Maar haar vriendin, tot wie deze woorden gericht waren, keek

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 9 OM GOUD EN LIEFDE.

OM GOUD EN LIEFDE.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE MARKIES DI SAO BALBO.

De herfstavond was aangekomen en het gezelschap was met zijn honden

teruggekeerd van de jacht. Men kleedde zich op Rastinghouse, het

landgoed van Lord Clifford, voor het diner.

De hall van het oud-adellijke slot, die groote ruimte, waar de rijke

Engelschen zich het liefst ophouden, en vanwaar men langs de prachtig

gebeeldhouwde trappen de verschillende etages bereikt, scheen nog leeg

te zijn.

Eerst toen een rijzige slanke mannengestalte met veerkrachtigen tred en

bijna onhoorbaar de met dikke loopers belegde trap afkwam, richtte zich

in een der fauteuils, die in de hall stonden, een fijnbesneden, blond

vrouwenkopje op en twee groote violetblauwe oogen keken vragend op.

De heer glimlachte en vroeg met gedempte stem:

„Heb ik u verschrikt, Miss Goal? Dacht u misschien, dat het de beruchte

Raffles was, die uw gouden lokken kwam stelen?”

De dame, die zich nu in haar volle lengte verhief, had een slanke,

tengere gestalte en was een bijzonder bekoorlijke verschijning. Zij was

het blijkbaar niet met zichzelf eens, welke houding zij zou aannemen

tegenover den heer, die nu vóór haar stond en met zijn blanke vingers

over zijn prachtigen, zwarten baard streek. Eindelijk sprak zij:

„Neen, markies, ik herkende u dadelijk. Ik betwijfel het echter of het

louter toeval is, dat wij elkaar zoo dikwijls ontmoeten en dat wij

zelfs in dit huis, waar zoovele menschen samenzijn, ons telkens weer in

elkaars gezelschap bevinden. Misschien is het het noodlot, dat zoo vaak

onze wegen doet kruisen.....”

Zij zweeg en de slanke man, die vóór haar stond, zag een traan in haar

oogen. Hij boog en sprak:

„Ik hoop, Miss, dat gij dit zóó opvat als het u het liefst zou zijn. Ik

zou er gaarne iets toe willen bijdragen om uw blik meer tevreden en

gelukkig te maken.”

Daarop vatte hij een van haar smalle handjes, waarop hij een langen,

innigen kus drukte.

„Maar ik begrijp niet, wat u bekommert. Iedereen houdt van u, gij zijt

onder bescherming van een achtenswaardigen ouden heer, kolonel Goal, en

ik geloof niet, dat er zich iemand hier in huis bevindt, die niet met

alle mogelijke opoffering den geringsten uwer wenschen zou willen

vervullen.”

Miss Florence schudde het hoofd en sprak:

„Van u, markies, had ik niet gedacht, dat gij u, evenals alle anderen,

liet misleiden.”

Verbaasd keek de knappe man in het gelaat der jonge vrouw, daarop

antwoordde hij met een glimlach:

„Men kan niet altijd toegeven aan zijn vermoedens, lieve Miss. Ik heb

veel opgemerkt, wat aan de oogen van anderen verborgen is gebleven en

ik meen mij niet te vergissen in de veronderstelling, dat uw verdriet

een uwer naaste bloedverwanten geldt. Is het niet waar?”

Het schoone meisje knikte toestemmend.

En snikkend sprak zij met gedempte stem:

„En ik ben verloren, als niemand mij helpt.”

Ridderlijk knielde hij voor haar neer, hij nam de blanke meisjeshand in

de zijne en sprak op ernstigen, bijna plechtigen toon:

„In de aderen van den markies di Sao Balbo vloeit het bloed der oude

Saraceensche ridders. Mijn stamvader liet zich voor zijn dame

verbranden en al zijn de gewoonten ook minder wreed geworden en al

zoudt gij, lieve Miss, een dergelijke vuurproef niet van mij verlangen,

toch smeek ik u, geheel over mij te beschikken en uwe eischen te mijnen

opzichte zoo hoog mogelijk te stellen.

„Het gevoel, dat ik jegens u koester, is zoo verheven en heilig, dat ik

er naar snak, iets voor u te mogen doen!”

Miss Florence was eenigszins teruggeweken. Uit de woorden van den man,

die knielend voor haar lag, laaide de gloed van den hartstocht haar

tegen en zij wist niet, welk antwoord zij moest geven.

De schoonheid van dezen man streelde haar zinnen, zijn welluidende stem

trof haar hart en zij besefte, dat, hetgeen zij voor den markies

voelde, de kiem was van een liefde, die zij zichzelf nauwelijks durfde

bekennen.

Voor een oogenblik vergat zij haar leed. Maar de Zuid-Amerikaan, van

wien men vertelde, dat hij in de Vuelta Abajos tabaksplantages en

andere bezittingen van fabelachtige waarde had, drong er zelf op aan,

dat zij haar hart bij hem uit zou storten.

O, hoe gaarne deed zij dit!

Deze Mr. Goal, de gewezen overste in het leger van Hare Majesteit de

Koningin, deze oude soldaat, die door iedereen voor een man van eer

werd gehouden, was een groote schurk, gevaarlijk voor ieder jong

meisje.

Hij vervolgde zijn nicht, die eigenlijk slechts een verre bloedverwante

van hem was, met de volharding van een ouden woesteling, hij sloop haar

na tot in haar kleedkamer en beproefde daar, nadat hij de dienstboden

had doen heengaan, zijn schandelijke plannen uit te voeren.

Trouwen wilde hij haar niet! Geen enkel oogenblik dacht hij daar aan!

Tot zijn geliefde wilde hij haar maken om haar later, als hij genoeg

van haar zou hebben, weg te werpen.

De wangen van het meisje waren met een blos van schaamte bedekt, toen

zij deze dingen van zoo kieschen aard toevertrouwde aan den jongen man,

die met gefronst voorhoofd naar haar luisterde. Zij durfde haar reine,

blauwe oogen niet opslaan naar hem, die haar zooeven van zijn teedere

gevoelens had gesproken. Maar zijn zware, hijgende adem verried haar,

hoezeer haar verhaal hem aangreep.

En toen sprak zij eindelijk, luid snikkend:

„Ik had een vertrouwd kamermeisje, dat reeds in mijn ouderlijk huis had

gediend. Eenigen tijd voordat wij naar het slot van lord Clifford

reisden, heeft de ellendeling mijn arme Betsie onder de valsche

beschuldiging van diefstal laten gevangen nemen. Nu ben ik zonder

eenige bescherming en ik ril van afschuw als ik denk aan het oogenblik,

waarop wij naar ons landgoed zullen terugkeeren.”

Zij dacht eenige oogenblikken na en vervolgde toen met een wilden lach,

waaruit oneindig groote wanhoop sprak:

„Maar hij zal mij niet levend in zijn macht krijgen! Ik wil liever

sterven!”

Markies di Sao Balbo was doodsbleek geworden. Het trillen zijner sterke

handen en het rollen van zijn donkere oogen toonden in welke vreeselijk

opgewonden toestand de anders zoo kalme man zich bevond.

Met moeite slechts kon hij vragen:

„Eén ding begrijp ik niet, Miss. Gij zijt immers rijk. Ik bid u, mij

mijn onbescheidenheid niet kwalijk te nemen, maar men beweert, dat gij

een groot vermogen bezit, gij zijt dus niet afhankelijk van dezen man!

Ik weet, dat gij meerderjarig zijt. Is het dan alleen uit eerbied voor

een familielid, dat gij het huis, waarin uw eer wordt aangerand, niet

verlaat?”

Opnieuw in tranen uitbarstend, schudde Miss Florence het hoofd.

„Ik was rijk en ik moest het nog zijn! Mijn ouders hebben inderdaad een

groot vermogen achtergelaten. Maar deze man, die mij nu nog het laatste

wil ontnemen, wat ik bezit, heeft mij ook mijn vermogen ontstolen. Met

mijn eigen oogen heb ik het testament gezien, waarbij mijn vader mij

tot universeele erfgename benoemde......”

Zij droogde haar oogen met het fijne, kanten zakdoekje en de markies

vroeg, bijna ongeduldig:

„En waar bleef dat testament?”

Op verdrietigen toon antwoordde het jonge meisje:

„Het document is verdwenen, er werd een ander gevonden, toen papa

gestorven was, waarbij mijn oom als beheerder van mijn vermogen was

benoemd. Ik zelf zou geen enkelen stuiver in handen krijgen, terwijl

mijn vader, die bij zijn leven nimmer een onaangenaam woord tot mij had

gesproken, mij lichtzinnig en verkwistend noemde.

„Mr. Goal was ook benoemd tot executeur-testamentair en de verdere

voorwaarden luidden, dat hij mij in zijn huis moest opnemen en dat

ikzelf nimmer, maar bij eventueel huwelijk mijn kinderen wel over het

vermogen zouden kunnen beschikken.”

„Op die manier heeft de schurk er zich warmpjes ingenesteld,” sprak de

markies, wiens neusvleugels trilden van toorn.

„Nu begrijp ik het, lieve Florence, dat gij het als een schikking van

het noodlot hebt beschouwd, dat wij elkaar hebben ontmoet...! Ook ik

ben het toeval dankbaar, dat mij de gelegenheid geeft, u te kunnen

helpen!

„Keer gerust met uw oom terug naar Kilburn en wees ervan overtuigd, dat

hij het nimmermeer zal wagen, u een voorstel te doen, dat uw eergevoel

zou kunnen krenken. Ja, hijzelf zal binnenkort blij zijn, als gij hem

uw hulp niet weigert!”

Verrast, ongeloovig en toch met een uitdrukking van hoop op het

bekoorlijke gelaat, stak zij den markies haar handen toe en riep op

zachten toon:

„Wilt gij mij helpen? O, zeg mij, wat wilt gij doen? Weet gij iets

omtrent mijn oom?”

Meer kon Miss Goal niet vragen; de markies kon haar nog slechts met een

stevigen handdruk en een welsprekenden blik zijn hulp toezeggen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

VERSMADE LIEFDE.

Een elegante brunette kwam de trap af. Zij was gekleed in een zeegroen

dinertoilet, dat haar fraaigevormden hals en een deel van den gevulden

boezem vrij liet.

Mrs. Mabel Morton was zeker niet veel ouder dan Miss Goal, maar de

teedere bekoorlijkheid, die het blonde meisje zoo aantrekkelijk maakte,

ontbrak op haar gelaat, dat ontegenzeggelijk schoon was, maar een te

hartstochtelijke en zenuwachtige uitdrukking had.

Mrs. Morton groette de jonge dame en wendde zich daarna met een lichte

buiging van haar fier opgericht hoofd, dat met een paar prachtige

zwarte vlechten was gesierd, tot den markies. Lang en doordringend liet

zij haar blik op zijn gelaat rusten.

Maar de Braziliaan, die, naar hij zelf vertelde, de laatste

afstammeling was van een oeroud adellijk geslacht van Spaansche

origine, keek met ijskouden blik langs de schoone vrouw heen. Op haar

gelaat kwam een scherpe uitdrukking, toen zij zich tot den markies

wendde met de vraag:

„En wat zegt u wel, mijnheer, van de misdaden, die sinds eenigen tijd

onze hoofdstad zoo in beroering brengen?”

Met onverholen bewondering de liefelijke verschijning van Miss Goal

nakijkend, die zoo juist met een lachenden afscheidsgroet naar boven

ging, antwoordde de markies:

„Ik weet werkelijk niet, wat u bedoelt, mevrouw.... misdaden.... mijn

Hemel, er gebeurt zooveel op dat gebied....”

Maar voordat de dame iets had kunnen antwoorden, klonk de stem van Lord

Clifford, een oude heer met bijzonder knap uiterlijk. Boven aan de trap

staande, mengde hij zich in het gesprek:

„Maar mijn beste markies, dat behoordet gij toch te weten! Onze geachte

vriendin bedoelt blijkbaar de merkwaardige geschiedenissen, die verteld

worden omtrent dien Raffles, dien aartsschurk....!”

„Raffles....?” De markies lachte. „Raffles...? Ach, zoo!.... Ja, daar

heb ik natuurlijk ook wel van gehoord....! Dat is die

bewonderenswaardige kerel, die vooral in particuliere woningen de

geslepenste diefstallen pleegt en zijn komst van te voren

aankondigt....”

„Ja, ja.... juist! Juist....!”

Lord Clifford liep in de hall heen en weer.

„Ja, dat is hij! Natuurlijk zijn de malste geruchten in omloop.... Deze

man zou afstammen van een onzer oudste adellijke geslachten. Hij

onderteekent zijn eigenaardige briefjes, die verschillende slachtoffers

vóór den diefstal ontvingen, met den naam John C. Raffles.”

De markies boog glimlachend zijn donkergelokt hoofd.

„Het is in elk geval heel beleefd, zijn komst van te voren aan te

kondigen. Maar denkt u ook niet, dat de verhalen erg overdreven zijn?

Misschien heeft de een of ander internationale dief bij een gegoede

familie sieraden of tafelzilver gestolen en heeft een grappenmaker zich

de vrijheid veroorloofd, den bestolene een brief te schrijven, dien hij

heeft onderteekend met den naam Raffles.... Hieruit fabriceert het

groote publiek dan onmiddellijk een heelen roman, hoewel het best een

doodgewoon feit kan zijn geweest....”

Lord Clifford schudde het hoofd, hij was het niet met zijn gast eens.

Maar Mabel Morton, die haar oogen onafgewend op den Zuid-Amerikaan

gevestigd hield, antwoordde op bijna uitdagenden toon:

„Deze verklaring van u is zeer menschlievend ten opzichte van den

beruchten inbreker! Zij stemt echter niet overeen met de feiten...

eenige ervan zijn van algemeene bekendheid, bij voorbeeld de

juweelendiefstal in het huis van den graaf van Kingston en het

verdwijnen der ordeteekenen van den koning. Telkens heeft men even vóór

het plegen van den diefstal bericht ontvangen omtrent de plannen van

den roover en ik meen te weten, dat ook de andere gevallen zich op

dezelfde wijze hebben afgespeeld.”

„Mevrouw,” sprak de Zuid-Amerikaan, „ik heb geen enkele reden om den

misdadiger, die de algemeene verontwaardiging heeft opgewekt, in

bescherming te nemen!”

De dame, op wier gelaat groote ontroering te lezen was, antwoordde met

een gedwongen glimlachje:

„Heb ik dat beweerd?... Ik vind alleen, dat men zich niet moest

bekommeren om zaken, waar men feitelijk buiten staat!”

En daarop vervolgde zij op kalmer toon:

„......Ik bedoel,...... och, u hebt gelijk; wij twisten over dingen,

die geheel en al buiten onzen kring omgaan.”

Lord Clifford wilde nog iets in het midden brengen, maar een blik op de

gezichten van deze twee menschen, waarop hij iets las, dat hij niet

begreep, maar dat hem veel te denken gaf, maakte hem voorzichtig.

Het maakte op hem den indruk, alsof het tusschen die twee binnen eenige

minuten tot een liefdesverklaring zou moeten komen. En omdat hij gaarne

in alle opzichten zijn gasten aangenaam wilde zijn, besloot hij, hen

alleen te laten.

„Ik verzoek u, mij nog voor een kwartiertje te verontschuldigen; ik

bedenk opeens, dat ik nog een dringenden brief moet schrijven.”

Met deze woorden verdween hij in de aangrenzende bibliotheek.

Nauwelijks had hij de deur achter zich gesloten, of Mabel Morton sprak

met zachte stem tot den markies:

„Nu zult gij mij niet weer ontsnappen! Eindelijk moet het tusschen ons

tot eene opheldering komen! Denkt gij, dat ik niet heb gezien, hoe gij

dat jonge ding, Florence Goal, het hof hebt gemaakt? Vergeet niet, dat

ik recht heb op uw persoon en dat ik dit recht zal verdedigen tot aan

mijn dood...!”

Smeekend strekte zij haar handen naar hem uit, waarop hij met een

koelen blik terugweek. „Raoul, wees barmhartig! Ontvlucht mij niet,

verlaat mij niet! Ik bemin je en kan zonder jou niet leven...!”

Zij zweeg. En terwijl geen enkele trek veranderde op het gelaat van den

man, geen woord van zijn lippen kwam en zelfs geen glimlach om zijn

mond verscheen, bleef zij doodsbleek en met een uitdrukking van wanhoop

op het gelaat, voor hem staan, woorden van liefde en tederheid

fluisterend, die hij niet scheen te hooren.

Totdat eindelijk, toen hij voor haar smeeken doof bleef en niets haar

zeide, dat hij haar hartstochtelijke woorden had verstaan, in haar

donkere oogen een uitdrukking van haat verscheen.

Haar fijne vingers kromden zich om zijn arm en buiten zichzelf van

opgewondenheid fluisterde zij hem toe:

„Wee, als je een andere liefhebt? Ik vernietig jou en haar!”

Hij ging nog een stap meer achteruit en voordat zij weer kon beginnen

te spreken, vernam men schreden bovenaan de trap.

Mrs. Clifford naderde met haar dochter Lilith en haar vriendin Miss

Ellen Graven, een rijke Amerikaansche.

De hall was nu spoedig met gasten gevuld.

Lord Clifford scheen zijn correspondentie beëindigd te hebben en met

hem verscheen overste Goal aan den arm van Sir Edward Touston. Achter

den ouden militair met zijn goedig uiterlijk liep Lord Emmerding in

gezelschap van Miss Florence Goal.

DERDE HOOFDSTUK.

DE GEHEIMZINNIGE DWERG.

Het diner was afgeloopen en vroolijk lachend en pratend begaven sommige

paren zich weer naar de hall.

„Het is mij werkelijk zeer onaangenaam,” sprak Clifford tot Sir Edward

Touston, in wiens gezelschap hij van een fijne sigaar genoot.

„Die geheimzinnige dief brengt mij werkelijk in verlegenheid.

„Ik heb, zooals gij weet, hier aan den vertegenwoordiger van de

Regeering uitgestrekte landerijen verkocht namens onze geheele

graafschap. Dit staat in verband met den aanleg van het nieuwe kanaal.

„Morgen zal de uitbetaling plaats hebben, van de zeer aanzienlijke

geldsom, namelijk 100,000 pond sterling en wel in mijn huis.

„Als de verkoop slechts mij zelf aanging, dan zou ik het bedrag

eenvoudig op mijn Bank overdragen. Dat is nu echter onmogelijk, omdat

ik in dit geval te maken heb met een menigte kleine boeren, die niet

tevreden zijn met een stukje papier, een cheque, die zij moeten

inlossen.

„Die menschen hebben het liefst hun geld aan contanten uitbetaald en

daarom ben ik genoodzaakt, het geheele reuzenbedrag juist nu in mijn

huis te hebben.

„Ik heb natuurlijk een stevige brandkast, maar iedereen weet, dat

dergelijke veiligheidsmaatregelen tegenover onze tegenwoordige

inbrekers van nul en geener waarde zijn.

„Die kerels werken met alle hulpmiddelen der moderne techniek en ik

moet u bekennen....” Lord Clifford sprak met gedempte stem: „Ik ben

niet op mijn gemak....!”

Sir Edward Touston, die vroeger bij de marine had gediend en die een

onverstoorbare kalmte bezat, glimlachte.

„Gij zult toch waarschijnlijk al die kletspraatjes niet gelooven,

Mylord! Die geheimzinnige schurk is ook maar een doodgewoon mensch.

Laat des nachts uw honden los en geef uw bedienden revolvers. Als dat

alles nog niet helpt, laat dan een paar Londensche detectives komen,

die gij wacht laat houden vóór uw brandkast. De boeren zullen spoedig

genoeg hier zijn om hun geld in ontvangst te nemen en dan zijt gij van

alles af!”

Lord Clifford schudde het hoofd en op dit oogenblik naderde overste

Goal het tweetal, informeerende naar het onderwerp van hun gesprek.

„Wij hebben het juist over dien geheimzinnigen inbreker,” sprak Lord

Clifford. „Ik ben toevallig genoodzaakt, veel geld in huis te hebben en

dus is het begrijpelijk, dat ik enigszins bezorgd ben!”

„Veel geld?” vroeg overste Goal met van hebzucht fonkelende oogen.

„Ja,” antwoordde Lord Clifford, „ongeveer 100,000 pond.”

Deze woorden brachten een grooten ommekeer te weeg op het gelaat van

den ouden kolonel. Begeerig likte hij zijn lippen af en zijn vingers

kromden zich krampachtig als wilde hij een flinken greep doen in een

reusachtigen zak met goud.

„Ah, 100,000 pond,” ontsnapte het aan zijn lippen, die verdwenen onder

een dichte grijze snor.

Deze woorden trokken de aandacht van alle andere aanwezigen. Binnen

eenige minuten was ieder op de hoogte van den toestand.

Men lachte en schertste en maakte Lord Clifford tot het onderwerp der

algemeene bespotting, waaraan zelfs zijn echtgenoote, een

aristocratische bleeke dame, meedeed.

Het meest lachte Lilith, een bekoorlijke brunette, de vriendin van Miss

Florence Goal.

Deze beide meisjes—ook Miss Florence scheen weer in een vroolijke

stemming te zijn—putten zich uit in fantastische beschrijvingen van een

avontuur, dat zij gaarne met den geheimzinnigen dief zouden willen

hebben.

„Ik geloof,” sprak Lilith, „dat hij galant genoeg zou zijn om mij niet

te bestelen.”

„Zeker!” klonk het nu uit den mond van markies di Sao Balbo, welke tot

nu toe alleen met een glimlach aan het gesprek had deelgenomen.

Maar alsof hij reeds spijt had van dit enkele woord, vervolgde hij op

onverschilligen toon:

„Want iemand, die zooals men beweert, afstamt uit een der oud-Engelsche

families, kan natuurlijk niet anders dan beleefd zijn tegenover dames.”

Maar de anderen schudden het hoofd en beweerden, dat men het er liever

niet op aan moest laten komen.

„O!” riep Lilith met een guitig lachje, „daaromtrent zouden wij gauw

zekerheid kunnen hebben. De markies heeft ons eergisteren beloofd, een

kleine séance in ons midden te zullen houden. Wij roepen eenvoudig den

geest op van dezen genialen dief!”

„Maar dat gaat niet!” fluisterde Miss Ellen Graven. „Wij hebben bij ons

in Amerika dikwijls met geesten gesproken, maar men kan niet een levend

mensch oproepen!”

„Welnu,” meende Sir Edward Touston, „dan zouden we Raffles eerst dood

moeten slaan, voordat we zijn geest oproepen!”

Mrs. Mabel Morton echter sprak:

„Ik geloof, dat wij den markies gerust kunnen vertrouwen. Als hij dezen

merkwaardigen misdadiger wil laten spreken, kunt gij er van verzekerd

zijn, dat hem dit zeer gemakkelijk zal vallen, nietwaar markies?”

De Zuid-Amerikaan dacht even na, daarop boog bij toestemmend het

interessante hoofd en sprak, zonder de aanwezigen aan te zien:

„Ik zou het gezelschap dan in elk geval moeten verzoeken, mij te volgen

naar de bovenvertrekken van het huis. Toen men mij onlangs verzocht,

een séance te houden, heb ik het vertrek aan de zijde van den vijver—ik

geloof, dat het een met gele zijde gestoffeerde salon is—daartoe

bijzonder geschikt bevonden. Gij moet namelijk weten, dat de geesten

volstrekt geen genoegen nemen met iedere kamer. Er zijn bepaalde

afmetingen noodig.

„De geluiden mogen in een dergelijk vertrek niet al te duidelijk zijn,

maar zoo zacht mogelijk klinken, want de geesten houden er niet van,

zich al te luide te openbaren.... Alles moet op zachten en gedempten

toon toegaan, ook zijn zij gevoelig voor leelijke en schelle

kleuren.... Ja, u glimlacht, mijne heeren, maar wie, zooals ik, reeds

jarenlang in innig contact staat met hen, die niet meer bij ons zijn,

en die ons toch voortdurend omringen, die heeft geleerd, hen te

begrijpen en rekening te houden met hun wenschen!

„Als de gastheer het toestaat, zullen wij ons naar boven begeven naar

dat vertrek!”

Een bijna plechtige stemming had zich meester gemaakt van het kleine

gezelschap. De meeste van deze anders zoo spotlustige en oppervlakkige

menschen waren onder den indruk van het geheimzinnige, waarmee de

overigens zoo verlichte Engelschen zich gaarne omgeven.

Er was misschien niemand onder hen, die de gemeenschap met de

onbelichaamde geesten voor onmogelijk hield en de markies di Sao Balbo

verzamelde een tamelijk geloovig gezelschap om zich heen, toen men het

gele salon had bereikt en de bedienden van den Lord met groote snelheid

de meubelen, op enkele stoelen na, hadden verwijderd.

Een kleine tafel, bedekt met een zwart fluweelen kleed, bleef in het

midden van het vertrek staan, en daarvoor nam de markies di Sao Balbo

plaats, gezeten op een tabouret, waarop hij eenige kussens had gelegd.

Het slot was voorzien van electrisch licht. Een geweldige dynamo, wier

geluid verloren ging in de gewelfde kelderruimte, verschafte den

stroom, die het geheele kasteel, dat te midden der landelijke

eenzaamheid lag, verlichtte.

Behalve een enkele vlam, werden alle lichten uitgedraaid.

Het was volkomen stil in het niet overgroote vertrek, waarin de

voorname Engelsche dames en heeren op tamelijken afstand van den

markies zaten te wachten op de dingen, die komen zouden.

De kleine, met een tot op den grond afhangend kleed bedekte tafel, ging

nu onder de handen van den markies ongeveer een voet de hoogte in en

begon met schommelende bewegingen in een halven cirkel om den

Zuid-Amerikaan heen te draaien.

Tegelijkertijd vernam men, als uit de diepte komend, een gegons van

stemmen, alsof menschen in een vreemde taal een ernstig lied zongen.

Dat duurde ongeveer een minuut en hield toen plotseling op, terwijl de

tafel weer tot op den vloer neerdaalde en daar bleef staan.

Nu stond de markies op, hij liep naar den muur, waar niemand zat en nam

een klein pakje uit zijn zak, waaruit hij, bukkend, op ongeveer twee

meter afstand van den muur, een witachtig poeder op den vloer strooide.

Nadat hij dit met een waslucifer in brand had gestoken, sprong hij

terug, terwijl het vuur zich bliksemsnel over het poeder verspreidde.

De hiermee gepaard gaande zwakke knal had de dames verschrikt, maar nog

voordat zij van de verbazing waren bekomen, zweefden roode, welriekende

wolken langs den met zijde bekleeden muur omhoog.

Uit dezen nevel, die langzamerhand wegtrok door een venster, dat de

markies had geopend, kwam een klein wezen te voorschijn van nauwelijks

een meter lengte, misvormd en gebocheld en met een wanstaltig,

buitengewoon leelijk hoofd.

Terwijl hij met boosaardige roofdieroogen het voorname gezelschap

opnam, bleef de kleine man tegen den muur staan; daarna keek hij op

naar den markies, die plotseling een kleine zweep in de hand hield,

waarmee hij den dwerg dreigde. (Zie het titelblad.)

„Wat een verschrikkelijk schepsel!” fluisterde de schoone Lilith, „o,

kijk eens hoe vies hij eruit ziet!”

Maar haar vriendin, tot wie deze woorden gericht waren, keek sidderend

naar haar oom, kolonel Goal, die in het halfdonker van de kamer veel

minder notitie nam van den geheimzinnigen dwerg dan van de mooie

Florence, wier gestalte hij met begeerige blikken verslond.

Op dit oogenblik weerklonk de stem van den geesten-bezweerder met bijna

onherkenbaren klank. Op bevelenden toon klonk het:

„Vertel ons, wie je bent!”

De dwerg kromde zich als een worm, maar scheen niet van plan om te

antwoorden. Eerst toen de markies hem met de zweep dreigde, stiet hij

eenige onsamenhangende geluiden, uit, waaruit men alleen kon begrijpen,

dat hij „Jim Gocky” heette en weer weg wilde.

„Je blijft!” gebood hem de markies, „en je zult ons zeggen, wat je weet

van Raffles, die zich de Groote Onbekende noemt!”

De dwerg grijnsde als een duivel; eindelijk sprak hij:

„....hij is er.... daar is hij.... en hij is weer verdwenen....! Als

hij komt, luidt de groote bel.... waar geld of schatten verborgen zijn,

weet hij ze te vinden.... Hij neemt het van de rijken en geeft het aan

de armen....”

Zonder zich te storen aan de verbaasde uitroepen van de toeschouwers,

vroeg de markies verder met de grootste kalmte:

„En kun je ook vertellen, Jim Gocky, waarheen John Raffles zich den

eerstvolgenden keer zal begeven?”

De dwerg aarzelde weer, hij scheen weer geen lust te hebben om te

antwoorden.

Met een sprong stond de markies naast hem, de zweep snorde door de

lucht en de kleine man sloeg als om genade smeekend de handen voor het

gelaat Daarop schreeuwde hij:

„Hierheen zal hij komen....! Hierheen komt hij, reeds morgen....”

Lord Clifford was opgestaan en sprak met eenigszins onvaste stem tot

den markies:

„Zoudt u hem eens willen vragen, wat Raffles hier zal komen doen?”

Maar er was geen woord meer uit den dwerg te krijgen. Hij hurkte op den

vloer neer en keek om zich heen als een getergd aapje, dat angstig een

uitweg zoekt om te vluchten.

De markies haalde de schouders op, daarop nam hij weer het pakje met

het witte poeder uit zijn zak en strooide de rest ervan op dezelfde

wijze als daarstraks langs den muur en rondom den dwerg.

Het waslucifertje vlamde op, rozeroode, welriekende wolken stegen op

naar het plafond en toen deze waren verdwenen, was er ook van den dwerg

niets meer te zien.

Maar een koude tocht trok door de kamer en Sir Edward Touston, de

ongeloovigste van het gezelschap, sprak tot zijn vriend Lord Clifford:

„Vanwaar kwam plotseling die koude luchtstroom? De deuren en vensters

zijn toch gesloten!”

De dames omringden vol bewondering den markies en vroegen hem om

opheldering van het vreemde geval. Deze echter maakte er zich af met

een fijnen glimlach. Hij ging naar beneden en verzocht den gastheer,

zijn automobiel te laten voorrijden, daar hij nog naar Londen moest,

waar hij in de Club werd verwacht

Tegelijk met den Zuid-Amerikaan nam, ondanks het algemeene protest der

aanwezigen, diens jonge vriend, Mr. Rudge Fitzgerald, afscheid en

eenige minuten later hoorde men het zich verwijderend getuf van den

Mercedes-wagen.

VIERDE HOOFDSTUK.

IN „BLACK HORSE”.

Tegen den avond van dienzelfden dag had een ondoordringbare mist zich

boven Londen samengepakt. De menschen waren omhuld door dikke, zwarte

wolken en het was zeer gevaarlijk voor hen, die niet nauwkeurig den weg

in deze reuzenstad kenden. Op de hoeken der straten zag men met

brandende fakkels voorziene jongens staan, die zich aanboden om de

personen, die in den mist mochten zijn verdwaald, weer op den goeden

weg te brengen.

Hoe ongelooflijk het ook klinkt, toch is het een feit, dat men op een

afstand van drie schreden niets meer kan onderscheiden in dezen

ondoordringbaren nevel, die daarenboven de ademhaling bijna onmogelijk

maakt.

De couranten bevatten na een dergelijken mist steeds lange lijsten van

verongelukte en zoek geraakte personen. En dat is het nog niet alleen,

waaraan de Londenaar in die dagen is blootgesteld, maar beschermd door

dezen vuilen sluier, die de geheele stad in zijn geheimzinnige

ondoordringbaarheid verborgen houdt, loert overal de misdaad!

In het Oostelijk deel der stad ligt de wijk der ellende: Whitechapel.

Een net en fatsoenlijk gekleed mensch behoort daar tot de

zeldzaamheden; in de goten vindt men beschonken mannen en, wat nog

erger is, beschonken vrouwen.

Daar, waar Whitechapel Road eindigt en waar Mile End begint, gaat naar

rechts de Sidney Street Op dien hoek, verlicht door een straatlantaarn,

stond midden in den nevel, in pikdonkeren nacht, een hooge gestalte in

een wijden zwarten mantel.

Het scheen, alsof de man, die op geen vijf pas afstands te zien was, op

iemand wachtte.

Een torenklok verkondigde het middernachtelijk uur.

Na eenige oogenblikken ging de onbekende de Sidney-street in, waar hij

bij den hoek der eerstvolgende zijstraat weer bleef staan wachten.

Hoewel hij in gedachten verdiept scheen te zijn, ontsnapte het toch

niet aan zijn aandacht, dat door den nevel heen iets naderbij kwam.

En plotseling werd hij van twee kanten tegelijk beetgepakt, terwijl men

trachtte, hem neer te werpen.

De onbekende verdedigde zich niet, hij bewoog zich nauwelijks, hij

sprak slechts een enkel woord.

Even snel als zij hem hadden aangevallen, lieten de aanranders hem los.

Een van hen mompelde:

„Vergeef het ons, mijnheer, dat komt van den mist!”

Daarop verdwenen beiden in de duisternis, terwijl zij den eenzamen man,

die heilig scheen in de oogen van roovers en moordenaars, alleen

achterlieten.

Deze vervolgde zijn weg, totdat hij in een herberg kwam, wier

verlichting een zwak schijnsel op straat wierp. Maar hij ging de deur

van het gebouw voorbij, liep naar den muur en was opeens verdwenen, als

opgeslokt door de zwarte, vochtige wolken.

In de herberg, die bij de misdadigers, welke hier samenkwamen, bekend

stond onder den naam „Black Horse” (Het Zwarte Paard), heerschte een

vreeselijk lawaai.

Het was een groot vertrek gelijkvloers, dat, gevuld met menschen en

sigarenwalm, een helsch schouwspel vertoonde.

Meiden van het minste allooi, met oude, vuile zijden lappen opgedirkt,

met rood geschilderde wangen en zwart omrande oogen, hokten hier samen

met haar minnaars, van wie geen enkele zijn brood op eerlijke wijze

verdiende.

Op een podium achter in de zaal droegen een neger en een negerin

schuine liedjes voor, waarbij zij op de banjo speelden. Het schrille,

oorverdoovende geluid van het instrument werd echter door het ruwe

geschreeuw en het krijschende lachen der gasten overstemd.

Op eenigen afstand daarvan zaten aan een lange tafel verscheiden

mannen, die zich bezighielden met allerlei hazardspelletjes. Tusschen

hen bevonden zich ook eenige lieden, naar hun roode haren te oordeelen,

Ieren, die niet tot de gewone bezoekers behoorden, maar welke hierheen

gelokt waren en nu blijkbaar werden uitgeplunderd.

Reeds beschonken door den hun aangeboden jenever en whiskey, volgden de

Ieren met starende blikken het verdwijnen van hun zuur verdiende

shillingen.

Plotseling echter scheen een van hen argwaan te krijgen. Misschien had

hij opgemerkt met welke oneerlijke praktijken de bankhouder zich

ophield. De Ier greep, terwijl hij met zijn geheele bovenlijf over de

tafel leunde, naar zijn inzet, om zoodoende het geld weer in zijn bezit

te krijgen.

Maar de bankhouder, een kerel met een boeventronie, haalde in een

oogwenk een lang mes te voorschijn en nagelde daarmee met een enkelen

stoot de hand van den Ier op de eikenhouten tafel vast.

De man brulde als een stier, die een bijlslag heeft gekregen! Hij en

zijn makker deden alle moeite om de stevig aan de tafel vastzittende

hand te bevrijden en nu ontstond een verschrikkelijk tumult, een woeste

vechtpartij begon en de beide Ieren, waarvan de eene bijna bewusteloos

was geworden door pijn en bloedverlies, werden steeds meer naar den

uitgang gedrongen.

Daar weerklonk te midden van het rumoer, het aanhoudend luiden van een

bel! Het was, alsof dit geluid verlammend werkte op alle aanwezigen.

Angstige stilte volgde op het ongehoorde alarm en toen men de deur weer

had gesloten achter de beide naar buiten gedreven Ieren, durfden de

gasten slechts nog op fluisterenden toon met elkander te praten.

„Hij....! Hij is er....! Hij!”

De herbergier, wiens buffet met ijzeren rasterwerk was

afgesloten—alleen door een kleine opening, die afgesloten kon worden,

bediende hij zijn gasten—verliet, nadat hij het loketje gesloten had,

zijn plaats achter de toonbank door een zijdeur en liet zijn gasten

over aan hun bijgeloovige vrees.

Niet lang daarna kwam de herbergier, wien men „Double” (de dubbele)

noemde, waarschijnlijk wegens zijn enormen lichaamsbouw en

ongelooflijke kracht, in het lokaal terug, op luiden toon twee namen

uitroepende:

„Red Bill en Tête Renard!”

De „Rooje” en „Vossekop”, welke laatste op afschuwelijke wijze geleek

op het roofdier, waaraan hij zijn bijnaam te danken had, gingen stil en

bescheiden naar de kleine deur, die de herbergier voor hen had

opengesloten en waren, blijkbaar benijd door hun makkers, een oogenblik

later verdwenen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

„HIJ”.

De beide mannen volgden als schuwe kinderen den kastelein eene trap op,

daarna door een gang weer naar beneden, om vervolgens een andere trap

te bestijgen, totdat zij, in een ander gebouw aangekomen, voor een deur

bleven staan, waardoor de herbergier verdween.

Toen deze deur weer geopend werd, zagen de mannen het voorste gedeelte

van een vertrek, dat met overdadige weelde was ingericht en dat door

middel van zware, donkerrood fluwelen gordijnen in twee helften was

verdeeld.

Vossekop en de Rooje bleven met onderdanigen eerbied op eenige passen

afstand van deze portière staan. Opeens klonk een zilveren bel,

dezelfde, die zooeven de geheele misdadigersbende had doen ineenkrimpen

van schrik en dit geluid werd driemaal herhaald.

De beide mannen durfden nauwelijks ademhalen.

Hij was in hun nabijheid!

Hij zou hun zijne bevelen geven....!

Zij wisten, dat zij hem moesten gehoorzamen en dat hun de dood wachtte,

als zij zich zouden willen onttrekken aan dat, wat hij van hen eischte.

En zij dachten er geen oogenblik aan, hem ongehoorzaam te zijn. Evenals

al hun kameraden vereerden zij dezen geheimzinnigen man, wien geen

hunner nog ooit had gezien en die als een God over deze ruwe kerels

heerschte.

Zij wisten ook, dat zij niet beter konden doen dan stipt te

gehoorzamen. Hij, in wiens dienst zij allen stonden, was mild als een

vorst.

Wanneer een van hen allen in moeilijkheden of ellende verkeerde, dan

kreeg hij op soms onverklaarbare wijze hulp en bijstand. Hij vond

vrienden, waar hij vroeger niemand had gekend. De knapste advocaten

namen kosteloos zijn verdediging op zich, als hij voor het gerecht

moest komen.

Geraakte hij in de gevangenis, dan werden hem op geheimzinnige wijze

allerlei tegemoetkomingen verleend, in sommige gevallen openden zich

zelfs de poorten van dit sombere gebouw voor hem of onzichtbare handen

verschaften hem in zijn cel de werktuigen met wier behulp hij zich kon

bevrijden.

Aan al deze dingen dachten misschien de beide geslepen spitsboeven,

toen de zilveren bel weerklonk en een heldere, bijzonder kalme stem

achter de rood-fluweelen gordijnen de woorden sprak:

„Ik heb jullie laten roepen, omdat ge nog dezen nacht naar Kilburn moet

gaan. Gij moet daar een document gaan halen en het is best mogelijk,

dat men het u lastig zal maken. Ik zeg jullie echter bij dezen, dat je

alleen dàn levend moogt terugkomen, als ge het document in handen hebt.

De inrichting van het huis, waarin zich het stuk bevindt, en alles, wat

gij verder nog dient te weten, zal men u dadelijk uiteenzetten!”

Bij de laatste woorden scheen het licht uit te gaan achter de fluweelen

portière en een oogenblik stonden de beide boeven in pikdonker. Daarna

echter werd het weer helder licht en plotseling stond een kleine,

misvormde man voor hen, niet grooter dan een tienjarige knaap, met een

afschuwelijk gevormd hoofd en verfoeilijke gelaatstrekken.

Het was dezelfde dwerg, die des avonds in Het slot van Lord Clifford

was verschenen en wien markies di Sao Balbo naar den geheimzinnigen

Raffles had gevraagd.

De kleine misvormde man gaf den Belg een zwart couvert, dat op de

keerzijde voorzien was van de gouden letters „J. R.”

Daarop ging het mannetje naar de deur, opende deze en boog met een

hoonenden grijnslach tegen de beide misdadigers, die nu heengingen.

De beide kerels hadden den moed niet, den brief dadelijk te openen.

Buiten de deur wachtte de herbergier weer op hen, die hen naar de kroeg

teruggeleidde. Hij volgde nu echter een anderen weg.

Eerst toen zij weer in „Black Horse”, de herberg, die als

verzamelplaats der misdadigers diende, waren teruggekeerd en in een

eenzaam hoekje hadden plaats genomen, maakten zij het couvert open.

Zij vonden daarin een klein briefje, waarop met de schrijfmachine was

geschreven:

Kilburn, Gloucester Street 3. Colonel Goal. Gevaarlijke hond.

Vanuit den tuin door het raam. Gewapende bediende; onschadelijk

maken. Gelijkvloers rechterhand studeerkamer. Schrijftafel, geheim

vak document, dadelijk meebrengen.

JOHN C. RAFFLES.

En de twee voor niets terugdeinzende kameraden aarzelden geen oogenblik

om het hun gegeven bevel uit te voeren.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE GESTOLEN MILLIOENEN.

Men had gelachen in de villa Van Lord Clifford om de voorspellingen van

het mannetje, wiens verschijning verschillende leden van het

gezelschap, dat de séance had bijgewoond, toeschreven aan een handig

goochelkunstje van den markies di Sao Balbo.

Dergelijke spiritistische séances worden dikwijls gehouden in Engelsche

gezelschappen en de soms zeer verrassende resultaten verbazen niemand

meer.

Al naarmate het publiek minder of meer goedgeloovig is, beschouwt men

ze als werkelijke uitingen van de geestenwereld, of wel men ziet er

slechts de goedgelukte kunstjes in van een soort toovenaar of

goochelaar.

Toch had Lord Clifford, die onmetelijk rijk was, maar die niet veel

lust gevoelde om een zoo groote som te verliezen, een beroemd detective

bij zich laten komen.

Met groote gastvrijheid stelde hij Mr. Holliday, den detective, aan

zijn logé’s voor, welke geen van allen lieten merken, hoe weinig deze

corpulente persoon met zijn zelfbewusten blik deze fijnbeschaafde

aristocraten in hun midden welkom was.

Het was het uurtje van de five o’clock tea en de dames hadden zich in

haar lichte avondtoiletten reeds in de hal verzameld. Slechts Miss

Florence Goal, de nicht van den overste, en deze zelf ontbraken nog.

Markies di Sao Balbo onderhield zich met den detective, die hem lange

verhalen deed over zijn voortdurend succes.

„Ik ben dezen Grooten Onbekende reeds lang op het spoor”, snoefde hij,

„en ik kan u verzekeren, heer markies, dat de kerel eigenlijk een

groote stommerd is. Hij vertelt van te voren, waar hij zal komen

stelen! Daarenboven geeft hij overal brieven af! Zijn zwarte brieven

zijn reeds berucht geworden!

„Geloof mij, heer markies, het kan niet zoo heel moeilijk zijn, om zulk

een onvoorzichtigen misdadiger te ontmaskeren....!”

Een ironisch lachje speelde om den mond van den markies, toen hij

antwoordde:

„Voor zoover ik weet, voert deze geheimzinnige persoon zijn praktijken

reeds meer dan een jaar lang uit. Mij dunkt, Mr. Holliday, dat gij en

uw collega’s gelegenheid genoeg hebt gehad om den Grooten Onbekende in

uw bezit te krijgen.”

De detective lachte gemaakt en sprak:

„Zeer juist, zeer juist! Maar het is heel moeilijk om toegang te

verkrijgen tot de aristocratische gezelschappen. Men roept mijn hulp

eerst dan in, als de diefstal reeds gepleegd is en als het spoor van

den dief verloren is gegaan. Het is juist zoo merkwaardig dat deze man

altijd soirées, jachtpartijen of bals uitzoekt om zijn slag te slaan.”

De markies knikte toestemmend.

„Nu, deze keer zal het beter gaan. Onze gastheer heeft tijdig aan u

gedacht en juist u hier laten komen, omdat gij als zeer bekwaam bekend

zijt! Ik hoop, dat gij ons het genoegen zult doen, den dief, als hij

ten minste komt, in ons bijzijn te vangen.”

Na deze woorden verdween de markies met een hoofdknik door de zware

pluche gordijnen naar de aangrenzende bibliotheek. Hij wist, dat dit

vertrek een uitgang had naar een zijgang, waardoor men ook naar de

bovenverdieping kon komen. Zonder dat zijn schreden hoorbaar waren op

de dikke loopers, spoedde hij zich naar boven, waar hij geruischloos

naar de deur van Florence’s kamer sloop.

Zijn hart was vervuld van medelijden met het jonge meisje, wier groote,

zielvolle oogen steeds vol droefheid op hem gericht waren en hij

vreesde voor haar, sinds hij gisteren had vernomen, welk een

hardnekkigen vijand zij in haar oom bezat.

Een geruimen tijd hoorde hij niets. Daarop echter vernam hij zuchten en

kermen en het kwam hem voor, als hoorde hij Florence’s zachte stem en

daartusschen dreigende woorden van den ouden overste.

Opeens klonk daar binnen een gil, de markies opende de deur en trad de

kamer binnen, waarin hij den overste bij een tafel zag staan. Zijn

rechterhand bloedde, terwijl Miss Florence doodsbleek, met groote,

angstige oogen een eind van haar oom verwijderd, tegen een kast leunde.

„Wat wilt gij hier?” beet de oude kolonel den markies toe.

„Ik vraag excuus, als ik stoor”, antwoordde deze, „maar ik hoorde den

hulpkreet van een vrouw en meende misschien van dienst te kunnen zijn.”

„Niemand verlangt uw hulp, gij zijt een indringer!” riep de kolonel

uit. „Ik begrijp niet, hoe men zoo onbeschaamd kan zijn, zonder

toestemming de kamer van een ander binnen te dringen.”

De markies zag, dat bij het jonge meisje een kleine dolk op den vloer

lag. Hij begreep uit de houding dezer twee menschen, uit de gewonde

hand van den overste en de doodelijke bleekheid, die het schoone gelaat

van Miss Florence bedekte, wat hier gebeurd was: De overste had

getracht, geweld te gebruiken om zijn nicht tot zijn slachtoffer te

maken en het arme meisje, wie niets anders overbleef, had zich van een

wapen bediend, dat zij als laatste verdedigingsmiddel steeds bij zich

droeg.

De rijzige man met het trotsche gelaat wisselde een langen blik van

verstandhouding met Florence Goal en ging daarna naar de deur terug,

terwijl hij sprak:

„Het gezelschap is reeds in de hall bijeen en men mist u reeds,

kolonel! Veroorloof mij u den raad te geven, niet al te lang meer hier

boven te blijven!”

De overste wilde een onaangenaam antwoord geven, maar in de donkere

oogen tegenover hem lag zulk een gebiedende uitdrukking, dat de oude

militair zich met een minachtend schouderophalen omdraaide en het aan

zijn nicht overliet, te antwoorden:

„Oom en ik verzoeken u, heer markies, ons nog eenige oogenblikken te

willen verontschuldigen. Wij zullen dadelijk komen.”

Toen na een korte poos—de markies was weer in de hall teruggekeerd en

stond met den gastheer te praten—kolonel Goal en zijn nicht tusschen de

gasten waren verschenen, bemerkte markies di Sao Balbo, dat de hand van

den overste met een breede streep pleister was bedekt.

Hij glimlachte even en bewonderde den heldenmoed van het geliefde

meisje, dat met het wapen in de hand haar eer verdedigde.

Er werd gemusiceerd en eenige der heeren, waaronder ook Sir Edward

Touston, begaven zich naar het rooksalon, om daar een partij piquet te

spelen, waaraan echter de overste geen deel nam.

Deze waakte met Argusoogen over zijn nicht en de Zuid-Amerikaan had

zoodoende geen gelegenheid, het jonge meisje te naderen.

Mr. James Holliday, de detective, had het hoogste woord. Hij onderhield

de dames met afschuwelijke rooververhalen, waarin hijzelf steeds de

voornaamste rol speelde.

In den loop van den avond zocht Mrs. Morton den markies te naderen.

Hij zat in een fauteuil en bekeek een portefeuille met kopergravures,

die kiekjes voorstelden uit de Schotsche Hooglanden, toen hij

plotseling door een bekende stem zijn naam hoorde uitspreken.

„Raoul....! Hoe lang denk je, dat ik nog geduld zal hebben....? Ik wil

alles voor je doen! Zelfs mijn met moeite veroverde plaats in deze

gezelschappen wil ik prijs geven! Ik wil alleen jou hebben....! Maar

zonder jou kan en wil ik niet leven. Zeg mij dus, hoe je erover denkt,

of....”

Door haar gloeienden hartstocht overmand, was hij niet in staat, nog

een woord te zeggen.

De markies had met een koel glimlachje haar Mabel Morton geluisterd en,

terwijl hij schijnbaar vol aandacht naar de Schotsche Hooglanden keek,

antwoordde hij, even zacht als zij had gesproken:

„Wat wilt gij eigenlijk van mij?”

De kleine, gevulde gestalte, die haar donkergelokt hoofd over de platen

had gebogen, beefde zoo, dat hij het aan haar arm merkte, die den zijne

aanraakte. En bijna gevoelde hij medelijden met haar.

Maar daarop gleed zijn blik snel en onmerkbaar naar de andere zijde van

het vertrek, waar Florence Goal en Lilith Clifford bij elkaar stonden,

een heerlijk contrast samen vormend van goudblond en kastanjebruin.

En met hetzelfde koude glimlachje op zijn gebruind gelaat fluisterde

hij:

„Doe wat u goeddunkt. Ik hoop, dat men uw verhalen zal gelooven!”

Daarop stond hij met een beleefde buiging op en ging met een

vastberaden trek op het gelaat naar de beide jonge meisjes, die hem met

een vroolijken lach verwelkomden.

De thee werd rondgediend en men nam van de sandwiches en gebakjes, die

de bedienden presenteerden, terwijl de liefhebbers van alcoholische

dranken zich te goed konden doen aan velerlei fijne merken.

Tegen tien uur nam kolonel Goal afscheid en Florence moest zijn

gebiedenden wenk om hem te volgen, gehoorzamen. Maar toen zij dicht

langs den markies heenging, hoorde zij de fluisterende woorden uit zijn

mond:

„Vrees niets, ik waak!”

Zij groette hem met een glimlachende buiging van haar mooi kopje.

De andere dames volgden spoedig daarop en ook eenige heeren trokken

zich op hun kamers terug; andere bleven nog in het rooksalon, waar

gespeeld werd. Hierheen begaf zich ook de markies di Sao Balbo.

Alleen de detective en Lord Clifford bleven in de hall achter.

„Het blijft dus bij onze afspraak”, zei de Lord, „en ik hoop, dat gij

alle mogelijke maatregelen genomen zult hebben, Mr. Holliday.”

Deze knikte toestemmend.

„Zeker, Mylord, mijn beide helpers moeten dadelijk komen!”

Tegelijkertijd hoorde men het verwijderd geluid van de bel en

onmiddellijk daarop kondigde een bediende twee heeren aan, die Mr.

Holliday wenschten te spreken.

„Daar zijn zij!” riep deze op gewichtigen toon uit.

Eenige oogenblikken later leidde de bediende twee niet zeer elegant

gekleede heeren binnen, die naar hun uiterlijk veel overeenkomst hadden

met oude, afgedankte soldaten van het koloniale leger. Het waren lange,

magere kerels met diepliggende oogen in de geelbruine gezichten. Zij

zagen er beiden naar uit, alsof zij niet vies waren van een flinken

borrel.

De Lord gaf bevel, beiden mannen te eten en te drinken te geven in de

dienstbodenvertrekken natuurlijk.

Toen hij weer met Mr. Holliday alleen was, vroeg hij:

„Gij wenscht dus zelf mijn studeerkamer te bewaken?”

„Ja, ik zelf denk daar te blijven. Mijn beide speurhonden zet ik in de

bibliotheek en de hall. Zoodoende kan niemand mij naderen, of hij moet

hen eerst passeeren. En ik verzeker u, Mylord, dat die twee stevige

vuisten hebben! En al was John Raffles een spook, of al kwam hij door

den muur of het raam, dan toch zou hij eerst mij voorbij moeten. En ik,

Mylord, ik.... Kijk mij eens aan; zooals ik hier voor u sta, zal ik met

dezen kerel, met dezen schurk, dezen belachelijken spitsboef het eerste

honderdtal misdadigers volmaken, die ik reeds achter de tralies heb

gebracht!”

Onaangenaam aangedaan door deze groote zelfingenomenheid, nam Lord

Clifford afscheid van den detective, die nu door de bibliotheek naar de

studeerkamer van den Lord ging, waar diens brandkast zich bevond.

Daar nam Holliday plaats in een stoel bij het vuur, zette zijn groote

voeten op het koperen hekje rondom den haard en begon zijn taak. Hij

hoorde, hoe de gasten van den Lord zich in de bibliotheek nog op luiden

toon met elkaar onderhielden, hoe daarna de piquetspelers opstonden en

zich langzaam verwijderden.

Lord Lister No. 0009: Om goud en liefde · 第 1 / 4 段