verzekeren, dat zijn schot raak is geweest; op zijn paard gezeten,
zoekt hij en bemerkt het bevallige lichaam, dat daar op den grond
uitgestrekt ligt. Het is slechts een kind! Maar wat beteekent die
roode zakdoek, dien zij om het hoofd heeft? Het is een vod, die zijn
kogel doorboord heeft. Het is niet de moeite waard, dien op te rapen.
De ruiter spoort zijn paard weder aan, vervolgt zijn weg en verdwijnt
als iemand, die in zijn verwachting teleurgesteld is. Maroessia
was voor hem slechts een schim, die zich op zijn weg even aan hem
vertoond had.
Alles is weder stil geworden. De zaak was ook zoo vlug in haar werk
gegaan. Men zou zeggen, dat er niets bij die brug was voorgevallen.
Intusschen komt er een boer, die een zwaren takkenbos op zijn schouders
draagt, met langzame schreden uit het kleine bosch, dat Maroessia
links van de brug moest vinden. Vervolgens loopt hij den molen voorbij,
die door het heldere licht der maan verzilverd wordt. Hij heeft geen
haast, hij kijkt rechts noch links. Hij heeft er geen vermoeden op,
dat de weg, dien hij wil inslaan, kort geleden niet veilig was.
Hij loopt de brug op. Hij ziet de beide kransen liggen, hij raapt ze op
en haakt ze aan zijn takkenbos vast. Zeker heeft hij dochtertjes. Hij
zal de kransen aan haar geven. Hij is de brug overgeloopen. Zijn
last wordt hem te zwaar. Hij legt dien voor een oogenblik neer en
leunt, om uit te rusten, met zijn armen op den boomstam, die aan deze
eenvoudige brug tot leuning dient. Vandaar kijkt hij werktuigelijk
in de rondte. Wat ziet hij daar in het riet liggen? Men zou zeggen,
dat het een ruiker roode bloemen was. Hij moet dat meer van nabij
bezien. Het is een meisje. Een van haar voeten hangt in het water. Hij
nadert. Hij tilt het ontzielde lichaam op en trekt het een weinig op
den kant. Hij kijkt met medelijden naar het schoon gelaat, dat door den
dood verbleekt is, legt de hand op het kleine, moedige hart, dat niet
meer klopt, slaat het teeken des kruises, spreekt deze woorden uit:
"Dat God je ter hulpe zij!" waarop het kind niet meer kan antwoorden:
"God heeft mij geholpen," staat op en verwijdert zich, terwijl hij zijn
takkenbos vergeet en alleen zijn kransen behoudt, in aller ijl. Hij is
de brug weder overgegaan. Waar gaat hij zoo haastig heen? Verder dan
den molen, naar den kant van het bosch. Wat heeft hij een haast om
er weer in te komen! Wat drukt hij aan zijn borst, wat verbergt hij
onder zijn kleeren? Het is de roode zakdoek, die het blonde hoofd
versierde, het hoofd van het meisje, dat haar vaderland zoo lief
had. Hij neemt dien mede. De roode zakdoek en de kransen zijn ter
bestemder plaatse aangekomen. Maroessia heeft haar taak volbracht. De
anderen, de laatste getrouwen, en haar groote vriendin zijn gered!
XXI.
GLORIA VICTIS!
Dat alles is al lang, heel lang geleden. Na verloop van honderd,
misschien wel van tweehonderd jaren, blijft er slechts een legende van
over. Nog heden ten dage kan men op een heuvel, door menschenhanden
gemaakt, den hoogsten van alle van dezelfde soort, die men in dit
land aantreft, een groot kruis van graniet zien staan. Op dit kruis
is met de punt van een dolk een naam gegrift: _Maroessia_.
De geheele heuvel heet de Koergane, dat is het graf van het meisje. Het
is bedekt met een prachtig tapijt van groen, steeds bezaaid met
prachtige en geurige bloemen, die slechts daar groeien, die men
nooit elders heeft gezien en die men nimmer elders zien zal. Die
bloemen zijn prachtig. Als men ze verplant, weigeren zij te groeien:
zij sterven terstond. Men heeft getracht, ze op andere plaatsen te
zaaien: zij komen er zelfs niet op. Men heeft ze een naam gegeven,
den eenigen, die er voor past: men noemt ze Maroessia's.
Men vertelt, dat een kozak, beroemd door zijn moed, zijn verstand,
zijn schoonheid en zijn goedheid, en meer nog door zijn liefde voor
zijn vaderland, dezen grooten heuvel alleen heeft opgeworpen.
Hij had slechts één arm, daar hij den anderen verloren had in het
laatste gevecht, dat er voor de onafhankelijkheid van de Ukraine
geleverd werd; en met de eenige hand, die hem overbleef, de aarde hand
voor hand aandragende, heeft hij dezen heuvel opgeworpen. Hij had
er vele jaren aan besteed. Nog op jeugdigen leeftijd was hij er mee
begonnen, zijn baard en zijn haar waren grijs geworden, toen hij het
voltooide. Intusschen zeggen sommigen, dat een kleine jongen, Taras
genaamd, hem zoolang, zoolang had gebeden en gesmeekt, totdat hij
zijn hulp had aangenomen, en dat op den langen duur ook deze jongen
bij dit werk oud geworden was. De legende zegt verder, dat, toen
de Koergane hoog genoeg was, en toen het kruis er op was geplaatst,
de kozak zich aan den voet daarvan neerzette en er tot aan zijn dood
weende. Vóór dien dag had niemand een leeuw tranen zien storten. Het
zijn de tranen, die er aan zijn oogen ontvloeiden, welke deze zoo mooie
en geurige bloemen deden ontluiken, die vroeger nooit in eenig deel
van de wereld hadden gebloeid. Zij, die de taal der bloemen weten te
verstaan, verzekeren, dat men ze op avonden, als het volle maan is,
kan hooren fluisteren: "Wij kunnen nergens anders bloeien dan op het
graf van hen, die hun leven voor het vaderland hebben gegeven." De
kinderen, jongens en meisjes, vergezeld van hun ouders, komen alle
jaren uit alle deelen van het land, om een bedevaart te doen naar het
graf van het kleine meisje. Ieder hecht er zijn bloemkrans aan. Zij
brengen er portretten heen, medailles, ter eere van Maroessia geslagen.
En er is er geen, die niet Maroessia had willen zijn...
EINDE.
INHOUD.
I. Een onbekend reiziger 1
II. De kleine Maroessia 12
III. Een roovergeschiedenis 30
IV. De vlucht 50
V. Een ontmoeting 56
VI. Bij den ouden Kniesj 68
VII. Op dezelfde plaats 77
VIII. Het ontwaken van Iwan 84
IX. De ware Kniesj 92
X. Men ziet elkaar terug 98
XI. Woorden en muziek 107
XII. Men nadert 117
XIII. De hetman zwicht 124
XIV. Ontmoetingen 131
XV. Op het water 135
XVI. Te Gadiatsj 143
XVII. Speel niet met dolken! 154
XVIII. Het gelukkige jaar 164
XIX. Laatste kransen 173
XX. De doorboorde zakdoek 182
XXI. Gloria victis! 192
AANTEEKENINGEN
[1] De Setsj is een eiland in den Dnjepr, waar de Zaporoger kozakken
hun legerkamp hadden opgeslagen.
[2] _Pane_, in Polen en in Klein-Rusland het woord voor Mijnheer.
[3] _Barien_, een Rutheensch woord, dat zooveel beteekent als baas.
[4] Eere zij den overwonnenen!
[5] Homerus was de bekendste dichter der oudheid. Hij bezong de
heldendaden van zijn landgenooten, de Grieken.