Alvorens we ons verhaal aanvangen, is het misschien niet ondienstig
nog even een blik te slaan op de kaart van Nederlandsch-Indië.
We zien, hoe die eilandensnoeren zich slingeren om de linie. Merkt
ge wel op, dat Borneo eigenlijk aller middelpunt is? hoe het bijna
van alle kanten omvlochten wordt door eilandengordels?
En toch, al schijnt het door ligging en grootte (22 × Nederland!) het
natuurlijk middelpunt, de kern van onze Oost, het is langen tijd het
minst bekende, het minst betreden gebied van deze wondere wereld
geweest. En nóg valt de sluier der geheimzinnigheid over duistere
oerwouden en ongerepte wildernissen.
Tal van streken waren er vroeger in de binnenlanden, waar het slechts
een enkele maal een Europeaan vergund was, een blik te slaan op
de sprookjesachtige schoonheid van de oernatuur; en in de diepste
diepten van het tropische woud en in de donkerste spelonken van
Borneo's bergstelsel heeft nog steeds nimmer een blanke den voet gezet.
Juist die raadselachtige geheimenissen van Borneo's natuur zijn de
oorzaak, dat meermalen wetenschappelijke expedities van de zeekust uit
getracht hebben de stroomen op te roeien, de bergen over te trekken,
diep in de wouden te boren.
Koene en ondernemende mannen hebben moeilijkheden van allerlei
aard getrotseerd, om telkens een slipje te kunnen oplichten van dien
geheimzinnigen sluier, die daar het wondere leven der tropische natuur
verbergt; die óók verholen houdt de schatten van edele metalen en
diamanten, welke er gedurende ongetelde eeuwen rusten in den schoot
der aarde.
Hindernissen van allerlei aard! De natuur zelf schijnt gierig te
zijn op haar schatten; onberekenbaar is zij, waar zij plotseling
onverwachte versperringen opwerpt, die het voortgaan beletten. Haar
wachters zijn de wilde dieren, die den reiziger bedreigen, en dikwijls
ook de vijandelijke en bloeddorstige inboorlingen. En toch kan niets
de mannen der wetenschap bewegen hun tochten te staken.
En wat is nu het practische gevolg? Wordt al die energie vruchteloos
verspild?
Het antwoord wordt ons gegeven door een reeks zeer belangwekkende
wetenschappelijke geschriften, en verder door de musea der Europeesche
groote steden, waar schatten van natuur- en gebruiksvoorwerpen den
Westerling verbaasd doen staan en hem een flauw begrip geven van deze
onbekende wereld.
Niet alle reizigers echter trachten met wetenschappelijke bedoelingen
in de binnenlanden van Borneo door te dringen. Er zijn er ook, die
uitsluitend aangetrokken worden door het avontuurlijk leven in de
wildernis; nog anderen gaan uit, om, alleen vergezeld van een enkel
vertrouwd inboorling, te zoeken naar goud en diamanten, ten einde
later in een meer beschaafde wereld, een rustig en gemakkelijk leven
te kunnen leiden.
Het spreekt wel van zelf, dat de grootere plaatsen van Borneo bijna
alle langs de kusten liggen. Zoo ook Pontianak.
Pontianak ligt op de Westkust, vlak onder den evenaar aan een der
monden van de Kapoeas.
Na deze korte inleiding beginnen we ons verhaal.
Op de achtergalerij van een kleine Europeesche woning te Pontianak
lag op zekeren avond in 188* een zieke in een gemakkelijken ruststoel
en genoot van de avondkoelte, die aanwoei van over de zee.
De dag was als altijd heet geweest en zelfs voor gezonde menschen
afmattend. Loodrecht had de zon haar stralen neer laten branden;
gloeiend was zelfs de atmosfeer in de schaduw geweest; loodrecht was
eindelijk de zon neergezonken; slechts enkele minuten had de schemering
geduurd en nu, met den plotseling vallenden avond, brachten koele
luchtstroomen wat verkwikking. De lang verbeide avondkoelte was een
weldaad voor den zieke.
Gewoonlijk zat hij daar alleen.
Thans echter had hij gezelschap. Een oude makker, dien hij in lang
niet gezien had, zat naast hem.
Voor Jan Verveer was het een groote vreugde, dat zijn vroegere
wapenbroeder, Kees Smit, hem eindelijk weer eens had opgezocht.
Jan Verveer en Kees Smit; twee echte Hollandsche namen van twee echte
Hollandsche jongens.
Beiden hadden ze in hoofdzaak denzelfden levensloop gehad. De lust
tot zwerven was hun aangeboren. Reeds als kleine jongens brachten ze
hun moeders in angst, als ze doelloos buiten het dorp rondzwierven
en zich in uren niet lieten zien. Toen ze naar school gingen, werd
het niet beter. In letters en sommen vonden ze niet veel behagen. Een
leerplichtwet was er niet. Hun vaders schenen het te druk te hebben,
om de gangen van de bengels na te gaan. Voor dezen waren bosschen en
velden, duinen en heiden veel belangrijker dan de eerste beginselen der
wetenschappen, welke meester op 't zwarte bord ontwikkelde. Vrijwel
ongestoord oefenden zij zich nu in het spijbelen, stukjes draaien,
haagje loopen, of hoe de genialiteit van den Hollandschen straatjongen
verder het moedwillig verzuimen van de school heeft betiteld. Toen ze
voorgoed de schoolbanken verlaten hadden, wilde het met een ambacht al
evenmin vlotten als met de sommen en taaloefeningen. Bij geen enkelen
baas konden ze 't uithouden; geen enkel vak vermocht de avontuurlijke
jongens te boeien.
Ze moesten en zouden de wijde wereld in! Liefst naar Indië! Van dat
wonderland hadden ze fantastische verhalen opgevangen.
Aangezien ze echter op school zoo bitter weinig geleerd hadden en hun
vaders de middelen ontbraken, om de jongens hun schade nog te doen
inhalen, was er weinig kans op het verkrijgen van een goed bezoldigde
positie. Ook in Indië brengt niemand het ver, die niet een behoorlijke
dosis kennis heeft vergaderd.
Er was echter één uitkomst, die wonderwel strookte met hun
avontuurlijken aard. Ze lieten zich te Harderwijk aanwerven als
koloniaal, en vertrokken toen weldra naar hun land van belofte,
waar ze het vaderland eenige jaren trouw dienden.
Na volbrachten diensttijd namen ze pensioen. Ze bleven in hun tweede
vaderland en konden, nu ze geheel meester van hun tijd waren, een
leven gaan leiden, dat met hun wenschen en droomen overeenkwam.
Ze bleven niet samen, net zoo min als ze als soldaat altijd samen
waren geweest.
Ieder ontwierp zijn eigen plannen en volgde zijn eigen weg. Kruisten
die wegen elkaar af en toe, des te beter. Dan was er gelegenheid,
elkaar te onderhouden met het verhaal van hun lotgevallen en elkaar
op te wekken tot nieuwe tochten en avonturen.
Kees Smit was al spoedig na het verlaten van den dienst in kennis
gekomen met een Duitscher, die een zeer belangrijke opdracht had voor
een groot museum te Berlijn. Hij moest namelijk allerlei voorwerpen,
die hij de moeite waard achtte, verzamelen en verzenden naar Europa.
Het volvoeren van een dergelijke opdracht was volstrekt niet ieders
werk.
Merkwaardige steensoorten moesten worden gezocht en gerangschikt;
allerlei gebruiksvoorwerpen van de inlanders moesten worden verzameld
met nauwkeurige beschrijving van bedoeling en gebruik. Nog verder
echter strekte zijn taak. Vreemde planten moesten worden gedroogd,
huiden toebereid, skeletten geprepareerd, in 't kort, alles moest
zoo worden behandeld, dat het niet meer aan bederf onderhevig was.
Dit vereischte natuurlijk kennis van allerlei aard, en al had Kees nu
heel weinig schoolkennis opgedaan, hij had een vlug en bevattelijk
verstand en was na eenige maanden even goed op de hoogte als zijn
Duitsche metgezel.
Weken, maanden lang zwierven ze soms door de wildernissen, steeds
vergezeld van één of meer inlanders, die hun instrumenten en veroverde
schatten moesten dragen en hen verder bedienden.
Het samen trotseeren van allerlei moeilijkheden en gevaren had een
hechte vriendschap doen ontstaan.
Des te zwaarder slag was het voor Kees Smit, toen zijn trouwe
reismakker in het binnenland, ver van de beschaafde wereld, door een
van die verraderlijke tropische ziekten werd aangetast en plotseling
overleed.
Kees meende de nagedachtenis van zijn vriend niet beter te kunnen
eeren, dan door diens taak trouwhartig voort te zetten. Het museum
bestendigde hem gaarne in de opdracht, welke hij zich zelf had
opgelegd. En nu was hij besloten, dit werk nog eenige jaren voort te
zetten. Hij verdiende er goed geld mee, veel meer dan hij voor zich
zelf noodig had.
En later--wanneer hij genoeg naar zijn zin zou hebben opgespaard--dan
wilde hij terug naar Holland, terug naar het kleine vriendelijke
dorpje zijner jeugd, om daar in vredige rust zijn laatste levensjaren
te slijten.
Toen Jan Verveer zijn paspoort gekregen had, sloot hij zich aan bij
een wetenschappelijke expeditie, en door zijn betrekkelijk groote,
voor een deel intuïtieve, terreinkennis had men gaarne en lang
gebruik gemaakt van zijn diensten. Vervolgens was hij nog eens
meegeweest met een gezelschap Engelsche jagers, die zijn speurzin
en onverschrokkenheid evenzeer waardeerden. En eindelijk was hij op
eigen gelegenheid gaan zwerven--als diamantzoeker.
Het onrustig en avontuurlijk leven had echter zijn krachtig gestel
ondermijnd en nu vinden we hem daar te Pontianak, uitgeput en
doodziek. Hem was de illusie ontnomen, dat hij nog eens Hollands blanke
duinen zou zien opdoemen uit de goudbestarrelde wateren der Noordzee,
dat hij in het stille dorpje zijner geboorte uit zou rusten van zijn
vermoeiend leven.
Rusten zou hij--maar onder de palmen van Insulinde.
Kees Smit, die evenals hij, na zijn reizen eenigen tijd te Pontianak
vertoefde, vernam toevallig dat zijn oude vriend zich daar eveneens
bevond en dat hij door een ernstige ziekte was aangetast.
Hij haastte zich tegen den avond hem op te zoeken. En hij zag dadelijk,
dat men hem helaas de waarheid voorspeld had; het zou de laatste maal
zijn, dat hunne wegen zich kruisten.
Met zwakke stem begon de zieke te spreken en hij gaf zijn vriend nog
eens den ouden vertrouwelijken bijnaam uit hun diensttijd:
»Lange, je ziet het wel; het loopt met mij af. Ik zal de Negeri-koud
[2] niet meer terugzien.--Zit nou maar niet zoo sip te kijken. Er
is voor mij geen kruid gewassen. En och, ik ben al aan het idee
gewend. Maar ik ben heel blij, dat ik je nog één keer ontmoeten mag. Ik
heb je nog iets heel belangrijks te zeggen. Je bent de vriend van mijn
jongensjaren geweest en ook mijn eenige beste vriend in dit vreemde
land. Ten slotte ben jij de eenige, die gedurende mijn ziekte naar
me omkijkt. Nu wil ik jou nog een dienst bewijzen."
Kees vond geen woorden en zat den zieke eenigen tijd met diep
medelijden aan te kijken.