NABULUS.

Op een Zaterdagavond kwamen wij te Nabulus, het voormalige Sichem

aan. Wij hadden juist 6 dagen te paard gezeten en de gedachte den

volgenden dag eens uit te mogen rusten was al eene verademing op

zichzelf. Reeds vroeger heb ik medegedeeld, hoezeer wij het nut van den

rustdag waardeerden. Onze tenten waren buiten de stad opgeslagen onder

eenige hooge olijfboomen, die fel heen en weer werden bewogen door een

hevigen, maar niet verfrisschenden wind, want nog steeds woei dezelfde

verzengende Sirokko der woestijn. Zelfs des nachts hoorde men hem gieren

door de boomen en voelde men hem blazen door de tenten, maar zonder den

dampkring ook maar eenigszins af te koelen.

Den volgenden morgen sloeg ik mijn Bijbel op om de geschiedenissen eens

na te lezen waarin Sichem eertijds zulk een gewichtige rol speelde.

Wellicht zouden wij straks op onze wandeling aan belangrijke historische

plaatsen komen, als b.v. die, waar JOTHAM stond, toen hij die schoone

fabel sprak van de boomen, die heengingen om eenen koning over zich te

zalven. Ik wil niet beweren, dat ik de juiste plek op den berg Gerizim

gezien heb, waar hij toen stond, maar ik ontdekte er verscheidene, waar

een hooge rotswand een veilige schuilplaats bood om zijne zoo van fijne

ironie tintelende strafpredikatie te houden tot „alle burgeren van

Sichem” als JOTHAM deed en van waar hij nog gelegenheid had om tijdig te

vluchten, indien zijn woord rechtmatigen toorn mocht verwekken. (Richt.

IX: 21).

Het eerste, wat op onze morgenwandeling onze aandacht trok, was een

opgewekt kerkgezang, dat ons reeds van verre in de ooren klonk. Toen wij

naderbij kwamen, zagen wij een net gebouw van twee verdiepingen, waar

juist godsdienstoefening werd gehouden, hetgeen ons natuurlijk tot een

bezoek uitlokte. Het was het kerkje der Protestantsche gemeente, die

hier 150 leden telt, waarvan minstens ⅔ aanwezig waren. Wij troffen

het dus bijzonder gelukkig, waar ons de gelegenheid ontbrak om op te

gaan naar het huis des gebeds, dat wij juist aan dit kerkje voorbij

kwamen, terwijl er dienst was. Wij wisten niet, dat dit een samenkomst

was van geloofsgenooten, maar leidden dit af uit de inrichting van

den dienst, de groote inschikkelijkheid, waarmede men ons terstond

zitplaatsen inruimde en de vriendelijkheid, waarmede men ons de

gelegenheid bood om mee te zingen uit het gezangboek, dat men ons

gaf. Nietwaar, zulke kleine oplettendheden zijn wij immers gewoon den

vreemdeling te bewijzen, die onze kerk binnentreedt, wanneer er dienst

is? Des te meer betreurden wij het, dat wij van de zoo vriendelijk

aangeboden gelegenheid geen gebruik konden maken, omdat de geheele

godsdienstoefening in het Arabisch werd gehouden. Daardoor konden wij

ook den voorganger niet volgen, hetgeen ons te meer speet, omdat hij,

blijkens de aandacht waarmede zijn gehoor naar hem luisterde, zeer

boeiend sprak.

Wanneer men de geschiedenis van het ontstaan dezer gemeente kent, die ik

elders beschreven heb[1], zal men kunnen begrijpen, hoe weldadig ons dit

bezoek aan deze Protestantsche kerk hier aandeed, eene geschiedenis,

waarbij zich bijna woordelijk herhaalde hetgeen plaats vond in de dagen,

toen de Heer in de onmiddellijke nabijheid dezer stad zat aan den put

van JACOB en sprak van velden wit om te oogsten. (Joh. IV: 35). Daarbij

was er iets verheffends in de gedachte, dat wij hier samen waren met

mannen en vrouwen, waarmede wij ons verbonden gevoelden door hetzelfde

geloof in eenen Heer en dit nog wel in een der meest Mohammedaansche

steden van Palestina.

[1] Zie Lichtstralen: Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina, bldz.

13.

Immers, men bemerkt terstond aan alles, dat de bevolking dezer stad, die

24000 inwoners telt, waaronder 700 Christenen, overwegend Mohammedaansch

is. Dit blijkt onder meer uit de geheimzinnige horren voor de vensters,

waardoor de vrouwen der Muzelmannen zonder zelve gezien te worden naar

buiten kunnen kijken, en vooral aan de afzichtelijke kleeding, waarin

zij gehuld zijn, waarin men ze op straat ontmoet. Zij gaan dan geheel in

het zwart met een sluier, eveneens pikzwart, die meestal door een om het

hoofd geslagen witten stofmantel, zóo op het aangezicht is vastgebonden,

dat ook dit geheel zwart ziet. Zoo uitgedoscht doen zij onwillekeurig

denken aan wandelende mummies. Daarbij hebben zij een wonderbaarlijke

voorliefde voor overschoenen, hoewel er maanden lang geen droppel regen

was gevallen en waarmede zij onhoorbaar langs de straat schuiven als een

zwarte geest, van welken men liefst zijn aangezicht afwendt. Waarlijk,

wanneer het lijkkleed des doods, waarin men deze Oostersche vrouw

gehuld ziet, een beeld is van haar innerlijk leven, dan is zij wel diep

te beklagen vanwege haar somber bestaan.

Te Nabulus is nog eene synagoge der Samaritaansche Joden, die beweren

af te stammen van de oude bewoners van Samaria, die daar zouden

achtergebleven zijn na den ondergang van het Rijk der tien stammen

en na de verwoesting der stad door den Koning der Assyriërs, welke

laatsten zich hier als kolonisten vestigden en zich vermengden met

de overgeblevene Joodsche bevolking, tengevolge waarvan de Joden uit

Jerusalem met hen geene gemeenschap meer hielden, zooals wij weten uit

de geschiedenis der Samaritaansche vrouw (Joh. IV). Deze Samaritanen

tellen nog slechts dertig huisgezinnen, die meerendeels in armoedige

omstandigheden verkeeren. Wij bezochten hunne synagoge, die meer op een

onderaardsch gewelf dan op een bedehuis gelijkt, waar de priester ons

de oorspronkelijke boekrollen hunner wet liet zien in oud-Hebreeuwsche

letters geschreven, bevattende de vijf boeken van MOZES. Driemaal 's

jaars doen zij nog een bedevaart naar den berg Gerizim, de plaats waar

eenmaal hun tempel stond.

Bij eene omwandeling van de stad langs dezen berg kan men begrijpen, hoe

men er toe is gekomen om Nabulus of Neapolis, d. w. z. de nieuwe stad,

juist hier tusschen de bergen Gerizim en Ebal te bouwen. Uit 22 bronnen,

waarvan meer dan de helft voortdurend water houden, stroomt een helder

beekje naar beneden, dat de geheele stad van frisch drinkwater voorziet

en de tuinen besproeit, die tegen de helling van den Gerizim zijn

gelegen. Het doet het oog weldadig aan, wanneer men hier weer eens

wandelt tusschen het frissche groen der boomen; terwijl daarbeneden in

de diepte de stad ligt met hare helderwitte huizen, op wier platte daken

zich tegen den avond het geheele gezin verzamelt. Behoudens haar echt

Oostersch karakter, bezit de stad zelve echter weinig aantrekkelijks,

ook tengevolge van hare benauwde, duffe straten, gedeeltelijk overwulfd,

overal met trapjes, langs welke men voortdurend op- en afgaat.

Van Nabulus naar Jerusalem heeft men nog twee dagen te reizen. In de

onmiddellijke nabijheid der stad bevindt zich de beroemde put van JACOB,

welbekend door het gesprek, dat de Heer hier met de Samaritaansche

vrouw hield. Ik was zeer verlangend dien put eens met eigen oogen te

zullen zien, ten einde te kunnen beoordeelen, welke der verschillende

photographieën, die ik daarvan had, het best geleek; maar, hoe werd ik

teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat zij geen van allen geleken. Sedert

eenigen tijd toch is deze put in eigendom overgegaan in de handen van

Grieksche monniken, die hem volkomen onkenbaar hebben gemaakt, niet

alleen door de opening daarvan toe te metselen, maar ook door nog

een gewelf daarover heen te bouwen, waaronder het bijna donker is en

daaromheen nog een muur te trekken, dit alles uit louter vrees, dat de

Turken te eeniger tijd zullen trachten den put wederom in hun bezit te

verkrijgen. Kon men voorheen het water in den put zien staan, thans is

hij gedeeltelijk met steenen opgevuld. Door eene kleine opening laat men

ten gerieve van den bezoeker een kaarsje naar beneden zakken om aan te

toonen, dat er onder het toegemetselde gewelf inderdaad een diepte is

van 23 meter. Door dit alles heeft dan ook deze plaats alle bekoring

van haren oorspronkelijken eenvoud verloren, zoodat een bezoek daaraan

nauwelijks meer de moeite beloont. De vlakte toch, waarop des Heeren oog

rustte, toen Hij daar zat en sprak van velden wit om te oogsten, ziet

men binnen dien hoogen muur in 't geheel niet. Het wordt hier echter

zeer duidelijk, dat het niet juist is, wanneer men in Joh. IV: 5 Sichem

voor Sichar leest, zooals sommige kerkvaders doen, daar te Sichem,

zooals ik reeds opmerkte, overvloedig water is, zoodat de Samaritaansche

niet van daar behoefde te komen om hier water te putten. Het overigens

onbekende Sichar heeft waarschijnlijk aan den voet van den Ebal gelegen

en heet thans Eskar.

Gaf deze put van JACOB ons dus niets te zien van de drukke levendigheid,

die gewoonlijk aan zulke bronnen in het Oosten heerscht, waar

voortdurend menschen en dieren samenstroomen om hun dorst te lesschen,

toch hadden wij de volgende dagen en ook later meer dan eens de

gelegenheid om dit eigenaardig schouwspel gade te slaan, zoowel te

El Loebban als te El Bire, waar wij eenige uren vertoefden om paard

en ruiter wat rust en verkwikking te geven, voor zooverre dit in de

brandende hitte eener oostersche zon mogelijk is. Van waar de menschen

komen, die bij zulk een bron water halen, was mij een raadsel, want,

naar ik mij herinner, waren er in de nabijheid van El Loebban maar drie

of vier huisjes te zien. Toch daagden er telkens nieuwe bezoekers op.

Reizigers met hun paarden, kooplieden met hun kameelen, jongens met hun

ezels, herders met hun schapen, alles dwarrelde hier door elkaar en

verdrong zich om het dichtst bij de bron te wezen, waarbij de schapen

vooraan stonden, de ezels en paarden er achter en de kameelen eindelijk

op den derden rang, vanwaar zij met hun lang uitgerekten hals nog juist

bij het water konden komen. Nu en dan ziet men ook wel eens een schaap,

dat het al te benauwd krijgt door het gedrang in het water springen,

maar gelukkig staat er steeds iemand klaar, blijkbaar op dit voorval

bedacht, om het er uit te trekken. Met zulk een tafereeltje voor oogen,

verstaat men volkomen het woord van den Heer: „Wiens os of ezel van

ulieden zal in een put vallen en die hem niet terstond zal uittrekken op

den dag des Sabbats?” Niet minder levendig gevoelt men ook telkens op

een reis in Palestina, waar zulke bronnen zeldzaam zijn, de waarde van

een dronk waters en de beteekenis van dat andere woord: „Zoo wie een

van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud waters in

de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij zal zijn loon geenszins

verliezen.”

De andere bron El Bire, dankt hare vermaardheid aan de overlevering,

dat MARIA hier het eerst tot de ontdekking zou gekomen zijn, dat de

twaalfjarige JEZUS zich niet onder het terugkeerend reisgezelschap

bevond. Daar El-Bire een kleine dagreis van Jeruzalem verwijderd ligt en

de pelgrims, die huiswaarts gingen, gewoon waren hier te overnachten is

het zeer waarschijnlijk, dat deze overlevering juist is. MARIA rekende

dan een dag voor de heenreis, een dag om terug te keeren naar de stad,

en vond Hem op den derden dag in het huis des Vaders weder.

Een niet onbelangrijk bezoek brachten eenigen onzer nog op den weg

tusschen Nabulus en Sindschil, waar wij overnachtten, aan het plaatsje

Sélûn, voorheen Silo, waar in de dagen van SAMUEL een steenen huis met

den Tabernakel stond. Tegen de hoogte van een heuvel liggen de puinhopen

der oude stad, die voor ons te merkwaardiger waren, omdat wij nimmer

eene werkelijk verwoeste stad hadden aanschouwd. Meestal toch wordt

zij weder door latere bewoners herbouwd, zoodat er weinig meer van eene

verwoesting te zien is. Hier was dit echter niet het geval. Men liep er

tusschen de muren, die nog staande waren gebleven van huizen en gebouwen

en zag overal duidelijk de lijnen der straten, die alle opgevuld waren

met steenen. De geheele stad was eigenlijk niet anders dan een groote

steenhoop, sedert onheuglijke tijden onbewoond.

Aan de noordzijde bevindt zich tusschen den heuvel waar Silo op lag en

een anderen daartegenover een merkwaardig terras, dat men met groote

waarschijnlijkheid houdt voor de plaats, waar eertijds de tabernakel

stond. In het midden is een hoog vierkant plein; aan de Oost- en

Westzijde daarvan bevinden zich twee terrassen het eene telkens eenige

meters lager dan het andere. Het laat zich zeer goed denken, wanneer men

dit ziet, dat op het hoogste terras de voorhof lag, waarop de tabernakel

stond, waartoe men of van beide of van een der beide zijden toegang

had.

Voor het overige was er op dit gedeelte onzer reis weinig merkwaardigs

te zien. Hoe dichter men Jeruzalem nadert, des te steenachtiger wordt de

bodem, zóo zelfs dat deze in letterlijken zin bezaaid is met steenen,

waar een klein voetpad doorheen kronkelt, dat het paard zorgvuldig

volgt. Op het onverwacht ziet men, ofschoon nog uren verwijderd,

Jeruzalem enkele oogenblikken voor zich liggen. Daarna verliest men

het weder uit het oog, totdat men van de hoogte van den Scopus, op een

half uur afstand van de stad, haar vlak voor zich heeft. Eigenaardige

aandoeningen en gewaarwordingen maken zich van iemand meester, die haar

voor het eerst ziet, zooals zij daar ligt, boven op de bergen Zion en

Moria, de stad, die eene geschiedenis heeft als weinige haars gelijken,

de stad, waarin zooveel heeft plaats gegrepen, waardoor het nog heden

ten dage de klassieke plaats is van drie godsdiensten, dien der Joden,

der Mohammedanen en der Christenen.

Wij waren recht dankbaar, dat wij te Jerusalem ons verblijf in tenten

konden verwisselen met een aangenamer logies. Het hospiz of logement

der R. K. Vereeniging voor Palestina te Keulen had op ons gerekend

en uitnemende vertrekken voor ons in gereedheid gebracht. Het was een

flink steenen gebouw, met dikke, zware muren en daardoor heerlijk koel

en frisch. Voor sommigen onzer, vooral voor de dames was dit eene ware

verademing. De tentenreis en het paardrijden waren haar te machtig

geworden en wij waren dankbaar, dat zij in redelijken welstand zoover

waren gekomen; een harer echter, die naar wij meenden het minst van

de reis had geleden, overleed hier aan een kortstondige ziekte. Het

pelgrimshuis, waarin wij logeerden, staat onder leiding van pater

SCHMIDT, een zeer beminnelijken grijsaard, die reeds jaren te Jerusalem

woont, en volkomen van alles op de hoogte is en onder wiens vriendelijk

geleide wij de belangrijkste plaatsen der stad bezochten en die bij

nadere kennismaking bleek te zijn een man van groote kennis, degelijke

studie en ruimen blik. Waren alle onze Roomsche geloofsgenooten zooals

hij, hoe veel dichter zouden wij dan bij elkander staan!

Reisindrukken in het Oosten · 第 15 / 44 题