De reis van Damascus naar Palestina nam voorheen verscheidene dagen
in beslag. Thans, sedert er een spoorweg ligt van Damascus naar
El-Moezerib, een dorp ten westen van de zee van Tiberias, doet men haar
in vier uren.
De eindelooze vlakten, die de trein doorloopt, zijn geen woestijnen in
den eigenlijken zin van het woord. Deze ziet men in Egypte. Zij bestaan
uit louter zand, waarop niets kan groeien, omdat het voortdurend
verstuift door den wind. Zulke woestijnen zijn deze niet, want zij
worden bewoond door Bedouïnen en bebouwd door de Hauran-boeren.
Het verblijf der Bedouïnen, die er bij menigte wonen, herkent men aan
hun zwarte tenten, vervaardigd uit een stof, die den regen niet doorlaat
en die de vrouwen uit geitenhaar weven. Zij zijn vierkant van vorm,
meestal door een tusschengordijn in twee afdeelingen gescheiden, de eene
voor de mannen, de andere voor de vrouwen en staan aan de voorzijde
bijna altijd open, zoodat men zonder onbescheiden te wezen het sobere
leven dezer menschen kan gadeslaan. Zij leven daar geheel afgezonderd
van de wereld te midden van hunne talrijke kudden kameelen, schapen
en geiten, die hun een bestaan opleveren en die men bij honderden zag
vluchten voor het „zwarte paard”, zoo als men den locomotief noemt, die
ze al fluitende, zuchtende en blazende voor zich uitjoeg van de baan,
die hier nergens is afgesloten.
Hoe deze arme dieren hier kunnen leven, waar het oog, zoover het reikt,
geen groen sprietje ontdekt, was mij een raadsel. Later hoorden wij
van een pastoor nabij Capernaüm, dat deze Bedouïnen toen hun beesten
gebrek aan voedsel hadden, van de Turksche Regeering vergunning hadden
verkregen om het vee gedurende eenige weken rondom de zee van Galilea
te laten grazen. Deze vertelde ons een en ander van zijne reizen door
het gebied dezer Bedouïnen, waarvan de eene Schêch hem telkens aan den
anderen aanbeval, zoodat hij zonder eenig gevaar tot aan Bagdad was
gekomen en waarbij hij van hen de grootste voorkomendheid en
gastvrijheid had genoten.
Voorts wonen hier in kleine dorpjes, waarbij de trein meestal stopte,
Hauran-boeren, die van den landbouw leven. Hun dorpjes zijn gemeenlijk
door een hoogen muur ingesloten. Bij sommigen ziet men nog brokstukken
van ruïnes, oude torens of vestingwerken, onder welke er zijn, die
dagteekenen uit den tijd der Romeinen. Hoe gaarne hadden wij zulk een
dorpje eenigszins van naderbij bezien, maar de trein spoedde voort,
totdat wij aan het laatste station El-Moezerib aankwamen.
Dit El-Moezerib ligt aan een klein meer, in welks midden zich een
eilandje bevindt, dat met een dam verbonden is aan den oever. Op dat
eilandje ziet men nog de ruïnes eener oude vesting, die het bewijs
leveren, dat hier voorheen een belangrijke plaats heeft gelegen. Thans
is het een nietig plaatsje en wij vroegen elkander af hoe men toch
op het denkbeeld is gekomen hier een spoorlijn aan te leggen, waarop
aanvankelijk eenmaal per dag en later een- of tweemaal per week een
trein liep. Een bevredigend antwoord op die vraag kon ons echter niemand
geven. De een beweerde dat de lijn eerlang zou worden doorgetrokken naar
Haïfa, volgens een ander langs de Doode Zee naar Jerusalem. Later hoorde
ik en dit komt mij het meest aannemelijk voor, dat deze spoorweg met
een strategisch doel werd aangelegd en dienen moet om Rusland over land
te verbinden met het kanaal van Suez en Egypte, ten einde langs dezen
weg vroeg of laat de macht van het gehate Engeland te fnuiken.
Aan het station stond onze dragoman, de gebruikelijke benaming voor
een gids in het Oosten, met zijn paarden gereed om ons naar de plaats
te brengen, waar voor dien nacht onze tenten waren opgeslagen. Nadat
zich het gezelschap een weinig had verkwikt, werden de paarden bestegen
en trok de karavaan op, die, met het vervoer der 8 tenten er onder
begrepen, bestond uit 36 paarden en muildieren, 7 ezels en 30 man. Dien
ganschen dag reden wij nog door het Hauran-gebied, waarin de beruchte
Drusen wonen, wier naam de droevige herinnering verlevendigt aan den
Christenmoord in het Libanon-gebied in 1860, toen zij ongeveer 14000
Christenen ombrachten, waarvan er 6000 woonden in Damascus. Dit
geschiedde dus onder de oogen van het Turksch gouvernement en van
het Turksch garnizoen, dat echter niets deed om het te verhinderen,
wel een bewijs dat de Regeering zelve er de hand in had. Gelukkig zijn
dergelijke gruwelen sedert dien in dit gebied niet meer voorgekomen;
anders zou een tocht daardoorheen niet gerekend kunnen worden te
behooren tot de genoegens van een reis door Palestina en ook een
verblijf in tenten veel van zijne bekoorlijkheid verliezen.
Want er is inderdaad iets bekoorlijks in dat ouderwetsche reizen en in
een leven, zooals de aartsvaders dat gewoon waren. Wel is waar mengt
er zich nu en dan ook wel eens een wanklank in dat genot en wat proza
in die poëzie, maar het zou ondankbaar wezen, wanneer ik vergat, hoe
ons ten slotte alles meeliep. Werden wij niet begunstigd door het
prachtigste zomerweder, zoo zelfs dat wij de hitte wel eens wat minder
gewenscht hadden? Maar wat zou er van ons zijn geworden, wanneer ons
b.v. een Oostersche regen ware overvallen, die soms dagen kan aanhouden
en waartegen geen tent beschutting verleent en waardoor de rivieren
somwijlen in enkele uren tijds zoo zwellen, dat men ze niet zonder
gevaar meer kan doorwaden? Zulke tegenspoeden werden ons gelukkig
bespaard.
Natuurlijk moet men op zulk een tentenreis niet al te kieskeurig zijn
en het voor lief nemen, wanneer de Arabier, die u bedient, de kip,
die hij voorzet, voor uw oogen snijdt met zijn handen; wanneer hij
de waterkruik, waaruit hij inschenkt, eerst aan zijn mond zet om te
proeven of het water nog wel frisch is. Zoo zwijg ik ook van kleine
teleurstellingen, die men ondervindt zooals het geval was met enkelen
onzer medereizigers, wier koffers doornat werden, doordien het muildier,
dat ze droeg, bij het doorwaden van den Jordaan omviel door de sterkte
van den stroom en de zwaarte van den last, dien men het te dragen had
gegeven. Bij zulke ervaringen troost men zich met de gedachte, dat het
nog veel erger had kunnen zijn, b.v. wanneer den reiziger zelf zoo iets
ware overkomen.
Wanneer men echter zulke kleinigheden niet meetelt, is er in een reis in
tenten iets poëtisch. Het is als met een zeereis, waarbij men aan boord
stapt in de meest opgewekte stemming en aanvankelijk met alles evenzeer
is ingenomen, totdat het meer prozaïsche komt.
In zulk eene blijmoedige stemming verkeerden dan ook allen, toen wij aan
den avond van den eersten dag te Bet Aras aankwamen. Welk een juichtoon
ging er op, toen wij van verre onze tenten zagen! Welk een genot, daar
aanstonds te worden onthaald op een warmen kop thee!
Hoe zorgvuldig had onze dragoman aan alles gedacht; hoe netjes werden
wij bediend; welk een keur van spijzen op den avonddisch en dat alles
nog wel in een woestenij! En dan rondom ons heen al die grappige
gezichten van de dorpelingen, ouden en jongen, die ons aangaapten alsof
wij STANLEY zelf waren!
Daar is in dat alles iets poëtisch en in dankbare stemming legden
wij ons ter _ruste_ neder. Den volgenden dag bleek het, dat het naar
waarheid _rusten_ was geweest, want niemand van ons had kunnen slapen.
Velen waren in hun slaap gestoord door het gehinnik der paarden, die
rondom de tenten stonden, door het geblaf der honden, die elkaar een
afgekloven beentje betwistten en door het aanhoudend gebabbel van onze
trouwe wachters, die al pratende hun tijd opkortten. Maar, dat zou wel
wennen en het wende ook, zoodat men de volgende dagen hoorde, dat men
beter en eindelijk zelfs goed had geslapen.
Maar wat niet wende was het paardrijden, vooral voor hen, die het niet
geleerd hadden of daaraan niet gewoon waren bij zulk eene brandende
hitte. Want al rustte men gedurende de warmste uren van den dag onder
een citroen- of vijgeboom, die tochten van 7 à 8 uren te paard waren den
meesten toch te machtig.
Gelukkig hadden wij op onze reis rekening gehouden met den rustdag
en toen het eindelijk Zaterdag was, juichte elkeen in het blijde
vooruitzicht den volgenden dag een rustdag te mogen hebben. Ik geloof
niet, dat een onzer reizigers ooit zoo de beteekenis en de waarde van
dien dag gevoelde als hier op deze reis.
Wat was dàt een genot voor ons en onze paarden om eens een ganschen dag
te mogen uitrusten. Waarlijk, Vader CATS, of wie het ook was, had wel
gelijk, toen hij wees op den zegen van den rustdag in zijn vierregelig
versje, dat mij vaak te binnen schoot op deze tochten:
„Wat haver geven aan zijn beest
„En God te bidden in den geest
„Is iets, wat wel wat tijd vereischt,
„Maar wat niet hindert, als men reist.”
Na deze uitweiding over de voor- en nadeelen van het tenteleven, keeren
wij tot onze reis terug. Wij zijn middelerwijl tot de grenzen van
Galilea genaderd en bevinden ons te Ummkês of Mukês, thans een armoedig
dorpje, voorheen de stad Gadara, de hoofdstad van Peraea, een der tien
steden van het Dekapolisgebied. De ligging en de omgeving zijn prachtig.
Het meest treft ons het verrassende uitzicht op de zee van Galilea,
die rechts van ons ligt in de diepte, 150 meter beneden ons en wier
groen water scherp afsteekt bij de rondom gelegen bergen. Links van ons
ontplooit zich voor onzen blik de vlakte van den Jordaan, die wij van
hier uit, zoover het oog reikt, in hare volle lengte kunnen overzien.
Recht voor ons uit verheffen zich de berg Thabor en de kleine Hermon.
De straten van het oude Gadara zijn nog duidelijk te herkennen aan de
wagensporen in het plaveisel der wegen, langs welke aan beide zijden een
menigte zuilen van bazaltsteen van vroegere gebouwen verspreid liggen.
Men heeft er dan ook de ruïnen opgegraven van twee theaters en van een
ouden tempel, die later schijnt opgebouwd te zijn tot eene Christelijke
kerk en tal van graftombes. In het dorp zag men nog verscheidene met
fijn beeldhouwwerk versierde sarcophagen of doodkisten, die weleer
hadden gediend om het stoffelijk overschot te bewaren van de grooten der
aarde, die daar woonden en die de bewoners thans bezigden als trog voor
veevoeder en dergelijke dingen. Sic transiit gloria mundi!
Onderwijl wij daar wat uitrustten onder de schaduw van een ouden
olijfboom, eenling in de gansche omgeving, verzamelde zich rondom
ons heen eene menigte fellahs of dorpsbewoners. Wanneer ik de
photographieën, die ik van hen nam, er nog eens op nazie, dan waren het
echte wilden met angstwekkende tronies. Gelukkig waren ze niet kwaad en
konden wij ze overgelukkig maken met een sigaar, een voorwerp dat zij
blijkbaar niet kenden, althans niet wisten aan te steken. Toen hun dit
echter getoond was, deed zij de rondte van mond tot mond zelfs bij de
vrouwen, die wij onderkenden aan hare getatouëerde aangezichten.
Eenige oogenblikken later zag ik een man uit hun midden, die onder den
boom, waar wij zaten, zich afzonderde tot het gebed. Met het aangezicht
naar het Oosten gekeerd, nijgde hij zijn hoofd eerst driemalen ter
aarde, knielde toen neder, richtte zich daarna weder op, herhaalde die
buigende beweging telkens weêr en aanbad.... maar wat? Doch hoe het zij,
hij toonde, door zich aan niets te storen en voor niemand te schamen,
dat hij op zijne wijze den moed had zijnen God te belijden voor de
menschen en fluisterde ons Christenen, schoon zwijgend, een ernstige
waarheid in het oor, die men op reis zoo licht vergeet.
Toen wij van hier afdaalden naar de Jordaanvlakte, genoten wij nog
langen tijd van het overschoone uitzicht op de zee van Galilea. Wij
doorwaadden de rivier de Jarmuk, die in den Jordaan vloeit en voorzagen
ons van een bloem van den oleander, die hier overal in het wild groeit.
Tegen den avond kwamen wij bij het dorpje Samach, waar onze tenten waren
opgeslagen aan den oever van de zee van Galilea.
Het was een verrukkelijk schoone avond, dien wij daar doorbrachten.
De maan scheen juist in haar eerste kwartier met de geopende zijde
van haar blinkende sikkel naar Venus gekeerd, die er vlak naast stond
in schitterende pracht. Het was een sterrenbeeld zooals men slechts
zelden hier in het Westen aanschouwt. Terstond herkende ik daarin het
zinnebeeld, dat de Turk koos om zijn vlag te sieren. Jammer, dat het
maar een enkelen avond te zien was; want doordat de maan den volgenden
avond later op- en onderging, stond Venus op een veel grooteren afstand.
Toch bleef het mij een onvergetelijk schouwspel en, wanneer ik er aan
dacht, kwam mij telkens dat gedeelte van den Koran voor den geest,
waarin beschreven wordt op welke wijze ABRAHAM gekomen is tot het
bewustzijn, dat er maar een éénig God is. Toen zijn vader, zoo luidt
dat verhaal, die een heiden was, nog leefde, liet Koning NIMROD alle
pasgeboren kinderen ombrengen (blijkbaar eene verwarring met den
kindermoord te Bethlehem). ABRAHAM, die gespaard bleef, werd tot zijn
15de jaar opgevoed in een spelonk. Toen hij daaruit kwam en des avonds
aan den hemel een schoone ster zag staan, riep hij uit: „Dat is mijn
God”! Maar toen zij weder onderging, sprak hij: „ik bemin niet hetgeen
ondergaat.” Toen hij vervolgens de maan zag opkomen, zeide hij wederom:
„Dat is mijn God.” Doch toen ook zij onderging, zeide hij: „waarlijk,
mijn God heeft mij niet geleid om tot de dwalende menschen te behooren.”
En toen hij eindelijk de zon zag opgaan, zeide hij wederom: „Dat is
mijn God, deze is grooter.” Maar toen ook zij weêr onderging sprak hij:
„menschen, ik wil niets te doen hebben met datgene, wat gij afgodisch
aanbidt; ik richt mijn aangezicht onafgewend naar Hem, die den hemel en
de aarde uit niet heeft voortgebracht en behoor niet tot degenen, die
Hem deelgenoot maken van iets, waarmede Hij Zijne eer zou moeten
deelen.”
En toch koos de Mohammedaan, die een ABRAHAM zoo hoog vereert, tot
zinnebeeld zijner toekomst iets dat ondergaat!
Was dat een toeval, het noodlot of een profetie?