Whitechapel uit de goot was opgeraapt als klein proletariërskind, dat
daarna actrice was geworden en nadat zij een massa mannen had
geruïneerd, met een ouden, schatrijken patriciër was getrouwd. Hij had
van zijn huwelijk niet lang genoten, de dood had hem overvallen.
Mrs. Morton was daarna voorzichtig geworden. Veel te verstandig om haar
plaats in voorname kringen op het spel te zetten, deed zij alles om den
uiterlijken schijn te bewaren, bezocht trouw de kerk en gaf als de
wereld het te weten kwam, groote aalmoezen.
Zoodra het overige gezelschap Rastinghouse had verlaten, zond zij haar
kamenier naar Miss Florence met het verzoek of de jonge dame, als zij
tijd en lust had, een kwartiertje in de kamer van Mrs. Morton zou
willen komen.
Dit kon Mabel Morton, die de oudste der twee en een getrouwde vrouw
was, zich wel veroorlooven en Florence nam argeloos de uitnoodiging
aan.
Hartelijk begroet door de kleine brunette, nam zij naast deze op de
sofa plaats en spoedig zaten beiden gezellig te babbelen over modes,
theater en dergelijke onderwerpen.
Mrs. Morton wist het gesprek zeer handig te brengen op het onderwerp,
dat haar belang inboezemde en het deed Florence niet onaangenaam aan
dat plotseling de markies di Sao Balbo ter sprake kwam.
Mabel Morton vond hem zeer interessant en voornaam en het jonge meisje
was het volkomen met haar eens. Maar haar gezichtje kreeg een
gespannen, bijna angstige uitdrukking, toen de jonge vrouw opeens
sprak:
„Het is jammer, dat men niet weet, wat men aan hem heeft....! Ik geloof
niet, dat hij is voor wien hij zich uitgeeft!”
Een zachte blos kleurde Florences wangen, toen zij antwoordde, dat zij
dat niet kon gelooven. Nog nimmer had zij iemand ontmoet, die zulk een
gunstigen indruk op haar had gemaakt.
Met een ongeloovigen glimlach antwoordde Mrs. Morton na een kleine
pauze:
„Ik wou, dat ik er evenzoo over kon denken als gij, maar tot mijn spijt
is dat wat ik weet in lijnrechte tegenspraak met dat wat ik gaarne zou
gelooven.”
En vol leedvermaak vervolgde zij:
„Gij stelt ook veel belang in dezen man, nietwaar?”
Florence Goal knikte toestemmend, terwijl haar blauwe oogen vol tranen
stonden.
Bij deze openhartige bekentenis veranderde de valsche vriendin van
houding en als het sissen van een slang klonk het van haar lippen:
„Ik heb dus gelijk, gij bemint den markies? En als ik u vertel, dat
deze man uwe liefde niet waard is, dat hij een misdadiger is, die reeds
kennis heeft gemaakt met de politie en met de gevangenis...?”
Bij deze woorden richtte Florence zich in haar volle lengte op.
„Dat is niet waar! Dat is een gemeene leugen!”
Als een wilde kat sprong de kleine vrouw naar haar toe.
„Neem die woorden terug! Ik beveel u om die woorden terug te nemen, als
gij niet wilt, dat ik u in het volle gezelschap zal bewijzen, dat ik de
waarheid heb gesproken?”
Florence beefde. Haar verstand zei haar, dat zij op dit oogenblik beter
deed te zwijgen. In haar snel werkend brein doemden alle bijzonderheden
op, die haar onverklaarbaar waren gebleven in het doen en laten van den
markies. Vanaf de voorspelling van den diefstal door middel van den
dwerg tot het plotselinge opduiken van haar vaders testament, dat
blijkbaar ten gevolge van de inbraak in het huis van haar oom in handen
van den markies was gekomen, aan dit alles dacht zij nu.
En al verminderde hierdoor haar liefde en haar vertrouwen in den man,
dien zij aanbad, ook niet, toch voelde zij met vrouwelijk instinct, dat
zij tegenover Mrs. Morton zoo voorzichtig mogelijk moest zijn... Deze
vrouw beminde den markies ook, daaraan twijfelde Florence niet meer!
Het blonde meisje overdreef haar droefheid met opzet en liet haar
tranen den vrijen loop. Snikkend sprak zij:
„En hoe weet gij dat alles? Hoe komt gij aan deze vreeselijke
beschuldigingen, Mrs. Morton?”
Mabel Morton liep in de val. Zij dacht reeds gezegevierd te hebben over
dit jonge, onervaren meisje. Zij vertelde, hoe zij de reddende engel
was, die den door eigen schuld in het verderf gestorten man vol
barmhartigheid de hand had gereikt.
„En dit is mijn dank!” sprak zij eindelijk vol pathos.
„Dit is mijn dank er voor, dat ik hem weer heb opgericht tot hij in
betere omgeving is gekomen! Nu wendt hij zich tot u, deze valschaard!
En hij vertelt u dezelfde leugenachtige verhalen, waarmee hij eenmaal
mij betooverde....!”
Florence Goal, die er geen oogenblik aan dacht, den geliefde te
wantrouwen, speelde haar rol uitstekend. Een zeker voorgevoel zei haar,
dat den markies van deze vrouw onheil dreigde en dat zij slechts door
list en groote slimheid het onheil van het geliefde hoofd zou kunnen
afwenden.
„Wat zal ik doen?” snikte zij. „Geef mij raad, help mij, lieve Mrs.
Morton!”
Deze deed alsof zij nadacht.
Eindelijk sprak zij, terwijl zij het weenende meisje met strenge
blikken aankeek:
„Het eenige, wat u overblijft, is dezen man op te geven en aan mij over
te laten....! Ik heb hem indertijd gered uit het slijk, waarin hij
reeds dreigde te stikken, en ik geloof, dat ik er de kracht toe heb, om
hem nog eenmaal op den goeden weg te brengen! Mijn liefde is rein en
onzelfzuchtig en ik wil hem tot een beter, gelukkiger mensch maken!”
Het schoone meisje boog deemoedig haar goudblond hoofd en, terwijl zij
zich over zichzelf verbaasde, nam zij de handen van de jonge vrouw en
drukte ze, als met een zwijgende belofte, aan haar borst.
Daarop scheidden zij, beiden met het vaste voornemen zoo spoedig
mogelijk den man te bezoeken, wien haar liefde gold.
TIENDE HOOFDSTUK.
DE VALSCHE SPELERS.
In de voornaamste wijk van Londen, in de buurt van Pall Mall, woonde de
markies di Sao Balbo. Rondom de kleine villa, die midden in een
prachtigen tuin lag, heerschte bijna altijd zulk een rust en stilte,
dat de meeste der voorbijgangers dachten, dat het huis onbewoond was.
Van binnen was het kleine gebouw met groote weelde ingericht.
Twee negers zorgden voor de bediening. Hij had deze beide zwartjes,
naar hij vertelde, meegebracht uit zijn geboorteland.
Op de eerste verdieping bevond zich de studeerkamer van den markies.
Ook hier heerschte een Sybaritische weelde. Aan de muren zag men overal
wapens en zeldzame jachttropheeën.
Bij het genot van een goed glas cognac en een fijne havanna zat de
Zuid-Amerikaan te praten met zijn vriend Rudge Fitzgerald.
„Je bent vandaag zoo somber, mijn lieve Charly,” sprak Lord Lister,
want dit was de ware naam van den markies, „het komt mij bijna voor,
alsof je geen vertrouwen meer stelt in je besten vriend.”
Zwijgend schudde de ander het hoofd.
„Heb je bij het spel verloren?” vroeg di Sao Balbo, alias Lord Lister
na een kleine pauze.
Charly knikte.
„Veel?” vroeg zijn vriend.
„Zeer veel!” antwoordde Charly op doffen toon.
„Ik mag toch zeker wel weten, hoe groot het bedrag is?”
Maar de jongste der twee had blijkbaar den moed niet om het bedrag te
noemen.
„Ik zal maar bij duizend pond beginnen?”
Rudge haalde zwijgend de schouders op.
„Mooi—meer dus!”
En de Braziliaan keek zijn jongen vriend een poosje peinzend aan,
waarop hij sprak:
„Ik begrijp er niets van, beste jongen. Wij kennen elkaar nu reeds vrij
lang en je moest toch weten, dat ik in elk geval bereid ben je te
helpen... Ik verzoek je dus nogmaals om mij te vertellen, hoeveel je
verloren hebt!”
Charly aarzelde nog eenige oogenblikken, waarna hij op klankloozen toon
sprak:
„Over de tienduizend pond.”
„Hm,—hm,” bromde de Lord, „dat is ongeveer een kwart milioen francs....
ik reken nog altijd met Fransche munt sinds mijn laatste verblijf in
Parijs, waaraan ik steeds gaarne terug denk...
„Ja, dat is een hoop geld, maar daar het eereschulden zijn, moet je ze
dadelijk betalen!”
„Ik bezit echter niets meer!” klonk het op wanhopigen toon van de
lippen van den jongen man.
„Nu,” sprak Lord Lister onverschillig, „gelukkig dan maar, dat ik op
het oogenblik beter bij kas ben!”
Bij die woorden nam hij een zware portefeuille uit zijn borstzak en
telde twaalf biljetten van duizend pond voor zijn vriend uit op het
kleine Perzische rooktafeltje, dat met goud en paarlemoer was ingelegd.
Hij wilde zijn portefeuille reeds weer wegbergen toen hij zich bedacht
en met de woorden:
„Maar dan heb je nog een beetje bedrijfskapitaal ook noodig!” nog drie
biljetten van vijftig pond voor den jongen Fitzgerald neerlegde.
Deze hield zijn aristocratisch blond gelaat afgewend, terwijl zijn
breede borst zwoegde van aandoening.
Plotseling sloeg hij zijn beide armen om den hals van zijn vriend en
bedankte hem met van ontroering trillende stem.
De markies, wiens door de zon gebruind gelaat van voldoening straalde,
klopte zijn jongen vriend zachtjes op den rug en sprak op ernstiger
toon:
„Nu wij dus een eind hebben gemaakt aan deze onbeduidende geschiedenis,
zou ik—je geen verwijt: willen maken, wel neen.... Je weet wel, dat ik
niet van zedepreeken houd en ik begrijp dat elke hartstochtelijke
speler op een gegeven oogenblik pech kan hebben. Wij hangen allen af
van het toeval....!
„Maar toch, ik beken het je eerlijk, komt mij dit geval verdacht voor!
„Je hebt natuurlijk gespeeld in de „Four-in-hand-club” en daar
verloren, nietwaar?”
De jongste bevestigde het vermoeden van zijn vriend.
„Welnu,” sprak de markies, „ik heb deze club ook leeren kennen en als
je mijn raad had gevolgd, had je daar je geluk niet meer beproefd.
Ikzelf speel daar nooit meer.”
Verschrikt en verbaasd keek Fitzgerald zijn vriend aan, terwijl hij
vroeg:
„Maar het zijn toch alleen heeren uit de eerste kringen, die daar
komen? Er is geen enkele bij, dien men van een oneerlijke handeling zou
mogen verdenken!”
„Dat is bij het spel heel bijzonder,” meende de markies.
„Eerlijke menschen worden, als zij de kaarten, in de hand hebben, soms
binnen een maand de gevaarlijkste bedriegers. Maar buitendien zal ik je
dadelijk den naam noemen van een der heeren leden, die tot de grootste
schurken behoort: kolonel Goal.”
„Maar ik bid je, hoe kun je zooiets beweren?”
„Ik beweer alleen dat, wat ik bewijzen kan en ik zal nooit iemand ten
onrechte verdacht maken. Maar wij zuilen er niet over twisten. Je moet
nu in elk geval naar de Club om je schulden te betalen en misschien was
je zelfs van plan, revanche te nemen. Daarvoor waarschuw ik je! Laat
dat alsjeblieft aan mij over. Ik geloof, dat ik je de voldoening zal
kunnen geven, hen, die niet tot de eerlijke spelers behooren, nog
hedenavond te ontmaskeren.
„Onderweg zal ik je nog een paar namen noemen, die, dunkt mij, geen al
te eerlijken klank hebben...”
Een half uur later traden de beide vrienden de speelzaal der
„Four-in-hand-club” binnen.
De eerste, die de vrienden in de speelzaal tegenkwam, was kolonel Goal,
die met groote hartelijkheid, alsof nooit het minste tusschen hem en
den markies ware voorgevallen, dezen en ook zijn vriend de hand
schudde. Den vorigen nacht was de kolonel als bankhouder de voornaamste
schuldeischer van Fitzgerald geworden.
Deze haastte zich nu, zijn verplichtingen jegens den overste te
voldoen. Dit geschiedde met een onverschilligheid, alsof hij den ouden
heer een lucifer aanbood en met even nonchalant gebaar liet de geslepen
vos het bankpapier in zijn portefeuille verdwijnen.
De heeren zaten in groepjes te zamen, pratend en rookend, maar het
duurde niet lang of de zucht naar het spel werd hun te sterk.
De groene tafeltjes werden door de kellners gereed gezet en de zware
lampen tot vlak boven de tafeltjes naar beneden gehaald, zoodat de
spelers zelf in halfdonker zaten en de uitdrukking van hun gezichten
zelfs voor den naastbijzittende verborgen bleef.
De markies en zijn vriend hadden tegenover den bankhouder plaats
genomen en keken eerst, zonder eraan mee te doen, naar het bacaratspel.
De medespelenden hadden geloot en de kolonel had de bank gekregen.
Het was een gelukkig toeval, dat de kolonel tegenover den markies kwam
te zitten.
Het spel begon en daar, zooals dit gewoonlijk het geval schijnt te
zijn, in het begin de inzet klein was, was de stemming aanvankelijk nog
vrij lusteloos. Nu zette echter een der heeren voor het eerst een
biljet in van twintig pond, eenige andere spelers volgden zijn
voorbeeld en zoodoende bevond zich plotseling een aanzienlijk bedrag in
den pot.
De markies had geen oog van den bankhouder af. Hij zag duidelijk, hoe
kolonel Goal een der kaarten in beide handen dicht bij den rand van de
tafel hield. De oude geroutineerde speler scheen in tweestrijd, of hij
er nog een kaart bij zou nemen, wat gevaarlijk kon zijn, daar het bij
het bacaratspel regel is, dat men zoo mogelijk negen punten, maar
vooral niet meer mag hebben.
De bankhouder scheen zich niet op zijn gemak te gevoelen onder de
doordringende blikken van den Zuid-Amerikaan. Hij legde plotseling zijn
kaarten open en had acht punten.
Dat was de zoogenaamde „kleine slag”. Daar echter verschillende spelers
negen en dus den „grooten slag” hadden, had de bankhouder verloren.
In de vroolijke opgewondenheid, die steeds onder de medespelenden
heerscht, wanneer de bankhouder een groot bedrag moet bijbetalen, had
misschien niemand hunner gelet op het vaalbleeke gelaat van den
overste.
Ook de markies deed, alsof hij het niet merkte en lachte beleefd.
Hierop begon het spel opnieuw. Nu stond de markies op, terwijl zijn
jongere vriend zijn plaats innam. Di Sao Balbo verliet de speelzaal
door de rechterdeur; blijkbaar ging hij naar het aangrenzende vertrek,
om zich aan het welvoorziene buffet te goed te doen.
Het spel werd voortgezet en Het was alsof nu het geluk den bankhouder
toelachte, want hij won nu alle grootere sommen, terwijl de kleinere
bedragen grootendeels weer aan de spelers vervielen.
De zaal had echter nog een tweede uitgang, die haar een rooksalon
voerde, waar zich tijdens het bacaratspel niemand bevond. Een zware
portière sloot den ingang naar de speelzaal af.
Niemand, zelfs niet de wantrouwende kolonel Goal bemerkte, dat, terwijl
het spel zijn voortgang nam, de portière een duimbreed van elkaar werd
geschoven.
Door die opening loerde het Argusoog van den markies en—hij deed een
hoogst merkwaardige ontdekking.
Een paar spelers hadden weer hooge sommen ingezet en een hoop fiches,
die aan de kas werden gekocht en ieder een zekere waarde
vertegenwoordigden, vulden den pot.
Ook nu keek de bankhouder eerst nadenkend in zijn kaarten, die
bestonden uit een vrouw (welke bij dit spel niet meetelt) en een zeven.
Intusschen had zijn linker buurman, die gepast had en zijn kaarten
bedekt op tafel had gelegd, zijn rechterhand eenige oogenblikken in
zijn laag uitgesneden vest verborgen.
De kolonel deed, alsof hij nog steeds nadacht en bewoog daarbij het
hoofd vooruit. Hij knikte tweemaal achter elkaar, dit zag de markies
duidelijk....
En plotseling kwam de hand van zijn buurman, natuurlijk de
medeplichtige van dezen valschen speler schijnbaar zonder eenig opzet
uit het vest te voorschijn en bewoog zich onder den rand van de tafel.
Niemand kon het zien...! Ha! Nu bevond die hand, welke een kaart
vasthield, zich onder de beide handen van den bankhouder, die op den
rand der tafel rustten en met voorbeeldelooze handigheid, zonder zich
te bewegen zelfs, de aangeboden kaart onder de tafel beetpakten.
Dadelijk hierna legde de kolonel zijn kaarten open. hij had negen en
dus het spel gewonnen.
Maar hij had geen gelegenheid, zijn winst op te strijken. Want
plotseling, alsof hij uit den grond was te voorschijn gekomen, stond de
markies di Sao Balbo tusschen den bankhouder en diens medeplichtige.
Met een enkelen ruk had hij dezen laatste het zwarte vest opengerukt,
waarop zich aan de verbaasde oogen der aanwezigen twee lange, smalle
zakken aan de binnenzijde van het vest vertoonden, die ieder een
volledig en blijkbaar in zekere volgorde gerangschikt kaartspel
bevatten.
De eigenaar van het vest wilde zich verdedigen, maar een vuistslag van
den Braziliaan wierp hem met zijn stoel op den vloer.
Kolonel Goal was kalm blijven zitten, hij hoopte, dat de aandacht niet
op hem zou vallen. Maar reeds in het volgende oogenblik begreep hij,
hoe hij zich vergiste.
De markies telde de beide kaartspellen door en sprak daarna:
„Mijne heeren, in het eene spel ontbreekt een kaart, het is, zooals gij
ziet, de twee. En deze twee”—hij sloeg met zijn hand op de drie door
den bankier blootgelegde kaarten—„deze twee ligt hier....! Het is de
„gelukskaart”, waarmee kolonel Goal u zooeven heeft uitgeplunderd.”
Het was goed, dat de markies aan zijn moed ook een groote dosis
behendigheid paarde!
De overste had een revolver uit zijn zak te voorschijn gehaald, maar de
kogel van het eerste schot, dat de markies handig had afgeweerd, kwam
boven in den muur aan de overzijde der zaal terecht.
In het volgende oogenblik was de kolonel op den grond geworpen en
ontwapend.
Hij vloekte en schimpte als een bezetene, maar geen enkel zijner
woorden maakte eenigen indruk op de aanwezige heeren. Hij noemde den
markies een dief en beweerde, dat al de groote, geheimzinnige
diefstallen, die in den laatsten tijd gepleegd en niet ontdekt waren,
op zijn rekening kwamen.
Hij had evengoed kunnen beweren, dat de koning van Engeland een
sluipmoordenaar was. Het eenige resultaat, dat hij bereikte, was, dat
men dreigde, hem te zullen vastbinden en knevelen, totdat de politie
aanwezig zou zijn.
In werkelijkheid was men echter niet van plan, de overheid in deze zaak
te mengen. De heeren waren van meening, dat het in het algemeen belang
het beste was, om de beide schurken eenvoudig te laten loopen.
Men stelde hun echter den eisch, dat zij zich nimmer weer in deze wijk
der stad zouden vertoonen.
De medeplichtige van den overste sloop naar buiten als een afgeranselde
hond, maar de oude militair zelf verliet de zaal met blikken vol haat
op den markies en met woeste bedreigingen, die de Braziliaan met een
minachtend glimlachje aanhoorde,
ELFDE HOOFDSTUK.
JALOEZIE EN WRAAK.
Nadat gedurende den nacht de mist was opgetrokken, bedekte hij nu weer
opnieuw de reuzenstad. Des middags om twaalf uur kon men, hoewel alle
lantarens brandden, zelfs op de groote pleinen geen hand voor oogen
zien. Pikzwarte duisternis omgaf Londen; de voertuigen in de breede
straten moesten blijven staan, waar zij zich toevallig bevonden en ook
voor voetgangers kon de weg nergens gevaarlijker zijn dan in de straten
dezer wereldstad.
Bij zulk weer blijft natuurlijk ieder, die eenigszins kan, veilig in
huis, en men verwacht geen bezoekers.
En daarom verbaasde het den markies di Sao Balbo des te meer, toen de
electrische bel luid en aanhoudend weerklonk.
Op een wenk van zijn meester snelde een der beide negers naar buiten en
dadelijk daarna keerde Sam terug met iemand, dien hij meer droeg dan
geleidde.
De markies, die op den drempel der kamer stond, durfde zijn oogen niet
gelooven, toen hij in het vrouwelijk wezen, dat, in doeken en shawl
gehuld, bijna bewusteloos op een stoel neerzonk, zijn vriendin Florence
Goal herkende.
Hij beval den neger, opwekkende dranken te brengen, en toen daarop de
Braziliaan het meisje had gelaafd en naar het brandende haardvuur
geleid, was zij, met inspanning van al haar krachten, weldra weer
zichzelf meester.
„Gij moet weg!” riep zij, angstig uit, „dadelijk...! Men is u op het
spoor!”
Hij glimlachte.
„Vertel mij alles,” verzocht hij met groote kalmte.
„Ach!” riep zij uit, „als er niet zoo’n zware mist hing, zouden zij
reeds lang hier zijn om u naar de gevangenis te brengen!”
Op rustigen toon, die in deze omstandigheden zeker bewonderenswaardig
was, antwoordde hij:
„Ik kom niet in de gevangenis, dat laat ik aan anderen over!
„Maar kom, wij willen naar mijn studeerkamer gaan, daar is het
gezelliger...!”
Haar waarschuwing en haar angst, niets scheen indruk op hem te maken.
„Maar hoort gij mij dan niet,” smeekte zij weer, „men is u op het
spoor, men weet alles en achtervolgt u, Mrs. Morton......”
Glimlachend viel hij haar in de rede.
„Zoo, zij heeft dus toch gebabbeld, die kleine heks....! Dus ook gij
weet nu, wie ik ben....?”
Het schoone meisje zweeg, droevig voor zich uit starend in het gouden
licht van een schemerlamp, die op de schrijftafel van den markies
stond.
„Dus zijt gij er toch achter gekomen!” sprak de markies lachend. „En nu
komt men om mij gevangen te nemen, nietwaar?”
„Ja!” Zij keek hem met haar groote oogen smeekend aan. „Vlucht, zoolang
het nog kan! Ik blijf hier en zal u bericht zenden van alles, wat er
gebeurt!”
„Gij zijt zoo goed!” fluisterde hij. „Maar nu verzoek ik u om u weer
gereed te maken om heen te gaan!”
De markies drukte op een knop, dadelijk daarna kwam Sam binnen met de
kleeren van het jonge meisje; toen zij gereed was, hulde de Braziliaan
haar zelf nog in een zachten, met bont gevoerden mantel.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
IN DEN MIST.
Eenige oogenblikken later was John Raffles alleen. Maar de neger kon
nog niet lang met de hem toevertrouwde Florence het huis verlaten
hebben, toen weer luid en aanhoudend werd gebeld.
Met een schamper lachje en een vastberaden trek op het gelaat riep de
markies nu zijn anderen neger; hij sprak een paar woorden tegen hem,
waarna de kroeskop wegging om na een korte poos met vier heeren terug
te komen.
Het was Lord Clifford, verder de detective, Mr. James Holliday, een
Londensch commissaris van politie en een agent in uniform.
„U wenscht, mijne heeren?” vroeg de markies met een beleefden groet,
terwijl hij bij zijn schrijftafel bleef staan.
„Daarnaar behoeft u niet lang te vragen,” sprak de detective, die zich
nu weer volkomen meester van het terrein gevoelde.
„Gij hebt ons nu lang genoeg voor den gek gehouden, of dacht gij dat
wij niet weten, wie de beruchte Raffles is? Hebt u soms liever, dat wij
wachten, totdat gij er nog een millioen bij hebt gestolen?”
De markies keek den detective eenige oogenblikken met een medelijdend
glimlachje aan, daarop sprak hij tot Lord Clifford:
„Wat deze heer vertelt, interesseert mij niet in het minst. Hij dankt
de groote eer, om zich in mijn kamer te mogen bevinden, enkel en alleen
aan het gezelschap, waarin hij op het oogenblik is......
„Maar gij, Mylord, u zou ik willen vragen, wat mij het genoegen en de
eer verschaft van uw bezoek en waarom gij in gezelschap van
politiebeambten bij mij komt?”
Het was den Lord blijkbaar minder aangenaam, deze vraag te moeten
beantwoorden. Hij knikte eenige malen, streek met zijn van briljanten
fonkelende hand over zijn dunnen schedel en sprak:
„Ja, inderdaad, het is zeer pijnlijk... maar men verdenkt u... gij
zoudt zelf inzien, mijn beste vriend, als gij alle bijzonderheden
wist—de verdenking, die op u valt, is zoo sterk...”
„Mag ik vragen, waarvan men mij verdenkt?” klonk het op ijskouden toon
terug.
Nu nam de commissaris van politie het woord en op korten, barschen toon
sprak hij:
„Gij wordt ervan verdacht, het bedrag, dat Lord Clifford in zijn
brandkast bewaarde, daaruit ontvreemd te hebben.”
„Wie verdenkt mij daarvan?”
„Lord Clifford zelf!”
De markies keek den edelman lang en ernstig aan en zei toen niets
anders dan:
„O, dat doet mij veel leed!”
En tot den commissaris vervolgde hij op trotschen toon:
„Ik behoef u zeker niet te vertellen, dat de gevangenneming van een
Engelschman in zijn huis alleen mogelijk is op een bijzonder,
schriftelijk uitgevaardigd bevel van den minister van justitie!”
„Maar gij zijt geen Engelschman,” glimlachte de beambte spottend.
„Dus tegenover een vreemdeling, die de gastvrijheid in uw land geniet,
moogt gij u veroorlooven, wat een Engelschman niet zou dulden?”
De commissaris riep nu op ongeduldigen toon:
„Ik wensch niet met u te redetwisten! Marsch, vooruit! Neem uw jas en
hoed en volg ons naar Scotland Yard... of moet ik geweld gebruiken?”
De markies ging een stap achteruit; op zijn gelaat lag zulk een
dreigende uitdrukking, dat de brutale detective, die de ijzeren
handboeien intusschen voor den dag had gehaald, deze zoo gauw mogelijk
weer wegborg.
„Ik zal u bewijzen,” sprak de markies, „dat ik weet, wat men de
overheid schuldig is, ook al is er een zoo groote vergissing in het
spel, als dat hier het geval is! En omdat ik wel begrijp, dat gij mij
niet zult toestaan, mij naar mijn kleedkamer te begeven, zal ik mijn
bediende bevel geven, mijn kleeren hier te brengen.”
De Braziliaan drukte op de electrische bel; dadelijk daarna verscheen
de neger, die na een kort bevel van zijn meester jas en hoed bracht en
hem bij het aantrekken hielp.
Hierop zei de markies eenige woorden in het Spaansch tegen den neger,
wat de commissaris van politie hem verbood.