Voordat wij Jerusalem zelve en de merkwaardigheden in en buiten de stad
in oogenschouw namen, bezochten wij eerst de oude palmenstad Jericho, de
Doode Zee en den Jordaan.
Aan de omstandigheid, dat er sedert eenigen tijd een uitnemende rijweg
was aangelegd, dankten wij het, dat wij dezen tocht per rijtuig konden
doen, hetgeen ons op een langen en stoffigen weg als deze bij een
gestadig onbewolkten hemel en brandende hitte hoogst welkom was. Want,
al levert Palestina weinig natuurschoon op en mist men, zooals ik reeds
vroeger schreef, voortdurend het frissche groen der boomen, dat het oog
zoo weldadig aandoet, in Galilea en Samaria zag men althans nog nu en
dan in of bij de dorpen boomgaarden van citroenen, vijgen en olijven.
Maar tusschen Jerusalem en de Doode zee, een afstand van vijf uur per
rijtuig, telde ik langs den geheelen weg slechts 2 boomen. Telkens
kwamen mij dan ook de woorden voor den geest van den dichter van den
104den Psalm en van zoo menig ander lied, waarin de schoonheid der
natuur wordt bezongen, en het kostte mij moeite om te gelooven, dat die
dichters eenmaal woonden in dit land, waar thans alles even kaal en dor
is. Gedurig kwam mij ook de droevige klacht van den wijzen Prediker in
gedachte (Pred. X: 16): „Wee u land! welks Koning een kind is”, een
klacht, die wel een profetie mag heeten, al heeft de dichter daarbij ook
niet gedacht aan het tegenwoordig ellendig bestuur van den Sultan, in
wien zij helaas! maar al te zeer vervuld is geworden. Intusschen mogen
wij, die ook aan de vervulling van zoo menige andere betere profetie
gelooven, vertrouwen dat God dit land nog niet heeft vergeten, blijkens
den zegen op het werk, dat Protestantsche Christenen er deden en
waardoor allengs betere toestanden in het leven geroepen worden.
Wij waren op weg van Jerusalem naar de Doode Zee, een weg, die, zooals
ik reeds zeide, wel eentonig is, maar toch voor allen, die de schoone
geschiedenissen des Bijbels kennen, in hooge mate belangwekkend blijft.
Reeds het eerste plaatsje, waar men aankomt, wanneer men den Olijfberg
heeft omgereden, is het welbekende Bethanië, waar de Heer zoo gaarne
vertoefde ten huize van MARIA en MARTHA en zijnen vriend LAZARUS, dien
Hij uit den dood heeft opgewekt. Diens graf wordt nog getoond, maar
heeft, evenals zoovele andere gewijde plaatsen na verloop van eeuwen
zoovele veranderingen ondergaan, dat het schier onkenbaar is geworden.
Men daalt langs een smalle trap van 25 treden af in een spelonk, waar
dan nog eenige meters lager een ruim gewelf als het graf van LAZARUS
wordt aangewezen. Dit laatste is geenszins onmogelijk, mits men zich den
ingang tot dit gewelf niet zoo diep maar onmiddellijk aan den openbaren
weg denke, daar anders des Heeren bevel: „Neemt den steen weg en
ontbindt hem” (Joh. XI: 39–44) onuitvoerbaar zou geweest zijn. Wanneer
men echter in acht neemt, dat ter plaatse, waar het graf van LAZARUS
was, later eene groote Christelijke kerk heeft gestaan; dat door den
bouw daarvan de bodem stellig is opgehoogd, ten einde van het graf zelf
eene krypt onder die kerk te kunnen maken, en men denkt zich dat alles
voor een oogenblik weg, dan wordt de waarschijnlijkheid zeer groot, dat
wij hier de juiste plaats voor ons hebben, waar het wonder geschiedde,
dat gansch Jerusalem in zulk eene beroering bracht en eene profetie was
van het groote wonder, dat in den Paaschmorgen zou plaats grijpen. Hoe
het zij, wij staan te Bethanië op gewijden bodem en weten zeker dat
ter plaatse, waar volgens zeggen het huis stond van MARIA en MARTHA of
enkele schreden er van daan, de Heiland dikwerf vertoefde, toen Hij op
aarde was.
Hetzelfde geldt ook van de bron der Apostelen, langs welke de weg
naar Jericho ons verder leidt. Ook hiervan kan men met onbetwistbare
zekerheid zeggen, dat de Heer er vaak met Zijne discipelen vertoefde om
te rusten en zich te laven aan het kostelijke water, dat daaruit opwelt,
want zij is de eenige bron tusschen Bethanië en de Jordaanvlakte. Welk
een voorrecht zou het wezen, wanneer in dit land meer zulke bronnen
waren, die, zooals men nog ten huidigen dage zegt, _levend_ water
houden, ter onderscheiding van het stilstaand water der regenbakken.
Na 2½ uur rijdens bereikt men het hoogst punt van den weg, waar den
paarden eenige rusttijd wordt gegund. Hoewel aan deze plaats geen
historische herinnering is verbonden, verlevendigt zij toch voor
onzen geest een der schoonste tafereelen uit het Evangelie. Hier ziet
men een van die Oostersche herbergen, waarop de Heer doelde in de
bekende gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan (Luc. X: 34), die
tegenwoordig den naam karavansera dragen Zij bestaat uit een breed
voorhuis, waarin twee lange gelagkamers zijn, met breede divans langs
den muur, die des nachts tot rustbed dienen; daarachter bevindt zich een
ruime vierkante plaats, door een hoogen muur omringd, waar kameelen,
paarden en ezels vrij kunnen rondloopen. Daar deze plaats, juist op
de helft van den weg van Jerusalem naar Jericho ligt en de eenige is,
die zich tot zulk een pleisterplaats leent, is de veronderstelling
gewettigd, dat zich hier reeds voor eeuwen een herberg bevond, waaraan
de Heer dacht, toen Hij de schoone gelijkenis sprak van een zeker
mensch, die onder de moordenaars viel, toen hij afkwam van Jeruzalem
naar Jericho. Men ziet zelfs, enkele minuten van de tegenwoordige
karavansera, nog de ruïnes van een oud gebouw.
Van hier daalt de weg af tot aan Jericho en in gestrekten draf wordt
de reis voortgezet tot op eens het rijtuig ophoudt en onze dragoman ons
verzoekt uit te stappen. Hij wijst ons een voetpad, dat om de kruin van
een heuvel heenleidt en wij staan voor een diep ravijn, dat aan onze
voeten gaapt. Daar beneden in de diepte stroomt de beek Krith en aan
het groen geboomte is duidelijk te zien, dat zij ondanks de langdurige
droogte nog water houdt. Aan den linkeroever van de beek ligt een
klooster ter gedachtenis aan den profeet ELIA, die hier tijdens den
hongersnood zijn verblijf hield en door de raven werd gespijzigd. Het
is als een zwaluwnest tegen een steilen muur genesteld en steekt door
zijn groen geverfde vensters en deuren scherp af tegen de vale rotsen er
om heen. Hoe gaarne waren wij in de diepte afgedaald om het van nabij
te kunnen bezien en de plaats te bezoeken, waar de profeet drie jaren
leefde uit de hand zijns Heeren, maar de tijd liet het niet toe, daar
wij nog eenige uren te rijden hadden, voor wij aan de Doode Zee en den
Jordaan waren.
Jericho zelf, de van ouds beroemde Palmenstad, is thans slechts een
schamel dorp, dat uit eenige Bedouïenen-tenten bestaat. Van de oude stad
wijst men nog eenige bouwvallen, waaraan echter niets te zien is. Enkele
spichtige populieren hebben de plaats ingenomen der voormalige palmen.
Belangrijker is de bron, die geheel Jericho van drinkwater voorziet en
volgens de overlevering dezelfde is, waarvan de profeet ELISA het water,
dat ondrinkbaar was, gezond maakte door er zout in te werpen. (II Kon.
II: 19).
De vlakte rondom Jericho, geeft geenszins een denkbeeld van de
vruchtbaarheid dezer landstreek, behoudens een klein gedeelte, waar de
Krith doorstroomt, alvorens zich te storten in de Doode Zee. De eenige
plant die er groeit doet denken aan onze erica, maar hoe dichter men de
Zee nadert, hoe doodscher alles wordt. Eindelijk zijn wij aan het strand
der Zee, die te recht een zee wordt genoemd, omdat zij zoo groot is,
dat men haar in hare lengte onmogelijk kan overzien. Ter linkerzijde
verheft zich de hoogte Machaerus, waar HERODES een burcht had gebouwd
en JOHANNES de Dooper zou onthoofd zijn; meer noordelijk het gebergte
Nebo, van welks top MOZES het beloofde land overzag; ter rechterzijde
de bergen van Juda en Engedi. Het water is donkergroen en sterk bewogen
door den zuidenwind; het strand bestaat uit louter steenen zonder
schelpen, want geen enkel levend dier, zelfs geen schelpdier kan in dit
water leven. Het is veel zouter dan dat van den Oceaan en daarenboven
zoo bitter, dat men den nasmaak er van nog langen tijd behoudt. Een bad
is weinig verfrisschend, daar het water lauw is; men drijft er als een
kurk boven op en wanneer men zich heeft gekleed en in de handen wrijft,
voelt men nog kleine korreltjes zout als zand tusschen de vingers.
Gelukkig zijn wij spoedig aan den Jordaan, waar een frisch zoetwaterbad
ons bevrijdt van de zoutlaag, die ons lichaam overdekt.
[Illustratie: DE DOODE ZEE.]
De Jordaanoevers zijn als een liefelijke oase in de woestijn;
langzaam stroomt de rivier, die omstreeks 30 meter breed is, langs
donker struikgewas en weelderig geboomte, dat den oever bekleedt. Een
kluizenaar, die ergens in de nabijheid zijn eenzaam verblijf heeft,
vaart met zijn bootje langs den oever om zijne netten in te halen. Zacht
weerkaatst de volle maan haar zilverwit licht in het water en alles te
zamen biedt een zeldzaam schouwspel, zoodat wij gerust mogen zeggen: wij
hebben den Jordaan op zijn schoonst gezien.
De avond was reeds gevallen en bij maanlicht reden wij naar Jericho
terug, de meesten voorzien van een flesch Jordaanwater, dat men als
een aandenken medeneemt naar huis. Ik deed het niet. Voor mij waren
er aan dezen dag genoeg schoone en blijvende herinneringen verbonden,
die waarlijk niet door Jordaanwater behoeven opgefrischt te worden.
De natuur zelve om ons heen was een commentaar geweest, die menige
bladzijde der H. Schrift voor ons ophelderde en verstaanbaar maakte en
wij eindigden dan ook dezen tocht met een gevoel van groote dankbaarheid
aan Hem, Die ons zulk een heerlijken en onvergetelijken dag schonk.