als straks de dienst afgeloopen is, ga dan naar den hetman toe, en
vraag of hij niet een paar liederen wil hooren. Aan mij moet ge uw
reis vertellen."
Zij gaf met de hand, bij wijze van liefkoozing, een zacht tikje op
de wang van Maroessia en verdween, te midden der menigte, in de kerk.
Men hoorde reeds de stem van vader Mikaïl, die den dienst begon.
XVII.
SPEEL NIET MET DOLKEN!
De dienst was geëindigd. De groote hetman was in zijn paleis
teruggekomen. De warmte was drukkend, de zon verblindde door haar
licht.
Eenige zwarte wolken die van het westen kwamen, vertoonden zich aan
den gezichteinder.
"Wij zullen vanavond een hevig onweder krijgen," merkte de hetman op
terwijl hij naar de lucht keek.
Hij stond op een terras, dat zich voor zijn woning bevond en sprak
deze woorden met zoo'n ongerustheid uit, dat een Russisch heer, zijn
laatste gast, iemand op rijpen leeftijd en met een blonden baard, zich
niet kon weerhouden, er hem zijn verwondering over te kennen te geven.
"Ieder Christen moet sidderen," antwoordde de hetman, terwijl hij
een kruis sloeg, "als God zijn stem door middel van den donder doet
hooren."
"God," antwoordde de Russische heer, "zal ons goed en wel aan dit
onweer en aan alle andere doen ontkomen. Ik erken intusschen, dat de
zwarte wolken een dreigend aanzien hebben."
"Zeer dreigend inderdaad," vond de hetman.
De wolken dreven met de snelheid van schepen, die door den storm
voortgestuwd worden.
De groote hetman drukte de hand tegen zijn voorhoofd, terwijl er een
pijnlijke trek om z'n mond kwam.
De tegenwoordigheid van zijn gast hinderde hem. Als die zijn gedachten
eens kon lezen... Wat zou hij dan zien? Verwarring, besluiteloosheid,
bitter berouw.
Wat te doen? Wat te besluiten? Waarom had God hem in zulke moeilijke
omstandigheden het opperhoofd van zijn volk gemaakt? Hoe zou hij zich
uit de klauwen van den Russischen adelaar losrukken? De Russische
afgezant las zijn gedachten als in een boek op het gelaat van den
forsch gebouwden hetman. De vos speelde met den olifant.
Maar plotseling klaarde het gezicht van den hetman op; als die van
een pruilend kind, dat een nieuw stuk speelgoed ziet liggen. Hij had,
terwijl hij de laan insloeg, die op het terras uitkwam, een soort
van bedelaar gezien, die door een klein meisje vergezeld was. Deze
bedelaar had een luit bij zich. Het was een muzikant. Deze afleiding
kwam hem op dit oogenblik juist van pas.
"Die menschen kennen liedjes," zei hij, zich tot zijn spion, zijn gast,
wendende, "waaraan ik de voorkeur geef boven al onze concerten."
Hij gaf aan een kozak een wenk en beval hem, den ouden zanger en zijn
kleine metgezellin bij zich te laten komen.
"Zal de groote hetman zich verwaardigen, mij aan te hooren?" zei
de grijsaard, terwijl hij deze woorden deed vergezeld gaan van een
eerbiedigen blik, die met den nederigsten groet gelijkstond.
De goedheid van den grooten hetman ging zoover, dat hij met zijn
blanke hand naar een plek in den hoek van het terras wees, waar de
muzikant kon gaan zitten.
"Daar," zei hij tegen hem, "zal de zon je niet hinderen."
De Russische heer, die van nature een opmerker was, zag wel, dat
de schouders van den ouden zanger zeer breed en forsch waren, en
verwonderde er zich over, dat het grove hemd, dat ze bedekte, wit als
sneeuw was. Hij zou zijn gezicht wel eens goed hebben willen zien,
maar de groote hetman was in een goedhartige stemming en had tegen
den grijsaard gezegd:
"Je kunt je muts wel ophouden, oudje."
De muzikant begon, na eenige tonen aan zijn luit ontlokt te hebben,
te zingen.
Wat een krachtige en toch zachte stem had hij, en wat bespeelde hij
z'n instrument mooi!
De hetman, die op zijn tijd een kunstminnaar was, voelde er zich
door opgewekt. Het gezang was prachtig en door deze zuivere muziek
aangetrokken, vertoonden de vrouw van den grooten hetman en zijn
schoonzuster zich aan het uiteinde van het terras, vlak bij den
ouden zanger.
Mefodijewna herkende het kleine meisje, dat haar den rooden zakdoek had
ter hand gesteld, en dat zij had uitgenoodigd, op het kasteel te komen.
Met den elleboog op een grooten bloempot leunende, waarin een zeldzame
plant groeide, gaf zij aan Maroessia een wenk om bij haar te komen. De
bloempot was zoo hoog en het kind zoo klein, dat zij haar geheel voor
den hetman en zelfs voor den Russischen heer verborg.
Het kind haalde uit haar mouw een dolk te voorschijn en stopte dien
heimelijk in den zak der schoonzuster.
Zag Mefodijewna die beweging? Haar gelaat verried niets. Haar groote
oogen staarden in de ruimte, en zij was geheel in de muziek verdiept.
Maroessia had haar plaats naast haar grooten vriend hernomen, zonder
dat iemand bemerkt had, dat zij die een oogenblik had verlaten.
De zanger zong op dit oogenblik:
"Het Paradijs is voor de rechtvaardigen bestemd... voor hen alleen."
"Voor hen alleen," mompelde de groote hetman.
"De onderdrukkers, de overwinnaars zullen er hun slaven zien
binnentreden, maar de engel met het vlammend zwaard zal hun den
toegang daartoe ontzeggen."
De Russische heer had genoeg van dit gezang. Hij scheen een geeuw
te onderdrukken.
"Dat zijn dingen," zei de groote hetman, "die men nooit moest
vergeten."
"Ken je het lied van den bandiet?" vroeg de Russische heer aan den
zanger. "Zing het eens voor ons:"
"Tot mijn diep leedwezen, Excellentie, ken ik het niet," antwoordde
de grijsaard.
"Dat is jammer!" zei de vriendelijke heer. "Het zou deze dame zeker
vermaakt hebben. De dames hebben een zekere voorliefde voor beruchte
schurken."
Mefodijewna vestigde, hoe verre zij ook verwijderd mocht zijn,
zoo'n fellen blik op den hoveling, dat deze de oogen neersloeg,
terwijl een vluchtige blos zich op zijn gelaat vertoonde.
"Je luit is een zonderling iets," zei de Russische heer tegen den
zanger, om het gesprek op iets anders te brengen. "Het is geen gewoon
instrument. Weet je dat wel? Welnu, tracht het lied van den bandiet
te leeren: het is echte poëzie! Je hebt daar waarlijk een zeer mooie
luit! Ik zou haar wel eens meer van nabij willen bezien. Geef haar
mij eens, oudje."
"Daar hebt ge haar, Excellentie," antwoordde de oude zanger, terwijl
hij hem het bewuste instrument aanbood. "Bekijk het goed, onderzoek
het, en u zult zien, dat het een ware schat is."
De Russische heer haalde, terwijl hij hartelijk lachte, eenige
onwelluidende tonen uit het instrument, zette zich op een trede van
het terras neer en herhaalde nogmaals:
"Het is beslist een erge mooie luit!"
Terwijl de Russische heer zijn bewondering over de luit te kennen gaf,
keek hij er eigenlijk niet naar; daarentegen vestigde hij, zonder
het te laten blijken, een doordringenden blik op den bezitter van
het genoemde instrument. Maar de eigenaar der luit, ofschoon hij,
naar den schijn te oordeelen, een uiterst eenvoudig man was, werd
door die onbescheidene blikken niet in 't minst in verwarring gebracht.
Met al den eerbied aan een hooggeplaatst persoon verschuldigd, maar
zonder eenige verlegenheid, verklaarde hij aan Zijne Excellentie
de samenstelling der luit. Men zou zelfs gezegd hebben, dat deze
verklaringen, in plaats van hem verward of verlegen te maken, hem
zeer vermaakten.
"Weet je wel, dat dit instrument, als je het verkocht, je genoeg zou
opbrengen om een geruimen tijd te kunnen uitrusten?"
"Dat weet ik," antwoordde de zanger, "maar de echte muzikant wil
evenmin van zijn luit scheiden, wanneer hij die liefheeft, als de
ruiter van zijn paard. Al is men ook arm, daarom is het toch niet
verboden, smaak in schoone dingen te vinden. Mijn kleeding is wel
is waar armzalig, Mijnheer, maar men heeft mij voor deze luit meer
dan eens genoeg aangeboden om mij even prachtige kleederen aan te
schaffen als de uwe, en ik heb geweigerd."
"Hij heeft er den slag van," zei de Russische heer bij zich zelf,
"zijn koopwaar aan te prijzen; om haar des te duurder te verkoopen
geeft hij zich den schijn, dat hij er den prijs van kent."
De bedelaar was naderbij gekomen.
"Daar ge een kenner zijt," zei hij, "moet ge dit instrument eens op
uw gemak bekijken, Mijnheer. Het zou zeker meer op zijn plaats zijn
in de schoone handen van deze rijke dames dan in de mijne; maar toch
zal het in de mijne blijven."
"Ik heb je in de gaten," dacht de Russische heer; "je bent een slimme
kwant, je hoopt mij af te zetten, en je denkt, dat ik je zoo maar
een aanzienlijke som zal aanbieden om je luit aan de voeten van de
schoone Mefodijewna te kunnen neerleggen. Zie maar, dat je anderen
zoo beetneemt, oude slimmerd!... Dus," zei hij, "is dat je schat,
je fortuin?"
"Deze luit, en ook dit, Mijnheer."
Bij deze woorden haalde hij een dolk te voorschijn, in alle opzichten
gelijk aan dien, waarin wij hem bij den anderen hetman zijn kostbare
tijding hebben zien wegsluiten, precies eender ook als dien, welken
Maroessia een oogenblik te voren in den zak van de schoonzuster van
den hetman gestoken had.
"Waarlijk!" zei de Russische heer, die een liefhebber van mooie wapenen
was, "dat is inderdaad een kostbaar voorwerp;" en terwijl hij de hand
aan den grijsaard toestak, zeiden zijn oogen, die van begeerlijkheid
fonkelden, hem duidelijk: "Ik wil dien verwonderlijken dolk wel eens
van naderbij bekijken."
Zonder twijfel om den hartstocht van den Russischen heer op te wekken,
draaide de slimme grijsaard zijn wapen heen en weer, trok het uit
de schede en deed het er weder in, maar zonder het hem ter hand
te stellen.
"Deze dolk is mijn vriend," zei hij; "hij is mijn verdediger, hij is
mijn leger; als wij bij elkander zijn, vreezen wij niets; bovendien
is hij mij heilig, want ik heb hem van mijn vader."
"Laat mij hem dan eens even in handen nemen," zei de heer; "ik zal
hem niet opeten."
Na eenig nadenken reikte de zanger den dolk aan hem over.
De groote hetman, wien dit kleine tooneel voor een oogenblik afgeleid
had, was weer in gedachten verzonken geraakt. Hij schrikte eensklaps
op. Een groote droppel water, die een hevigen stortregen aankondigde,
was op zijn hand gevallen. Het gerommel van den donder, in het eerst
dof, was naderbij gekomen; het onweer kwam snel opzetten. De hemel
was in een oogenblik donker als de nacht geworden.
"Geef dien man zijn dolk terug," zei hij tegen zijn gast, "en laat
ons in huis gaan!"
"Wat een dolk!" zei de groote heer met bewondering; en terwijl hij
dien heen en weer bewoog, liet hij hem in het licht der bliksemstralen
glinsteren.
"Ik wil dien dolk hebben," zei hij eindelijk op een gebiedenden toon
tegen den grijsaard. "Noem mij den prijs, verkoop hem aan mij!"
Zijn toon was niet die van iemand, die iets wenscht te koopen, maar
van iemand, die kan nemen en ook zal nemen, wat hij wel zoo goed wil
zijn om te koopen. Het was een bevel, en daar de grijsaard toch het
stilzwijgen bleef bewaren, voegde de Russische heer er bij:
"Verkoop hem aan mij; het geld maakt alles goed."
"Alles?" antwoordde de oude Ukrainiër, terwijl hij zijn kalmte trachtte
te bewaren. "Wat? Zelfs de eer? Zelfs de vrijheid?"
"Nu ja!" riep de adellijke heer uit, "zelfs wat jij eer noemt en wat
lieden van jou slag vrijheid noemen!"
Terwijl hij den grijsaard vlak in het gezicht keek, antwoordde hij op
de gedachte, die de vraag van den gewaanden zanger aan hem ontsluierd
had, met deze woorden:
"Als de Ukraine onder het bestuur der Russen rijk wordt, zal zij zich
niet lang meer herinneren, dat zij fier en vrij is geweest."
Op het oogenblik, waarop hij deze woorden uitsprak, werd de lucht
als in vuur gezet door zulk een hevigen donderslag, dat al degenen,
die op het terras waren, en Mefodijewna zelf, zich verwonderden,
dat zij waren blijven staan.
De hetman was naar zijn kamer gesneld; zijn vrouw volgde hem daarheen
zichtbaar verward. Mefodijewna aarzelde en wilde, ofschoon blijkbaar
tegen haar zin, het terras eveneens verlaten.
Maar waarom scheen Maroessia, die naast haar grooten vriend was blijven
staan, in een standbeeld veranderd te zijn? Waarom die plotselinge
bleekheid op het gelaat van Tsjetsjewiek zelf?
"Mefodijewna!" riep hij, terwijl hij de hand naar de schoonzuster
van den hetman uitstrekte.
Er lag als een bezwering in het gebaar en als een bevel in de
plotseling verjeugdigde stem van den ouden zanger.
De jonge vrouw keerde zich plotseling om.
"Zie," zei Tsjetsjewiek tegen haar, "zie! Er is voor de
rechtvaardigheid van God slechts een seconde noodig geweest om dengene
ter aarde te werpen, die zoo aanstonds onze Ukraine zoo uit de hoogte
beschouwde."
De jonge vrouw had met de oogen de aanwijzing gevolgd, die de
uitgestrekte arm van Tsjetsjewiek haar gaf. Op haar beurt verwonderd
over hetgeen zij zag, was Mefodijewna een stap teruggedeinsd.
Maar, eensklaps terugkeerende, zei zij met een bewogen stem: "God
heeft de Ukraine van haar bittersten vijand verlost."
De edele heer lag, door den bliksem getroffen, op den grond.
Tsjetsjewiek boog zich voorover; hij haalde zijn dolk uit de verstijfde
hand van den adellijken heer. Het wapen, door den onvoorzichtige te
midden van het onweder heen en weer gezwaaid, had den bliksem zonder
twijfel tot geleider gediend.
Den liefhebber van den dolk vervolgens op zijn forsche armen nemende,
bracht Tsjetsjewiek, door Mefodijewna en Maroessia gevolgd, hem met
haastige schreden naar de vertrekken van den grooten hetman.
XVIII.
HET GELUKKIGE JAAR.
Gedurende meer dan een jaar kon de Ukraine gelooven, dat zij voor
immer vrij zou worden. Als één man was het geheele land opgestaan. De
overweldigers, over een zoo plotselingen, zoo algemeenen, zoo
vrijwilligen opstand verwonderd, waren verdwenen. Iedereen had zijn
land, zijn hut, zijn landhoeve of zijn huis hernomen, heroverd. Meer
nog, iedereen had zijn oogst nog eens kunnen binnenhalen. Voet voor
voet, van meer tot rivier, van steppe tot bosch, had de vijand moeten
terugwijken. De hetman van Tsjigirine was, na de stad heldhaftig
verdedigd en gered te hebben, na wonderen van dapperheid te hebben
verricht, gesneuveld, maar gesneuveld als een held, tevreden gestorven,
te midden der zegepraal. Een man, tot dusverre onbekend, Tsjetsjewiek,
de leeuw, zooals men hem weldra algemeen genoemd had, streed aan zijn
zijde te midden van het krijgsgewoel, waarin hij bezweken was. De
onverschrokken leeuw had het lijk van zijn opperhoofd, met wonden
bedekt, aan den vijand ontrukt en zich in zijn plaats aan het hoofd
der beweging gesteld.
Van den kant van Gadiatsj had de andere hetman, als opperhoofd erkend,
zijn vroegere dapperheid teruggekregen. Men had dikwijls aan zijn
rechterhand een beeldschoone amazone gezien, die wel is waar geen
bevelen gaf, maar die zich altijd te midden van de hevigste gevechten
vertoonde, en wier tegenwoordigheid de macht had om aller geestdrift
op te wekken, aller moed aan te vuren. Zij werd overal gevolgd door
een soort van kleinen onverschrokken page, die haar tot vaandeldrager
diende, en die, op een vurig zwart paard gezeten, zijn vlag met een
dappere hand liet wapperen te midden der kogels, zonder zich om het
gevaar te bekommeren. De soldaten aanbaden dit kleine soldaatje, dat
schoon was als een engel. Was het inderdaad een engel of slechts een
kind of, zooals sommigen beweerden, een eenvoudig dorpsmeisje, dat door
een goddelijke vlam, een bovenmenschelijken moed bezield werd, en dat
niets kon doen terugdeinzen? De page was alles te gelijk. Alles was
waar; want het was Maroessia. Het was een tweede Jeanne d'Arc in een
land, waar de naam van Jeanne d'Arc zeker nooit was uitgesproken. Daar
Tsjetsjewiek genoodzaakt was om overal te gelijk te zijn, had hij haar
aan de zorg van Mefodijewna toevertrouwd. Zij waren onafscheidelijk:
wie de eene zag, zag ook de andere. Overigens mengden alle vrouwen
zich in den strijd; het was werkelijk een heilige oorlog. De Russen
zelf konden hun bewondering over die krachtige poging tot verkrijging
der vrijheid niet onthouden.
O! dat was een schoone tijd! De kinderen van de kinderen uit dien
tijd hebben er niets van vergeten. De laatste krachtsinspanning van
de geheele Ukraine, dat is de roem, zelfs na de nederlaag. Gelukkig de
kleine of groote volkeren, die het recht hebben, hun _Gloria victis!_
[4] te zingen.
De winter was dat jaar buitengewoon streng; de raven en de wolven,
die het meest daartegen gehard waren, stierven in de bosschen ten
gevolge van de koude. De boeren zitten, als vroeger rondom de kachel
geschaard. In hun hutten onder de bescherming der opgehoopte sneeuw
zijn ze volkomen veilig. De vijand is niet meer te vreezen: hij heeft
zijn winterkwartieren in de steden betrokken. Men kan eindelijk
van zijn roemrijke wonden genezen, zonder ze te verbergen, alsof
ze een schande waren. Het is niet meer noodig in den kelder neer
te dalen om zijn wapenen schoon te maken en te herstellen; men kan
dit op zijn gemak doen en tevens van de vermoeienissen van den krijg
uitrusten. Van dorp tot dorp kan men elkaar herkennen, elkaar bezoeken,
zijn verliezen opsommen. De plannen en de toebereidselen voor de nieuwe
worsteling houden de aandacht der opperhoofden geheel bezig. Waar is
Tsjetsjewiek? Vraag liever, waar hij niet is. Maar waar hij zich het
meest vertoont,--al ware het ook slechts voor een oogenblik,--dat
is in een ontoegankelijke schuilplaats, door hem gekozen en aan de
zorg van zijn twee voornaamste adjudanten toevertrouwd. Is het nog
noodig, de namen van Mefodijewna en Maroessia te noemen? Aan hen
schijnt de gedwongen werkeloosheid van den winter, die verloren tijd,
zeer lang toe. Als er eeuwige minuten zijn, dan zijn het de nutteloos
doorgebrachte minuten.
*
* *
Kerstmis.
Maar waaraan denkt Maroessia sedert eenigen tijd? Vruchteloos doet
zij haar best om vroolijk te zijn. Het schijnt, dat haar een droom
overstelpt, die haar van haar vrienden scheidt; zij is daar niet meer,
haar blikken dwalen in de verte af. Waar gaan zij heen? welke plaats
zouden zij willen bereiken? en hoe het te verklaren, dat zij zelfs in
het bijzijn van Tsjetsjewiek afgetrokken is? Het hart van een meisje
is een donker bosch; er zijn goede oogen noodig om den weg daarin te
vinden: welnu, haar groote vriend heeft zulke goede oogen.
Dien morgen was het hoofd van Maroessia meer dan gewoonlijk
voorovergebogen en dwaalden haar blauwe oogen meer doelloos rond,
en toch scheen de zon. Als men uit het raam, waarvoor het peinzende
kind onbeweeglijk zat, een blik sloeg op het land, dat geheel met
sneeuw bedekt was, als men deze als een spiegel van gepolijst zilver
in het heldere licht der zon zag schitteren, dan zou men zeggen, dat
er geen andere dan heldere en vroolijke gedachten bij Maroessia hadden
moeten opkomen. Maar neen, zij zweeg, en indien zij leed, dan wilde
zij toch zeker haar verdriet niet mededeelen aan hen, die zij liefhad.
Haar groote vriend wisselde een blik met Mefodijewna. Het oogenblik
om te spreken was gekomen. Terwijl hij de hand op den schouder van
Maroessia legde, wekte hij haar uit haar gedachten en vestigde haar
aandacht op een slede, die ingespannen voor de deur stond.
"Zie je hem niet?" zei hij. "Herken je je lieveling Ieskra niet? Hij
staat van ongeduld te trappelen. Hij wou, dat hij maar op weg kon gaan.
"Om u weer mee te nemen..." zei het kind diep bewogen.
"Om mij mee te nemen, ja," antwoordde haar groote vriend. "Maar er
zouden desnoods wel twee plaatsen in deze slede zijn, en als zeker
iemand mij wilde vergezellen, zou ik niet alleen vertrekken."
"Zeker iemand?" zei Maroessia, wier blik zich op Mefodijewna gevestigd
had; "zeker iemand?" En wat er meer in dien blik lag opgesloten,
scheen te zeggen: "Dan zal ik zonder vrienden achterblijven. Welnu,
als het noodig is... laat mij dan alleen!" Maar deze zwijgende klacht
had zich zelfs niet in een zucht geuit.
"Er is van mij geen sprake," zei Mefodijewna glimlachende. "Neen. _Ik_
moet integendeel hier blijven; en boven dien zou de tweede plaats te
klein zijn voor een groot mensch zooals ik."
"Om goed te slagen," hernam haar groote vriend, "zou ik een kleine
metgezellin moeten hebben, die ik desnoods onder mijn mantel zou
kunnen wegstoppen, maar wier hartje mij nochtans gedurende een lange
en snelle reis zou warm houden. Ik zou een metgezellin moeten hebben,
vast besloten om denzelfden weg als ik af te leggen, die niet bang
was voor de winterkoude en aan wie het meer dan aan eenig ander kon
behagen, den kant uit te gaan, dien ik uitga, er zich met eigen oogen
en ooren van te gaan overtuigen, hoe het daarginds, daarginds in de
hut met de kerseboomen gaat,--weet je, Maroessia, die zelfde hut,
waarin wij kennis gemaakt hebben,--hoe het met een vader, met een
moeder en met broertjes gaat, die misschien al vreezen, dat er in
dit jaar bij gelegenheid van het Kerstfeest voor de eerste maal een
plaats aan hun tafel ledig zal blijven staan."
Maroessia heeft het begrepen; een kreet is ontsnapt, vervolgens een
snik; zij huilt van geluk, maar door haar tranen heen schittert een
glimlach, een glimlach, zoo vol dankbaarheid ten opzichte van haar
beide vrienden, dat ook hun oogen vochtig worden.
"O! Kerstmis, Kerstmis! in de hut van vader! Kerstmis bij moeder en
mijn broertjes! O, u kunt ook alles raden, u hebt begrepen, dat ik
daaraan onwillekeurig dacht, nu de dag van het groote feest al meer
en meer nadert!"
En tranen stroomden er opnieuw langs haar wangen.
De toebereidselen waren spoedig gemaakt; het vertrek had eenige
oogenblikken daarna plaats. Bij een vluchtigen blik zag men in de
slede slechts een enkel man, in zijn witsjoera gewikkeld, die het
sein tot vertrekken aan een sterk paard gaf, dat niets liever wilde
dan den tocht te aanvaarden; maar onder den wijden mantel van den
reiziger ontdekte Mefodijewna, die voor het raam stond, twee groote
blauwe oogen, wier vriendelijke blikken op haar gevestigd waren.
Vier dagen daarna was de slede teruggekomen. Maroessia, met een hart
vol van de vreugde, die zij verschaft en genoten had, Maroessia,
gezegend door haar vader en haar moeder, met liefkoozingen overladen
door haar broertjes, verheerlijkt door alle buren, geëerd door al
de vrienden van haar vader en door de onbekenden zelf, die wisten,
dat zij, al was zij nog maar een klein meisje, tusschen den Leeuw en
de schoone Mefodijewna, een grooten dienst aan de Ukraine bewezen
had,--Maroessia had haar plaats bij haar groote vriendin weer
ingenomen. Zij had op dezen tocht haar moed vernieuwd. Het spreekwoord
heeft wel gelijk, als het zegt: Het vaderlijk huis is een volle beker
voor het dorstige kind.
*
* *
En daarna...
Waarom kunnen wij het hier niet bij laten? Waarom moeten wij de
geschiedenis in haar bittere werkelijkheid volgen? Waarom zijn wij
verplicht, alles te zeggen, tot aan het besluit voort te gaan en na
het schitterende begin het treurige einde te verhalen?
De leeuw Tsjetsjewiek had, na alles gereedgemaakt te hebben, kunnen
gelooven, dat in het tweede jaar zijn pogingen met succes bekroond
zouden worden. Iedereen geloofde dit, meer dan hij zelf. Men verzekerde
zelfs, dat er bij de beraadslagingen van den vijand meer dan eens
sprake van was geweest, aan dezen dappere onder al de dapperen, aan
dezen edelmoedige onder al de edelmoedigen, een vrede, een eervolle
schikking aan te bieden, aannemelijk zoowel voor de Ukraine als voor
hem zelf. Men zou dien jeugdigen held tot vriend, tot bondgenoot hebben
willen hebben; men zou daarginds gewild hebben, dat hij aan geheel
Rusland toebehoorde. Iedereen vertelde over zijn heldendaden. Wat was
hij schoon en verschrikkelijk te midden der veldslagen, maar wat was
hij, zoodra de strijd geëindigd was, medelijdend en zacht!
Het verhaal van zijn verdediging van Gadiatsj, tot drie malen op
den vijand heroverd, was in aller mond; het leeft nu nog in aller
herinnering; het zal niet verloren gaan. Er ontbreekt slechts een
Homerus [5] om hem onsterfelijk te maken. Het leger, dat hij bevochten
had, verheerlijkte hem; van beide kanten noemden de gekwetsten,
de stervenden, hem hun vader. Iedereen riep hem ter hulp. De leeuw
Tsjetsjewiek, Mefodijewna en de engel Maroessia,--dat zijn de
gestalten, die voor altijd aan de Ukraine dierbaar zullen blijven.
Maar waar zijn wij thans? Helaas! herinner u het duistere begin,
de nachtelijke tochten, de geheime samenzweringen,--daar zijn wij nu
weer aan toe! Ja, dat alles zal weder beginnen.