Deze vervolgde: »Weet je de Soengei Tekoeng?"

Kees zuchtte.

»Dat hangt er van af, welke je bedoelt," zei hij. »Er zijn meer

rivieren van dien naam in het binnenland."

»Ik bedoel de zijrivier van de Soengei Sibaoe--weet je diè?"

»Ja," zei Kees. »Ik weet ten minste, dat er Sibaoe-dajaks bestaan. Dat

moeten geduchte koppensnellers zijn. Ik ben echter nooit in die

streken geweest. Maar wat is er met die Soengei Tekoeng?"

»Nou, Lange, je moet dan weten, dat ik eens in het land der

Sibaoe-dajaks geweest ben--die tusschen twee haakjes gemeene

moordenaars zijn--. Ik heb daar in 't gebergte in die kleine riviertjes

heel wat diamanten gevonden. Maar toen ik er mee naar hier wilde gaan,

bemerkte ik, dat die kerels me zeer vijandig werden, omdat ik die

steentjes uit hun land haalde. Dat brengt hun ongeluk aan, zeggen

ze. Ik heb toen het zakje met de steentjes verstopt en ben heimelijk

gevlucht. Het was mijn plan, ze later eens te gaan halen, maar er is

nooit iets van gekomen.... en nu komt er heelemaal niets meer van." De

zieke rustte even. »Nu zal ik je zeggen, waar ik ze verborgen heb. Er

zijn meer dan genoeg, om jou in Holland een goed leventje te bezorgen."

»Dat is mooi van je bedacht," zei Kees. »Maar je familie?"

»Och, familie heb ik niet meer en joù gun ik ze het meest."

»Welnu, laat dan eens hooren. Maar--kan niemand ons beluisteren? Daar

net liep ik je jongen [3] tegen 't lijf. Wil ik eens even rondzien,

of...."

Kees had zachtjes gesproken en keek behoedzaam buiten de galerij.

Doch de zieke maakte een geruststellende beweging met de hand. »Mijn

jongen, een Maleier, een handige en vertrouwde kerel, is uit en komt

vooreerst niet terug. Hij gaat inkoopen doen op den passer. [4] En dan,

juist omdat jij er bent, heb ik hem een paar uren vrij gegeven. Je

hebt immers den tijd? Hij heeft me goed opgepast, en heel weinig

vrij gehad de laatste weken. Bovendien, ik moèst hem wel wegsturen,

want mijn geheim moet veilig zijn...."

Nog even, argwanend, spiedde Kees in de duisternis. Doch er was niets,

dat ongerustheid kon wekken.

De zieke begon, terwijl Kees Smit voor alle zekerheid eenige namen

in zijn zakboekje aanteekende:

»Je moet de Soengei Tekoeng opvaren, tot je bij een groote riam

[5] komt. Dan zie je op den rechteroever een hoogen tengkawangboom

[6] staan. In dien boom heb ik een merk gekapt en onder de wortels,

in een kleine holte, het zakje verstopt."

»Mooi," zei Kees. »Maar hoe kom ik het best bij die Tekoeng?"

»Je moet niet door het land der Sibaoe-dajaks gaan. Afgezien van hun

moordlust zijn er nog andere bezwaren. De Sibaoe-rivier stroomt door

een streek met uitgestrekte moerassen, waaruit gevaarlijke dampen

opstijgen. Het is daar zeer ongezond. Bovendien is er een waterval,

die je het voortgaan gewóónlijk onmogelijk maakt....

Je moet door het land der Kenjaoe-dajaks. Je vaart eerst de Kapoeas op,

vervolgens de Embalouw-rivier en daarna de Kenjaoe. Een bezwaar is,

dat je dan over het Lawitgebergte moet trekken. Maar die weg lijkt

me veel veiliger. En dan moet je probeeren, een paar Kenjaoe-dajaks

mee te krijgen; die zijn goed te vertrouwen.

Ben je op die manier eenmaal in het land der Sibaoe-dajaks gekomen,

dan moet je niet denken, dat je de diamanten ineens maar hebt. Het

gevaarlijkste komt dan nog. Ik waarschuw je nog eens: die Sibaoe-dajaks

zijn buitengewoon moordzuchtig en bovendien willen ze nu eenmaal niet,

dat je in hun land diamanten zoekt. Zorg dus, dat je je oogmerk zoo

angstvallig mogelijk verborgen houdt."

Deze lange uiteenzetting had den zieke ten zeerste afgemat. Uitgeput

zonk hij achterover in zijn ligstoel en sloot geruimen tijd de oogen.

Kees Smit bleef stil zitten. Allerlei gedachten doorkruisten zijn

brein, terwijl hij het ingevallen gelaat van zijn vriend gadesloeg. Het

was duidelijk voor hem, dat diens levensuurwerk snel afliep. En het

smartte hem diep, dat hij den makker zijner jeugd moest missen, hier,

in dit vreemde land, dat hij lief had gekregen--niet zoo lief echter

als zijn eigen dierbare geboortegrond hem was.

En dan--die eigenaardige uiterste wilsbeschikking! De moordzucht der

Dajaks! al die gevaren! Zijn gezicht stond steeds bedenkelijker. Hij

streek zich met de hand over het voorhoofd, als om orde in zijn

gedachten te brengen. In ieder geval zou hij de zaak rijpelijk

overwegen, alvorens een bepaald besluit te nemen.

Terwijl Verveer even sluimerde en Smit in gedachten verdiept zat,

rees in de duistere binnengalerij onhoorbaar een man op uit zijn

gehurkte houding en sloop met schitterende oogen en een zelfvoldanen

glimlach naar buiten. Het was Amat, de bediende van Verveer, die nu

pas zijn boodschappen ging doen. Zijn meester had hem zóó nadrukkelijk

weg willen hebben en zóó herhaaldelijk over het onverwachte bezoek

gepraat, dat de sluwe Amat achterdochtig was geworden. Hij móest en

hij zóu weten, wat die twee te verhandelen hadden.

Thans wist hij het ....

Blijde stapte hij voort naar de toko's. [7] En hij maakte alvast

plannen. Allereerst zou hij zich zooveel mogelijk aan de oogen van den

bezoeker onttrekken. Deze moest hem later liefst niet herkennen. En

dan zou hij dien Toean [8] Smit in de gaten houden--Amat wou óók wel

graag rijk zijn--.

Smit bleef Verveer den ganschen avond gezelschap houden. Af en toe

sluimerde de zieke en had dan weer eenige krachten verzameld, om zich

nog eens te verdiepen in de oude herinneringen. Er lag in hun samenzijn

iets van den weemoed, waarmee de ondergaande zon haar laatste stralen

werpt over een herfstlandschap. Een zachte goudgloed werpt ze over

de stervende natuur en baadt alles in een geheimzinnigen luister, die

het leven met den dood verzoent. Zoo gaf het vriendelijk schijnsel der

herinneringen het samenzijn dezer twee menschen een ernstige wijding.

Heel laat in den avond kwam de bediende thuis en de mannen hoorden

hem door de binnengalerij loopen.

»Daar is Amat," zei Verveer.

»Dan zal ik maar eens opstappen," besloot Kees. »'t Is al laat. Goeden

avond, en het beste--en dank je wel ...."

De mannen wisselden een blik van verstandhouding. Toen ging Kees Smit

zijn logies opzoeken.

Nog slechts eenmaal kon hij Verveer bezoeken. Van een geregeld gesprek

was nu geen sprake meer. De dood waarde in de galerij, waar ze voor

de laatste maal bijeen zaten.

In den daarop volgenden nacht overleed Verveer.

Kees bleef nog in Pontianak tot na de begrafenis. Toen keerde hij weer

terug naar zijn huiden en skeletten. Hij had groote bestellingen en

er zouden vele maanden gemoeid zijn met het uitvoeren daarvan. Er was

dus geen denken aan, dat hij onmiddellijk den tocht naar de Sibaoe's

zou kunnen aanvaarden. Te meer, daar hij voor dien tocht veel geld zou

moeten uitgeven en daarom nù geen winstgevende zaak mocht laten loopen.

Het verhaal van Verveer wilde hem echter niet met rust

laten. Onophoudelijk spookten hem allerlei overleggingen

door het hoofd. In het eerst meende hij niets te zien dan

bezwaren. Langzamerhand begon hij deze lichter te tellen. En hoe

meer de tijd naderde, dat hij zijn bestellingen moest afleveren,

des te vaster werd zijn voornemen, des te omlijnder werden zijn

plannen. Hij was gewend met moeilijkheden te worstelen, allerlei

hindernissen der wildernis te trotseeren. Dit nieuwe avontuur had

ongemeene bekoring voor hem en eindelijk stond het vast: hij zou al

zijn krachten inspannen om de kostbare edelgesteenten te bemachtigen.

Toen zijn bestellingen in orde waren, ontsloeg hij al zijn bedienden,

behalve één, n.l. Marti. Marti had al zeer vele tochten met hem

meegedaan; Marti was in de rustpoozen zijn huisbediende geweest; Marti,

een Dajak, die tot den islam bekeerd was, had hij langzamerhand ten

volle leeren vertrouwen.

En hij vroeg hem:

»Marti, heb je lust, om zoo maar ineens rijk te worden?"

Deze keek zijn meester verwonderd aan. Hoe kon Toean dàt nog

vragen? Natuurlijk zou hij graag ineens rijk zijn--dan kon hij in de

kampong, waar hij geboren was, een eigen huisje koopen....

»Nu dan--dan neem ik je mee ver in de Oeloe. [9] Daar gaan we diamanten

zoeken. Maar spreek er met niemand over, Marti!

En als de onderneming lukt, zal ik je zooveel geld geven, dat je een

eigen huisje kunt koopen...."

»Ver in de Oeloe, heer?" vroeg Marti verschrikt. »Bij de

koppensnellers?"

»Juist," beaamde Kees. »Maar jij en ik kunnen toch de koppensnellers

wel aan? Wat beginnen ze tegen mijn nieuwe revolver, die zesmaal

achtereen kan schieten? En je weet, Marti, elk schot is raak!"

Marti liet zich echter zoo gauw niet overreden. En de Toean moest al

zijn welsprekendheid te hulp roepen, eer zijn bediende hem beloofde,

hem te zullen bijstaan. En zelfs na dit besluit bleef Marti van

gevoelen, dat ze ongetwijfeld meer gevaren dan diamanten zouden vinden.

En als Kees heel geestdriftig sprak over de snel te verwerven schatten,

dan zweeg de trouwe Maleier of hij antwoordde met enkele voorzichtige,

bijna ontnuchterende woorden.

Te Pontianak maakte Kees de eerste toebereidselen voor de reis. Ze

zouden de Kapoeas opvaren tot Sintang en van daar met de bidar [10] van

eenen of anderen Chineeschen handelaar tot aan de Embalouw-rivier. Dan

zouden ze verder gaan per djaloer, een kleine boot uit een boomstam

gemaakt, die veel overeenkomst heeft met de bekende kano.

En dan?

Onder de koppensnellers op Borneo · 第 4 / 20 题