Na eenige uren te hebben gerust in het voormalige stadje Cana, thans een
klein, nietig dorpje, waar niets te zien is dan een klooster met eene
kerk, ter plaatse, waar de Heer weleer Zijn eerste teeken deed, (Joh.
II: 1–11) bereikten wij tegen den avond het stadje Nazareth, dat in een
halven cirkel amphitheatersgewijs tegen de hoogte aanligt. Verschillende
grootere gebouwen, onder welke vooral die, welke toebehooren aan de
Franciscaner-orde, vallen terstond in het oog. Pater Soos, die aan
het hoofd daarvan staat, is een landgenoot. Van onze komst verwittigd,
bracht hij ons weldra een bezoek en vertelde ons allerlei bijzonderheden
omtrent de gebruiken van het land en het volk, waarmede hij ons den
geheelen avond onderhield. Tot de merkwaardigste bijzonderheden
behoorde het feit, dat in Nazareth, welks bewoners voor het meerendeel
Christenen zijn, wel Mohammedanen wonen, die met de Christenen op den
besten voet verkeeren, maar geen Joden. Deze hebben er nooit gewoond en
worden er tot op den huidigen dag niet geduld. En waarom niet? Eenvoudig
omdat weleer Nathanaël de stad en haar inwoners zoodanig beleedigd heeft
door zijn vraag: „Kan er uit Nazareth iets goeds zijn?” (Joh. I: 47),
dat men er nu geen enkelen Jood toelaat. Pater Soos vertelde ons, dat
toen eenigen tijd geleden de rijke bankier ROTHSCHILD uit Parijs de
stad bezocht en bij hem overnachtte, deze des avonds bij donker aankwam
en vroeg in den morgen weder vertrok uit vrees voor een hagelbui van
steenen van de lieve straatjeugd. Op onze vraag, of deze zich dan bewust
was van hetgeen zij deed, luidde zijn antwoord: „neen, maar een bewoner
van dit land leeft enkel bij overlevering; men doet zoo, omdat de vader
en grootvader ook zoo deden en omdat deze van hun vader en grootvader
hetzelfde hebben geleerd”. Eene treffende illustratie inderdaad van
de bekende overleveringen der ouden, welke de Heer zoo vaak bij Zijn
onderwijs geeselde. (Matth. V: 21).
[Illustratie: DE MARIABRON TE NAZARETH.]
De Franciscaners hebben zich het schier ongelooflijke getroost om
langzamerhand die plaatsen in hun bezit te krijgen, waaraan gewijde
herinneringen verbonden zijn. Zoo zijn zij na jaren er in geslaagd
eigenaar te worden van de _mensa Christi_, een steenen tafel, die weleer
buiten, maar nu in de stad ligt en waarvan de overlevering vermeldt, dat
zij dikwerf door den Heer en Zijne discipelen werd gebruikt, o. a. ook
nog eenmaal, toen Hij na Zijne verrijzenis hier met hen aanzat. (Marc.
XVI: 7.)
Zoo zagen wij de plaatsen, waar weleer de woning en de werkplaats
van JOZEF zouden geweest zijn; de grot, waarin de Engel aan MARIA
de geboorte des Heeren aankondigde, waarvoor evenwel de Grieksche
Christenen eene plaats aanwijzen in de benedenstad, en een en ander
meer ter herinnering aan de eerste levensjaren des Heeren.
Wat hiervan juist zij, zal men wel nooit met zekerheid kunnen zeggen. De
eenige plaats, waarvan men met eenige waarschijnlijkheid kan vermoeden,
dat de Heer er meermalen kwam, is de bron in de beneden stad, waar alle
bewoners moeten komen om water te halen en die nog heden ten dage den
naam Mariabron draagt. Stellig heeft daar de moeder des Heeren wellicht
met haar kind, meermalen haar waterkruik gevuld. Maar al kan men ze
ook niet met den vinger aanwijzen, zeker is het toch, dat hier in dit
Nazareth overal plekken zijn, waar de Heer in de dagen zijner jeugd
gewandeld of gestaan, gewerkt en gebeden heeft. Hier staan wij inderdaad
op gewijden bodem door de voeten van onzen gezegenden Heiland gedrukt
en waar Hij onder de ouderlijke zorgen en de hoede Zijns Hemelschen
Vaders opgroeide en rijpte tot den leeftijd, op welken Hij optrad als de
Zaligmaker der wereld. Met een gevoel van dankbaarheid denk ik daarom
aan het bezoek aan dat stille Nazareth terug, als de plaats waar Hij
als kind speelde, als knaap leerde en als jongeling of als man in de
kracht Zijns levens werkte voor het gezin, waarvan de vader wellicht
vroeg stierf en Hij dus de zorgen des aardschen levens ook moest helpen
dragen. Hier heeft Hij de zijnen gediend en al dienende gehoorzaamheid
geleerd. Hier heeft Hij als kind of jongeling op denzelfden leeftijd als
wij in de jaren onzer jeugd, blootgestaan en weerstand geboden aan alle
verzoekingen en nimmer gezondigd. Hier op dit stille, van alle zijden
door bergen ingesloten en afgezonderde plekje, leerde Hij de wereld in
hare behoeften en nooden kennen, totdat de tijd daar was, dat Hij als
het Lam Gods de zonde dier wereld zou dragen.
Merkwaardig vond ik ook dat dit kleine, geheel tusschen het gebergte
verscholen Nazareth menigvuldig gelegenheid bood om iets van de wereld
in het groot te aanschouwen, want men behoeft slechts een der omringende
bergen te bestijgen om naar alle zijden een verrukkelijk schoon
vergezicht te genieten. Ten Noorden ziet men dan den grooten Hermon, met
den Anti-Libanon; ten Oosten verheft zich de afgeplatte kruin van den
Tabor, met het gebergte van Gilead in het verschiet; ten Zuiden ligt de
kleine Hermon en het gebergte Gilboa, waar SAUL sneuvelde en ten Westen
de in zijn volle lengte zich uitstrekkende Karmel met de vlakte van
Jisreël er voor; daar tusschen in tal van grootere en kleinere steden en
dorpen, alles te zamen als een landkaart, waaraan alleen de plaatsnamen
ontbreken. Wanneer men daar zoo staat, dan is het alsof menige
gebeurtenis uit de gewijde geschiedenis voor onze verbeelding herleeft.
Inderdaad geen plaats eigende zich beter voor de ontwikkeling van dat
kind, van hetwelk wij lezen, dat het Zijnen ouders onderdanig was, tot
dat Hij optrad in de wereld als de Zoon des menschen, die gekomen was om
des Vaders wil te doen.
Waarlijk, onder de plaatsen, die in het Heilige Land een bezoek
overwaard zijn, bekleedt dat stille en eenvoudige Nazareth een eerste
plaats. Het bevreemdt ons dan ook niet, dat de Roomsche en Grieksche
Christenen alles gedaan hebben voor den pelgrim, die het wil bezoeken om
zijn verblijf te veraangenamen. Beiden hebben hier hun pelgrimshuizen;
dat der Franciscaners mag een sieraad van Nazareth heeten. Het biedt
logies aan voor 150 vreemdelingen, die het daar uitstekend hebben, want
de ruime kamers zijn frisch en zindelijk, echt Hollandsch, dank zij de
voortreffelijke leiding van onzen vriendelijken landsman, die aan het
hoofd staat van de geheele inrichting. Er is een groote eetzaal, een
leeskamer en bovendien een corridor in het midden van het gebouw, waar
drie lange tafels gedekt staan, elk voor 50 gasten. Daar wordt de moede
pelgrim verkwikt en versterkt, onverschillig of hij iets betaalt of
niet, louter uit liefde tot Hem, Die hier het eerst de wereld voorging
in het werk der barmhartigheid en der dienende liefde. Wij maakten er
echter geen gebruik van, maar overnachtten in onze tenten op de markt,
waar de kinderen tot laat in den avond speelden. Hoe gaarne hadden wij
ze hier hun bruilofts- en begrafenisspel, waarvan de Heer spreekt in
Zijne gelijkenis (Matth. XI: 16) zien spelen, waarmede zij volgens
SCHNELLERS bekende boek: _Kent gij het land?_ tot laat in den avond
bezig kunnen zijn. Maar het kwam ditmaal niet aan de beurt.
Zulke teleurstellingen moet men zich getroosten op een reis door het
Heilige Land, waarbij men natuurlijk niet alles ziet wat men gewenscht
had te zien of zooals men het zich voorgesteld had. Toch is datgene, wat
men ziet, voldoende om zich een voorstelling te maken van het geheel
en een blijvende herinnering te bewaren aan die plaatsen, waar de God
des heils aan een verloren wereld Zijne liefde geopenbaard heeft. Men
ontstichte evenwel zich zelven en anderen niet, zooals sommigen wel eens
doen, door een waanwijze critiek op allerlei bijzonderheden, die men u
aanwijst en op de overleveringen, die daarop betrekking hebben, maar men
bezoeke het met die wijding, welke het uit den aard der zaak bezit voor
elken geloovige en bezie het met een oog des geloofs, dat niet bekrompen
hecht aan uiterlijke dingen.
Dan blijft er nog genoeg over en tot stichting èn tot leering beide.