De reis van Nazareth naar Nabulus, de tegenwoordige hoofdplaats van
Samaria, duurt twee dagen. Men overnacht te Dschennin en verpoost
onderweg, den eersten dag te Solam en den volgenden dag te Sanur. Het
landschap, dat over 't geheel dor is en kaal, is evenwel rijk aan en
belangrijk door allerlei historische herinneringen. Al ras ziet men aan
den voet van den kleinen Hermon, dien men links laat liggen, het stadje
Naïn met een helderwit kerkje, dat scherp afsteekt tegen de vale vlakte.
Het kerkje behoort al weder aan de Franciscaners „de wachters der
heilige plaatsen”, die voor het terrein, waarop het staat, een millioen
guldens hebben betaald en werd gebouwd ter gedachtenis aan de opwekking
van den jongeling te Naïn. Daarachter ligt Endor, de woonplaats der
tooveres, die SAUL raadpleegde aan den avond voor den veldslag tegen de
Filistijnen, waarin hij sneuvelde. Rechts van ons breidt zich de vlakte
uit van Jisreël, waarop in vroeger dagen zoo menige bloedige slag
werd geleverd. Dan volgt, even voorbij den kleinen Hermon, het dorpje
Solam, voorheen Sunem, waar ELISA zoo vaak overnachtte in het bekende
profetenkamertje, dat de gastvrije Sunamietische huisvrouw voor hem
had ingericht. Het dorp is door een hoogen muur van ondoordringbare
cactussen ingesloten, waar men zelfs te paard niet overheen kan zien.
Tijdens het warmste gedeelte van den dag rust men hier gewoonlijk eenige
uren uit onder citroenboomen, wier rijpe vruchten, die de eigenaar van
den boomgaard voor eenige bakschisch vergunt te plukken, heerlijk te pas
komen om het lauwe drinkwater te verfrisschen. Weldra heeft men den
Kleinen Hermon achter zich, die van de hoogte af gezien vlak voor zijn
peetoom den Grooten Hermon ligt. Ik zeg peetoom, want nog nimmer zag ik
twee bergen, die zoo sprekend op elkaar gelijken en het wordt dan ook
wanneer men ze van hieruit ziet alleszins duidelijk, waarom men den een
naar den ander heeft genoemd, ofschoon zij dagen reizens van elkander
verwijderd liggen.
Den volgenden dag wordt halt gehouden te Sanur onder eenige prachtige
vijgeboomen, de eenige die wij in Palestina aantroffen met rijpe
vruchten en waaraan men zich naar hartelust kon te goed doen, natuurlijk
alweer voor de noodige bakschisch, zonder welke men in het Oosten niet
kan leven. Van hier sloeg het grootste gedeelte van ons gezelschap, dat
den tocht reeds lang genoeg vond, den korteren weg in naar Nabulus;
terwijl enkelen zich met mij een omweg getroosten om een bezoek te
brengen aan het oude Samaria, welke moeite ruimschoots beloond werd door
hetgeen wij hier zagen.
Deze voormalige hoofdstad van Israël levert thans een zeer droevig
schouwspel op. Een klein dorpje Sebastieje herinnert aan de plaats, waar
het gelegen heeft. Toch is het dorpje een bezoek overwaardig, omdat men
daardoor een indruk krijgt van de sterke en schoone ligging der machtige
hoofdstad van het Rijk der tien stammen. Zij lag terrasgewijs deels op,
deels tegen een hoogte aan, door hooge muren omringd, waarvan nog een
gedeelte te zien is. Boven van de hoogte ontwaart men in het verre
Westen de Middellandsche Zee en rondom zich heen eene breede vlakte door
bergen begrensd, waarvan de Ebal en Gerizim tegen het Oosten den cirkel
sluiten. Waarlijk, het beeld van Jesaja (XXVIII: 1), die haar vergelijkt
bij een „kroon, die daar is op het hoofd eener zeer vette vallei” is
bijzonder treffend.
[Illustratie: SEBASTIEJE (SAMARIA).]
Hier resideerden de Koningen, die over het Rijk van Israël regeerden na
Omri, den stichter der stad, die hij Samaria, _Wachtburcht_ noemde.
Inderdaad zij ligt als een wachter op een hoogte, eenige honderden
meters boven de breede vlakte daaromheen. Hier had koning ACHAB zijn
elpenbeenen paleis; hier stonden de tempels, welke hij bouwde ten
gerieve van zijne vrouw IZÉBEL, die gewijd waren aan Baäl en Astarte
(II Kon. XXII: 39); hier, ging het oordeel in vervulling, dat de profeet
ELIA had aangekondigd over hem en over zijn huis.
Wat moet dat Samaria schoon geweest zijn in de dagen van HERODES den
Groote, die om de kruin van den berg een straat liet aanleggen, die 1700
meter lang was met dubbele rijen hooge zuilen, waarvan er nog vele zijn
staande gebleven. Overal waar men den voet zet, ziet men slanke pilaren
bij menigte ter aarde liggen, zoodat men de lijn der oude zuilenstraat
nog duidelijk kan volgen.
Welk een verrukkelijk vergezicht geniet men van deze hoogte over de
gansche vlakte, die hier voor ons ligt! Hoe rijk is deze omgeving aan
historische herinneringen! Niet ver van hier ligt het kleine Dothan,
waar eens JOZEF werd verkocht; daar woonde later ELISA, toen de Syriërs
hem omringden, die hij binnen Samaria bracht. In die vlakte lag het
leger van den Koning van Syrië, dat de Heer des nachts verdreef op het
woord van den profeet. Van welke teekenen en wonderen waren deze bergen
eenmaal getuigen in de dagen der oudheid!
En thans! Niets is er overgebleven van al die grootheid uit vroeger
dagen. Hoe is deze kroon van EFRAÏM naar het woord van JESAJA met voeten
getreden! Ja, wanneer men hier staat en slaat Jesaja XXVIII op, hoe
bevestigt dan de aanschouwing van dit alles de vastheid van zijn woord
omtrent Dengene, van Wien hij daar profeteert: „dat Hij ten oordeel zit
en tot een Geest des oordeels is.”
Het is inderdaad, alsof men te doen heeft met eene heilige ironie,
wanneer men er wandelt door dat armoedige dorpje met schamele hutten,
dat nog den naam Sebastieje „de heerlijke” draagt, een naam, dien
HERODES aan het door hem herbouwde Samaria gaf ter eere van Keizer
AUGUSTUS.
Het eenige, wat nog voor enkele jaren de bewondering van den bezoeker
trok, was de ruïne eener Christelijke kerk, aan JOHANNES den Dooper
gewijd. Maar helaas! de schendende hand van den Muzelman heeft deze oude
basilica in een moskee veranderd en daardoor ook dit laatste spoor van
een Christelijk tijdvak vernietigd. Het eenige, wat hij ongerept liet,
zijn de graven in de krypt van de moskee, een onderaardsch gewelf,
waarin men langs een smalle trap afdaalt en waar weleer OBADJA, ELIA
en JOHANNES de Dooper zouden begraven geweest zijn.
Het is slechts weinig, wat men hier nog ziet; maar juist dit weinige
predikt te luider en welsprekender de vergankelijkheid van alle aardsche
grootheid en van alle heerlijkheid dezer wereld.