in ontzaglijken getale teruggekomen. Zij weten maar al te goed, zij
hebben geleerd, en gezien dat er met de Ukraniërs niet te spotten
valt. Daarom zullen zij al hun troepen op de been brengen en door
overmacht dat kleine dappere volk trachten te overwinnen.
XIX.
LAATSTE KRANSEN.
Alles was ongelukkig en noodlottig gegaan!
"Hebben wij nog ver te loopen?" vroeg Maroessia.
"Je bent zeker erg vermoeid, liefste?" vroeg haar groote vriend
aan haar.
"Neen, ik ben niet vermoeid; ik wilde alleen maar weten, of wij nog
een groot stuk af te leggen hebben."
"Gelukkig niet. Zie je dat bosch aan onze rechterhand? Welnu, daarin
zullen wij uitrusten. Maar zijn je krachten uitgeput, mijn kind?"
"Neen, neen... Heusch niet."
"Je zegt, dat je niet vermoeid bent," hernam haar groote vriend
glimlachende. "Ben je daar wel zeker van? Ach, m'n kind, ik zie het
aan je gezicht, je bent doodop; kom, ik zal je dragen."
En voordat de kleine het kon beletten, zat zij op zijn arm.
"Neen, neen, ik wil niet, dat u mij draagt!" riep het kleine meisje
uit. "U bent meer vermoeid dan ik; ik wil het niet, ik wil het niet..."
En bij zich zelf zeide zij: "Als een soldaat, die den oorlog zoolang
meegemaakt heeft," (die soldaat was zij), "die overwinnaar en zelfs
overwonnene geweest is, zich laat dragen, terwijl hij niet eens
gekwetst is, dat is schandelijk!"
Maar de forsche armen van haar grooten vriend wisten niet van loslaten,
als zij eens iets omvat hielden. Eenige zoete woordjes overwonnen
den tegenstand van den kleinen soldaat. Maroessia sloeg haar armen om
den gebruinden hals van haar vriend en legde haar vermoeid hoofd op
zijn krachtigen schouder neer. Na een geheel jaar, waarin zij alles
had overtroffen, wat men van haar leeftijd kon verwachten, gevoelde
de kleine heldin zich gelukkig, weer een kind te zijn.
De dag liep ten einde. De stralen der zon waren niet zoo brandend
meer. De weg, of liever het voetpad, kronkelde zich nu eens door
velden, waarop gerst, rogge en tarwe stonden,--er waren dien kant uit
nog eenige velden, die niet verwoest waren,--dan weer door kleine
boschjes, vol bloemen, geuren en vogelnestjes. Vogels, vlinders en
bijen vlogen en gonsden, alsof er niets in de wereld veranderd was;
hun kleine Ukraine was niet overrompeld en wist niets van de algemeene
ellende af. De stralen der zon drongen door de bladeren heen, zonder
zich te herinneren, dat zij nog den vorigen dag, en niet zeer ver
van daar, een bloedbad hadden beschenen.
Zij gingen nu langs een korenveld. "Wat een hoop korenbloemen!" zei
de groote vriend; "kijk eens, Maroessia, wij hebben er nooit zooveel
en zulke mooie gezien."
"Hoor eens, Maroessia," ging hij voort, "ik geloof, dat wij hier
eens gaan zitten; je kleine vingertjes kunnen dan eens een krans van
korenbloemen voor mij vlechten."
Hij had het kleine meisje op het gras neergezet, en terwijl hij
zijn langen arm uitstrekte, begon hij al de korenbloemen te plukken,
die er binnen zijn bereik waren.
"Pluk de stelen niet te kort af," zei Maroessia tegen hem, "dan zal
het gemakkelijker gaan om er een krans van te vlechten."
Maar haar groote vriend was in bloemenplukken niet erg bedreven. Om
lange stelen te krijgen, rukte hij soms de heele plant uit den grond.
"Dat moet u niet doen," zei Maroessia tegen hem, "dat is jammer voor
hen, die hier na ons zullen voorbijkomen, en ook voor het volgende
jaar. De uitgetrokken planten bloeien nooit meer uit. Zoo plukt men
geen bloemen. Als u bij moeder waart, zoudt u beknord worden!"
De groote vriend vond deze bestraffing verdiend, maar hij liet er
zich niet door ontmoedigen. Hij trachtte het nu beter te doen.
"Ik ben slecht met het plukken van bloemen bekend," zei hij. "Ik ben
als die arme jongen, die, toen hij God in de kerk wilde aanbidden
en den grond kussen, een grooten buil in zijn voorhoofd kreeg, omdat
hij tegen de steenen aanstiet."
"Zeg mij maar niets, om mij aan het lachen te maken!" riep Maroessia
hem toe. "Houd maar op! Het is genoeg! Kom nu bij mij zitten. U hebt
er zooveel geplukt, dat ik er geen raad mee weet. Ik ben er bijna
onder bedolven, 't Is genoeg om honderd kransen te vlechten."
En de kleine trachtte een weinig orde in den oogst van haar vriend
te brengen.
"Zeg het mij maar ronduit," zei haar groote vriend. "Wil je er nog
meer hebben?"
"Wel nee, het is genoeg, het is tienmaal meer dan ik noodig heb. Ga
nu ook wat uitrusten."
Haar groote vriend zette zich naast haar neer en volgde met veel
belangstelling, nu eens het werk der kleine vingers, die een krans
vlochten, dan weder de veranderingen op het gelaat van Maroessia. Was
zij zooeven nog vroolijk, thans was zij plotseling ernstig geworden.
"Waar denkt mijn kind aan?" zei hij tegen Maroessia.
Zij aarzelde hierop te antwoorden; maar al spoedig verborg zij haar
blond kopje aan de borst van haar vriend en zei tegen hem:
"Ik dacht aan de korenbloemen bij ons huis en aan de kransen, die
ik vroeger vlocht, en ook aan die, welke moeder voor mij maakte,
toen ik ook nog klein was."
"Dat was in den gelukkigen tijd," zei Tsjetsjewiek, "toen de kinderen
zelf de verplichting niet hadden om kleine helden te zijn. Ach,
beste meid, mijn komst in het huis van je vader en moeder is geen
geluk voor je geweest, en evenmin voor hen."
Het kind legde hem eensklaps de hand op den mond en begon te huilen.
"Zwijg!" zei ze zacht. "Ontneem mij den moed niet, dien vader zelf
mij heeft bevolen,--den moed, dien ik nog noodig heb, en dien ik moet
hebben en zal hebben tot aan het einde. Vertel liever eens, waar is
Mefodijewna, onze Mefodijewna, die zooveel van u hield? Waar is de
vrije Ukraine?"
Tsjetsjewiek viel haar in de rede.
"Ja, waar is Mefodijewna?"
Zijn hoofd viel somber op zijn beide handen. Geen van beiden dacht
meer aan spreken.
Het kind was opgestaan.
Bij het hooren van haar stem deed de man dit ook; beiden namen elkander
bij de hand en begaven zich weer op weg. Na even voortgeloopen te
hebben, bemerkten zij een dorp. Een smal, met gras begroeid pad voerde
er heen.
"Zie je dit dorp, Maroessia?" zei de groote vriend tegen haar.
"Ja, ik zie het," antwoordde zij.
"Het is een groot dorp, niet waar?"
"Ja, het schijnt mij groot toe."
"Welnu, hoe grooter een dorp in onze ongelukkige Ukraine is, des te
meer echtgenooten, moeders, zusters, verloofden en kinderen bevinden
zich daarin; want langs dezen weg en langs andere zijn mannen, zonen,
broeders, aanstaanden en vaders ten strijde getrokken, en niemand
kan zeggen, hoe zij daaruit zullen terugkeeren. Die tijden zijn
vreeselijk. Maroessia, begrijp je dat?"
"Of ik het begrijp!" riep zij uit.
Zij liepen nog een geruimen tijd zwijgend voort.
Het bosch, dat zich in de verte als een donkere massa uitstrekte,
begon, naarmate men het naderde, zijn mooie, groene kleur weer aan te
nemen. Men zag aan den kant het donker groen der eiken en de lichtere
bladeren der berken.
"Wij zijn er in," zei haar groote vriend, terwijl hij de takken
wegboog en in het kreupelhout doordrong. "Wij zullen zoo aanstonds
aan een dichte plek komen, waar wij opnieuw halt zullen houden."
Deze dichte plek was niet zoo gemakkelijk te vinden. Het bosch was
zoo dicht, dat het bijna onmogelijk was, verder te komen. Zonder
nog te spreken van de takken, die in het gezicht sloegen, van
de doornstruiken, die de kleederen scheurden en van de vermolmde
boomstammen, die den doortocht versperden, verbond de reusachtige
hop al deze takken van boven, terwijl het wilde klimop en duizend
kruipende planten ze beneden met elkaar vereenigden.
De groote vriend van Maroessia wist echter wel, waar hij moest zijn;
hij had een doel, want hij onderzocht elken struik zorgvuldig, terwijl
hij naar alle geluiden luisterde en nu en dan bleef stilstaan om
na te denken en om op den grond en in het gras het spoor te vinden,
dat hij wenschte te ontdekken.
Eindelijk kwamen zij op de dichte plek aan. Vlak daarbij bevond zich
een open plaats, waar ruimte genoeg was, om halt te houden.
"Rust wat uit, Maroessia. Zie je dit gras en dit mos? Onze rijke hetman
zelf bezat zulk een schitterend tapijt niet. O, als deze weelde hem
voldoende geweest was! Als hij er zich vroeger rekenschap van had
gegeven, dat het goud de slechtste der afgoden is. Ga onder dezen
eik zitten: dat is de groote hetman van het bosch. Hij telt misschien
wel duizend jaren. Hij heeft alles gezien, zonder zich te verroeren."
Dicht bij dezen forschen eik lag op den grond, door de jaren
overwonnen, de tronk van een anderen eik, die in zijn tijd had moeten
wedijveren met dien, welke overeind was blijven staan. Toen de Setsj
er een blik op sloeg, zei hij bij zich zelf: "De bijl heeft nooit dien
boom aangeraakt. Hij heeft nooit de gewelddadigheden der menschen
te verduren gehad, zijn oude ledematen vertoonen geen enkele wond,
de bliksem heeft hem zelfs ontzien, en toch ligt hij daar op den
grond. Zoo neemt alles, wat een begin heeft, na verloop van dagen
of eeuwen een einde. Nog eenige jaren, en deze reus zal tot stof
terugkeeren; maar het stof is vruchtbaar, en weldra zal de eik in een
grasscheutje veranderen. Zoowel in het groot als in het klein is het
waar, dat de dingen zich zelf opwekken."
Het kind luisterde verwonderd naar hem.
"Hij is somber," zei zij bij zich zelf, "en daar heeft hij wel
reden voor."
Zonderling genoeg zag men op den naakten tronk van den ouden eik een
krans van korenbloemen liggen, bijna gelijk aan dien, welken Maroessia
gevlochten had. Hoe kwam dat? De korenbloemen zagen er nog frisch uit.
De blikken van Maroessia wendden zich te gelijk met die van haar
grooten vriend naar dit zonderling verschijnsel. Maar Maroessia gaf
er haar verbazing niet over te kennen, terwijl haar stilzwijgen haar
vriend niet verwonderde. Hij nam den krans in handen en legde dien
op den schoot van Maroessia.
"Die twee zijn juist een paar," zei hij. "Deze krans zegt ons, dat
wij in dit bosch niet alleen zijn; onze vrienden zijn op marsch,
en onze voorhoede is vooruitgegaan."
Eensklaps weerklonk er uit het dichtste van het bosch een geschreeuw,
maar het was niets anders dan het geschreeuw van een vogel, naar het
althans aan Maroessia toescheen.
"Het is zonder twijfel een jongmensch," zei haar groote vriend. "Zijn
stem is nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen. Een man in de
kracht zijns levens zou zich beter hebben doen verstaan."
------
FIGURE
------
Man met snor draagt meisje.
En nu deed haar groote vriend met behulp van zijn vingers, die hij naar
zijn lippen had gebracht, zoo'n scherp vogelgeschreeuw hooren, dat de
krachtigste zanger van het bosch er zich in zou vergist hebben. Dit
geschreeuw, dat zonder twijfel verscheidene mijlen ver in den omtrek
werd gehoord, werd weldra beantwoord. Van drie verschillende kanten
antwoordde hem een dergelijk geschreeuw.
"Je moet je niet ongerust maken," zei Tsjetsjewiek tegen
Maroessia. "Begrijp je, waarom het te doen is? Ik ben genoodzaakt,
je eenige oogenblikken alleen te laten. Blijf daar, verander niet
van plaats, ik zal je spoedig komen halen. Verlaat je post niet."
"Ik zal hier blijven," antwoordde Maroessia.
En zij dacht: "Het zijn zeker vrienden, aan wie hij bevelen of
aanwijzingen heeft gegeven voor het overige gedeelte van onze gevluchte
manschappen, die evenals wij vervolgd worden. Het is om ze te redden,
om ze te leiden of om ze nogmaals te verzamelen."
Haar groote vriend had de takken weggebogen, hij wilde zich een weg
door het kreupelbosch banen, maar er kwam een gedachte bij hem op; hij
wilde nog eenmaal een blik slaan op zijn dappere kleine metgezellin.
"Vooral geen sombere gedachten!" zei hij tegen haar. "Laat niets je
terneerslaan, noch vandaag, noch ooit."
"Neen, ik zal niet somber wezen," antwoordde Maroessia. "Ik zal
standvastig zijn. Wees maar gerust, ik ben nu tot alles in staat,
zelfs om te sterven."
Zij wisselden een laatsten blik. Toen verdween haar groote vriend in
het dichte bosch.
XX.
DE DOORBOORDE ZAKDOEK.
Maroessia boog zich voorover, om het geluid van zijn voetstappen des
te langer te hooren. Zoolang zij hem kon hooren, verbeeldde zij zich,
dat hij nog bij haar was. Maar weldra hield het gekraak van takken en
het geritsel van bladeren geheel op. Maroessia liet haar beide kransen
vallen, haar lief kopje boog zich voorover en, zonder het te weten,
begon zij na te denken, ja, na te denken.
Zij had zooveel schitterende dingen gezien, zij had zooveel
geheimzinnige en zooveel verschrikkelijke gebeurtenissen meegemaakt,
en de laatste waren zoo treurig! De verdedigers van de Ukraine,
eerst zoo beroemd, daar alles voor hen week, waren verslagen en daarna
verstrooid. "Ik geloof wel," zei ze bij zich zelf, "dat mijn vriend een
laatste poging wil wagen. Het is misschien wel een wanhopige poging,
maar toch zal hij haar doen!" Zij had gedurende dien langdurigen tocht
wel gevoeld, dat ieder van hun schreden een gevaar verborg. Welnu, wat
zou dat? Konden haar groote vriend en zij, de waarachtige Ukrainiërs,
de Ukraine wel overleven? Is het niet beter, te verdwijnen met hetgeen
men liefheeft?
Zij pijnigde zich het hoofd af, om er zich een verklaring van te geven,
dat de menschen, in plaats van elkander lief te hebben, wat haar zoo
gemakkelijk toescheen, hun best deden om elkander kwaad te doen. "Zocht
vader dan twist met zijn buren? Is hij ooit op de gedachte gekomen,
het land en het huis van een ander te nemen, hoewel hij er een paar
heel mooi vond? Waarom wil men ons van onze Ukraine berooven? Zij is
vruchtbaar, zij is het rijkste land van de aarde: is dat een reden
om diegenen daaruit te verdrijven, aan wie zij toebehoort?"
Het bosch werd somber, een onzichtbare hand trok langzamerhand een
reusachtigen zwarten sluier over deze massa's groen. Dat deed haar
denken aan het bosch uit haar sprookje van den bandiet en aan de vlucht
van de arme vrouw, wier geschiedenis zij aan haar vriend had verteld,
toen zij hem voor de eerste maal zag. "Zij was niet ongelukkiger
dan ik," dacht zij, "maar ik heb toch nog liever mijn verdriet dan
het hare."
De laatste lichtstralen, die door de bladeren heendrongen, speelden op
de takken. Zij verdwenen eindelijk geheel, en toen werd het eensklaps
stikdonker. Maroessia stond verwonderd op.
"Hij heeft tegen mij gezegd: 'Ik zal je _spoedig_ komen halen,--ik
zal je slechts _eenige oogenblikken_ alleen laten,--verlaat je post
niet.' Welnu, ik ben op mijn post, er is al een geruime tijd verloopen,
en hij keert niet terug, en geen enkel geluid wijst er op dat hij
gauw hier zal zijn."
De natuur bleef zwijgen. Deze doodelijke stilte maakte, ondanks haar
goeden wil, dat Maroessia bang werd.
Maar eensklaps deden zich van alle kanten geweerschoten hooren, meer
dan honderd, meer dan duizend misschien; men zou gezegd hebben, dat
men op alle plaatsen in het bosch te gelijk aan het vechten was. Het
duurde ongeveer tien minuten, die aan het kind een eeuw toeschenen.
Maroessia zou wel door de boomen hebben willen heenkijken. Als door
een electrischen schok getroffen, was zij op haar teenen gaan staan.
"Hij is het, hij is het, die zich te midden van dit vuur bevindt,"
zei ze bij zichzelf. "Hij was gewapend, hij zal een weg hebben willen
banen voor de manschappen van ons leger. Zij zullen in dit bosch vol
hinderlagen overrompeld zijn!"
En terwijl zij haar brandend voorhoofd met haar handen bedekte,
voegde zij er bij:
"Ik wil niet meer denken. Waartoe dient dat ook? Men moet zijn lot
met gelatenheid afwachten!"
Zij ging weer aan den voet van den grooten eik zitten en bad voor
alles, wat haar dierbaar was.
Op het oogenblik, waarop zij zei: "Heer! geef, dat ik hem nog eens
terugzie!" meende zij te droomen, meende zij de bladeren te hooren
ristelen, de takken te hooren kraken. Maar neen, zij droomde niet:
het geluid kwam van nabij, slechts eenige schreden van daar; haar
wangen werden plotseling met een blos overtogen. Haar oogen vestigden
zich op de plek, waar het gedruisch vandaan kwam. De takken weken
van elkaar, en de gestalte van haar grooten vriend, verlicht door
de zilveren maan, die juist was opgekomen, vertoonde zich aan haar
tusschen het geboomte. Maar was het haar groote vriend wel, of was het
slechts zijn schim? Zijn gezicht was zoo bleek, dat de vreugdekreet,
dien zij wilde uiten, op haar lippen bestierf.
"Maroessia," zei haar groote vriend tegen haar, "zie je dien rooden
zakdoek?"
"Ja, ik zie hem."
"Welnu, ik zal je naar den kant van het bosch brengen. Ik zal je den
weg wijzen. Je moet maar rechtuit loopen, aldoor rechtuit, totdat je
aan een boekweitveld komt; je moet dit veld overloopen; het wordt
door een voetpad gekruist. Dit voetpad zal je naar een kleine brug
brengen: op die kleine brug moet je je beide kransen neerleggen. Aan
den anderen kant van de brug zal je links, achter een molentje, een
klein bosch zien. Er zal uit dit bosch een man te voorschijn komen. Als
hij tegen je zegt: 'Dat God je ter hulpe zij!' moet je hem antwoorden:
'God heeft mij geholpen!' En dan moet je hem dezen zakdoek geven. Je
begrijpt mij wel, niet waar, Maroessia? Zal je niets vergeten?"
Haar groote vriend sprak langzaam, veel langzamer dan hij gewoon
was; men zou gezegd hebben, dat hij niet vlugger kon spreken. Hij
werd gedurig bleeker; groote zweetdruppels parelden er op zijn
voorhoofd. Hij ging tegen een boom aanleunen.
"U bent gewond!" zei Maroessia tegen hem. "Ze hebben u geraakt!"
"Het is maar een lichte schram, Maroessia. Morgen zal er niets meer
van te zien zijn. Ga m'n kind... vlug!"
Hij nam haar bij de hand.
"Wat is uw hand koud!" riep het kind uit.
"Denk maar niet aan mijn hand. Haast je wat! Eerst naar de brug,
dan de twee kransen daarop neerleggen en eindelijk den zakdoek geven
aan den man, die uit het boschje zal komen, als hij tegen je zegt:
'Dat God je ter hulpe zij!' Moed gehouden, Maroessia! Het is voor
het geluk van het overblijfsel der moedige verdedigers van de Ukraine!"
De groote vriend trachtte voor Maroessia een doortocht door het
kreupelhout te banen, maar zijn krachten schoten daartoe te kort. Deze
zwakheid van hem, dien zij als de verpersoonlijking van alle kracht
beschouwde, maakte het meisje angstig. Voor de eerste maal beefde
zij voor den vriend, dien zij als onkwetsbaar had beschouwd. Maar zij
richtte geen vragen tot hem. Zij begreep, dat hij alles had gezegd,
wat hij wilde zeggen.
Eensklaps bogen twee gespierde armen de takken van elkander. Verwonderd
wierp het meisje zich voor haar grooten vriend neer, dien zij
bedreigd dacht.
"Vrees niets, Maroessia," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "het is een
vriend, een beproefde en getrouwe vriend."
Maroessia bemerkte te midden der takken een boer van een rijzige
gestalte, die haar eerbiedig, maar vriendelijk groette. Het was
merkbaar, dat het niet voor de eerste maal was, dat hij Maroessia zag.
"Het is mijn kameraad Peter," zei Tsjetsjewiek. "Kijk hem maar eens
aan! Ook hij is een eik!"
"Hij is bijna nog langer dan gij," zei ze uiterst verwonderd.
Peter verspreidde en brak de takken, die aan Maroessia den doortocht
belemmerden. Hij liep achteruit en zijn ongeruste blik wendde zich
niet van Tsjetsjewiek af.
Maroessia zag wel, dat hij dacht, dat haar groote vriend hulp noodig
had. Maar Tsjetsjewiek, die zich van boom tot boom ondersteunde,
zei tegen hem:
"Ga toch heen, Peter! Aan mij moet je niet denken, maar aan de
anderen. Je moet tot elken prijs voorkomen, dat zij in deze verwenschte
hinderlaag vallen."
Bij deze woorden keerde Peter zich plotseling om; de takken bogen of
braken onder het gewicht van zijn lichaam en van zijn voeten, alsof
er een stier voorbijging. Maroessia verwachtte niet, dat zij zoo
spoedig uit het bosch zou komen. Het was haar grooten vriend gelukt,
haar te volgen. Hij wilde haar zijn aanwijzingen nog eens herhalen.
"Je ziet den weg,--het boekweitveld en het voetpad zijn rechts,--aan
het einde van het voetpad is de kleine brug,--de beide kransen moeten
op die kleine brug neergelegd worden. Links aan den anderen kant
is de molen en het kleine bosch, de man en de zakdoek. Daar moet je
heen. Haast je, liefste, haast je! Hier is de zakdoek!..."
------
FIGURE
Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Blz. 194.
------
Deze zakdoek geleek zoozeer op dien, welken zij eenmaal aan de
schoonzuster van den hetman had aangeboden, dat zij zich afvroeg,
of het niet dezelfde was, en of hij wederom niet voor haar bestemd
zou wezen.
Maroessia nam den zakdoek en zei tegen haar vriend, terwijl zij haar
voorhoofd aan hem toestak:
"Alles zal geschieden, zooals u gezegd hebt."
Tsjetsjewiek had zich niet zonder inspanning voorover gebogen, om
haar een kus te geven. Maar toen hij zich weder oprichtte, zag zij
wel, dat hij waggelde. Als Peter zich niet had gehaast om hem vast
te houden, zou hij gevallen zijn... Maroessia bemerkte toen, dat er
bloed op haar mouw zat.
"Dat is uw bloed!" zei zij tegen hem. "Waar bent u gekwetst? Aan uw
arm? Laat mij de wond verbinden. Zooals u weet, heeft Mefodijewna
een goede ziekenverpleegster van mij gemaakt."
"Wees verstandig, Maroessia," zei haar groote vriend. "Ik heb tot nu
toe aan alle gevechten deelgenomen, zonder bijna geraakt te zijn. Dat
was niet billijk. Ik had mijn deel niet. Deze wond is niets. Een
geweerschot in den arm beteekent niet veel. Wij hebben ons ook
niet op weg begeven om aardbeien te eten. Peter zal dat wel in orde
brengen. Ga nu toch heen, beste meid, en haast je wat! Wij praten te
veel. Als het je gelukt, dezen zakdoek te overhandigen aan dengene,
die hem verwacht, zal je een goed werk doen. Maar daar bedenk ik nog
wat: wikkel dien zakdoek om je hoofd, dan zal men hem spoediger en
reeds in de verte zien, en op je blond haar zal hij goed staan."
"Maar moet u dan hier blijven? Men moet alles in dit bosch
wantrouwen... Zal ik er u terugvinden?"
Terwijl zij deze vraag deed, wikkelde zij met een bevende hand den
rooden zakdoek om haar hoofd.
"Ik zal hier blijven," gaf haar vriend haar ten antwoord, "en als ik
er niet kan blijven, zal ik wel weer bij je weten te komen. Zou iets
ons kunnen scheiden?"
Ditmaal was het een geweerschot, dat voor het kind antwoordde, en
vervolgens een tweede. Van tien kanten te gelijk deed het geweervuur
zich hooren, niet dichtbij, maar veraf.
"Zij zijn weer in het bosch gekomen om een aanval te doen," zei
Peter. "Over vijf minuten kunnen zij hier zijn."
De leeuw had zich weder opgericht. Peter had hem een van zijn pistolen
in de hand gegeven, waarvan hij zich nog kon bedienen.
"Komaan!" zei Tsjetsjewiek tegen Maroessia. "Ga! loop! vlieg, als je
kunt! en vergeet al het overige. Het is voor de Ukraine en voor je
groote vriendin. De zakdoek zal haar van je spreken..."
Maroessia vloog weg als een pijl uit een boog. Maar toen zij aan het
voetpad gekomen was, dat door het boekweitveld heenliep, kon de kleine
gazel geen weerstand bieden aan de verzoeking om zich om te keeren,
ten einde een poging te doen om hem, dien zij met zooveel verdriet
verlaten had, nog eenmaal te zien. Er was niemand meer op de grens
van het bosch. Het geweervuur had niet aangehouden. In het bosch was
het weer doodstil geworden.
Maroessia ging weer verder. Van vermoeidheid was geen sprake meer;
haar vriend had het verlangd; zij had vleugels aan de voeten. Het
boekweitveld is overgeloopen, daar is de kleine brug, zij legt
er haar beide kransen op neer. Een dof geluid was tot haar ooren
doorgedrongen. Zij luistert, het geluid komt naderbij en wordt
duidelijk hoorbaar. Het moet het getrappel zijn van een paard, dat in
galop voortrijdt. Is de ruiter een vriend of een vijand? Het is geen
kozak. In de verte zou men zeggen, dat het een Tartaar was. Toen zij
met den ouden zanger reisde, ontweken zij die Tartaren altijd. Zij
keert terug en loopt de brug nog eens over. Gelukkig liggen de
kransen er nog op. Maroessia is tevreden. Zij zal zich in het riet
verschuilen. De ruiter komt met lossen teugel aanrijden. Zou hij
haar opgemerkt hebben? Zij hoopt van niet. Maar nauwelijks had
Maroessia eenige schreden door dit riet gedaan, dat aan den kant
van den stroom groeide, of er viel een schot. De roode zakdoek,
evenals het lieve kopje, dat hij omgaf, waren te midden van het riet
neergevallen. Men zou gezegd hebben, dat het een patrijs was, die in
zijn vlucht gestuit wordt.