DE HEILIGDOMMEN IN HET TEGENWOORDIGE JERUSALEM.

Toen wij van de Doode Zee terugkwamen en Jerusalem naderden kondigde

het kanongebulder ons reeds van verre aan, dat de Duitsche Keizer zijn

intocht deed. Deze gebeurtenis, die de Duitschers voor de geschiedenis

van het Oosten epochemachend noemden, behoort thans reeds, wellicht voor

altijd tot het verleden. Wij achten het daarom niet noodig er nog veel

van te zeggen, te minder omdat zij in verschillende boeken breedvoerig

werd beschreven.

Hierbij komt, dat Jerusalem, als classieke plaats der oudheid door dat

bezoek van den Keizer veel van zijn eigenaardigheid had verloren. Men

stelle zich voor die stad, dat eerbiedwaardige monument uit het grijs

verleden, thans opgesmukt naar den nieuwsten stijl met eerebogen en

vlaggen en getooid met lampions voor illuminatie! Welk een schril

contrast met den heiligen eenvoud, die daar past. Het was dan ook alsof

de maan, die juist vol was en zoo helder scheen alsof het dag was, de

heiligschennis eener kunstverlichting niet gedoogde, zoodat hiervan

niets te zien was. Bovendien was de stad opgepropt met reizigers van

Stangen's en Cook's bureaux, die elkander telkens verdrongen om den

Keizer nog eens en voor den zooveelsten keer te zien. Dat alles gaf aan

de stad een gansch onnatuurlijk aanzien en karakter. Toch belette het

ons niet om een wandeling te maken naar de kerk van het Heilige graf,

de Verlosserskerk en de Tempelplaats.

Wij treden de Jaffapoort binnen. Rechts van ons ligt de Davidsburcht,

thans een kazerne voor de Turksche wacht. De zware steenblokken, die

er den grondslag van vormen, dagteekenen, naar men zegt, nog uit den

tijd van Koning DAVID, die in Jerusalem zijn zetel vestigde en den

Westelijken en Oostelijken heuvel van een sterken muur voorzag. Eenige

schreden verder treden wij een woonhuis binnen en zien uit een venster

beneden in de diepte den vijver, die aan HISKIA wordt toegeschreven en

den naam draagt van het Patriarchenbad. Op den verderen weg naar de kerk

van het Heilige Graf speurt men duidelijk aan de op- en nedergaande

straten, dat de stad op twee heuvels is gelegen, waar tusschen een

dal ligt. De straten zelve zijn eigenlijk niet meer dan stegen, nauw

en donker, verpest door een benauwde, vunzige lucht, die de vrije

ademhaling belemmert. Tengevolge van het zeer ongelijke plaveisel ziet

men er geen paarden of wagens, maar alleen kameelen en ezels, die met

hun last zich met moeite een weg banen door de menigte, welke zich

ophoopt bij de bazars om wat te koopen of te verkoopen.

Op het voorplein van de kerk van het Heilige Graf aangekomen worden

ons door den Heer LISONNE met wien wij reisden, uitnemende plaatsen

aangewezen, die hij voor ons heeft afgehuurd om de komst af te wachten

van den Keizer en de Keizerin, die allereerst een bezoek brachten aan

deze gedenkwaardige kerk. Van dien wachttijd maken wij gebruik om een en

ander te vertellen van de kerk zelve en hare tegenwoordige eigenaars.

[Illustratie: KERK VAN HET HEILIGE GRAF.]

Zij bestaat uit een zeer onregelmatig geheel, een labyrinth van

grootere en kleinere heiligdommen en kapellen, die alle afzonderlijke

namen dragen naar de herinneringen, die de overlevering daaraan

heeft vastgeknoopt en voornamelijk betrekking hebben op den dood des

Heeren. Zij zijn het eigendom van Latijnsche, Grieksche, Armenische,

Koptische en andere Christenen, die in gemeenschappelijk overleg

elkander vredelievend toestaan om de verschillende heilige plaatsen te

vereeren.

Treedt men het voorportaal binnen, dan komt men het eerst aan den steen,

waarop de vrouwen den Heer gezalfd hebben na de kruisiging, die het

eigendom is der Grieksche Kerk. Daarachter zijn twee heiligdommen met

hooge koepels overdekt, ter linkerzijde de eigenlijke kapel van het

graf, die het gemeenschappelijk eigendom is van alle vijf genoemde

afdeelingen der Christelijke Kerk; recht voor ons uit in het middenschip

van het gebouw een Grieksche kerk met nog een afzonderlijk heiligdom.

Rechts hiervan daalt men langs twee trappen af naar de kapel, waar

HELENA het hout van het kruis zou gevonden hebben. Onmiddellijk rechts

van den ingang beklimt men een trap van 20 treden en staat dan op eene

hoogte, die geacht wordt de Calvariënberg te zijn geweest, waar het

kruis des Heeren stond en die wederom het eigendom is der Grieksche

Kerk. Hier wijst men in een rots die gespleten is onder een vergulde

plaat eene opening, waar het kruis des Heeren stond. (Matth. XXVII: 51).

Wat zullen wij tot alle deze dingen zeggen? Men heeft deze kerk wel eens

bij een Christelijk panopticum vergeleken, eene vergelijking die wel

niet verheven, maar helaas al te waar is, want het is ongeloofelijk, wat

men hier te zien krijgt. Behalve de bovengenoemde bijzonderheden toch,

die betrekking hebben op het lijden en sterven des Heeren, worden er nog

tal van kapellen en altaren getoond, die betrekking hebben op bekende

Bijbelsche personen en bovendien nog de graven van ADAM en EVA, ABEL en

MELCHISEDEK en tal van anderen. Reeds bij de enkele opsomming van dit

alles, beseft men hoe weinig historisch deze plaatsen zijn. Het is zelfs

zeer de vraag of Golgotha hier kan gelegen hebben; immers, zoo dit het

geval is, dan moet de stad buiten wier muren de kruisiging plaats vond,

wel uitermate smal geweest zijn, daar zij hier nauwelijks 600 meter

breed kon wezen. Wanneer men alles leest, wat voor of tegen de bewering

pleit, dat hier Golgotha ligt, komt men tot de slotsom dat daaromtrent

niets met stellige zekerheid te zeggen valt.

Na deze algemeene opmerkingen laat het zich denken, dat er allicht

moeilijkheden konden ontstaan tusschen de verschillende eigenaars der

kerk omtrent den voorrang bij het bezoek van den Keizer. Toch schijnt

men dit in der minne te hebben geschikt door de 3 patriarchen der

Latijnsche, Grieksche en Armenische kerk in de gelegenheid te stellen

hem elk afzonderlijk toe te spreken. Wij zagen ze allen in groot

pontificaal de trappen afdalen, die naar het voorplein leiden en hun

plaatsen in de kerk innemen. Voor aan den ingang stond de Latijnsche

patriarch met zijn gevolg; eenige schreden verder bij den steen der

zalving, de Armenische; terwijl de Grieksche zich bevond bij de

eigenlijke kapel van het H. Graf, van welke verschillende plaatsen

elk hunner hem in zijne eigene taal welkom heette.

Nadat het bezoek van den Keizer en zijn gevolg was afgeloopen en zij het

kerkgebouw onder klokgelui hadden verlaten traden wij het binnen. Voor

deze gelegenheid waren alle lampen evenals op groote feesten ontstoken;

wij zagen dus de kerk als op een grooten feestdag uitgedoscht, maar

zonder het ontzettend gedrang, dat er dan heerscht. Wij waren daar zeer

dankbaar voor, want, naar de beschrijvingen, die o. a. van de viering

van het Paaschfeest worden gegeven zijn de tooneelen, die men dan ziet,

inderdaad weêrzinwekkend. Wij kunnen ons dan ook volkomen begrijpen, dat

een vroom man als SAMUEL GOBAT eens tot den Koning van Pruissen zeide,

dat hij niet geloofde noch hoopte, sedert hij eenmaal ooggetuige geweest

was van zulk eene feestviering, waardoor zij voor hem alle wijding had

verloren, dat hier de plaats was, waar men den Heer had gelegd.

Slechts enkele schreden van de kerk van het Heilige Graf ligt het

Protestantsche kerkgebouw, dat juist was voltooid en den volgenden dag,

den 31sten October, den Hervormingsdag, plechtig zou worden ingewijd.

Het werd gebouwd op de plaats waar het voormalige Muristan stond. De

geschiedenis van het Muristan dagteekent van de dagen van KAREL den

Groote, die, naar men zegt, hier een klooster zou gesticht hebben.

Na verloop van tijd verrezen er een kerk, een hospitaal, en een

pelgrimshuis, gesticht door de ordebroeders van St. Jan, die daar hun

verblijf hielden. In 1869 werd de geheele plaatsruimte, waarvan nog

slechts enkele ruïnes stonden van vroegere gebouwen, door den Sultan aan

den toenmaligen kroonprins, den lateren Keizer FREDERIK ten geschenke

gegeven. Deze vatte aanstonds het plan op om hier een Duitsche kerk te

bouwen op de fondamenten van de oude St. Maria Latina Majorkerk. De oude

grondslagen bevonden zich echter 10–15 meter onder den grond en hieruit

laat zich eenigszins afleiden, welk een reuzenwerk men te verrichten

had, voordat er een vaste grondslag was verkregen voor den nieuwen bouw.

Honderdduizenden manden met puin moesten te dien einde eerst weggedragen

worden buiten de stadspoort.

Na jarenlangen arbeid is dit werk voltooid en midden tusschen al de

Mohammedaansche moskeeën, die boven Jerusalem uitsteken, verheft zich

thans ook de sierlijke toren der Protestantsche kerk.

De Verlosserskerk, zooals zij genoemd wordt, is met veel smaak en

toch zeer eenvoudig in rondboogstijl gebouwd. Zij heeft ongeveer 200

zitplaatsen; in het midden verheft zich een steenen kansel, aan het

einde het altaar, links daarvan een keurig net orgel. Een der ingangen

bestaat uit een voormalige poort, die er nog stond en toegang verleende

tot het oude Muristan. Boven den anderen ingang bevindt zich een schild,

waarop een lam is afgebeeld met een vlag, het symbool der overwinning

van het Christelijk geloof, waarin de gemeente, die hier week aan week

vergadert, hare kracht vindt.

De derde, tevens de eenige plaats in Jeruzalem, omtrent wier ligging

nooit eenige twijfel is gerezen, is het tempelplein, dat thans Haram

esch Scherif heet. Hier stond gedurende vijf eeuwen de tempel van SALOMO

en later die van HERODES. Thans bevinden er zich nog de Omar-moskee,

El-Aksa en een aantal bijgebouwen, die alle toebehooren aan de

Mohammedanen.

Deze Tempelplaats is uit een oudheidkundig oogpunt allerbelangrijkst.

Ten einde het tegenwoordige plateau, dat thans 470–490 meter lang en

280–320 meter breed is, maar oorspronkelijk slechts eene kleine ruimte

bood, zoodanig te vergrooten, dat daarop de tempel met zijne bijgebouwen

kon verrijzen, moest men òf den kalksteenen heuvel, die in een spits

uitliep verlagen, waardoor hij echter gemakkelijker toegankelijk werd

voor den vijand en als vesting in sterkte verminderde, òf daaromheen

hooge muren optrekken en door opvulling der tusschenruimte de noodige

bodem-oppervlakte verkrijgen. DAVID en SALOMO schijnen aan dit laatste

de voorkeur te hebben gegeven. Zij lieten aan de Oost-, West- en

Zuidzijde muren optrekken ter hoogte van 130 voet uit steenblokken,

waarvan er sommige nog zichtbaar zijn en die eene lengte hebben van ruim

30 voet en dus eenig denkbeeld geven van de inspanning, die tot een

dergelijk werk vereischt werd. Een gedeelte daarvan bestaat nog aan de

Westzijde, de welbekende klaagmuur, dien men houdt voor afkomstig uit

den tijd van SALOMO. Daar ziet men altijd, maar vooral op Vrijdagavond

de Joden bijeen, die er bidden om herstel van tempel en stad en hoort

men hen hun weemoedig klaaglied aanheffen over hun deerniswaardig lot.

[Illustratie: DE OMARMOSKEE.]

Juist in het midden van de tempelplaats verheft zich ongeveer 3

meter daarboven, een vierkant plein, waarheen 8 trappen van 4 zijden

toegang verleenen. Dit plein was voorheen de voorhof der Joden, dien de

Heidenen in de dagen van HERODES niet mochten betreden op straffe des

doods. Men heeft nog een steen gevonden, waarop dat verbod geschreven

stond, hetgeen naar men beweerde, de Apostel PAULUS zou overtreden

hebben (Hand. XXI: 28).

Midden op dit plein staat thans de prachtige achthoekige Omar-moskee,

een der schoonste die ik zag, met een hoogen koepel juist boven den

steen es-Sachra dien de Mohammedanen als de heilige rots vereeren,

omdat volgens hen MOHAMMED van hier ten hemel zou gevaren zijn. Het is

wel opmerkelijk, dat MOHAMMED, hier zoowel als te Mekka, waar zijne

volgelingen den steen Kaäba vereeren, zijn nieuwen godsdienst heeft

vastgeknoopt aan plaatsen, die om eene of andere reden bijzonder heilig

geacht werden, hetgeen ons verklaart, hoe het mogelijk was, dat zijn

godsdienst zoo spoedig ingang kon vinden. Immers deze heilige rots was

volgens de overlevering der Joden ook de plaats, waar weleer ABRAHAM

zijn zoon wilde offeren en waar later het brandofferaltaar voor den

tempel van SALOMO stond. Deze rots is echter niet anders dan de spits

van den oorspronkelijken kalkberg, waaruit de berg Moria bestaat.

Door grondboringen zijn de oudheidkundigen er zelfs in geslaagd,

met volkomen juistheid aan te wijzen, waar de grond op verschillende

plaatsen is opgehoogd, ten einde de tempelplaats tot een vlak plein te

maken.

Terwijl men dus overal elders in het onzekere verkeert omtrent plaatsen,

die men aanwijst, staat men hier op echt historischen bodem. Hierheen

bracht MARIA haar Kind bij de voorstelling in den tempel; hier ergens

was de plaats, waar zij den twaalfjarigen Knaap vond; hier de plaats,

waar de Heiland de schare zoo dikwerf leerde; hier de plaats, waar op

het Pinksterfeest de discipelen bijeen waren, toen de Heilige Geest over

hen werd uitgestort. Maar juist daarom gevoelt men zich bij de gedachte

aan alle deze gebeurtenissen, die hier weleer plaats grepen, zoo droevig

gestemd, wanneer men op dezen gewijden bodem, waaraan voor den Christen

zoovele geheiligde herinneringen zijn verbonden, slechts als vreemdeling

toegelaten wordt bij de gunst der Mohammedaansche overheid. Wij, die

niet aan plaatsen hechten, misgunnen hun ook deze niet; maar er is toch

iets weemoedigs in de gedachte, dat op deze merkwaardige plek zelfs

geen Christelijk bedehuis staat en dat de schoone Christelijke kerk,

de oudste in Jerusalem, die hier weleer door Keizer JUSTINIANUS werd

gebouwd, thans de Mohammedaansche moskee El-Aksa is.

Maar nog veel weemoediger moet het den vromen zoon van Gods oude volk

Israël stemmen, die deze plaats nimmer durft betreden uit vrees, dat hij

misschien zijn voet zal zetten op het voormalige Heilige der Heiligen,

en die hier ziet, hoe dit zijn Heiligdom thans wordt ontheiligd door

den Mohammedaan, die hem zoo diep veracht. Terwijl de Christenen der

Oostersche en Westersche kerken hun gewijde plaats bezitten in de

kerk van het Heilige Graf, de Mohammedaan in zijn Omar-moskee, de

Protestantsche Christenheid in haar Verlosserskerk is de eenige gewijde

plaats, die den zoon van Israël, den oorspronkelijken bewoner en

eigenaar der stad werd gelaten daar beneden in de diepte, die oude muur,

die door SALOMO werd opgetrokken, die klaagmuur waar hij weent en klaagt

en bidt om den vrede van Jerusalem. Wie zal zeggen of en wanneer die

bede ooit in verhooring zal gaan? Wij voor ons hopen het van harte en

stemmen er gaarne mede in, maar kon het zijn zoo, dat eenmaal de zoon

van Israël en de volgeling van Mohammed zich met ons buigen voor den

Vredevorst, den grooten Koning van Zion.

Reisindrukken in het Oosten · 第 17 / 44 题