Bij het aanhooren van het eenvoudig verslag der feiten zochten sommigen

niet naar de toepassing, maar anderen deden dit wel. Voor deze was

alles duidelijk.

Er ontstond een levendig gesprek.

"Drommels! drommels!" zei de officier, die er zich zooeven over

beklaagde, dat zijn oogen te lang droog gebleven waren. "Dit oude

lied uit vervlogen tijden is juist op ons van toepassing. Zou die

oude zanger daaraan ook gedacht hebben? Men zou zeggen, dat de wereld

weinig veranderd is sedert de honderden jaren, dat men zingt."

"Hoor eens!" zei de jonge officier. "Die zanger heeft toch eigenlijk

geen ongelijk, maar waartoe zal zijn les dienen? Het bevel is gegeven,

wij moeten dus oprukken."

"Waarover hebben zij zich te beklagen?" zei een ander. "'De Ukraine aan

de Ukrainiërs!' Wat moet deze uitroep beteekenen? Men wil hun Ukraine

toch niet opeten. Die lui zijn gek. Is het dan zoo verschrikkelijk,

als men niets anders is dan een onbekend mierennest, eindelijk een

gedeelte van een groot rijk uit te maken?"

"Laten wij intusschen ons in hun plaats stellen," zei de jonge,

blonde officier. "Wat zij doen, zouden wij dat niet doen? Het is

altijd onaangenaam, met kracht van wapenen overmeesterd te worden,

niet waar? Je zult zeggen, dat zij er over honderd jaren niet meer

aan zullen denken;--voor hen, die over honderd jaren zullen leven,

is dit zeker waar;--maar voor hen, wier hutten in brand staan, omdat

zij ze hebben willen verdedigen, staat de zaak toch niet gelijk."

"Zulk een klein volkje heeft het recht niet om zoo te leven, als

het zelf verkiest. Er zijn groote rijken noodig om groote dingen tot

stand te brengen."

"Dat is wel mogelijk. Maar te leven zooals men het zelf verkiest in

een eigen landje, waarmee men hoog ingenomen is, mag toch ook niet

verwerpelijk geacht worden."

"De liefde tot het vaderland, goed voor de groote volkeren, kan voor

de kleine niet slecht zijn," zei een jonge kapitein.

"Je hebt des te meer gelijk," gaf de oude officier hierop ten antwoord,

"omdat alles, wat te groot is, eindelijk ineenstort. Ik maak mij soms

wel eens bang over al onze grootheid."

Men ziet, dat iedereen openhartig zijn meening zei. Dit zal slechts

de verwondering wekken van hen, die nooit in een kamp gelegerd zijn

geweest. De krijgstucht strekt er zich alleen tot de lichamen uit. De

tongen zijn er dikwijls minder dan elders geboeid. De vrije gedachte

baant zich overal een weg.

Men kwam langzamerhand op den veldslag van den vorigen dag en van

den morgen terug.

"Die boeren vechten als helden," zei er een.

"Als duivels uit de hel," antwoordde een ruwe kerel, die zijn arm in

een doek had hangen. "Als zij bekwame opperhoofden hadden, zou het

niet zoo gemakkelijk gaan, ze klein te krijgen."

"Door een hooivork te sterven is niet eervol voor een soldaat,"

zei een ander. "Wie zou aan onzen armen kolonel gezegd hebben, dat

hij zoo aan zijn eind zou komen? 'Ach! zelfs geen lansstoot!' riep

hij uit, terwijl hij viel. Vloek over zoo'n oorlog! Wat een leelijke

wonden! De chirurgijns weten ze niet te genezen. Zij zijn allen het

spoor bijster. En wat een gekwetsten, en wat een dooden! Het zijn

wolven, echte, woedende wolven. Men zou zeggen, dat zij dood zijn,

maar 't mocht wat, zij staan op om te kijken. Nog twee overwinningen

zooals de laatste, en als wij dan geen versterking krijgen, zullen

wij het veld moeten ruimen."

"Als onze soldaten maar vochten, zooals die menschen!" zei een oude

officier.

"Zij zouden zoo vechten," zei een gekwetste soldaat, "als zij hun

vrouwen en hun kinderen en de huizen van hun vaderen verdedigden."

Wat zag hij er bleek uit, die arme soldaat, en wat een inspanning

had het hem gekost om zich halverwege op te richten en zulk een

waarheid aan zijn bevelhebber te doen hooren! De officier antwoordde

hem. Maar de soldaat hoorde hem niet meer. Hij was weer neergevallen,

hij was dood.

Den ouden zanger was niets van dit geheele gesprek ontgaan. Meende

hij, dat hij er genoeg van gehoord had of dat hij zelf genoeg had

laten hooren?

Eensklaps hief hij zulk een vroolijk liedje aan, dat zelfs een

kluizenaar de lust zou bekropen hebben om te gaan dansen.

Het was de geschiedenis van een meisje, dat haar rok verkocht om

een pijp voor haar minnaar te koopen, en hem deze door een regen

van kogels heen op het slagveld bracht. Plotseling was de algemeene

stemming veranderd. De oudsten sloegen de maat; de jongeren stemden

met den zanger in. "Wat een prachtige zanger!" zei men. "Het is een

prettige avond, en wie zou dat gedacht hebben?"

De grijsaard zong nog eenige liedjes van denzelfden aard, tot

groote vreugde der soldaten, die eindelijk van alle kanten van het

legerkamp toegesneld waren; vervolgens stond hij op en zei hen allen

vaarwel. Eenigen deden hem uitgeleide.

"Blijf toch, oude stijfkop, blijf tot morgen. De nachten zijn koud,

en de wegen zijn niet veilig. Zeg hem toch, beste meid, dat hij tot

morgenochtend hier moet blijven. Een goede slaapplaats en een goed maal

zijn de moeite wel waard, dat men wacht. Hij heeft immers zooveel haast

niet! Hij heeft heel wat geld opgeloopen. De kleine blonde officier

heeft je een goudstuk in de hand gedrukt. Ik heb het zelf gezien;

daarvoor zal je grootvader een mooie jurk voor je kunnen koopen."

Maar de grijsaard liet zich niet overhalen.

"Als men een rondreizend zanger is, dient men ook rond te reizen!" zei

hij lachende.

En hij verdween met het meisje midden in de duisternis.

"Luister eens!" zei Maroessia tegen hem, "ik heb drie officieren

hooren zeggen, dat het laatste gevecht zoo bloedig is geweest, dat

zij in geen veertien dagen in staat zullen zijn om een aanval op

Tsjigirine te doen."

XII.

MEN NADERT.

Maroessia en haar vriend liepen gedurende een groot gedeelte van den

nacht voort, zonder een enkel woord met elkaar te wisselen. Nu en

dan bleef Tsjetsjewiek staan en vroeg aan het kind, of hij haar ook

wilde dragen.

"Ik ben niet moe," antwoordde zij dan.

De uren vlogen Maroessia om. Haar hart was van geestdrift vervuld. Haar

groote vriend was ongetwijfeld voldaan. De muzikale soiree, die hij

in het legerkamp had durven geven, had vele dingen aan het licht

gebracht. Terwijl zijn ooren hoorden, hadden zijn oogen rondgekeken

en geoordeeld. De overwinnaars achtten zich nog niet zeker van

de overwinning, de overwonnenen hadden dus hun pogingen niet te

betreuren. Er was geen reden om te wanhopen. Alles hing af van hetgeen

Tsjetsjewiek te Tsjigirine zou vinden, maar hij moest er eerst komen.

Na verscheidene uren achtereen geloopen te hebben, vertoonde zich

eindelijk aan de oogen der reizigers de lichten van de stad en spoedig

teekenden zich de stadsmuren en de groote gebouwen tegen den donkeren

hemel af.

Er was iets sombers in het voorkomen van deze donkere stad, waarin

zich slechts hier en daar een enkel lichtje vertoonde. Geen enkel

geluid drong daaruit tot hun ooren door, niets verried, dat er een

levend wezen in was. Het was niet de verkwikkende rust van den slaap,

maar die van een gespannen verwachting. Het gevoel van een naderend

gevaar scheen op deze huizen, die dicht op elkaar stonden, te drukken.

De duisternis, waarin Tsjigirine gehuld was, scheen opzettelijk te

zijn. Een groot licht zou geleken hebben op een sein, waarmee de

vijand zijn voordeel had kunnen doen. De borstweringen, de forten en

de wallen waren blijkbaar in een goeden toestand gebracht.

Tsjetsjewiek en Maroessia naderden de poort der stad. Maar hoe nu? Zij

scheen niet bewaakt te worden. Het kleine poortje was wel is waar half

versperd, maar daarachter bevond zich niemand, zelfs geen poortwachter.

Zij deden dit poortje open, dat zonder gedruisch op zijn hengsels

draaide. Niemand hield hen tegen, niemand ondervroeg hen. Was het

een valstrik? Zij traden de stad binnen, zonder eenigen hinderpaal

te ontmoeten. Toch scheen het hun toe, dat de blikken van enkele

voorbijgangers, verwonderd, dat zij zoo onverwachts menschen

tegenkwamen, hen met de meeste aandacht volgden.

"Zeg, jongeman," zei Tsjetsjewiek tegen een jongen kozak, dien hij

tegen het hek van een tuin zag aanleunen, "waar woont onze hetman?"

De jonge kozak kwam even aan zijn hoofddeksel bij wijze van groet,

en terwijl hij naar het uiteinde van de straat wees, waarvan eenige

ramen half verlicht waren, zei hij tegen hem:

"Als u aan het einde van deze straat gekomen zijt, moet u links

afslaan, dan staat u vlak voor het huis van den grooten hetman."

Zij liepen de aangewezen straat door, sloegen linksaf en bevonden

zich toen inderdaad vlak voor de woning van den hetman.

Het huis van den grooten hetman was niet grooter dan de andere;

niets onderscheidde het, zelfs geen schildwacht; men kon het slechts

daaraan herkennen, doordat er licht brandde. Twee meisjes bleven,

toen zij deze ramen voorbijkwamen, een oogenblik staan, en terwijl

een van haar door de ruiten keek, zei zij tegen de andere:

"Het schijnt dat onze hetman nog op is."

Achter de ruiten van een der kleine ramen, die verlicht waren, zag

men het hoofd van een kozak met lange snorren, dat zich geen enkele

maal bewoog.

"Het is een schildwacht!" dacht Tsjetsjewiek bij zich zelf.

De schildwacht, als het er ten minste een was, verroerde zich niet,

als was hij in diepe gedachten verzonken.

Toen men goed luisterde, hoorde men in het benedenhuis voetstappen;

deze waren nu eens haastig, dan weer langzaam.

De Tsjets klopte eenmaal, tweemaal, driemaal zachtjes op de deur.

Bij het derde kloppen stond de kozak, die onbeweeglijk bij het raam

zat, op en ging opendoen.

De voetstappen, die men hoorde, hielden op.

"De verre vrienden zenden den grooten hetman hun groeten," zei

Tsjetsjewiek bij zijn binnentreden op een fluisterenden toon.

Het gezicht van den kozak drukte noch verwondering, noch ongerustheid

uit. Men kon daaruit opmaken, dat de groote hetman iederen dag

dergelijke bezoekers ontving,--rondreizende muzikanten, die tijdingen

van verre vrienden brachten.

"Kan ik den grooten hetman zelf ook spreken, broeder?" vroeg

Tsjetsjewiek.

Maar op dit oogenblik werd de deur, die naar de aangrenzende kamer

voerde, haastig opengedaan en vertoonde de groote hetman zich op

den drempel.

Hij zeide niets, maar zijn geheele gezicht sprak en vroeg:

"Waar kom je vandaan? Van wien? Welke tijdingen breng je?"

Het licht bescheen hem slechts flauw, zoodat men zijn gelaatstrekken

niet kon onderscheiden. Maar die oogen, die doordringende en

uitvorschende oogen, gloeiden als vuur.

"Ik buig mij voor den grooten hetman neer," zei Tsjetsjewiek, terwijl

hij een diepe buiging maakte.

Maroessia, die nog aldoor naast haar grooten vriend stond, groette

insgelijks.

"Je bent beiden welkom," antwoordde de groote hetman. "Welk lied zal

je voor mij zingen?"

De toon van de stem verried een man, die gewoon was om te bevelen,

een man, die zich niet wist in te houden, als het er om te doen was,

zijn meening te zeggen of te verdedigen.

"Welk lied, groote hetman? Ik ken er meer dan een, dat ik u kan doen

hooren, indien u zich verwaardigt, naar mij te luisteren."

De groote hetman antwoordde eerst niet.

"Waar kom je vandaan?" vroeg hij eindelijk.

"Van Zaporogië," antwoordde Tsjetsjewiek. "De dapperen van Zaparogië

bieden den grooten hetman hun groeten aan."

"In den tijd, waarin wij leven, heeft niemand groeten te doen of te

ontvangen," antwoordde de hetman. "Kom in mijn kamer!"

Tsjetsjewiek volgde den grooten hetman, terwijl hij Maroessia nog

aldoor bij de hand hield, en trad het aangrenzende vertrek binnen.

Dit vertrek was even eenvoudig als het eerste: de muren waren gewit,

en er stonden houten banken in, zooals men ze in iedere boerenwoning

aantreft.

Maar er waren vele prachtige wapenen te zien: pistolen en dolken

schitterden aan de muren.

Verschillende papieren en brieven lagen er over de tafel verspreid;

op deze papieren zag men de boelawa, den veldheersstaf van den hetman.

Een der wanden was voorzien van groote houten haken, waaraan de

galakleederen hingen, die geheel met goud, zilver en edelgesteenten

geborduurd waren. Deze gouden borduursels, deze kostbare edelgesteenten

fonkelden in de kamer en gaven daaraan een eigenaardig voorkomen.

"Ik verzoek je, plaats te nemen," zei de groote hetman.

Hij ging ook zitten, en zijn fonkelende oogen vestigden zich

beurtelings op het gelaat van Tsjetsjewiek en op dat van Maroessia.

"Waarom heb je dat kind bij je?" zei hij.

"Zij is doofstom, en bovendien, zij heeft behoefte aan slaap."

De groote hetman stond op, en nadat hij een prachtigen mantel van

een der houten haken had afgenomen, wierp hij dien aan Tsjetsjewiek

toe. Een prachtig Perzisch tapijt lag op een bank. Hij wees zijn

bezoeker daarnaar. Tsjetsjewiek maakte daarvan in een oogenblik

een bed gereed, waarna hij het meisje op zijn arm nam, er haar op

neerlegde en haar met een moederlijke teederheid van het hoofd tot

de voeten instopte.

"Doofstom!" had hij heel zachtjes tegen haar gezegd, terwijl hij haar

een kus op het voorhoofd drukte.

Het bed was in een hoek van het vertrek opgemaakt. In de zijden

plooien van den prachtigen mantel gewikkeld, vestigden de oogen van

het kind zich onwillekeurig op haar vriend en op den grooten hetman,

die tegenover elkander aan een tafel plaats genomen hadden, terwijl

een kaars, die tusschen hen stond, hun gezichten verlichtte.

Zij praatten op een fluisterenden toon met elkander.

Maroessia luisterde nog even naar het gebrom van hun stemmen, maar

eindelijk behaalde de vermoeidheid de overwinning. Zij viel in slaap

en werd nu inderdaad doof en stom.

XIII.

DE HETMAN ZWICHT.

Maroessia sliep in met een glimlach om haar lippen; zij zag in

haar droom het ouderlijk huis, de kerseboomen, haar broertjes, al

die bekende gezichten; maar al spoedig daarna verdween dit alles

als in een nevel en droomde zij weer over verschrikkelijke dingen,

van soldaten, oorlog en haar vaderland.

Eensklaps werd zij wakker, richtte zich even op en keek aandachtig

rond.

Zij sliepen niet!

Tsjetsjewiek zat nog steeds bij de tafel, de groote hetman stond midden

in de kamer. Men kon het wel aan hem zien, dat hij in een opwelling van

verontwaardiging van zijn plaats was opgestaan, maar dat de hevigheid

van een slag, die hem met de meeste juistheid toegebracht was, hem

als versteend had.

Eindelijk sprak hij:

"Dus dat willen jullie! Goed, maar het geneesmiddel zal erger dan

de kwaal zijn. Ik weet wel, dat ik in de rivier gesprongen ben

zonder mij te bekommeren om de plaats, waar zij doorwaadbaar is;

maar evenmin als ik, zal jij den oever bereiken. Ons land zonder

grenzen, zonder strijdkrachten, zonder eensgezindheid, zonder raad,

is niets anders dan een huis, dat aan alle winden blootgesteld is,

en onze naburen zijn zeer dwaas, dat zij ons den oorlog aandoen;

zij hadden beter gedaan als zij even gewacht hadden totdat het land,

door onze tweedracht verdeeld, ten gronde was gegaan."

"Onze tweedracht? Wat is daarvan anders de oorzaak dan dat tweehoofdig

bestuur?" antwoordde Tsjetsjewiek kalm. "Men moet in eendracht macht

zoeken. Alleen daardoor is er nog hoop op redding."

De groote hetman had een gevoel, alsof hij zich aan een gloeiend ijzer

gebrand had. Hij liep de kamer eenige malen op en neer. Toen deed

hij het raam open en sloeg een blik naar de nachtelijke duisternis.

Zoo diep was de stilte en zoo hevig de ontroering van den hetman,

dat Maroessia, ofschoon zij zich aan het andere einde van het vertrek

bevond, het kloppen van zijn hart meende te hooren.

Door de nachtlucht verfrischt, door zijn stilzwijgen zelf kalmer

geworden, zette hij zich weder aan de kleine tafel tegenover

Tsjetsjewiek neer.

"Als ik je wel begrijp," zei hij, "reken je er op, dat ik, omdat

ik de beste ben, aan den slechtste afstand zal doen. Omdat er geen

opoffering te wachten is van hem, die reeds de helft van zijn Judasrol

heeft geleerd, vraag je van mij zoo'n daad van zelfverloochening."

"En dat is," zei Tsjetsjewiek, "om het hem onmogelijk te maken, zijn

Judasrol geheel uit te spelen, om hem iedere reden, ieder voorwendsel

te ontnemen, deze tot het einde vol te houden; 'omdat wij weten,

dat gij de edelste der zonen van de Ukraine zijt, verzoeken wij u,

u een tijdlang op den achtergrond te stellen.'"

"Zal niemand mij van verraad of van lafhartigheid beschuldigen,

als ik toestem in hetgeen je van mij vraagt?"

"Iedereen zal integendeel de heldhaftigheid van uw opoffering

waardeeren. Onze vrienden, die mij zenden, weten, wat het u moet

kosten, er toe te besluiten."

"En als de ellendeling ons toch eens verkocht?..."

"Hij zou sterven, voordat hij zijn misdaad volbracht had," zei

Tsjetsjewiek bedaard. "Iemand houdt hem in het oog, die niet zou

toelaten, dat hij zich geheel onteerde."

Er lagen op de tafel papier, pennen en inkt. De hetman nam een pen

in handen. Tsjetsjewiek wendde zijn blikken naar Maroessia en las de

angst in haar oogen. Zijn kleine vriendin voelde zich niet op haar

gemak. Het was zoo moeilijk te doen, wat haar vriend van den grooten

hetman vorderde, dat hij eindelijk wel eens boos kon worden. En wat

zou er dan tusschen mannen van dit heftige ras voorvallen?

Een glimlach van Tsjetsjewiek deed de kleine doofstomme begrijpen,

dat zij gerust kon zijn.

De hetman schreef en overwoog zonder twijfel ieder woord, voordat hij

het neerschreef, en te recht. Zulke geschriften, waarin men afstand

doet van een ambt, verdienen wel ernstig overwogen te worden.

Toen het stuk voltooid was, reikte hij het aan Tsjetsjewiek over.

"Ziedaar!" zei hij tegen hem, "ben je nu tevreden?"

Na het gelezen te hebben, antwoordde Tsjetsjewiek hem:

"Ik ben trotsch voor de Ukraine op den vrijwilligen afstand van den

dapperste harer zonen. Als wij in dezen strijd het onderspit moeten

delven, zal onze geschiedenis een held te meer tellen. Zij, die voor

haar zullen sterven, zullen zich niets te verwijten hebben. U zult

meer dan een hunner hebben verricht, u zult afstand van uw macht

gedaan hebben om haar te redden,--zonder er zelfs zeker van te zijn,

te zullen slagen. U geeft ons de eenige kaart in de hand, die ons

het spel kan doen winnen."

Tsjetsjewiek had het stuk opgevouwen en het verborgen in het gevest

van een dolk, dien hij onder zijn kleed droeg.

"Wanneer zal je dit stuk zijn bestemming doen bereiken?" vroeg de

hetman. "Wanneer zal hij weten, dat ik voor de Ukraine tot alles

bereid ben, zelfs om onder zijn bevelen te vechten, bevelen, die hij

zelf niet in staat is te geven?"

"Dat zal ik zelf doen, zoodra ik mijn tocht heb volbracht. Ik zal

geen uur verliezen, hetman; daar kunt u op rekenen. En als alles niet

naar wensch mocht gaan, als ik inzie, dat uw geschrift nutteloos zou

wezen, wees dan maar gerust, dan zal ik het vernietigen. Dan zal het

zoo goed zijn, alsof het niet geschreven was."

Na deze woorden stond hij op en riep Maroessia.

De hetman vergezelde hen tot op den drempel van de deur, en daar

namen zij afscheid.

Zij lieten den grooten hetman peinzend op den drempel van zijn huis

achter en begaven zich naar de poort der stad.

De straten waren verlaten; de kleine boomgaarden vol kerseboomen

waren geheel wit van bloesems; in de verte hoorde men het gekabbel

eener rivier.

Na een honderdtal schreden gedaan te hebben, keerde Maroessia zich om,

om nog een laatsten blik op het huis van den grooten hetman te slaan.

Hij stond nog steeds op den drempel en volgde hen met een peinzenden

blik.

"Zou _hij_ Tsjigirine kunnen verdedigen?" vroeg zij aan haar vriend.

"Ja, als men er een aanval op doet; maar onze vijanden zullen wel

wat anders doen dan onze steden in te nemen."

"Maar _als_ men er eens een aanval op deed?"

"Hij zou zich liever laten dooden dan de stad over te geven."

Zij gingen nu niet door de straten, waardoor zij bij hun komst geloopen

hadden. Het was er Tsjetsjewiek om te doen, met eigen oogen te zien,

hoe het in de andere wijken der stad gesteld was.

Aan een onverschilligen toeschouwer zou de stad verlaten hebben

toegeschenen; maar op een afstand van ongeveer honderd schreden van

elkander verwijderd, zag men eenige ruwe mannen, die waarschijnlijk

niet toevallig geposteerd stonden op plaatsen, vanwaar men alles

nauwkeurig kon gadeslaan.

Toen onze reizigers bij de poort der stad aankwamen, versperde een

reusachtige kozak met lange snorren, die als uit den grond scheen

opgekomen te zijn, hun den weg.

"Welken weg wil je inslaan?" vroeg hij.

"Dien der eerlijke lieden," luidde het antwoord.

"Waar ga je naar toe?"

"Naar eerlijke lieden."

"Dat is een naam, die niet altijd toekomt aan hen, die zich dien zelf

geven. Het is best mogelijk, dat je kwaadwilligen ontmoet."

"Als men altijd bang voor den wolf was, zou men zich nooit in de

bosschen durven wagen, en dan zou men niet van de aardbeien proeven."

"Welnu," hernam de kozak--"als je er op staat dan kun je voor mijn part

weer denzelfden weg gaan waarlangs je vanmorgen binnengekomen bent."

Ze gingen weer verder, maar Maroessia kon zich nu niet langer inhouden

om voldaan op te merken: "Dus de poort werd vanmorgen ook bewaakt. Des

te beter."

XIV.

ONTMOETINGEN.

Twee weken na de samenkomst van Tsjetsjewiek met den grooten hetman

naderden de oude zanger en zijn trouwe metgezellin op een heerlijken

avond met langzame schreden een dorp dat in de asch was gelegd.

Hun reizen waren geen pleiziertochtjes. Men kon het wel aan hen zien,

dat zij zich niet veroorloofd hadden veel rust te nemen: hun oogen

schitterden van een koortsachtig vuur; hun gezichten waren door de

zon verbrand en hun kleeren met stof bedekt; hun lippen waren bleek,

hun voeten stukgeloopen.

Met dat al liepen zij moedig voort en praatten kalm en ernstig.

Met uitzondering van eenige onverwachte ontmoetingen met menschen,

die hen tegenkwamen en die ternauwernood een woord en soms slechts

een groet met Tsjetsjewiek wisselden, ontmoetten zij geen levend wezen.

Alles was stil en verlaten; dikwijls waren zij de puinhoopen van

huisjes, vernielde boerderijen, verwoeste velden en tuinen, half

verbrande boomstammen, aan den eenen kant zwart, aan den anderen nog

groen, half dood, half levend, voorbijgekomen.

"Voordat de avondster aan den horizon schittert, zullen wij aan het

graf van Nadneprowka zijn," zei Tsjetsjewiek tegen het kind.

Deze graven zijn heuveltjes van een eigenaardigen vorm, die men alleen

in de Ukraine aantreft. Zij bedekken, indien de overlevering waarheid

spreekt, de lichamen van hen, die voor het vaderland gestorven

zijn. Zooveel is zeker, dat de landbouwers, als zij ze toevallig

omwoelen, daarin wapenen, ringen en halssieraden vinden.

De vriend van Maroessia had zich niet bedrogen: de avondster

schitterde nog niet aan den horizon, toen de omtrekken van het graf

van Nadneprowka zich voor hen afteekenden.

De zon was reeds ondergegaan, maar de schaduwen van den avond waren

nog helder; het was een soort van vergulden mist. De jonge boompjes, de

struiken en het hooge gras, die "het graf" bedekten, waren als in een

vuurgloed gehuld. Het gebroken kruis teekende zich tegen de lucht af.

Op den top van het heuveltje bleven zij staan om het prachtige uitzicht

te bewonderen. Voor hen stroomde met dof geklater de Dnjéper, terwijl

aan den anderen kant boschrijke bergen zich verhieven. Het was een

prachtig gezicht en beiden stonden roerloos, getroffen door dit

mooie natuurtafreel.

Eensklaps deed een meeuw haar geschreeuw hooren. Deze meeuw scheen

aan den oever der rivier in het riet te zitten.

De oogen van den Setsj begonnen te schitteren.

Het geschreeuw van de meeuw deed zich opnieuw hooren, en het scheen,

dat 't al dichterbij gekomen was.

Plotseling kwam er van den kant waar het geschreeuw van de meeuw

zich tweemaal had doen hooren, een smalle boot te midden van het

hooge riet te voorschijn. Zij teekende zich op de donkere golven af,

en terwijl zij snel over het water heengleed, richtte zij zich naar

een door de natuur gevormde baai, die zich vlak tegenover het graf

van Nadneprowka bevond.

Als men goed keek, kon men de omtrekken onderscheiden van hem, die

de boot voortstuwde. Ja, men zag zelfs zijn muts, die van schapevacht

vervaardigd was.

Maar zonder zelfs het uiterlijk van dezen man te kunnen onderscheiden,

kon men wel zien, dat hij een krachtigen en bedreven arm had.

Deze arm hanteerde de roeiriemen, alsof het stukjes speelgoed

waren. De boot vloog zoo snel, als een veertje, dat door den wind

meegevoerd wordt.

"Het is tijd om naar den oever te gaan," Maroessia, zei de groote

vriend.

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc · 第 6 / 10 段