twijfel, Marti, daar kunnen we vast op

rekenen. Konden we er maar even zeker op aan, dat er ook een goed

pad over het gebergte voert. Maar ik vrees, dat juist het gebergte

ons de meeste hindernissen zal bezorgen."

»Dat vrees ik ook, Toean," sprak Marti.

»Doch moeilijkheden zijn er om te overwinnen, en dàn, Marti, dan zijn

we rijk!" riep Kees vroolijk.

»Misschien heer!" antwoordde de bedachtzame Marti. Weer roeiden ze

zwijgend voort, tot Marti riep: »Een boomstam!"

Midden over de rivier lag een zware boom, die den weg geheel

versperde. Haastig legden ze hun bootje langs den stam aan. Beiden

keken uit, of er ook een doorgang was, doch ze konden niets bespeuren.

»We moeten er uit!" riep Kees.

»Ja, heer," antwoordde Marti en stapte voorzichtig uit de djaloer op

den boomstam. Kees volgde en nu schoven ze met vereende krachten het

vaartuigje over de hindernis.

Weldra zaten ze weer in het bootje en roeiden onverdroten verder.

»Het zal een heele toer zijn, met dezen lagen waterstand de rivier op

te komen. We kunnen bovendien nog veel last van zulke boomen krijgen,

vóór we aan land kunnen gaan," zei Kees

»En van groote steenen ook," voegde Marti eraan toe.

Maar Kees was de moeilijkheden al gauw weer vergeten en verdiepte

zich weer in zijn geliefkoosde droomen over de te vinden diamanten

en bouwde zich luchtkasteelen van ongekende schoonheid.

Zijn mooie droomen hielden hem zoozeer gevangen, dat hij de

werkelijkheid om zich heen vergat; hij bemerkte niet eens, dat de zon

reeds sterk begon te dalen, dat de duisternis begon te heerschen in het

dichte oerwoud. Plotseling werd hij opgeschrikt door de stem van Marti:

»Het wordt avond, heer. Zouden we niet beter doen, hier aan te leggen,

om te overnachten? De oever is hier hoog en biedt een geschikte

aanlegplaats. We moeten toch nog koken ook."

Kees zag eens rond en terwijl hij de djaloer naar den wal stuurde,

antwoordde hij:

»Ja, het is hier wel goed; laat ons hier van nacht maar blijven."

Beiden gingen nu aan land en Marti maakte met een dunne rottan het

bootje aan een overhangenden tak vast, doch zóó, dat de djaloer

gelegenheid had, met het water te rijzen of te dalen, zonder te

worden omvergetrokken.

Kees haalde de trommels op den wal en keek zijn geweer eens na; Marti

lei vuur aan en ging in een pannetje rijst koken. Terwijl hun maaltijd

te vuur stond, kapten zij twijgjes en bladeren, die voor legerstede

moesten dienen. Boven het hoofdeinde maakten ze van grootere takken

een afdakje. Kees verkende nu nog even de naaste omgeving, doch

nergens was eenig spoor van menschelijk leven te bespeuren.

Toen de beide mannen gegeten hadden, legden ze zich neer om

te gaan slapen. In het bosch heerschte nu een ondoordringbare

duisternis. Alleen over de rivier hing de lichte schijn van de

stralende sterrenwereld, welke hoog, hoog boven deze sombere wildernis

haar majestueuze schoonheid ontvouwde.

Langen tijd bleef Kees nog wakker liggen. Hij luisterde naar de

geluiden, die uit de wildernis tot hem kwamen. Hij was het leven in

de bosschen nu al zoovele jaren gewend en ontelbare keeren had hij,

zooals thans, in het woud moeten overnachten. Nimmer echter had hij

er volkomen aan kunnen gewennen. Elke nacht gaf hem weer die vreemde,

beknellende gewaarwording. Dat concert van die duizenden insecten;

dat gekrijsch van de apen; dat eigenaardig schuivende geluid van die

voorbijstroomende rivier; hij had deze stemmen van den tropischen

nacht reeds zoo dikwijls beluisterd. En toch wekten ze steeds weer

in zijn gemoed die vage angst, dat heimwee naar den lichtenden dag.

Daar ritselde het achter hem in het bosch!.... »Dajaks!" vloog hem

door 't hoofd. Maar neen, dat was toch zoo goed als onmogelijk. »Dan

een slang!" Een huivering liep hem door de leden.... Een oogenblik

lag hij doodstil. Hij hield den adem in, de hand uitgestrekt naar

de naast hem liggende parang. Hij hoorde echter niets verdachts

meer. Toen richtte hij zich op en trachtte om zich heen te zien. Op

eenigen afstand schemerde een groenige lichtglans; maar dat was niets,

want deze werd veroorzaakt door zwammen op een boomstam. Dat wist

hij. Gerustgesteld strekte hij zich weer uit op zijn eenvoudig bed

en viel ten slotte door vermoeidheid overmand in slaap.

Nauwelijks was het den volgenden morgen licht geworden, of Marti

ontwaakte en begon vuur te maken om rijst te kunnen koken. Weldra werd

ook Kees wakker. Hij begaf zich naar de rivier om zich te wasschen

en eens naar de djaloer te zien. Deze was er nog. Alleen bleek het

water nog meer gezakt te zijn, zoodat de tocht dien dag nog grooter

moeilijkheden zou opleveren.

Weldra was hun maaltijd gereed. Ze verzadigden zich en brachten de

rest in de djaloer voor onderweg.

Korten tijd later roeiden ze weer met moed tegen den stroom van de

Kenjaoe-rivier op.

De oevers werden steeds heuvelachtiger. Groote steenen op den bodem

der rivier staken hier en daar boven het watervlak uit. Steeds sterker

werd de stroom. De grootste moeite hadden de beide mannen, vooral in

de bochten, om de kleine boot te vrijwaren voor een botsing tegen de

steil afgeschuurde steenwanden van den oever.

Ofschoon het werk daardoor veel zwaarder werd, betreurden ze dit

verschijnsel niet. Zij wisten, dat ze nu het hoogland naderden. Alleen

in het hoogland heeft de rivier hooge, rotsige, steil afgeschuurde

oevers.

Tegen den middag bereikten ze de eerste stroomversnelling, gevormd

door een laag steenen, welke dwars over de rivier lag. Met veel moeite

gelukte het hun, de djaloer er over heen te krijgen.

Eenigen tijd later legden ze op een geschikte plaats aan, om er te

rusten en te eten.

Toen ze gegeten hadden, stak Kees een pijp op en Marti rolde een

strootje [12]. De laatste vroeg:

»Weet u precies den weg naar het land der Sibaoe-dajaks of moet u

dien nog vernemen?"

»Eigenlijk weet ik het nog niet. Ik hoop bij de Kenjaoe's gidsen en

dragers te kunnen huren, die ons door 't gebergte zullen brengen."

»Is dat de eenige weg?" vroeg Marti verder.

»Neen, er is ook nog een weg langs de Soengei Sibaoe, maar die is mij

ontraden. Die rivier loopt door uitgestrekte moerassen, waar het zeer

ongezond is. Onze eerste zorg moet nu zijn, bij die Sibaoe-dajaks

te komen; van hen hooren we dan misschien wel iets over een anderen

terugweg."

»Die Sibaoe's zijn beruchte koppensnellers," zei Marti droogjes,

»misschien komen we wel in 't geheel niet terug."

»Ik heb ook gehoord, dat ze groote sneltochten ondernemen. Toch ben

ik niet bang, dat ze mij zullen snellen. Ik heb mijn geweer en mijn

revolver. Bovendien zijn ze er bang voor, een blanke te vermoorden."

»Dat is wel mogelijk, heer," zei Marti met een bedenkelijk gezicht,

»maar ik ben geen blanke en ik vrees, dat mijn hoofd niet zoo heel

stevig op mijn schouders zal staan, als ik in handen van die Dajaks

val."

»Je wilt me toch niet in den steek laten, Marti?" vroeg Kees een

beetje ongerust. Als zijn trouwe helper niet meeging, zou het voor

hem zoo goed als ondoenlijk zijn, de tocht door te zetten.

»Neen, heer, ik zal medegaan, maar ik vrees, dat het niet goed met

ons zal afloopen," zei Marti somber.

»Het eenige, waar ik bang voor ben," zei Kees, »is, dat er oorlog zal

zijn tusschen de stammen. Dan zal ik geen gidsen en dragers kunnen

krijgen en mijn doel langs dezen weg niet bereiken."

»Indien er oorlog was in de bovenstreken, zouden wij het bij den

aanvang van onzen tocht wel gehoord hebben," meende Marti.

»Mochten we bij de Kenjaoe's vernemen, dat er oorlog is, dan beloof

ik je, dat we terug zullen keeren," besloot Kees.

Marti hoopte in stilte, dat er dan maar oorlog mocht zijn, want hij

voelde niet veel geestdrift voor die onderneming.

»Marti, vertel me eens, hoe komt het toch, dat je zoo opziet tegen deze

reis? Je bent nog nooit bang geweest en nu is het net, alsof je geen

durf meer hebt. Hoe ben je toch zoo zwaartillend?" informeerde Kees.

»Ik heb heel slechte voorteekens gehad, heer, toen we deze reis

aanvingen. Ik had een droom, die bloed voorspelde; en de teekens der

vogels waren ook zeer ongunstig. Dat heb ik u toch dadelijk gezegd,

maar u lachte er om. De blanken gelooven nu eenmaal niet aan onze

voorteekens."

»Neen, Marti, aan zulke dingen gelooven wij niet meer. Maar ik dacht,

dat jij aan die Dajaksche voorteekens ook niet meer geloofde; je bent

nu toch Mohammedaan en geen Dajak meer."

»Ik heb te dikwijls gezien, dat de voorteekens uitkomen, heer."

»Je bent nog een echte heiden, Marti," lachte Kees.

»Neen, heer, dat ben ik niet meer. Als ik nog een echte heiden was,

dan zou ik zeker niet zijn meegegaan. Daarvoor waren de voorteekens

veel te slecht. Toch geloof ik vast en zeker, dat deze onderneming

zal mislukken."

»Kom, Marti, wees nu niet zoo dom! Over een paar weken zit je in een

mooi huisje in de kampong en dan heb je verder een prettig leventje."

»Ik ben maar een domme man, heer, maar ik kan toch nog niet gelooven

aan al dat moois," zei Marti, die toch onwillekeurig moest glimlachen

bij de luchthartige woorden van Kees.

»Het wordt tijd om verder te gaan, Marti," zei deze en hij maakte

zich gereed om in de djaloer te stappen.

Weldra zaten de beide mannen op hun plaats in het bootje en roeiden

weer uit alle macht tegen den stroom op.

De moeilijkheden werden steeds talrijker en grooter en de reizigers

begrepen weldra, dat de rivier spoedig onbevaarbaar zou worden bij

dezen waterstand. Zelfs moesten ze meermalen de djaloer aan land

trekken en een eindweegs langs den oever voortsleepen.

Zoo was het al middag geworden en nog liet zich de zoo lang verwachte

landingsplaats of »pangkalan" niet zien.

Toen ze de hoop om deze spoedig te vinden reeds weer opgaven, bemerkten

ze, dat de eene oever wat lager begon te worden. Marti opperde het

vermoeden, dat men het doel nu waarschijnlijk begon te naderen.

Toen ze weer met alle inspanning een hoek waren omgeworsteld, slaakte

hij dan ook plotseling een vreugdekreet: »De pangkalan!"

Hij wees naar den Zuidelijken oever en begon in zijn blijdschap woest

te pagaaien.

In een flauwe bocht der rivier zag Kees nu ook een zestal djaloers

liggen en onwillekeurig begon hij krachtig mede te roeien, om des te

sneller aan de landingsplaats te komen.

Weldra schoot de djaloer tusschen de andere vaartuigjes in en zat

met den kop vast in de zachte modder van den, op die plek, lagen oever.

Spoedig stonden Kees en Marti op den wal. Zij waren in het land der

Kenjaoe-dajaks.

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 5 / 20 题