Voordat wij het dorpje Samach verlaten, werpen wij eerst nog een blik in
de armoedige woningen, waaruit het bestaat. Zij zijn meerendeels van
leem, zonder venster en met platte daken, die uit hout en riet zijn
samengesteld en met leem overdekt. De deur bestaat in eene opening
in het midden van een der muren en verleent toegang tot het eenige
woonvertrek, waarvan het voorste gedeelte dient voor het vee en de
andere helft voor het huisgezin. De matten, die overdag zijn opgerold,
worden des avonds als bed gespreid.
Inmiddels zijn onze booten reeds aangekomen, die van Tiberias ontboden
waren om ons van den zuidelijken naar den noordelijken oever over te
brengen. Het is nog vroeg in den morgen; maar wij moeten ons haasten,
want alles voorspelt wederom een warmen dag. Geen wolkje aan den hemel,
geen zuchtje in de lucht, geen rimpeltje op het water. De heete stralen
der brandende zon verdubbelen haar warmte door de weêrkaatsing in het
spiegelgladde vlak der zee. 's Middags om 4 uur wijst de thermometer in
de schaduw eener koele, steenen veranda nog 94 graden. Zelfs het water
der zee was zoo lauw, dat ons noch een bad noch een dronk verfrisschen
kon.
Waarlijk op zulk een dag heeft men te doen met de roeiers. Hoe gaarne
zou men hun een koeltje gunnen om het zeil te kunnen opzetten; maar
eerst tegen den avond stak de wind op, die hun het werk kwam verlichten.
De scheepjes, ongeveer half zoo groot als onze kotters, hebben een mast
voor een fok, die aan stuurboord wordt bevestigd. In elke boot waren
zeven man, die elkander geregeld afwisselden. De rustenden vlijden
zich dan een poosje neder in het vooronder van het schip. Het lied, dat
aanvankelijk den roeislag begeleidt, houdt gelukkig niet lang aan, want
het bestaat uit eentonige, klanklooze geluiden, zonder eenige melodie.
Langs den westelijken oever van het meer varen wij steeds met den
grooten Hermon in het verschiet, in 6 uren tijds van Samach naar Tell
Hum, het voormalige Capernaüm. Dezen afstand, iets minder dan de lengte
der geheele zee, die 20.5 bij 9 kilometer is, legden wij in 6 uur tijds
af.
Eerst kwamen wij voorbij de plaats, waar de Jordaan uit de zee stroomt.
Zij vormt hier een schiereiland, waarop men nog de overblijfsels kan
zien eener oude vesting. Verderop volgen dan de badhuizen der warme
bronnen van Hamman Tabarïja, wier water in vroeger eeuwen door buizen
naar Tiberias werd geleid. Het bezat reeds in de dagen van FLAVIUS
JOSEPHUS zekere vermaardheid als heilzaam middel tegen huidziekten
en rheumatiek. Het heeft 62 graden Celsius warmte en is zeer zout en
zwavelhoudend. De tegenwoordige badinrichting werd in 1833 gebouwd;
zij zag er echter niet uitlokkend uit, zooals ons den volgenden morgen
bleek, toen wij haar van naderbij bezagen.
Tiberias, dat nu volgt, ligt schilderachtig. Het kleine stadje, dat
nauwelijks 4000 inwoners telt, verheft zich van de zee tegen de glooiing
van de bergen. Aan onze zijde is het geheel open en naar de landzijde
ingesloten door een hoogen muur, die aan weêrszijde der stad eindigt
in twee in de zee vooruitspringende torens. Enkele bootjes liggen in
de haven. De tegenwoordige stad is aanmerkelijk kleiner dan het oude
Tiberias van HERODES ANTIPAS, waarvan men door opgraving der oude
muren den omvang heeft bepaald. Het is thans een armoedig plaatsje,
berucht vanwege zijn onreinheid, zoo zelfs dat het in den volksmond de
„residentie van den koning der vlooien” heet. Of er voor deze bewering
grond is, heeft ons de ondervinding niet geleerd, daar onze dragoman,
wellicht uit voorzorg, de tenten, waarin wij overnachtten, buiten de
„residentie” had opgeslagen.
Wij zetten onzen roeitocht voort tot aan den noordelijken oever. Daar
er geen bewoonde plaatsen meer te zien waren, nam ik mijn Bijbel ter
hand en las aan ons gezelschap de bekende geschiedenissen voor van de
wonderbare vischvangst, den storm op zee, de spijziging der 5000 e. a.,
die aan dit gedeelte van het meer hadden plaats gegrepen. De landstreek
toch, tegenover welke wij ons nu bevinden, is het gebied van Gennesar of
Gennesareth, waar de Heiland het meest vertoefde; tegen den middag zijn
wij te Capernaüm, waar wij aan wal stappen en betreden den gewijden
bodem, waar Hij woonde in „Zijne stad”. (Matth. IX: 1).
[Illustratie: TIBERIAS.]
Deze plaats is een der weinige, omtrent wier ligging geen verschil
van meening bestaat. Ook de tegenwoordige naam Tell Hum bevestigt het
vermoeden, dat hier Capernaüm lag. Capernaüm of Kafr Nahum beteekent
toch dorp van Nahum; sedert de plaats echter als zoodanig verdween,
noemde men haar Tell d. w. z. heuvel, hoop (ruïnes) van Hum, eene
verkorting van Nahum.
Wij landden aan een Franciscaner klooster, dat door twee monniken
bewoond wordt en treden door een hof een ruim vertrek binnen, waar men
kan uitrusten en zich verkwikken aan het water, dat men om niet krijgt
en aan den proviand, dien men zelf heeft meêgebracht. Van de bouwvallen
der stad, zeide men ons, was weinig meer te zien. Eenige brokstukken van
zuilen zouden volgens sommigen nog het overblijfsel zijn van eene oude
Christelijke kerk, volgens anderen van eene Joodsche synagoge, misschien
die welke de hoofdman liet bouwen, wiens dienstknecht krank lag en door
JEZUS werd genezen. (Luc. VII: 5).
Daar evenwel buiten in de zon een warmte heerschte als van een oven,
een hitte ongekend voor dien tijd van het jaar (19 Oct.), wachtten wij
totdat de middaggloed een weinig was getemperd om terug te varen langs
de kust naar de overblijfselen van Bethsaïda, die men ongeveer een half
uur ten Westen van Capernaüm aanwijst. Anderen zoeken de plaats, waar
Bethsaïda lag, ten Oosten aan gindsche zijde van den Jordaan en eveneens
die, waar de spijziging der 5000 zou plaats gehad hebben. Wij kunnen op
dit verschil van meening hier niet ingaan en bepalen ons bij hetgeen
wij gezien hebben. Hiertoe behooren de overblijfselen van muren, die
inderdaad doen denken aan een oude stad; onmiddellijk daarnaast, nog
meer ten Westen, ontplooit zich eene breede grasvlakte, die Ettabgera
heet, eene Arabische verbastering van het Grieksche woord Heptapygai,
dat 7 bronnen beteekent. Deze bronnen, die nog een watermolen drijven,
bevochtigen de landstreek, de eenige aan het meer waar altijd gras
groeit en die men daarom houdt voor de plaats der spijziging der 5000 en
waarvan in Joh. VI: 10 gezegd wordt: „Er was veel gras in die plaats.”
Iets verder langs den oever valt ons een nieuwerwetsche woning op, eene
stichting van de Duitsche R. K. Vereeniging voor Palestina, waarin
Pater Biever woont, een man van indrukwekkende gestalte, die ons zeer
vriendelijk en gastvrij onthaalt. Hij heeft zich hier gevestigd om
de bevolking den land- en tuinbouw te leeren en wijst ons prachtige
producten van den bodem, die hij, zoodra de zaaitijd daar is, onder de
bewoners des lands verdeelt. Hij is dezelfde, die ons van zijne reizen
onder de Bedouïnen vertelde, en die ons allerlei bijzonderheden
verhaalde van het visschersleven aan het meer.
Zoo vernamen wij, dat gedurende den vischtijd de bocht, waarin wij nu
zijn, een pachtsom opbrengt van ƒ2000, evenzooveel als het geheele
overige gedeelte van het meer, omdat het hier zoo bij uitstek vischrijk
is. De gansche oever is dan overdekt met tenten. Vaak gebeurt het, dat
men dan dagen achtereen vischt zonder iets te vangen, totdat men op
eens een geheel net vol heeft, inderdaad eene merkwaardige bevestiging
niet alleen, maar ook een duidelijke verklaring van de wondervolle
vischvangst in Joh. XXI ons beschreven. Het wondervolle toch in deze
gebeurtenis is, dat zij geschiedt in de schemering van den morgen,
terwijl de vischtijd voorbij is en dat, juist op het woord van den Heer:
„Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden,” de
vangst zoo groot is, dat de discipelen „het net niet meer konden trekken
vanwege de menigte der visschen.” Maar om dit als een wonder te kunnen
waardeeren, daarvoor is het oog noodig van JOHANNES, den discipel welken
JEZUS liefhad, een oog dat dieper ziet, dan dat der overigen en in het
gebeurde de hand des Heeren opmerkt, zooals blijkt uit zijn woord tot
PETRUS: „Het is de Heer.”
Na eenige verpoozing hernemen wij onze plaatsen in de scheepjes ten
einde langs den westelijken oever van het meer naar Tiberias terug
te keeren. Met dit landschap voor oogen, is er niet veel verbeelding
toe noodig om zich voor te stellen, hoe het er uitzag in de dagen
des Heeren. Eerst Capernaüm, dan Bethsaïda; onmiddellijk daarachter,
maar iets hooger tegen het gebergte, Chorazin; langs de zee de oude
karavanenweg, die van Damascus langs het voormalige Magdala naar
Tiberias leidt. Nog heden vertoonen zich in die vlakte van Gennesar
terrassen van wijnbergen en akkervelden, die besproeit worden door
bronnen frisch water, dat daaruit opborrelt. Hoog daarboven ligt de
stad Safed, evenals zoovele steden in Palestina, boven op een berg.
Inderdaad het is niet moeielijk, zeg ik, om met dit tafereel voor oogen
zich den Heer voor te stellen van een scheepken de schare leerende
in gelijkenissen. Hier een vischnet, dat wordt opgetrokken; daar de
voorbijtrekkende koopman in schoone paarlen; elders een zaaier, die
uitging om te zaaien; ginds een weide met een herder en zijne schapen;
daarboven een stad op een berg, beschenen door het licht der ondergaande
zon. Was het ons niet, alsof alles wat de Heer weleer in beeld en
gelijkenis sprak voor onze verbeelding begon te leven!
Het sterkst werden wij dit gewaar, toen wij met ons scheepken ongeveer
ter hoogte van Magdala waren. De zon was reeds ondergegaan en de
schemering ingevallen. Op eens leggen de roeiers hun roeispanen uit
de hand en zetten het zeil op. Niemand van ons bespeurde nog iets van
wind. Toch was het aan het zeil te zien, dat het spande. Het duurde niet
lang, of de wind verhief zich. Witte kammen vertoonden zich op de golven
en ons scheepken werd door een stevige bries voortgestuwd naar de haven
van Tiberias. De verbeelding was werkelijkheid geworden, gelukkig maar
van korten duur, doch voldoende om zich voor te stellen, hoe het den
discipelen weleer te moede was bij den storm op zee.
Doch genoeg over dezen schoonen dag, dien wij doorbrachten op de zee
van Gennesareth. Alles wat men hier ziet, ook hetgeen men niet meer
ziet, bevestigt de waarheid van het Evangelie. Of zijn dat Chorazin
en Bethsaïda, waarvan men nauwelijks de standplaats kent, geen stille
getuigen van het „Wee u!” dat de Heer er eenmaal over uitsprak? En dat
Capernaüm dat tot den hemel toe verhoogd was, is het niet tot de hel toe
nedergestooten geworden?
Inderdaad, wanneer men in enkele woorden den indruk van zulk een dag zou
willen samenvatten, dan kunnen wij dien niet beter weêrgeven, dan met
eenvoudig te zeggen: hetgeen de Bijbel ons leert is _waar_.