Dit huis was vrij uitgestrekt. De meubelen bestonden uit banken van

stevig eikenhout. Aan de gewitte muren, die in blankheid met de sneeuw

konden wedijveren, hingen gedroogde planten, die in het vertrek een

frisschen geur verspreidden.

In het midden stond een groote massieve tafel, ook van eikenhout,

en deze was bedekt met een fraai wit tafellaken met gekleurde franje.

De oude Kniesj noodigde zijn gast uit om plaats te nemen.

"Ik mag de ververschingen niet vergeten," zei hij. "Dat zal spoedig

gedaan zijn, dat zal spoedig gedaan zijn..."

En hij liep van den eenen kant naar den anderen, pakte de groote

glazen en daalde in den kelder neer, klom naar den zolder, deed de

provisiekast open, verzette potten en pannen, liet de lepels vallen,

schonk van de eene flesch in de andere, ging naar de vliering om

gerookte worsten te krijgen, kortom hij was een en al bedrijvigheid.

Al deze toebereidselen, die den uitgehongerden soldaat veel beloofden,

hielden hem in voortdurende spanning; hij meende ieder oogenblik een

heerlijken schotel te zien verschijnen: hij rook den geur daarvan

reeds en watertandde er van; hij beloofde zich zoo'n gastmaal, dat

hij daardoor alles op de wereld zou vergeten, of, liever gezegd,

hij zag de wereld slechts verward door een hoop taartjes, worsten,

kazen, vleeschspijzen en andere lekkernijen heen.

"Hoor eens, barien! [3] geef je zooveel moeite niet," zei hij van

tijd tot tijd. "Ik zal met weinig tevreden zijn... dat is te zeggen,

ik zal tevreden zijn met hetgeen ik daarginds zie... Ja, ik zal er

mee tevreden zijn."

"Nee, nee," antwoordde de oude Kniesj, "sta me toe dat ik u eens

iets fatsoenlijks aanbied! Sta me dat toe, Mijnheer!... Mag ik ook

uw naam weten?"

"Ik heet Iwan," antwoordde de soldaat met een zucht, geheel ontwapend

door de gulle gastvrijheid van den ouden boer.

"Welnu, Mijnheer Iwan! u moet mij vergunnen, u het beste aan te

bieden, wat er in mijn huis is! U moet het, u wilt een grijsaard

toch geen verdriet aandoen, niet waar? U moet eens van mijn worsten

proeven... en van mijn hammen ook... en dan van mijn kaas... U zult

wel zien, wat ik u zal voorzetten."

"Maar wij, soldaten, zijn niet aan zulke lekkernijen gewend. Als wij

onzen honger maar kunnen stillen, zijn wij al tevreden," zei Iwan.

"Wel zeker, wel zeker, Mijnheer Iwan! Ja, het leven van een soldaat

is hard. Ik heb er wel eens over hooren spreken. Welnu, dat is een

reden te meer om een poging te doen, u eens te vergasten... Ja, ja,

geloof mij!"

Maroessia, die in een hoek zat, trachtte te zijn zooals hij, aan

wien zij onophoudelijk dacht, zou geweest zijn. Naar haar uiterlijk

te oordeelen was zij kalm en bedaard.

Maar wat er in dat hartje omging is niet om te beschrijven. Was

haar groote vriend nog in het hooi begraven? Of was hij er al lang

uitgekomen? Maar zou hij zich dan wel op een veilige plaats hebben

kunnen verschuilen? En als hij het huis eens had moeten verlaten,

waar zou zij hem dan weervinden? Welke gevaren kon hij loopen? Wat

zou haar vader wel zeggen, als zij hem verlaten had, voordat zij hem

het doel van zijn tocht had doen bereiken?...

De kleine Taras ging, na de nieuw aangekomene nauwkeurig opgenomen te

hebben, naar het raam toe en telde de schoten, die men zeer duidelijk

kon hooren, ofschoon zij op een verren afstand gelost werden.

Eindelijk was het maal gereed. Mijnheer Iwan begon het met een soort

van woede te verslinden. Zijn geduld was dan ook al te lang op de

proef gesteld.

Bij den eersten hap had hij het strenge en woeste gelaat van een

krijgsman, die er zich volstrekt niet over bekommert, zijn gehemelte

te streelen; maar al spoedig begon zijn gezicht een wat zachter

uitdrukking aan te nemen. Na het gebruik van eenige glazen likeur

van frambozen, van aardbeien, van kersen en van kummel kregen zelfs

zijn oogen een vriendelijke uitdrukking en speelde er een glimlach

om zijn lippen.

De oude Kniesj werd niet moe, hem telkens nieuwe gerechten en nieuwe

dranken aan te bieden. Van tijd tot tijd slaakte hij een kreet.

"Wacht! Dat is mooi bedacht! Ik herinner mij daar, dat ik in mijn

provisiekast nog wat heb, dat u wel zal smaken... Wacht, wacht! Dat

zal ik eens voor u gaan halen, Mijnheer Iwan! Dan moet u mij eens

zeggen, hoe u het vindt."

Iwan verzette zich hier niet tegen. Hij kon slechts even met het

hoofd schudden, alsof hij wilde zeggen:

"Dat lijkt mij! Maar alles lijkt mij op dit oogenblik!"

"Wel, Taras, wat doe je daar?" vroeg de oude Kniesj, na weer een

flesch voor zijn gast neergezet te hebben. "Is het nu de tijd om

daar te staan luieren? In jou plaats zou ik eens zijn gaan kijken,

of het tijd is om hooi aan de ossen te geven."

"Wilt u wel gelooven, Mijnheer Iwan!" voegde de grijsaard er bij,

"dat ik in Taras een flinken werkman heb? Het is een jongen, die niet

dom is en ook niet lui."

Mijnheer Iwan wilde antwoord geven, maar hij kon niets anders doen dan

een glimlach op zijn gezicht te voorschijn brengen, die hoegenaamd

niets zeide. Wat den kleinen Taras aangaat, die liet zich niet lang

bidden. In een oogenblik was hij bij de deur.

Het was tijd; want Maroessia kon het niet meer uithouden. Zij stond

bedaard op en zei tegen den ouden Kniesj:

"Ik zal met Taras meegaan."

"Doe dat, beste meid!" antwoordde de grijsaard.

En toen zij hem voorbijliep, strekte hij de hand uit en streelde haar

zachtjes over haar lokken.

Weinig had deze liefkoozing te beteekenen, maar zij gaf als door een

tooverslag alle vertrouwen aan Maroessia terug; zij gevoelde zich

gerustgesteld en versterkt; haar angst verdween, en ze voelde zich

ineens veel minder angstig.

"Beste barien!" zei Iwan, een wanhopige poging doende om zijn gedachten

te verzamelen, "dat hooi van daar straks, weet je, het hooi van den

wagen, dien ik hierheen begeleid heb, behoort aan ons toe!... Begrijp

je me? Wij hadden het in beslag genomen, dus is het ons goed, dus

is het ons eigendom geworden! Dat is duidelijk, niet waar? Als je er

echter op gesteld bent, het te behouden, dan kan je er mij den prijs

voor geven.... Geef geld, veel geld, en je moogt het hebben... En

dat zou ik je als het beste aanraden!"

"U bent heer en meester, Mijnheer Iwan!" antwoordde de oude Kniesj. "U

kunt nemen, wat u verlangt. U bent heer en meester!"

"Heel goed! dat is heel goed!" antwoordde Iwan. "Uitstekend goed!"

VII.

OP DEZELFDE PLAATS.

Toen Maroessia het huis uitkwam, zag zij, dat de wagen, nog met

hooi beladen op dezelfde plaats stond. Taras werkte met den meesten

ijver. Hij klom op het wiel, trok het hooi bij handen vol van den

wagen af en gaf dit aan de ossen.

Maroessia draaide een paar keer om den wagen heen.

Nadat Taras aan de ossen genoeg hooi gegeven had, begon hij te babbelen

en vroeg het honderd uit, maar Maroessia, die nog wel een beetje in

angst verkeerde, antwoordde hem slechts kortaf.

Eensklaps kwam de gedachte bij haar op, dat haar tegenwoordigheid bij

den wagen vreemd zou kunnen schijnen, en ze besloot om er vandaan

te gaan. Zij liep het groote voorplein over, ging naar den tuin,

bleef staan, keek om zich heen en sloeg een blik op de velden, die

zich in de verte uitstrekten.

"Wat nu te doen?" vroeg zij zich af. "Wat zal er van hem worden? Hoe

hem te redden? De wagen met hooi is nog niet afgeladen. Zou hij nog..."

Zij keerde naar het voorplein terug, om er zich van te overtuigen, dat

niemand haar gadesloeg. "Als ik het zonder onvoorzichtigheid doen kan,"

zei ze bij zich zelf, "zal ik het wagen, zoo al niet hem te roepen,

dan toch op de een of andere wijze zijn aandacht te trekken."

Maar toen zij voorbij een hoop groote steenen kwam, die tegen de

bouwvallen van een muur opgehoopt lagen, meende zij te hooren, nee,

hoorde zij duidelijk, alsof zij uit den grond voortkwam, een stem,

die zij goed kende, en die tegen haar zei:

"Ik dank je, kleine Maroessia! Wees maar gerust, alles gaat goed."

Eerst schrok ze, maar langzamerhand herstelde zij zich en trachtte

te zien, waar die stem wel vandaan gekomen was.

De hoop steenen scheen daar reeds zeer lang gelegen te hebben. De

steenen waren bedekt met mos, onkruid en klimplanten. Blijkbaar waren

ze daar reeds lang geleden neergeworpen, toen men onder een gebouw,

dat nu bijna geheel in puin lag, dezen ouden kelder had gemetseld,

waarvan haar zoekende blik het raampje had opgemerkt, ofschoon dit

ternauwernood zichtbaar was tusschen de menigte planten, die er

overheen gegroeid waren.

"Heb ik goed gehoord?" vroeg de kleine Maroessia zich af.

Haar hart sloeg geweldig. Maar de stem, die opnieuw uit het puin kwam,

liet zich ten tweeden male hooren.

"Beste meid," zei deze stem. "Stel je gerust. Wij zijn de gevaren der

zee gelukkig te boven gekomen en zullen in de haven niet verdrinken,

hoop ik!"

Maroessia bleef onbeweeglijk staan; zij luisterde nog eens, ofschoon

alles nu weer stil geworden was.

Deze weinige woorden, die van hem, van haar grooten vriend kwamen,

waren even zoovele tooverwoorden, die haar laatste vrees geheel

wegnamen.

Haar hart werd van blijdschap vervuld, en haar wangen waren zoo rood,

haar oogen schitterden zoo fel, dat Taras, op het voorplein eensklaps

voor het meisje bleef staan.

Getroffen door de verandering, die er met haar plaats gegrepen had,

keek hij haar met een nieuwsgierigen blik aan.

"Ze is zeker erg in haar schik; grootvader zal haar misschien iets

lekkers gegeven hebben!" dacht hij. "Maar wat? Zou het peperkoek zijn

of noten?"

Maroessia verbrak het stilzwijgen met de vraag:

"Willen wij eens naar den tuin gaan?"

"Dat wil ik wel," antwoordde Taras met eenige aarzeling als iemand,

die er niet zeker van is, of hij er bij zal winnen of verliezen,

als hij zijn toestemming geeft. "Maar zeg mij eerst eens, wat heeft

grootvader je gegeven?"

"Aan wien heeft hij wat gegeven?"

"Wel, aan jou immers!"

"Nu, dan heeft hij je wat beloofd, en dan is het evengoed, of je het

al hadt. Wat heeft hij je beloofd?"

"Hij heeft mij niets beloofd."

Taras keek haar wantrouwig aan.

"Waarom kijk je dan zoo blij?" vroeg hij.

"Ik?"

"Ja, jij."

Zij wilde zeggen: "Je verbeeldt je maar, dat ik blij kijk;" maar

zij was niet in staat om te liegen, zelfs niet voor een goede zaak,

en zei alleen maar:

"Laat ons naar den tuin gaan."

"Ik ga mee," antwoordde Taras met een schalksch gezicht.

"Zullen wij er veel aardbeien vinden?" vroeg Maroessia.

"Ik vind ze wel, als ik ze zoek," antwoordde Taras eenigszins trotsch.

"Ik zal ook mijn best doen om ze te vinden. Denk je, dat ik er zal

vinden?"

"Dat kan wel. Het is niet zoo moeilijk. Het is een echt

meisjeswerk! Als het er om te doen was, een mol of een egel te vangen,

dan zou het een heel andere zaak wezen."

En terwijl Taras den kant van den tuin uitging, sloop hij zachtjes

voort, zooals het aan een echten mollenvanger past.

"De kleine meisjes hebben geen moed, zoo denk ik er over!" voegde

hij er bij. "De jongens..."

"O! De jongens zijn heel moedig!" zei Maroessia, ziende, dat haar

kleine metgezel naar een woord zocht, dat de uitstekende verdienste

der jongens naar waarde kon uitdrukken.

"Juist zoo!" antwoordde Taras, dien het pleizier deed, dat het meisje

zooveel achting voor de jongens aan den dag legde; en hij dacht bij

zich zelf: "Zij is zoo dom niet, als ik gedacht had!".

"De jongens kunnen paardrijden!" vervolgde hij. "Zij kunnen de wildste

paarden temmen!"

"Ja zeker, dat kunnen zij," antwoordde Maroessia glimlachende.

"Je zult eens zien, hoe goed ik onze merrie kan berijden. Laatst,

toen ik de hut van de oude Hanna in galop voorbijreed, heb ik haar

vreeselijk laten schrikken; de oude vrouw dacht, dat het een pijl van

een Tartaar was! Zooals je weet, zijn onze oude vrouwen erg bang voor

de Tartaren."

"Die arme vrouwen!" zei Maroessia.

"Maar jij moet niet bang worden; ik zal je wel verdedigen," zei hij

met een opwelling van edelmoedigheid.

"Ik dank je!" zei Maroessia.

"Je moet weten, dat ik heelemaal niet bang ben. Er zal eenmaal een dag

komen,--misschien al gauw,--waarop ik al de vijanden van onze Ukraine

in stukken zal houwen! Wil je door deze kleine deur heengaan? Kom hier,

aan dezen kant staan de aardbeien. Weet je wel, wat mijn plan is?"

"Nee, vertel het eens!"

"Nou, mijn plan is, op het legerkamp der Tartaren of der Turken aan

te vallen, ze te dooden en hun opperhoofd gevangen te nemen... Wat

zeg je daar wel van?"

"Dat zou schitterend zijn," antwoordde Maroessia ernstig. "Schitterend,

niet waar? Er is in Frankrijk wel een boerenmeisje geweest, dat alle

vijanden daaruit verdreven heeft."

"O!" zei Maroessia, wier oogen vlammen schoten, "wat zal zij gelukkig

geweest zijn!"

"Men heeft haar verbrand," hernam Taras.

"Dat geeft niet," vond Maroessia, "toch is zij de gelukkigste van

alle vrouwen."

"Grootvader zal je hare geschiedenis wel eens vertellen, als je dat

wilt. Een Fransche vrouw heeft hem deze in de stad verhaald. Hier

kent men zulke geschiedenissen niet. Het meisje heette Jeanne d'Arc."

"Jeanne d'Arc," zei Maroessia met de oogen vol tranen, "Jeanne

d'Arc! Gelukkig meisje!"

Taras raakte in vuur. Wat een Fransch meisje had gedaan, kon een

Ukrainische jongen ook wel doen. Hij vertrouwde aan Maroessia de

vele plannen toe, die zich in zijn hoofd verdrongen. En wat slaagden

al die "schitterende" plannen naar wensch, in zijn verbeelding

tenminste! Terwijl hij in den tuin wandelde en aardbeien zocht,

ontwikkelde hij zijn gedachten over het laatste gevecht en betreurde

het zeer, dat de groote hetman te langzaam in zijn aanvallen was

geweest.

Maroessia luisterde zwijgend naar hem, terwijl zij aldoor aan het

meisje dacht, dat haar vaderland vrijgemaakt had.

"In die kleine Maroessia steekt zeker wat goeds," zei Taras bij

zich zelf. "Wat luistert zij naar mij! Het doet mij pleizier, dat

zij volstrekt niet gelijkt op die dwaze huilebalk Mimowka, die

altijd de eerste wil zijn, die mij dit en dat en weer wat anders wil

leeren... Die Mimowka is een akelig kind! Maar Maroessia is een flink

meisje... En aanstonds zal ik aardbeien voor haar plukken..."

Intusschen kon Taras, terwijl hij tegen een hek aanleunde en Maroessia

aankeek, zich niet weerhouden, bij zich zelf te zeggen:

"Maar wat kijkt zij toch blij! Zij kon niet vroolijker kijken,

als zij al de lekkernijen van de kermis voor zich uitgespreid zag

liggen! Ik ben er zeker van, dat zij ergens een hoop peperkoek

verborgen heeft! Zij moet mij straks haar geheim vertellen, en dan

moet ik de helft hebben van wat zij krijgt, en misschien wel meer."

VIII.

HET ONTWAKEN VAN IWAN.

Het was bijna middag.

Sedert eenigen tijd drongen de brandende zonnestralen door het

raampje heen, waarbij de soldaat Iwan na zijn overvloedigen maaltijd

ingeslapen was, en vielen vlak op zijn wang. Zijn gezicht was door de

zon vuurrood geworden. Iwan had wel is waar een onbestemd gevoel, dat

hij zou braden; maar hij was per slot van rekening toch erg gelukkig,

dat hij nog volstrekt geen lust had om wakker te worden. "Als ik mijn

oogen opendoe," zei hij half slapende bij zich zelf, "als ik op een

andere plaats ga liggen, dan is het afgeloopen met al die zaligheid,

dan zal ik den slaap niet meer kunnen vatten!"

Eensklaps echter sprong hij op, alsof men hem met een gloeiend ijzer

had aangeraakt. Werkelijk was zijn wang brandend heet. Hij hield er

z'n hand tegen, maar trok die dadelijk weer terug, alsof hij zich

gebrand had.

Hij ging van het raam vandaan; zijn benevelde blik vestigde zich op het

inwendige der kamer; werktuigelijk knoopte hij zijn uniform dicht en

deed zijn best om aan zijn gezicht dat voorkomen van onverschilligheid

te geven, dat daaraan gewoonlijk eigen was.

Waar was hij? Langzamerhand herinnerde hij zich alles weer. Hij was

alleen! Maar waarom? Och, de oude Kniesj had zich waarschijnlijk

verwijderd, om zijn gast rustiger te laten slapen.

Maar sedert wanneer sliep hij? Een plotseling gevoel van ongerustheid

greep hem aan.

Iwan begon te roepen; zijn stem klonk schor en krijschend. Zijn

geschreeuw weerklonk al spoedig in al de hoeken van het voorplein.

"Hela! oude sufkous! Drommels! Zal je dan eindelijk komen?"

Op zijn geschreeuw snelden Maroessia en de kleine Taras naar het

huisje; maar daar zij het noodeloos achtten, zich aan de woede van

den pas ontwaakten soldaat bloot te stellen, verscholen zij zich

achter het dichte geboomte en luisterden.

Toen Iwan zweeg, hoorde men niets... het bleef doodstil.

Een oogenblik daarna begon de soldaat weer te schreeuwen:

"Waar ben je, oude schurk?"

Toen begreep hij wel, dat het al laat was. Met een hevigen ruk deed

hij de deur open en verscheen met de sabel in de hand op den drempel,

terwijl hij z'n hoofd beurtelings rechts en links wendde, als iemand,

die niet weet in welke richting hij zijn houwen moet geven.

"De duivel moge mij halen, als ik weet, naar welken kant ik moet!" riep

de soldaat eindelijk woedend uit.

Hij liep het voorplein haastig over, terwijl hij met zijn sabel in

de lucht sloeg, en daarna nu eens tegen den muur, dan weer tegen een

boom aankwam, als iemand, die iets wil hebben, om er zijn woede op te

koelen. Hij struikelde eindelijk over den hoop steenen, die er bij den

kelder lag,--dit deed Maroessia in haar schuilplaats verbleeken,--maar

hij stond vloekende op en bevond zich eindelijk weer op het punt,

vanwaar hij was uitgegaan, voor de deur van het huis, nog altijd

razende en tierende.

Intusschen hoorde men reeds de vriendelijke stem van den ouden Kniesj,

die door zijn drogen hoest afgebroken werd; hij kwam met haastige

schreden aan, als iemand, die het onaangenaam vindt, dat hij een

persoon van gewicht heeft laten wachten.

"Ik kom, Mijnheer Iwan, ik kom," zei hij met goedhartigheid en

vriendelijkheid; "ik ben geheel tot uw orders."

Iwan hoorde de stem van den ouden Kniesj zeer goed, maar het gelukte

hem niet, er zich rekenschap van te geven, waar zij vandaan kwam.

"Waar ben je?" riep hij hem toe.

"Ik ben hier," antwoordde de stem van den ouden Kniesj.

"Hier? Waar dan?" brulde de soldaat.

"Wel, vlak voor u. Ziet ge mij dan niet?"

Iwan stond werkelijk tegenover den ouden Kniesj, die hem vriendelijk

toelachte.

"Hebt u goed geslapen, Mijnheer Iwan?" vroeg de oude Kniesj, terwijl

hij in de fonkelende oogen van den soldaat een bevestigend antwoord

trachtte te lezen.

"Ik hoop toch, dat de vliegen u niet al te erg gestoken hebben. Ik

had alles dichtgedaan, opdat zij u wat meer met rust zouden laten."

"Moge het vuur van den hemel ze braden, je vliegen!" antwoordde

Mijnheer Iwan. "Zij zouden er beter aan gedaan hebben, als zij mij

wat vroeger wakker gemaakt hadden."

Na te veel gegeten, te veel gedronken en te veel geslapen te hebben,

gevoelde de soldaat zich niet zeer pleizierig.

"Ik ben het met u eens, Mijnheer Iwan, ik ben het volkomen met u eens,"

antwoordde de oude Kniesj.

En daar Mijnheer Iwan, in gedachten verzonken, met een knorrig gezicht

aan zijn lange snorren trok, meende de oude man eveneens te moeten

nadenken. Hij liet een minuut voorbijgaan en zei toen:

"Met dat al, Mijnheer Iwan, moet ik toch zeggen, dat het, als men

eenmaal slaapt, niet aangenaam is, door de vliegen wakker gemaakt

te worden. Als men er aan denkt, dat een eerlijk man, dat zelfs een

soldaat, van beroep een moedig man, zich evenmin als ieder ander kan

verdedigen tegen deze ellende..."

"Welke ellende?" vroeg Iwan, alsof hij opnieuw uit zijn droom

ontwaakte.

"Wel, die van de vliegen, Mijnheer Iwan. Als men er aan denkt, dat die

ondraaglijke insecten zich maar zoo op alles neerzetten, onverschillig

of het een generaal, een boer of een taart is ... dan vraagt men zich

wel eens af, waartoe het onderscheid tusschen de menschen toch dient."

Mijnheer Iwan viel hem in de rede:

"Ik heb een geduchte pijn in m'n hoofd. In plaats van zoo te babbelen,

zou je er beter aan doen, als je mij een glas brandewijn bracht."

"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan, met het meeste genoegen," riep

de oude Kniesj uit. "Wat een geluk, u een dienst te kunnen bewijzen,

Mijnheer Iwan, wat een geluk!..."

Als men zijn vroolijk gezicht zag, zou men zich werkelijk afgevraagd

hebben, of hij zich niet al te gelukkig gevoelde, aan Mijnheer Iwan

nog eens een dienst te kunnen bewijzen.

Hij liep, fier als een koning, naar zijn kast. Mijnheer Iwan volgde

hem.

De soldaat behield nog altijd zijn woest voorkomen, maar hij begon

zijn snorren op te strijken als iemand, die iets goeds verwacht.

"Ga maar zitten, Mijnheer Iwan, ga maar zitten," zei de oude man. "Ik

zal dadelijk een glas voor u inschenken... Neem plaats, neem plaats..."

"Ik heb geen tijd om te gaan zitten," antwoordde Mijnheer Iwan,

ongevoelig voor de voorkomendheid van den ouden man. "Geef maar gauw

op; ik zal het wel staande leegdrinken... Heb je het geld al klaar? Ik

heb haast, ik moet vertrekken..."

"Hebt u zooveel haast, Mijnheer Iwan? Wat is dat jammer! Het is

brandewijn, zooals men ze maar zelden vindt, en als u niet zooveel

haast hadt, zoudt u dien eens op uw gemak kunnen proeven. Ik moet u

zeggen, Mijnheer Iwan..."

"Heb je het geld klaar?"

"Ik heb het klaar, Mijnheer Iwan. Toch blijft het een harde zaak voor

zulke arme menschen als wij..."

De oude man slaakte een diepen zucht en keek met een somberen blik

naar een geldbuidel, dien hij uit zijn zak haalde.

"Waartoe moeten al die praatjes dienen?" antwoordde Mijnheer Iwan hem,

terwijl hij het groote glas brandewijn, dat Kniesj hem toegereikt had,

leegdronk, alsof het een glas suikerwater geweest was.

De oude Kniesj slaakte nogmaals een zucht, maar ditmaal was het

eerst een echt pijnlijke zucht. Toch praatte hij niet meer, en nadat

hij een handvol koper uit den geldbuidel genomen had, begon hij hem

stuk voor stuk voor te tellen, terwijl hij het geld bedaard op de

tafel neerlegde.

"Hoor eens! Kan je tot drie tellen?" vroeg de soldaat aan den boer.

Men kon zeker niet beweren, dat deze vraag vriendelijk werd gedaan,

maar de toon was toch ook niet bepaald barsch; de soldaat had veeleer

de bedoeling, innemend te zijn, want Mijnheer Iwan had, terwijl

hij haar deed, zich zelf nog een glas brandewijn ingeschonken,

en gewoonlijk ging zulk een handeling bij hem niet van toorn

vergezeld. Daar hij zijn grap zonder twijfel aardig vond, vervolgde

hij met een guitig gezicht:

"Ik vraag je, of je tot drie kunt tellen? Hoe doe je dat? Laat eens

hooren!"

"Met alle genoegen, Mijnheer Iwan," antwoordde Kniesj. "Vijf,

zes... Dat is volgens mij de beste manier om te tellen... zeven,

acht... Wijlen mijn vader telde altijd zoo... negen, tien... en

hij telde zoo goed, dat de sluwste menschen hem niet konden

bedriegen... elf, twaalf."

Iwan had hem laten doorpraten; alleen had hij zich met een afgetrokken

gezicht een derde glas ingeschonken, en terwijl hij dit leegdronk,

luisterde hij zwijgend naar de overpeinzingen van Kniesj over de

eigenaardigheden van de Poolsche geldschieters en over hun geschiktheid

voor zaken.

Langzamerhand lagen de stapeltjes koper op een rechte lijn en was de

geldbuidel leeg.

Mijnheer Iwan schonk zich een vierde glas in, dronk dit in één teug

leeg, en nadat hij dit gedaan had kwam zijn uiterlijk aan Kniesj nog

woester dan vroeger voor. Op zijn voorhoofd vertoonden zich rimpels,

die niets goeds voorspelden. Hij antwoordde met geen enkel woord op

de vriendelijke woorden, waarmee de oude boer hem een laatst vaarwel

toeriep. Hij bekommerde zich over 't geheel weinig om de beleefdheden

van den armen man, maar hij telde met een norschen blik de som, die

voor hem bestemd was, stak deze in zijn zak, verliet met haastige

stappen het vertrek, zadelde zijn paard, dat rustig haver stond te

eten, steeg op, verwaardigde zich, zijn hoofddeksel even op te lichten

ter beantwoording van de diepe buigingen van Kniesj, en reed toen in

galop weg. Spoedig was hij in de onafzienbare steppe verdwenen.

"Goede reis!" mompelde de oude Kniesj, "ik hoop dat ik je nooit

meer terugzie."

IX.

DE WARE KNIESJ.

Terwijl de scherpe oogen van den kleinen Taras den ruiter volgden,

die in galop door het hooge gras heenreed, wendden de blikken van

Maroessia zich naar den ouden boer.

Deze stond voor de deur en keek er naar, hoe zijn gast zich al verder

en verder verwijderde, zonder schijnbaar aan iets anders te denken. Men

zou gezegd hebben, dat hij er, evenals de kleine Taras, eenvoudig

genoegen in vond, naar dien snellen galop te kijken en te luisteren

naar het gehinnik van het paard, dat den soldaat wegvoerde. Met de

eene hand streelde de oude boer zijn hond, die al kwispelstaartende

naar hem toe kwam, de andere hield hij boven zijn oogen om ze tegen

de brandende stralen der zon te beschutten.

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc · 第 4 / 10 段