Na aldus eenige minuten gekeken te hebben, die Maroessia wel even

zoovele uren toeschenen, ging hij in huis. Hij liep heel zachtjes,

zonder zich te haasten, terwijl hij naar alle kanten den blik sloeg

van een waakzamen eigenaar, die de wanorde, welke er in zijn huis

mocht gekomen zijn, wil herstellen.

"Grootvader!" zei Taras, die achter hem liep, "zeg eens, waar de vijand

gekampeerd is. Ik denk wel, dat hij bij de Welika-Zjaroega is, maar..."

"Zoo! Zijn jullie daar, kinderen?" zei de oude boer vriendelijk,

terwijl hij bleef staan en goedaardig met z'n hoofd schudde:

"Heb je veel pleizier in den tuin gehad?" vervolgde hij. "Zijn jullie

moe? Heb je honger? Welnu, dan zal ik je wat lekkers voorzetten;

want de soldaat heeft niet alles opgegeten. Kom maar met me mee."

En hij liep voor hen uit, met een vriendelijken glimlach om de

lippen, terwijl hij soms als een oud man kuchte. Taras en Maroessia

kwamen achter hem aan. In een oogenblik waren de flesch en het glas,

waarvan de soldaat zich bediend had, door Maroessia weggenomen. Een

raam was opengezet, de versche lucht was naar binnen gedrongen, en

de onaangename, doordringende stank van den brandewijn was vervangen

door den heerlijken geur van een lekkere warme pastei.

Ofschoon Taras zeer verlangend was om de plaats, waar de vijand zich

gekampeerd had, met juistheid te weten te komen, hield hij zich toch

met deze zaak niet uitsluitend bezig. Hij at als een wolf!

Maroessia daarentegen at weinig. Terwijl haar kleine vingers de

beschuit brokkelden, konden haar oogen zich niet van de gestalte van

den ouden kozak afwenden.

"Grootvader! luister eens naar mij!" zei Taras, toen hij zijn honger

gestild had. "Als deze soldaat naar de Starie-Krestie rijdt, dan wil

dit zeggen, dat de vijand niet meer bij de Welika-Zjaroega gekampeerd

is. Niet waar, grootvader?"

"Dat denk ik ook, beste jongen, dat denk ik ook," antwoordde de

vriendelijke, toegevende grootvader, terwijl hij de kinderen nogmaals

een stuk pastei gaf. "Maar je doet mij aan iets denken: je moest eens

gaan zien, hoe het met de vischnetten gesteld is, die wij gisteren

uitgezet hebben. Het kan best zijn, dat wij er een paar heerlijke

baarzen in gevangen hebben. Wat dunkt je daarvan?"

"Ik heb die netten heelemaal vergeten!" riep Taras uit, "geen oogenblik

heb ik er aan gedacht!"

"Zoo, zoo, zieltje zonder zorg!" zei Kniesj glimlachende.

"Ik ga er dadelijk naar toe!" besloot Taras plotseling; en nadat hij

de deur uitgesneld was, hoorde men niets anders meer dan zijn stem,

die zijn hond Riapko, het jong van Raaf, riep.

Toen werd alles stil. Maroessia was eindelijk met den ouden boer

alleen gebleven. Deze keek haar nu oplettend aan, en wel op zoo'n

zonderlinge wijze, dat haar hartje hevig begon te kloppen.

In het geheele voorkomen van Kniesj was eensklaps een verandering

gekomen. Met den ouden boer had plotseling een gedaanteverwisseling

plaats gegrepen. Inplaats van een goedigen grijsaard voor zich te

zien, die wel een beetje laf en wat ijdel was op zijn pasteien,

zijn dranken en zijn andere aardsche goederen, zag zij nu onder

zijn wenkbrauwen oogen fonkelen, waarvan de blik als de punt van

een dolk tot haar doordrong; al de rimpels van zijn voorhoofd waren

verdwenen. Zijn trekken waren norsch en streng geworden. De geheele man

was veranderd. Zijn schouders waren breeder, zijn gestalte werkelijk

indrukwekkend, hij leek niets meer op den ouden Kniesj.

Gedurende eenige oogenblikken keek Maroessia Kniesj als een klein bang

vogeltje aan. Kniesj sprak. Zijn stem geleek heelemaal niet meer op

de stem, die nog pas vriendelijke woordjes tegen den soldaat Iwan zei.

"Maroessia!" zei hij tegen haar. "Je vriend wenscht je te zien. Hij

is niet veraf. Wil je weten, wat hij je te zeggen heeft?"

De oogen van Maroessia antwoorden voor haar; de vreugde had haar

de spraak benomen; maar Kniesj had haar begrepen en haar een wenk

gegeven om hem te volgen.

Hij ging heen en liep met een vasten stap naar het voorplein. De oogen

van Maroessia zochten aan den kant van den ouden kelder naar den hoop

steenen, die met mos en onkruid bedekt was en vanwaar de stem van haar

vriend tot haar was doorgedrongen; maar Kniesj ging daar niet heen.

Na om zich heen gekeken te hebben, floot Kniesj. De groote hond,

Raaf genaamd, die bij de deur zat, was in een paar sprongen bij zijn

baas, ging op zijn achterpooten zitten en wachtte, terwijl hij zijn

schrandere oogen op den boer gevestigd hield.

"Is er geen vreemdeling in de omstreken, Raaf?" zei Kniesj tegen den

trouwen bewaker van zijn huis.

Raaf deed een eigenaardig geluid hooren, dat aan zijn baas duidelijk

zeide: "Wees maar gerust!" En ten bewijze, dat alles in de omstreken

inderdaad rustig was en dat men bijgevolg veilig in huis kon blijven,

begon Raaf jacht op de vliegen te maken. Blijkbaar zou Raaf zich

hiermee niet vermaakt hebben, als er aan het huis eenig gevaar

bedreigd had. Volkomen gerustgesteld, ging Kniesj nu met Maroessia

weer in huis; maar toen hij de kleine gang binnentrad, liep hij de

deur aan den rechterkant voorbij, waardoor men in het vertrek kwam,

waar men gegeten had, en deed een deur aan den linkerkant open,

die den toegang tot een provisiekamer verleende.

Deze provisiekamer stond vol met alles, wat tot voedsel kon dienen. Men

kon slechts met de uiterste moeite tusschen de groote zakken meel,

gerst, rogge, erwten en boonen doorkomen.

De ramen waren vrij groot, maar het licht drong er ternauwernood

doorheen. De voorraad hop, worsten, gedroogde pruimen, kersen in

flesschen, appelen, peren, de stapels eieren, de flesschen, die voor de

ramen stonden, hielden het geheele vertrek in een donker waas gehuld.

Maroessia bleef besluiteloos op den drempel staan, het scheen

onmogelijk om zich een doortocht te banen.

"Sla linksaf!" zei Kniesj tegen haar. Vervolgens schoof hij met zijn

stevige handen een vat, dat met brandewijn gevuld was, weg en drukte

toen met zijn voet op den vloer, die nu openging en voor Maroessia een

kleine houten trap deed te voorschijn komen, die naar een onderaardsch

gewelf scheen te voeren.

"Loop zachtjes, beste meid," zei Kniesj, "kijk goed waar je je voeten

neerzet: de treden zijn misschien wat glibberig."

X.

HET WEERZIEN.

Zij begonnen deze smalle trap af te dalen, die onder hun gewicht boog.

Maroessia had zich geen rekenschap gegeven van de manier, waarop

de vloer zich geopend had. Zij begreep eerst, dat deze opening weer

dichtgegaan was, toen zij zich in de duisternis bevond. Hoe dieper

zij kwamen, des te kouder werd het. De zon was nooit in dezen diepen

kelder doorgedrongen.

Van tijd tot tijd voelde het meisje, dat een stevige hand haar

op gevaarlijke plaatsen vasthield. Zoo bereikten zij eindelijk de

onderste trede.

Kniesj nam haar toen bij de hand, en zij begonnen voort te loopen

door een gang, waarin het een tijdlang donker bleef. Bij een kromming

drong er een lichtstraal van boven door, die het onderaardsche gewelf

verlichtte, dat op die plaats veel ruimer was. De afgezant liep daarin

met langzame schreden op en neer. Zijn oogen wendden zich terstond

naar de bezoekers. Door het geluid van hun voetstappen opmerkzaam

geworden, wachtte hij hen op.

"Maroessia, mijn kleine raadgeefster!" zei hij, terwijl hij zich naar

het kind vooroverboog, "wat ben ik gelukkig, je weer te zien."

Maroessia keek hem blij lachend aan en legde haar kleine handje in

zijn groote hand.

"Ach!" zei ze toen, "wat zult u het vreeselijk gehad hebben in het

hooi bij de aankomst der soldaten, en onderweg, toen Iwan om den

wagen heen draaide, en nog zooeven, toen hij vlak in de nabijheid

van dezen kelder struikelde!"

"Ik dacht maar aan de geschiedenis van de vrouw van den struikroover,"

antwoordde de afgezant, "maar ik was bang voor mijn geleidster."

"Laat ons een beetje verder gaan," viel Kniesj hem in de rede,

"wij zullen daar nog veiliger zijn."

Zij deden een paar honderd schreden in het onderaardsche gewelf,

dat nu eens nauwer en dan weer ruimer werd. Zij liepen beurtelings

in het licht en in de duisternis. Overal, waar het licht doordrong,

ontdekte men kleine trappen, die uitkwamen op deuren, welke goed

verborgen waren en de bewoners van het onderaardsche gewelf in de

gelegenheid stelden, zich op de hoogte te houden van alles, wat er

op het voorplein en in den tuin voorviel.

"Wij zijn niet rijk op het punt van den tijd," zei Kniesj tegen

dengene, dien hij Tsjetsjewiek noemde.

"Het is er maar om te doen, niet arm in hulpmiddelen te zijn," gaf

deze hem ten antwoord.

"Kies dan maar!" zei Kniesj; en hij wees hem naar een plaats in het

onderaardsche gewelf, die bijna deed denken aan het magazijn van

wapenen en van kleeren, dat de vrouw van den struikroover in het

onderaardsche gewelf van het kasteel ontdekt had.

Tsjetsjewiek boog zich voorover. Midden in een hoop kleeren van

allerlei aard, waaronder ook afgesleten of door kogels doorboorde

uniformen, haalde hij een langen witten baard voor den dag, en ook een

wonderlijk gewaad, dat aan den een of anderen rondreizenden muzikant

scheen toebehoord te hebben. Daarnaast stond een groote luit, die nog

in een goeden toestand was. Er ontbrak niets aan de vermomming: het

haar, de snorren, de wenkbrauwen zelfs pasten volkomen bij den baard.

"Dat," zei hij opgeruimd, "is juist goed voor mij. Laat ons nu eens

iets zoeken, dat het best voor Maroessia is."

"Zal Maroessia u dan vergezellen?" vroeg Kniesj, terwijl hij een

ouden mantel in z'n handen nam.

Bij deze vraag, die in twijfel scheen te trekken, of zij den afgezant

overal moest vergezellen, totdat deze het doel van zijn reis bereikt

had, nam het gezicht van Maroessia een uitdrukking aan, waarin

verontwaardiging en toorn te lezen stonden.

"Wat zou mijn vader, wat zou mijn moeder, en wat zou hij er wel

van zeggen" (hierbij wees zij naar Tsjetsjewiek), "als ik mijn taak

slechts half volbracht?"

"Maar weet je wel, beste meid, waar hij naar toe gaat?" hernam Kniesj;

"weet je wel, dat hij ergens naar toe gaat, waar men kan sterven, en

dat het niet waarschijnlijk is, dat men daarvan ongedeerd terugkomt?"

"Zou ik daarom zoo laf zijn, hem te verlaten?"

"Je bent een dapper meisje!" riep Kniesj uit... "Laat mij je eens

omhelzen! God geve, dat mijn Taras eenmaal op je gelijken moge!"

"Als Taras van mijn leeftijd was," zei Maroessia, "dan zou hij precies

hetzelfde doen, wat ik doe. Houdt hij er zich niet aldoor mee bezig,

alleen al de vijanden van de Ukraine uit te roeien?"

"Dat is waar," zei Kniesj. "Hij denkt nu al aan niets anders dan dat."

De afgezant zocht in den hoop kleedingstukken,--het was er om te doen,

Maroessia te vermommen;--niets beviel hem echter, hij wierp alles

weer op den grond.

"De kleeren, die zij nu draagt, staan haar goed. Wat is het jammer,

dat ik ze haar niet kan laten aanhouden!... Dit is afschuwelijk,"

zei hij, "en dat is nog afschuwelijker."

Hij bekeek een van de armoedige kleederen, die het meisje wel zouden

gepast hebben, en legde ze ter zijde.

"Het is ook niet noodig, dat zij er als een bedelares uitziet," zei

hij bij zich zelf, terwijl hij nog eenige lompen op den hoop wierp,

die aan niemand anders hadden kunnen toebehooren dan aan het een

of ander ongelukkig meisje, dat haar brood van de liefdadigheid der

voorbijgangers verwachtte. Maroessia nam het op.

"Ik moet er wel als een bedelares uitzien," zei zij. "Het zal

misschien noodig zijn, dat ik werkelijk een bedelares word. Ik kies

dit kostuum. Deze lompen zijn juist goed voor mij."

Zij liep toen naar een donkeren hoek, trok dadelijk haar mooie kleeren

uit, en na eenige oogenblikken kwam het rijke boerinnetje als bedelares

gekleed, terug.

Gedurende dezen tijd was ook de vermomming van den afgezant voltooid.

"Wat een knappe grijsaard!" zei Kniesj. "Het is je grootvader,

Maroessia."

"Het is de vriend van de Ukraine," zei het kind. "Kom, laat ons

vertrekken!"

De beide mannen hadden zich naar een hoek begeven. Zij gaven elkander

bericht omtrent den staat van zaken. Toen Kniesj ondervraagd werd,

antwoordde hij op de korte en bondige vragen van Tsjetsjewiek.

Zijn inlichtingen waren nu juist niet erg geruststellend.

"De meeningen zijn nog al uiteenloopend," zei hij; "overal heerscht

verdeeldheid, die aan de gemeenschappelijke pogingen schade doet. Men

is het niet eens omtrent de middelen, en nog minder omtrent de

menschen. De eigenliefde is er bij in 't spel. De vrouwen zijn

eigenlijk meer waard dan de mannen. U zult ze overal bereid vinden

om goed te doen. 'De Ukraine aan de Ukrainiërs teruggeven, en dan

met elkander twisten, indien men wil, maar niet eer,' dat zeggen

onze vrouwen tegen ons. En zij hebben volkomen gelijk. Wij hebben

twee hetmannen: de een is een groot heer, en de ander een vriend

der armen. Zij zijn jaloersch op elkander: het wantrouwen maakt

hen tot vijanden. Men zou zeggen, dat zij elkaar wel levend zouden

willen verslinden. De Moscoviten, de Polen en de Tartaren stoken dien

haat aan, die hun slechts dienstig kan zijn. Gezegend hij, die deze

ontketende hartstochten weet te bedwingen!"

"Men zegt, dat onze hetman ongesteld is. Is dat waar?"

"Hij is oud geworden. Hij is zeer veranderd. Slechts aan den kreeft

geven het verdriet en het lijden, als hij het vuur van te nabij ziet,

schoone kleuren."

"En de ander?"

"Van den ander zult u niet dan kwaads hooren spreken."

"Is niemand der onzen bij hem?"

"Jawel! Anton is bij hem, maar hij denkt er alleen maar aan, hoe

hij van hem weg kan komen. Hij zegt, dat het een onaangename taak is,

zoo'n schurk in het oog te houden. Ingeval u hem mocht willen bezoeken,

denk er dan aan, dat zijn vrouw werkelijk een goede ziel is. Het is

een groote dame, maar zij heeft een warm hart. Zij heeft een zuster,

die misschien een engel is... en die zeker op den een of anderen dag

als een heilige, naast de martelaren, in den almanak zal prijken."

"Dus," zei Tsjetsjewiek, "zou onze hetman ontmoedigd zijn?"

"Dat is zoo."

"Wie zijn z'n raadslieden?"

"Niemand; hij blijft alleen als een gekwetste arend."

"Dat doet er niet toe," zei de oude muzikant, terwijl hij zich in

zijn volle lengte oprichtte. "Ik moet dat alles van nabij zien. Ik

zal er zelf naar toe gaan."

Maroessia ging naar Kniesj toe en zei, terwijl zij een vriendelijken

blik op hem sloeg:

"Ik heb een gewichtigen dienst van u te vragen."

"Spreek op, beste meid."

Zij nam hem bij de hand. Zij wilde spreken, maar kon niets anders

uitbrengen dan:

"Zult u aan mijn vader... zult u aan mijn lieve moeder zeggen..."

De tranen waren te voorschijn gekomen; zij kon niets meer zeggen.

De beide mannen lieten haar den tijd om tot kalmte te komen.

Eindelijk hernam zij met vaste stem:

"Zult u hun zeggen, dat Maroessia, als zij hen niet terugziet,

gestorven is, en dat zij met de gedachte aan hen gestorven is,--aan

haar broertjes ook,--aan hen en aan de Ukraine."

"Beste meid," zei de oude boer, "ik hoop dat ik die droeve boodschap

nooit hoef over te brengen. Houd moed m'n kind."

Met deze woorden gaf Kniesj de luit aan de kleine bedelares in handen.

"Komaan, het is tijd om te vertrekken," zei hij. "Ik zal jullie

een eindje vergezellen en vóór het vallen van den avond naar huis

terugkeeren."

Hij liet hun het onderaardsche gewelf door een anderen uitgang

verlaten, die hen op een achterpleintje bracht, waar oude wielen,

oude sleden en oude ploegen, die buiten dienst gesteld waren, op een

hoop lagen. Wie hen al spoedig daarna den weg langs had zien loopen,

zou in hen niet degenen herkend hebben, die zich nog pas geleden in

het onderaardsche verblijf ophielden. De oude muzikant was nu niets

anders dan een arm man, die door de jaren en de ellende verzwakt was.

Maroessia was een ongelukkig klein bedelaarskind, en de oude Kniesj

de langzame en logge boer, wiens gastvrijheid de soldaat Iwan op

zoo'n zware proef gesteld had.

Zij liepen lang voort zonder te spreken, zooals dat gaat met menschen,

die elkaar niets meer te zeggen hebben.

Een Russisch detachement was hen voorbijgereden, zonder meer op hen

te letten dan op het stof van den weg.

Zij hadden halt gehouden. De oude muzikant zat op het gras en tokkelde

met zijn vingers de snaren der luit, die hij van Maroessia overgenomen

had. Hij zong met een zachte stem een eentonig lied, een soort van

avondgebed. Zijn kleine metgezellin, die zonder twijfel door zijn

gezang in slaap was gevallen, lag aan zijn voeten. Wat den ouden boer

Kniesj aangaat, deze luisterde al mijmerende met gebogen hoofd.

Tenslotte stonden ze weer op. Voor de laatste maal werden de handen

in elkaar gelegd, als een laatst vaarwel sprak ieder van hen dit

viertal woorden uit: "Alles voor het vaderland!"

Zoodra zij afscheid genomen hadden, keerde de een langs denzelfden

weg terug, terwijl de beide anderen hun tocht voortzetten. Geen van

drieën keek nog eens om, ten einde een laatsten blik te wisselen.

XI.

WOORDEN EN MUZIEK.

Tegen den avond bevonden de oude muzikant en zijn jonge metgezellin

zich reeds in het gezicht van het Russische legerkamp, waarvan de

tenten, die op een heuvel opgeslagen waren, zich langs de hellingen

tot aan de rivier uitstrekten.

De schaduwen van den avond begonnen zich over de aarde te verspreiden:

eenige roode strepen vertoonden zich nog slechts aan den gezichteinder.

In het kamp was alles stil. De vermoeienis ten gevolge van het laatste

gevecht had alle levendigheid doen verdwijnen. De schildwachten,

die door de laatste stralen der ondergaande zon beschenen werden,

stonden zoo onbeweeglijk op hun post, dat men ze voor beelden zou

aangezien hebben. Eenige soldaten kwamen en gingen nog en liepen

langzaam de hellingen van den heuvel af; eenige zwijgende groepen,

talrijker dan men wel zou gedacht hebben, waarvan sommige zaten, andere

op den grond uitgestrekt lagen, waren ternauwernood te onderscheiden.

Ofschoon de avond nog niet gevallen was, bemerkte men in een tent den

flauwen glans van een kaars, waarvan het licht door de linnen wanden

heendrong. Naarmate men naderde, hoorde men eenig zwak gedruisch, als

dat van een wapen, hetwelk men verzet, een gekerm, een onderdrukten

lach, een brokstuk uit een gesprek.

Een schildwacht wees naar den ouden muzikant en zijne metgezellin. Er

ontstond eenige beweging. In plaats van zich door het "Werda?" dat

men hem toeriep, of door het zien van al die soldaten schrik te laten

aanjagen; in plaats van terug te keeren, zooals vele anderen in zijn

plaats zouden gedaan hebben, liep de grijsaard regelrecht naar het

legerkamp toe.

Het was een grijsaard, die zonder twijfel alles zien wilde,

en dat wel van zeer nabij, die zeker van soldaten hield, en die

waarschijnlijk vroeger zelf soldaat was geweest. Anders zou hij niet

zoo onbeschroomd voortgeloopen hebben. Deze onbeschroomdheid had

een gunstige uitwerking. Als men zich zoo uit eigen beweging aan

gevaar blootstelt, dan heeft men meestal niets te vreezen. Na een

groep officieren eerbiedig gegroet te hebben, die zittende of half

liggende van hun krijgsavonturen verhaalden, vroeg hij hun, of het

hun niet zou bevallen, als hij eens wat muziek voor hen maakte en

zelfs iets voor hen zong.

Er zijn oogenblikken waarop iedere afleiding haar eigenaardige waarde

heeft. Zijn aanbod werd dan ook welwillend aangenomen.

Men kon aan de eerste tonen, die hij aan zijn luit ontlokte,

wel hooren, dat hij zijn vak verstond, en men luisterde dan ook

met genoegen naar hem. De muziek heeft de gave om de gedachten van

het gewone leven af te leiden en deze ver van de werkelijkheid weg

te voeren.

Al spoedig hielden de gesprekken op; de blikken, die zich in de ledige

ruimte verloren, verrieden, dat iedereen de een of andere dierbare

herinnering uit het verleden terugriep: den vader of de moeder,

het kind of de vrouw, waarvan de oorlog hem gescheiden had. Eenige

soldaten, wier hoofden met bebloede verbanden omgeven waren, gingen

op hun ellebogen leunen om beter te kunnen hooren. De muzikant bezong

het huisgezin, de kindsheid en de jeugd. Dat alles lag zoo ver in het

verleden! Men had het aan zijn lied te danken, dat te midden van het

legerkamp het huisgezin, waarin men geboren was, voor de oogen opdoemde

en aan ieder herinnerd werd, dat de oorlog niet het geheele leven is.

Meer dan één oog werd vochtig. De bijval, dien de grijsaard vond,

was groot, zoo groot, dat, toen hij met zingen opgehouden had,

verscheidene handen reeds eenig kleingeld uit hun zak hadden gehaald

om hem dit aan te bieden.

"Kom eens naderbij, kleine tooverheks!" riep een ruwe officier uit.

En terwijl hij aan Maroessia een kopek voorhield, vervolgde hij:

"Dat is voor je vader: kom het maar halen!"

Het meisje verroerde zich niet; zij was geheel verdiept in den droom,

waarin zij door het gezang van haar vriend verzonken was. Wat was

het mooi, wat hij gezongen had! En wie zou gedacht hebben, dat hij

zoo goed kon zingen?

"Zal je ook komen?" riep een ander haar toe.

Eenigen begonnen boos te worden.

"Je moet die goede heeren bedanken, beste meid," zei de grijsaard. "Ga

naar hen toe en strek je hand naar hen uit."

Maroessia huiverde; maar hij had het bevolen, en zij gehoorzaamde

dus. Wat beefde haar kleine hand, toen zij deze gaven aannam! Dit

geld van den vijand brandde haar in de hand.

"Dat meisje is niet leelijk," zei er een.

"Zij heeft een paar oogen, die men voor een paar sterren zou houden,"

voegde een ander er bij.

"Als je groot bent, zal ik met je trouwen, hoor!"

"Dat blijft afgesproken, niet waar?" zei een derde.

Maar de luit van den grijsaard deed zich opnieuw hooren en sloeg

nu een geheel anderen toon aan. Men vergat het meisje en begon weer

te luisteren.

Een jong officier met een knap uiterlijk, en nog al met zich zelf

ingenomen, was reeds bij het eerste lied, dat er gezongen werd,

uit zijn tent gekomen.

Langzamerhand had zijn gezicht een zachtere uitdrukking aangenomen;

zijn eigenwaan was verdwenen; hij had zijn pijp laten uitgaan en was

in gedachten verzonken geraakt. Het lied van den grijsaard had er hem

aan herinnerd, dat hij toch naar het beeld van God geschapen was,

voordat hij zich naar het beeld van zijn generaal had gevormd. Hij

had dit geheel vergeten.

Na dit tweede lied vroeg men den ouden muzikant om een ander; hij

liet zich een weinig smeeken.

"Ik ben bang," zei hij, "dat het u niet zal bevallen, naar datgene

te luisteren, waaraan ik denk. Het is treurig en somber."

"Ga je gang maar," zei een lang en mager officier met een norsch en

streng gezicht. "Ons beroep maakt, dat onze oogen droog genoeg blijven;

wees maar niet bang, ze vochtig te maken. Het kan geen kwaad, eens

verschillende aandoeningen te hebben, en je bent daartoe juist ter

rechter tijd gekomen."

"Wilt u het?" zei de grijsaard. "Welnu, luistert dan!"

En nu zong hij een lied, waarvan de inhoud hierop neerkwam:

"Het is reeds lang, zeer lang geleden, dat eenige brave lieden een

klein vaderland hadden. Ach! het was wel een klein vaderland, maar voor

hen was het de geheele wereld. Zij hadden het lief. Hun voorvaders

hadden het vruchtbaar gemaakt, hun moeders hadden het versierd, hun

zusters hadden er een paradijs van gemaakt. Zij leefden rustig zonder

zich met hun machtige naburen te bemoeien. Op zekeren dag zeiden deze

naburen tegen elkander: 'Dat land is gelukkig, het is rijk, het is

bekoorlijk, het zou een schoone ring aan onzen vinger zijn.' En het

kleine, welvarende land werd eensklaps overweldigd. De krijgsrossen

van het machtige volk traden de kinderen van het zwakke volk onder

de voeten. De sabels der jonge, baardelooze officieren velden de

hoofden der grijsaards en zelfs der vrouwen, die ter bewaking van den

huiselijken haard achtergebleven waren. De woeste en onverschrokken

jongelieden, voor de overmacht zwichtende, kwamen in de gevechten

om. De moedige en liefhebbende meisjes wachtten tevergeefs op de

terugkomst van haar broeders, van haar verloofden. Huizen, dorpen,

geheele steden verdwenen.

"Welke misdaad had dit kleine volk dan bedreven? Niet de minste! Het

was goed om ingepalmd te worden.

"Wie weet echter, of dit machtige volk, door een nog machtiger

aangevallen, niet eenmaal de straf der wedervergelding zal ondergaan?

"En als dat gebeurt, in naam van welke rechtvaardigheid zouden de

overwinnaars van heden, de overwonnenen van morgen geworden, hun

klachten dan tot den Allerhoogste trachten op te zenden?"

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc · 第 5 / 10 段