Langzamerhand werd het al stiller en stiller in het huis, ook de

bedienden, die nog het een en ander moesten opruimen, schenen zich nu

ter ruste te hebben begeven.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET ZWARTE MASKER.

De lange gang, waarop de logeerkamers uitkwamen, was flauw verlicht

door een lamp met donkergroen glas. Achter de deuren der vertrekken

hoorde men nauwelijks nog eenig geluid, misschien een enkele zucht, in

een benauwden droom geslaakt.

Het geheele huis scheen in diepe rust gezonken te zijn.

Plotseling was het, alsof uit de donkere schaduwen, die den muur

bedekten, een hooge, slanke, in het zwart gekleede gestalte te

voorschijn kwam, welke snel en zonder eenig geluid te maken, zich over

den dikken ganglooper voortbewoog.

Aan de andere zijde der trap bevonden zich eenige deuren, waarheen de

geheimzinnige nachtwandelaar zich begaf. Het geheele lichaam van den

man was gehuld in een zwart, nauwsluitend tricot en zijn oogen

schitterden door de openingen van een zwart fluweelen masker, dat het

geheele hoofd omsloot.

Hij verdween in de vertrekken, welke Lord Clifford zelf bewoonde.

Na geruimen tijd verscheen hij weer, terwijl hij in zijn rechterhand

den sleutelbos hield, dien Lord Clifford elken avond, voordat hij ging

slapen, naast een geladen revolver op zijn nachttafeltje legde.

De nachtelijke wandelaar ging door de gang terug tot aan het licht, dat

hij snel uitdraaide. Nu keek alleen nog het zwakke maanlicht door de

hooge vensters naar binnen.

Daarop gleed de zwarte gedaante de trap af, die naar beneden leidde.

Hij had wel gehoord, dat Holliday den Lord had verteld, hoe hij een

zijner lieden zou plaatsen in de hall, terwijl de ander in de

bibliotheek moest waken en de detective zelf het zich behaaglijk zou

maken in de studeerkamer van zijn Lordschap!

Het fijnste oor had niet het minste geluid kunnen vernemen, toen de in

het zwarte tricot gekleede gedaante de trap afging. Maar voor den

braven dienaar der geheime politie, die in een grooten leunstoel in de

hall sluimerde, had men zich niet eens in acht behoeven te nemen.

De zwarte gedaante stond dicht naast den slapende, een onaangename,

zoetachtige lucht omgaf den slapenden beambte en de ademhaling van den

man werd al flauwer en flauwer......

De deur naar de bibliotheek was niet geheel gesloten. De nachtelijke

wandelaar opende haar zoo behoedzaam, dat het totaal onhoorbaar was.

Maar ook hier had hij zich die moeite wel kunnen besparen, want de

tweede helper van Mister Holliday lag eveneens in de armen van

Morpheus. Ook hij was na eenige seconden verdoofd.

„Zou de dappere Holliday misschien ook den slaap des rechtvaardigen

slapen?” dacht de indringer. Hij haalde een zwarten doek uit zijn

tricot te voorschijn, dien hij langzaam en zonder geluid te maken uit

elkaar vouwde; nu naderde hij de deur, waarachter Holliday met den

slaap worstelde.

Een oogenblik wachtte de donkere gedaante, daarop draaide hij met vaste

hand de deur open. In het volgende oogenblik was hij in de studeerkamer

en had hij de deur weer achter zich dichtgetrokken. Hij hoorde, dat de

detective uit zijn stoel opsprong, maar reeds fluisterde de

binnenkomende:

„Sst, Mr. Holliday, ik ben het, Lord Clifford...! Maak geen licht....!

Ik hoorde daar juist een verdacht geluid en daarom kwam ik hier....

Neen, maak geen licht,” herhaalde hij, daar het hem voorkwam, alsof de

detective iets uit zijn zak wilde halen, waarschijnlijk een lantaarn.

Nu kwam de detective, blijkbaar volkomen gerustgesteld, dichterbij,

want de stem, die hij hoorde, was zoo sprekend die van den Lord, dat

hij geen wantrouwen koesterde.

Hij naderde de donkere gestalte, die hij niet kon onderscheiden, nog

meer en greep met een onderdrukten kreet van schrik en ontsteltenis om

zich heen—

Een dichte, zwarte doek bedekte plotseling zijn hoofd en werd met een

handigen zwaai om zijn hals vastgeknoopt. Op hetzelfde oogenblik wierp

een vuist, tegen wier kracht geen verdediging mogelijk was, hem op den

vloer neer en een stem, die den armen man de haren te berge deed

rijzen, fluisterde hem toe:

„Geef geen enkel geluid, als je leven je lief is....!”

Daarop voelde de detective, dat een zacht kussen onder zijn hoofd werd

geschoven en daar zijn tegenstander hem met het gelaat naar beneden had

gelegd, werd elk geluid, dat hij zou kunnen geven, verstomd.

Mr. Holliday, die zijn leven zeer lief had, had trouwens niet den moed,

een kik te geven. Hij had duidelijk den kouden dolk in zijn hals

gevoeld, die zeker in zijn vleesch geboord zou worden, als hij zich

niet rustig hield

Daarop meende de detective te bemerken, dat de kamer verlicht werd. Hij

hoorde een geluid, alsof de indringer met de brandkast bezig was. Maar

alles geschiedde met ongehoorde snelheid. Het was den armen man, alsof

slechts enkele seconden verloopen waren, daarop klonk weer die

vreeselijke stem dicht aan zijn oor:

„Pas op, dat je niet om hulp schreeuwt, voordat er een uur is

voorbijgegaan!”

Het duurde lang, voordat Holliday, die als bedwelmd op den vloer lag,

een besluit kon nemen. Toch behaalde de zucht naar zelfbehoud de

overwinning op zijn plichtsgevoel. Bovendien zou hij van het gestolen

geld toch niets meer kunnen redden. Want hij geloofde stellig, dat hij

het slachtoffer was geworden van een meer dan brutalen inbreker. Dit

zou hij ook aan den heer des huizes meedeelen en zoodoende zijn

nederlaag zooveel mogelijk verklaren.

Maar langzamerhand werd het hem bijna onmogelijk, nog adem te halen en

de vrees van te zullen stikken gaf hem de kracht om zich met een

geweldige beweging om te keeren en eerst onbestemde, doffe geluiden,

daarna echter een heesch gebrul uit te stooten om de bewoners van het

huis te wekken.

Hij hoorde boven zich schreden, daarop zag hij door den dikken doek,

dat het licht om hem heen werd, men schreeuwde, men vroeg en eindelijk

werd hij bevrijd.

Sir Edward Touston en Mr. Fitzgerald stonden met eenige bedienden om

hem heen en het duurde niet lang, of ook Lord Clifford was beneden

gekomen met bleek gelaat. Op angstigen toon deed hij den detective

zooveel vragen, dat deze geen enkele kon beantwoorden.

In de aangrenzende vertrekken waren bedienden bezig, de helpers van

Holliday weer tot bewustzijn te brengen.

„Maar Goddank!” riep Lord Clifford uit, „of gij zelf of onze

tusschenkomst heeft den diefstal verhinderd!”

De detective, dien men nu ook bevrijd had van de hand- en voetboeien,

die de misdadiger uit de zakken der twee helpers had genomen, om ze

daarna op deze origineele manier te gebruiken, keek met een blik vol

wanhoop en angst naar de brandkast, die gesloten en onaangeroerd scheen

te zijn.

Hopende, dat hij zich had vergist, toen hij het rinkelen der sleutels

had gehoord, sprak Holliday geen woord, maar Sir Edward uitte de

veronderstelling, dat de dief misschien de kast had geopend en weer

gesloten.

Een der bedienden werd onmiddellijk naar de slaapkamer van den Lord

gezonden en toen daarna de brandkast werd opengesloten, zag Lord

Clifford, die ondanks zijn goede opvoeding een groven vloek uitstiet,

dat de groote geldsom tot den laatsten penny gestolen was.

Een oogenblik scheen het, alsof hij al zijn toorn zou uitstorten op het

hoofd van den detective, daarop echter beheerschte de werkelijk

voorname man zich en sprak alleen:

„Ik had ook op mijzelf moeten vertrouwen!”

Nu wendde hij zich tot zijn gasten—zelfs de dames waren, zonder in dit

kritieke oogenblik al te veel op haar kleeding te letten, naar beneden

gekomen—en sprak tot hen:

„Het doet mij zeer veel leed, dat gij in uw nachtrust gestoord zijt,

maar ik verzoek u, u gerust te stellen, het zal ons hopelijk gelukken,

den misdadiger op het spoor te komen en hem het gestolene weer afhandig

te maken.”

Een der heeren trad naar het venster en opende de gordijnen. Op de

groote grasperken vin het park scheen het maanlicht roet zijn

spookachtig schijnsel als een vervolg op de geheimzinnigheden van dezen

nacht.

Buiten werd luid aan de bel van het tuinhek getrokken. Nieuwe schrik en

ontsteltenis teekende zich af op de gezichten der aanwezigen. Twee

bedienden gingen samen eenigszins aarzelend naar buiten om te zien, wat

er was. Toen zij weer binnenkwamen, brachten zij een telegram mee,

afgezonden door het politiebureau te Kilburn en bestemd voor kolonel

Goal.

De oude overste brak het met bevende handen open en las, nadat hij

radeloos om zich heen had gekeken, met doodsbleek gelaat en halfluide

stem den inhoud voor:

„Hedennacht ingebroken in uw villa. Bedienden verdoofd en geboeid, van

misdadigers geen spoor.”

ACHTSTE HOOFDSTUK

HET VERVALSCHTE TESTAMENT.

Kolonel Goal had naar aanleiding van dit telegram reeds in den nacht

willen vertrekken en slechts met moeite liet hij zich door zijn vriend

Lord Clifford overhalen om tenminste het aanbreken van den dag af te

wachten.

Het was nog geen zes uur toen de oude overste weer in de hall

verscheen. Hij wilde zelfs niet eerst ontbijten, maar zijn nicht dacht

hierover anders en ondanks de tot spoed aanmanende woorden van den

ouden heer, begaf zij zich naar de eetzaal, waar zij langzaam haar

chocolade dronk, terwijl zij haar groote blauwe oogen steeds vol

verwachting op de deur had gericht.

Maar hij, dien zij verwachtte, de markies, kwam niet en zuchtend moest

het jonge meisje eindelijk opstaan om zich voor de reis te gaan

kleeden, toen buiten luide stemmen werden vernomen en de commissaris

van politie met twee gendarmen binnentrad.

Lord Clifford had reeds in den nacht aangifte van den diefstal gedaan,

zoodat de snelle bemiddeling der autoriteiten niet te verwonderen was.

De commissaris ging rechtstreeks naar den kolonel toe, die in

reisgewaad gereed stond om te vertrekken en sprak na een beleefde

begroeting:

„Het spijt mij zeer, mijnheer, dat ik u in uw plannen moet dwarsboomen.

Ik moet tot mijn leedwezen het bevel geven, dat niemand dit huis mag

verlaten. Hopelijk zult gij begrijpen, dat hierin geen persoonlijke

verdachtmaking jegens u ligt opgesloten. Ik doe slechts mijn plicht.”

Als oud soldaat, die de discipline kent, zag de overste wel in, dat hij

dit bevel moest gehoorzamen. Met groote stappen liep hij de hall door,

af en toe met dreigende blikken naar zijn nicht kijkende, op wier

schoon gelaat een soort van leedvermaak was te lezen over dit

plotselinge oponthoud.

Nu verscheen ook Lord Clifford. Hij verwelkomde den commissaris en

verontschuldigde zich tegenover kolonel Goal over dit onaangename

intermezzo.

„O, die tijd zal den overste wellicht niet al te lang vallen, daar ik

hem juist om een onderhoud wilde vragen....”

Het was de markies di Sao Balbo, die deze woorden had gesproken. Hij

glimlachte daarbij beleefd en vervolgde:

„Gij zult u herinneren, kolonel, dat wij gisteravond een zeer

interessante kwestie behandelden en ten slotte afspraken om dit

onderhoud te gelegener tijd te vervolgen....”

Overste Goal zette een verbaasd gezicht bij de woorden van den

Zuid-Amerikaan, hij kon zich niet herinneren, den vorigen avond

bijzonder gewichtige dingen met den markies besproken te hebben.

Beide heeren begaven zich naar de bibliotheek. Met een uitnoodigende

handbeweging op een stoel wijzende, sprak de markies:

„Mag ik u verzoeken, plaats te nemen?”

De overste keek hem met onrustigen blik aan en het was zeker niet zijn

zuiver geweten, dat hem zoo weinig op zijn gemak deed zijn.

Langzaam nam de markies een groot couvert uit zijn borstzak en sprak

met gedempte stem:

„Kunt u vermoeden, mijnheer, wat ik hier in deze enveloppe voor u heb?”

Met een vlugge beweging stond de kolonel op, terwijl hij antwoordde:

„Mijnheer, ik ben werkelijk niet in een stemming om mij door u raadsels

te laten opgeven! Wilt u een ouden man voor den gek houden? Of vindt

gij, dat ik nog niet genoeg op de proef ben gesteld door de vreeselijke

tijding, die ik hedennacht ontving?”

Met een koel lachje sprak de markies, terwijl hij met een gouden

pennemesje het couvert opensneed:

„Bedoelt u misschien met die vreeselijke tijding het bericht van de

kneveling van dien ouden schurk, die al uw schandelijke daden in de

hand werkt en u steeds in alles heeft geholpen?”

Overste Goal staarde den markies aan met een gelaat, dat donkerrood was

geworden van woede. Maar met nog steeds gedempte stem sprak hij:

„Wat wilt gij daarmede zeggen? Wat beteekenen deze grove beleedigingen

van een man, op wien niets te zeggen valt en die mijn trouwe bediende

is?”

De markies knikte bedaard met het hoofd:

„Dat is best mogelijk, hij was onder anderen ook zulk een handig

vervalscher van handschriften, dat hij gemakkelijk dit testament kon

ontwerpen en van de prachtig nagemaakte handteekening van uw broeder

heeft kunnen voorzien. Een schurkenstreek, waarvoor de dochter van Mr.

Goal—ik bedoel Miss Florence—haar geheele vermogen verloor en aan u

werd overgeleverd.”

Met een heeschen lach riep de kolonel uit:

„Maar gij zijt krankzinnig! Men zal u in een gekkenhuis opsluiten, of

dacht gij werkelijk, dat gij ooit iemand zoudt vinden, die uw onzin

gelooft?”

De markies bleef buitengewoon kalm.

„In elk geval zal men toch het door een getuige erkende handschrift van

uw broeder wel gelooven, Mr. Goal! Men zal u het vermogen, dat gij uw

nicht hebt ontstolen, weer ontnemen en gijzelf zult in New-Castle met

geschoren hoofd in de cel van het tuchthuis zitten. Hier, kijk

eens....!”

Met zijn blanke vingers hield de markies den kolonel het echte

testament voor, dat de oude huichelaar had verdonkeremaand en waarin

Miss Florence als universeel erfgename werd benoemd.

De oude man stond als door den bliksem getroffen. Hij beefde over alle

leden. Haat, woede en doodelijke angst stonden op zijn gelaat te lezen.

„Zal ik met dit testament naar den rechter gaan? Of wilt gij liever het

gestolene vrijwillig teruggeven aan uw nicht?”

Met een hoonende, geslepen uitdrukking op het gelaat vroeg de kolonel:

„Hoe komt gij aan dit testament, mijn waarde? Ik weet zeker, dat ik het

zelf in het geheime vak van mijn schrijftafel heb gelegd!

„Ah, nu begrijp ik ook van wien de inbraak is uitgegaan, die in mijn

huis in Kilburn is gepleegd! Gij zijt het dus geweest die mijn armen

Bob hebt laten knevelen! En dan...”

Zijn gelaat kreeg een waarlijk duivelsche uitdrukking:

„Dan zijt gij de....”

Met een enkele beweging stond de markies vlak voor hem:

„Geen woord meer! Geen woord, zeg ik u! Wie ik ben, gaat u niet aan en

heeft met deze zaak niets te maken! Maar wie gij zijt, dat zou het

gezelschap, dat hier ten huize van Lord Clifford verzameld is,

bijzonder interesseeren! En ik zeg u, heer overste, gij zult uw titel

niet lang meer dragen, als gij de voorwaarden niet aaneemt, die ik u

zal stellen.”

„Wat wilt gij dan?” vroeg de oude dief op doffen toon. „Maak het kort!”

„Vóór alles de teruggave van het vermogen van Miss Florence Goal, dan,

dat gij onmiddellijk ophoudt met deze jonge dame op schandelijke wijze

lastig te vallen!”

De markies wees op de gewonde hand van den overste en vervolgde:

„Als Miss Florence niet zooveel moed en karakter had getoond, om zich

met het wapen in de hand te verdedigen....”

„Dan,” viel de overste hem grijnslachend in de rede, „dan was zij nu

mijn geliefde en dan ging het u nog niets aan.

„Zoo!” vervolgde hij tandeknarsend, „is dat domme schaap verliefd op u!

Dan is de eenige reden, waarom gij mijn schrijftafel hebt laten

openbreken, dat gij zelf begeerig zijt naar het vermogen van Florence!”

De markies antwoordde hierop niets. Na eenige oogenblikken sprak hij:

„Ik stel u dus de volgende voorwaarden overste: Zoodra de politie het

toestaat, vertrekt gij dadelijk naar Kilburn en legt aan een notaris,

wiens adres gij mij omgaand meedeelt, het onaangeroerde vermogen van uw

nicht over.

„En wat de persoon van de jonge dame zelf betreft, verzeker ik u, dat

de minste moeite, die gij doet om op de een of andere manier weer met

Miss Florence in relatie te komen, geen ander resultaat zou hebben dan

uw onmiddellijke inhechtenisneming. Aan datzelfde stelt gij u bloot,

als gij een mijner andere bevelen niet strikt nakomt. Denk hieraan!”

Met fier opgericht hoofd wilde de markies het vertrek verlaten, toen

hij zich bij de deur nog iets scheen te herinneren. Hij keerde zich om

en sprak:

„Wat uw bediende Bob aangaat, gij weet heel goed, dat die kerel reeds

lang den strop heeft verdiend. Door dezen schurk zijn ontelbare

menschen tot den bedelstaf gebracht, wier geld gij hebt geofferd aan

den speelduivel. Door hem zijn zoovele vrouwelijke wezens ten

ondergegaan, vrouwen, die hij u als slachtoffers uwer schandelijke

daden in de armen voerde!

„Gij zult hem uit uw dienst ontslaan. Maar hij heeft, naar ik meen te

weten, een nog jonge vrouw en verscheiden kleine kinderen. Het is niet

meer dan plicht, dat gij zorgt voor de familie van hem, die u steeds

zoo ijverig heeft geholpen bij al uw schurkenstreken.

„Ik kan u daartoe echter niet dwingen en ik weet wel, dat gij u niet

aan dergelijke verplichtingen zult storen. Daarom zal ik die zorg op

mij nemen. Voor één ding echter waarschuw ik u, oude heer!”

Dreigend keek de markies den kolonel aan en deze sloeg zijn oogen neer

voor de van toorn vlammende blikken van zijn vijand:

„Meen niet, kolonel, dat gij een valsch spel met mij kunt spelen, al

zoudt gij het nog zoo handig aanleggen om mij in de val te lokken. Ik

zou ongetwijfeld begrijpen, wie de oorzaak van die daad was en niemand

anders dan gij zelf zou de vergelding ervoor krijgen!”

„Zijt gij klaar?” vroeg de kolonel op woedenden toon.

„Zeker” knikte de markies, „en ik hoop zelfs, dat ik nooit weer een

enkel woord met u zal behoeven te wisselen!”

„Ik ook!” bromde de oude man en die twee woorden waren blijkbaar

eerlijk gemeend.

NEGENDE HOOFDSTUK.

MEDEDINGSTERS.

Lord Clifford had met de ambtenaren van politie het geheele huis

doorzocht. Het resultaat was natuurlijk nul geweest.

Het meest raadselachtige van den millioenendiefstal, zoo vond ieder,

was, dat de sleutels der brandkast op dezelfde plaats werden gevonden,

waar de Lord ze elken avond neerlegde.

De dief moest ze dus eerst weggehaald en—zeer zeker een waagstuk!—na

volbracht daad weer teruggebracht hebben.

Hierover sprak de commissaris juist met Lord Clifford, toen ook Mr.

Holliday weer op het tooneel verscheen met de woorden:

„Mijn heeren, wij hebben hier zonder twijfel met een buitengewoon

geslepen schurk te doen!”

Na het uitspreken van deze buitengewone woorden legde de dappere man

zijn wijsvinger langs zijn neus en vervolgde op gewichtigen toon:

„Want ziet gij, dit is de eerste keer, dat ik mij door een misdadiger

heb laten vangen! Deze man behandelde mij als een kip, die men in een

zak steekt om haar het schreeuwen te beletten. Ik geloof niet, dat

iemand aan mijn bekwaamheden zal twijfelen, maar tegenover zooveel

scherpzinnigheid en ongelooflijke brutaliteit sta ik zelfs machteloos.”

De beide andere heeren onderdrukten met moeite een glimlach.

Hier sprak Lord Clifford:

„Is het niet merkwaardig, dat de voorspelling van onzen lieven vriend,

den markies di Sao Balbo, nu toch is uitgekomen?”

De commissaris, die een zeer intelligent uiterlijk had, vroeg:

„Pardon Mylord, maar waar het een dergelijke zaak betreft, is iedere

kleinigheid van beteekenis. Wat was dat met die voorspelling...?”

„O,” viel Mr. Holliday hem niet zeer beleefd in de rede, „dat is zoo’n

soort humbug, een zoogenaamde séance, welke deze heer hier gehouden

heeft.”

De commissaris, die zijn collega blijkbaar reeds naar waarde wist te

schatten, nam geen notitie van diens uitval en sprak:

„U zoudt mij ten zeerste verplichten, Mylord, door mij meer

bijzonderheden hiervan te willen meedeelen en vooral als ik den heer,

wien dit alles aangaat, zelf zou mogen spreken.”

„Dat kan heel gemakkelijk,” antwoordde de Lord, „want daar komt hij

juist.”

Hij wees naar den markies, die uit de bibliotheek kwam.

De heeren begroetten elkaar met een beleefde buiging. De Lord stelde

den commissaris voor en deze vroeg naar de bijzonderheden van de

séance.

„Gij zijt spiritist, mijnheer?”

De markies knikte toestemmend.

„Inderdaad. Men houdt mij over het algemeen voor een buitengewoon

geschikt medium om als bemiddelaar op te treden tusschen de ons

omringende geesten en hen, die nog genoodzaakt zijn het sterfelijk

omhulsel te dragen.”

„En dus behoort u tot hen, die volkomen gelooven in deze merkwaardige

wetenschap?”

„Ik meen, u daarop het antwoord reeds te hebben gegeven,” sprak de

markies op eenigszins koeleren toon.

„Zeker, zeker!” meende de beambte. „U moet mij mijn vragen ten goede

houden.”

„Natuurlijk,” viel de markies hem op zijn gewonen beleefden toon in de

rede. „Als gij wilt, zal ik u uw taak gemakkelijker maken door u een

uitvoerige beschrijving te geven van de séance, die ik voor Lord

Clifford en zijn gasten heb mogen houden.”

De commissaris luisterde met gespannen aandacht en uitte daarna den

wensch, het tooneel der zitting persoonlijk te mogen bezichtigen.

Terwijl de heeren naar boven gingen, vroeg de commissaris nogmaals aan

den markies:

„Het is u dus niet mogelijk, een verklaring te geven voor de

verschijning van den dwerg?”

De markies di Sao Balbo haalde de schouders op en sprak:

„Voor ons spiritisten is de verklaring voldoende, dat een der geesten

van onze dierbare afgestorvenen zich dermate materialiseert, dat wij

hem kunnen waarnemen met onze zwakke menschelijke zintuigen. Dat de

geest de gestalte van een dwerg aannam, is toeval, in elk geval hebben

wij noch het recht, noch de macht om de geheimzinnige redenen hiervan

uit te vorschen.

„Ons, spiritisten, is het feit voldoende!”

De commissaris liet niet blijken, welken indruk de woorden van den

markies op hem hadden gemaakt.

Hij onderzocht vluchtig het vertrek waar de séance zich had afgespeeld,

en begaf zich hierop weer met de heeren naar beneden, waar in een der

kamers het ontbijt gereed stond.

Nu verschenen ook Sir Edward Touston en Rudge Fitzgerald, die het plan

opperden om na het ontbijt naar Londen terug te keeren. Ook de overige

gasten, waaronder kolonel Goal en de markies di Sao Balbo, bestelden

hun rijtuigen.

Alleen Miss Florence beloofde haar vriendin Lilith Clifford om nog

eenige dagen in het gastvrije huis te blijven en—tot verbazing van de

meeste aanwezigen—kolonel Goal scheen het plan van zijn nicht, die hij

anders nooit alleen liet, goed te keuren.

Hij bekommerde er zich ook niet om, toen zij na het ontbijt aan den arm

van haar vriendin verdween. Eerst toen onmiddellijk daarna ook de

markies de eetzaal verliet, werd hij onrustig.

En hij had zich niet vergist in zijn veronderstelling, dat de blonde

Florence en de Zuid-Amerikaan boven in de gang afscheid van elkaar

namen.

Zij stonden, gedeeltelijk verborgen achter de zware gordijnen van een

der ramen, sprakeloos tegenover elkaar en hielden elkaars handen vast.

Florence snikte en fluisterde, hoe zwaar haar het afscheid viel en hoe

somber zij de toekomst inzag.

Hij troostte haar met een innemenden lach op het schoone gelaat en

herhaalde steeds weer, dat zij elkaar spoedig zouden weerzien.

Zij vergaten alles om zich heen en hoorden niet, dat zachte schreden

naderden.

Twee van haat fonkelende oogen waren op hen gericht en de kleine,

sierlijke gestalte van Mrs. Mabel Morton boog zich met inspanning

voorover om de woorden af te luisteren, welke de twee tot elkaar

spraken.

Het gelukte haar niet, maar wat zij zag, was voldoende om haar jaloezie

op te wekken.

Plotseling kwam een gedachte in haar op.

Onhoorbaar en onopgemerkt ging zij weder naar beneden, waar zij naast

Lady Clifford in de eetzaal plaats nam en met vleiende stem fluisterde

zij tot de vriendelijke dame:

„Lieve mevrouw, vindt u het goed, dat ik, nu mijn lieve vriendin

Florence Goal, nog bij u blijft, ook nog niet vertrek? Ik heb wel is

waar bevel gegeven mijn koffer te pakken en ik vrees ook, dat gij door

het ongeluk, dat u getroffen heeft, uwe gasten misschien liever zaagt

vertrekken....”

Zij zweeg en keek bedeesd voor zich. De oude dame haastte zich om vol

innige hartelijkheid te verzekeren, dat Mrs. Morton altijd een welkome

gast in Rastinghouse was!

Deze diefstal was weliswaar een onaangename geschiedenis, maar Mrs.

Morton mocht blijven, zoolang zij wilde.

Lord Lister No. 0009: Om goud en liefde · 第 2 / 4 段