Men zou gezegd hebben, dat de ossen deze woorden van hun kleine

meesteres begrepen, want zij stonden zonder gedruisch op en volgden

haar gedwee.

"Zij zijn veel grooter dan ik," zei Maroessia lachend, "en toch zijn

we even oud."

De wagen, met hooi beladen, stond niet ver af.

De ossen waren er al spoedig voor gespannen.

"Haast u!" zei Maroessia. "Waarom kijkt u mij zoo aan?"

"Dat komt, omdat je zoo klein bent, Maroessia!" zei de afgezant,

"zoo heel klein! Men zou je veeleer voor een klein vogeltje kunnen

houden, geschapen om in deze steppen rond te fladderen en te zingen,

dan voor iemand, die zulke belangrijke zaken aan de hand heeft!"

De afgezant had gelijk. Het kleine meisje scheen nog kleiner midden

in deze uitgestrekte vlakte, bij die ontzaglijke ossen en bij den

grooten wagen, naast dezen reus van een man.

"O, wat zou ik graag groot willen zijn!" zuchtte Maroessia. "Kijk! hier

is de zakdoek van moeder, ik zal dien, evenals de oude vrouwen, om

mijn hoofd doen, dan zal ik er wel heel oud uitzien, niet waar? Kijk

mij maar eens aan!"

Haar groote oogen keken hem van onder den bruinen zakdoek aan, die

haar blonde lokken en haar schouders geheel bedekte.

De afgezant keek haar teeder aan en glimlachte. Gedurende een oogenblik

wilde of kon hij niets zeggen.

Toen hij eindelijk antwoordde, was zijn stem heel zacht, zoo zacht,

dat men zou gezegd hebben, dat het de zijne niet was.

"Weet je den weg wel, Maroessia?" vroeg hij.

"Ik ken dezen weg best. Je moet aldoor rechtuit tot aan het kleine

meertje gaan, en als je daar gekomen bent, sla je rechtsaf, en dan zie

je van den top van een heuveltje het dak van het huis van Kniesj. Als

je daar eenmaal bent, is 't niet moeilijk om in Tsjigirine te komen. Ik

heb Kniesj wel eens tegen vader hooren zeggen: 'Het moet al een domoor

zijn, die dezen weg niet weet te vinden.'"

"Ken je Kniesj?"

"Ik ken hem, hij komt dikwijls bij ons."

"Zal hij je goed ontvangen?"

"Dat weet ik niet ... ik denk het wel?"

"En als hij je eens slecht ontving?"

"Maar hij zal ons nooit kunnen verraden, niet waar? Het is een

vriend... O neen! een vriend van vader kan geen verrader zijn."

"Weet je wel, Maroessia!" vervolgde de afgezant, terwijl hij het kleine

meisje strak aankeek, "weet je wel, dat het land vol vreemdelingen,

soldaten, menschen zonder medelijden is? Weet je wel, dat wij slechts

vijanden, sabelhouwen of geweerschoten zullen ontmoeten? Weet je wel,

dat er overal bloed vloeit? Weet je dat wel?..."

"Ja," antwoordde Maroessia, "ik weet dat alles."

"Booze oogen zullen je bespieden; men zal je vragen doen, waarvan al

de woorden strikken zullen zijn, en als je onhandig antwoordt, als je

het minste gebaar, de minste beweging maakt, als je spreekt, als je

bloost, als je even beeft, zal alles verloren zijn... Weet je dat wel?"

"O! ik zal niet onhandig antwoorden, ik zal iedereen wel goed te

woord staan: ik ben niet bang!"

"Het kan zijn, beste meid, dat wij den dood tegemoetgaan!"

"Nee," zei Maroessia, "wij zullen eerst later sterven. U moet eerst

in Tsjigirine aankomen. Als u daar eenmaal bent, zal ik sterven, als

het zoo wezen moet!... maar u moet eerst te Tsjigirine zijn! O ja!..."

De afgezant zei niets, maar hij nam het meisje in zijn armen en drukte

haar tegen zich aan, terwijl hij haar heel zachtjes "m'n lieve kind"

noemde.

"Maroessia!" zei hij toen, "wij zullen zeer zeker noodlottige

ontmoetingen hebben; de soldaten zullen je gevangen nemen, je

ondervragen. Als men naar den wagen toe kwam, zelfs met het doel om

dien te doorzoeken, dan zou je je toch wel kalm houden, dan zou je

toch niet gelijken op een patrijs, die ziet dat de jager zijn nest,

dat dicht in de nabijheid verborgen is, nadert. Je begrijpt mij,

niet waar?"

"Ja, ik begrijp u. Ik moet zijn... ik moet zijn... zooals u. Ik zal

ook zoo wezen."

"Als iemand je mocht vragen, waar je naar toe gaat, dan moet je

antwoorden, dat je dezen wagen, met hooi beladen, naar de woning van

Kniesj brengt, die het van je vader heeft gekocht. Versta je?"

"Ja, ik versta het."

"Als wij het huis van Kniesj goed en wel bereiken, zal deze ons zeker

op den drempel van zijn deur te gemoet komen. Begrijp je?"

"Ja."

"Dan moet je tegen hem zeggen: 'Wat hebt u mooi koren op uw land

staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbijkwam. Het is nog wel

wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken,

voordat het geheel rijp is.' Dat is heel lang, beste meid! Maar je

kunt die woorden toch wel onthouden, niet waar?"

"O ja," antwoordde Maroessia. "Luister maar, ik zal ze eens herhalen!"

Zij herhaalde ze en vergat niets, geen enkel woord.

"Je bent een kleine schat!" zei de afgezant. "Maar laat ons nu

voortmaken!"

Hij klom op den wagen, maakte een groot gat in het hooi en verborg

zich daarin.

Maroessia zette zich neer op de plaats, die een vrachtrijder zou

ingenomen hebben, spoorde de ossen met haar lief stemmetje aan, dat in

't eerst een beetje trilde. Toen zette de zware wagen zich langzaam

in beweging.

De moeilijke tocht, midden in den nacht, was begonnen...

V.

EEN ONTMOETING.

Ossen weten nooit, hoeveel haast men heeft. De wagen reed naar den

zin van Maroessia veel te langzaam; de afgemeten stappen der ossen

werden op de stem van hun kleine vriendin wel wat grooter, maar zij

liepen toch niet harder.

Alles was stil; de laatste sterren flonkerden aan den hemel en

langzamerhand brak het daglicht door; van tijd tot tijd deden een

geweerschot of een kreet, bestemd om de schildwachten op hun hoede

te doen zijn, die diepe stilte nog des te meer uitkomen.

Maar ieder geluid, dat zich onverwachts deed hooren, joeg Maroessia een

huivering over de leden. Hoeveel malen deed een windvlaag al het bloed

naar haar hoofd stijgen! Ach! het was niet voor zich zelf, dat zij

zoo gemakkelijk beefde. Wat haarzelf betrof, was zij onverschrokken,

maar haar vrees was voor den ander. Eensklaps zei ze:

"Verschuil u goed! Daar komen menschen!"

Het was zoo, zij had goed gehoord. Al spoedig daarna omsingelde een

afdeeling Russische ruiters den wagen.

"Waar ga je naar toe? Waar kom je vandaan? Wie ben je?" riepen

verscheidene barsche stemmen.

"Ik ben de dochter van Danilo Tsjabane," antwoordde Maroessia.

"Laat je ossen dan stilstaan!" riep een officier haar toe.

Maroessia liet de ossen stilstaan.

"Waar kom je vandaan?"

"Van ons vandaan."

"Wat bedoel je daarmee?"

"Niet ver van dien kant af."

"En waar ga je naar toe?"

"Ik ga naar baas Kniesj toe."

"Wie is Kniesj?"

"Dat is een vriend van vader. Hij heeft dit hooi van ons gekocht,

en ik breng den wagen naar hem toe."

"Wat heb ik je gezegd, beste vriend?" zei een andere officier. "Het

is een boerenwagen, en anders niet. Maar jij ziet overal verraders

en ontsnapte gevangenen."

"Wat zullen wij met onze vangst doen?... Beste meid! wil je je bij

het regiment aansluiten? Maar och! je bent te klein, je zoudt er

beter aan gedaan hebben, vanmorgen niet uit je wieg te komen."

"Dit hooi," antwoordde de eerste officier, "is toch niet te

versmaden." En zich tot Maroessia wendende, voegde hij er bij:

"Is het huis van dien Kniesj nog veraf?"

"Nog al..."

"Wat bedoel je daarmee? Zou men er met den stap, waarmee je ossen

loopen, in één uur of in twee kunnen komen?"

"In twee misschien, en mogelijk ook wel in drie."

"Welnu dan, ik zou er voor zijn, dat wij dezen wagen tot aan het

huis van dien man vergezelden; en als hij op dit hooi gesteld is,

dan moet hij het maar van ons koopen. Beste meid! is het huis van je

vader nog al netjes ingericht? Is hij een rijk grondbezitter?"

"Hij heeft een grooten tuin en veel appelen."

"Dom gansje! Het is ons niet om appelen te doen... Maar komaan! laat

ons zelf eens gaan zien, hoe het met dien Kniesj gesteld is. Het kan

niet anders, of ons bezoek zal een aangename verrassing voor hem zijn."

De officier gaf zijn paard de sporen en snelde vooruit. Zijn kameraad

volgde hem, terwijl hij bromde:

"Je bent een echte gek! Daar hebben wij nu al een geheelen dag

doorgebracht met doelloos rond te zwerven. Waar gebruik je ons voor?"

"Voorwaarts, meisje!" zeiden de soldaten tegen Maroessia. "Voorwaarts!"

De wagen reed voort, omgeven door de afdeeling soldaten.

Maroessia zag zich van alle kanten door woeste gestalten omringd.

Terwijl zij zich angstig afvroeg, wat zij doen zou om zich aan dit

dreigend gevaar te onttrekken, sloeg zij een blik op de gezichten van

hen, die haar omgaven. Allen waren met lange snorren versierd, door

de zon gebruind, hardvochtig, somber en onverzoenlijk, en schenen uit

te rusten na vele vermoeienissen en bloeddorstige daden. "Hoevelen van

de onzen hebben die kerels al gedood en vermoord?" vroeg het kind bij

zichzelf. "Is het niet verschrikkelijk daaraan te denken? Zouden zij

zich het kwaad wel herinneren, dat zij bedreven hebben? De gezichten

van enkelen zijn somber... Misschien hebben zij niet allemaal een

hart van steen? En als zij hem eens ontdekten! O neen! zij zouden

geen medelijden hebben!"

Ofschoon de ossen van Maroessia hun gewone logheid behielden,

liepen zij toch met een eenigszins vluggeren stap, misschien wel

aangespoord door het hoefgetrappel van de ruiterij en gestreeld door

de frissche morgenkoelte. De paarden van de ruiterafdeeling liepen

met een geregelden stap, maar van tijd tot tijd rekten die, welke het

dichtst bij den wagen waren, den hals uit en trokken een plukje hooi,

dat binnen hun bereik was, van den wagen af. Dit joeg Maroessia een

huivering door de leden. Als het hooi eens instortte, als...

Eensklaps bemerkte Maroessia, terwijl zij een blik op de soldaten

sloeg, een paar oogen, die onafgewend op haar gevestigd schenen te

zijn. Deze oogen waren doordringend als twee dolken en gloeiden als

kooltjes vuur. Ze keken haar opmerkzaam aan, ja, en misschien wel

met wantrouwen.

Zij werd beurtelings rood en bleek en dacht dat alles verloren

was. Maar zij zei bijzich zelf:

"Ik moet zijn--zooals hij!"

En zij vatte weder moed.

De beide officieren reden vooruit. De een lachte, de ander bromde. De

soldaten werden stil en schenen ten gevolge van den langzamen stap,

waarmee zij reden, slaperig te worden.

Maar waarom keek die soldaat haar zoo den heelen tijd aan?

"Ik zal hem ook aankijken," besloot Maroessia bij zich zelf.

En haar ontroering bedwingende, vestigde zij op haar beurt haar

blikken op hem.

De bewuste oogen behoorden aan een bejaarden, forsch gebouwden

onderofficier, die een zeer ruw en tegelijkertijd zeer schrander

gezicht had.

Eensklaps bracht hij zijn paard naar voren en reed nu vlak naast

Maroessia, als wilde hij haar wat dichterbij bekijken. Hij sprak in het

eerst niet tegen haar, maar zijn doordringende oogen schenen te zeggen:

"Het is toch zonderling, dat zulk een klein meisje zulk een grooten

wagen bestuurt! Wie heeft dit zwakke kind voor zoo'n zware taak kunnen

kiezen? Wie heeft haar zoo geheel alleen kunnen laten vertrekken

te midden van den nacht, nu het overal oorlog is en nu de wegen zoo

onveilig zijn?"

"Leven je vader en je moeder nog, beste meid?" vroeg hij haar

eindelijk.

Daar hij dacht, dat Maroessia geen Russisch verstond, herhaalde hij

zijn vraag, zoo goed hij kon, nog eens in de taal, die in de Ukraine

gesproken wordt.

"Heb je nog een vader? Heb je nog een moeder?"

"Ja, Goddank!" antwoordde Maroessia.

"Allebei?"

"Allebei."

Hij dacht een oogenblik na; vervolgens helderde zijn gezicht op,

als had hij eensklaps iets van een raadsel begrepen, waarvan hij de

oplossing tot dusverre vruchteloos had gezocht.

Het hart van Maroessia sloeg geweldig. Alles draaide haar voor de

oogen. Maar zij moest zijn--zooals hij.

Zij deed haar best om zich den schijn te geven, alsof zij volmaakt

kalm was, en vroeg op haar beurt wel met een eenigszins bevende stem,

maar toch met een glimlach om de lippen:

"En u, hebt u uw vader en moeder ook nog? Hebt u veel

bloedverwanten? Hebt u zoons of dochters?"

Was het deze kinderlijke, bevende en aarzelende stem, of was het

eenvoudig die vraag, die weer oude herinneringen in het hart van

dezen soldaat opwekte? Het ruwe en onverzoenlijke gezicht, dat aan

Maroessia zooveel vrees ingeboezemd had, veranderde plotseling,

en men had daarop eensklaps een weerkaatsing kunnen zien van alle

gewaarwordingen, die een menschenhart kunnen vervullen.

Die oogen, die haar nog pas zoo wantrouwend en uitvorschend hadden

aangekeken, waren onmiddellijk verzacht. Zij keken Maroessia nu met

eene zonderlinge ontroering aan. Vond hij in de trekken van het

kleine meisje eenige gelijkenis met een kind, dat daar niet was,

dat misschien heel ver van daar was, maar waaraan de gedachte alleen

voldoende was om hem zacht te stemmen?

"Ja, ik heb een dochtertje," antwoordde hij eindelijk.

"En is dat dochtertje al groot?" vroeg Maroessia.

Hij glimlachte, en men voelde, dat in dezen treurigen glimlach de

herinnering aan een dierbaar kind opgesloten lag.

"Zij is even groot als u, ten minste bijna even groot," antwoordde hij.

Toen boog hij het hoofd voorover, en Maroessia durfde hem geen vragen

meer doen. Zij liet hem met zijn gedachten bij zijn dochter.

Men reed nog aldoor voort. Een rooskleurige streep vertoonde zich aan

den gezichteinder. Een klein vogeltje deed een zacht gepiep hooren

dat zeker als een welkomstgroet aan den dageraad bedoeld was.

Niet ver van den weg bemerkte zij een klein meertje met een effen

waterspiegel, met groene oevers, dat nog voor een gedeelte door den

ochtendnevel bedekt was: men zou gezegd hebben, dat het een gazen

sluier was, die langzamerhand opgelicht werd. Aan den rechterkant

kronkelde zich een voetpad, en wel dat, hetwelk de voetgangers langs

den kortsten weg naar het huis van Kniesj bracht. Eindelijk wees

een witte rookzuil de plaats aan, waar het huis van den vriend haars

vaders stond.

Over het licht, dat de duisternis weldra geheel zou verdrijven, maakte

Maroessia zich ongerust. De vroolijke stralen van de morgenzon, steeds

zoo welkom, waren voor haar op dien ochtend vijanden, die haar konden

verraden! Haar oogen zochten onwillekeurig naar den man die met haar

gepraat had, zonder hem te vinden, en zij was daar bedroefd over.

Onwillekeurig was zij op hem gaan rekenen als op een beschermer. Een

ander soldaat reed nu aan haar rechterhand.

"Wie is dat schepseltje daar?" vroeg deze soldaat aan een van zijn

kameraden, na een blik op Maroessia geslagen te hebben.

"Ze is niet grooter dan een notedop," antwoordde een ander soldaat.

"Ze is nergens bang voor, zij reist als een kolonel van de huzaren."

"Ik zou er wel wat onder willen verwedden, dat zij kruit noch kogels

vreest!" vervolgde de eerste.

"Daar heeft zij gelijk in," voegde de derde er bij. "Welke kogel zou

voor zoo'n klein ding gevaarlijk kunnen zijn?"

"Ik ken de Ukrainiërs," hernam de eerstgenoemde; "men kan niet zeggen,

dat het een volk van hazen is. Zelfs de kleine meisjes uit dit land

zijn dapper. Ik heb meer dan eens met mijn eigen oogen gezien, waartoe

zij in staat zijn: het kanon buldert, het geweervuur knettert, het

bloed vloeit bij stroomen ... zij komen op het slagveld, zij loopen

er moedig over heen, zij rapen er de gekwetsten op, alsof zij in een

tuin wandelden en daar rozen plukten!"

"Zij sterven dan ook bij duizenden!" zei een ander.

"Och! wij sterven allen op de een of andere manier," antwoordde

iemand, dien men hoorde zonder hem te zien, omdat hij geheel achter

twee reusachtige soldaten verscholen was. "Ja, op de een of andere

manier; het komt er maar op aan, op de beste wijze te sterven. Maar

wie kent dat meisje?"

Een paar geweerschoten verbraken de stilte...

Dit geluid verbande dadelijk iedere andere gedachte, ieder ander

gevoel; de geheele afdeeling keek als een man met een uitvorschenden

blik naar den horizon.

De officieren hielden hun paarden in. Iedereen liet zijn meening

hooren; maar het geweervuur begon alweer, voordat men het over de

oorzaak ervan eens was.

"Het is van onzen kant!" riep de jonge officier uit. "Er is geen

twijfel mogelijk, het is van onzen kant, dat het gevecht begonnen

is. Voorwaarts! Het zijn de onzen, die strijd voeren."

"Heidaar, Iwan! Je moet den wagen maar tot aan het huis van dien

Kniesj begeleiden en de zaak van het hooi in orde brengen. Voorwaarts!"

Maroessia had den tijd nog niet gehad om zich te herstellen of haar

gedachten te verzamelen, toen de afdeeling reeds in een wolk van stof

verdwenen was. Intusschen had de oude soldaat, die met haar gepraat en

haar over zijn dochtertje gesproken had, zich even omgekeerd en haar,

zooals zij duidelijk had gezien, een vaarwel toegeknikt.

Maroessia bleef alleen met dien Iwan, die het bevel ontvangen had,

haar wagen tot aan het huis van Kniesj te begeleiden en de zaak van

het hooi in orde te brengen.

"Vooruit maar, kleine meid!" zei Iwan tegen haar, terwijl hij zijn

pijp opstak.

Maroessia keek Iwan aan en vond, dat hij er als een egel uitzag.

"Kom, schiet een beetje op!" herhaalde hij op een strengeren toon.

Maroessia spoorde haar ossen aan. Bij het plotseling vertrek van hun

geleide hadden zij het goed geacht, te blijven staan. Toen zij de

stem van Maroessia hoorden haastten zij zich, te gehoorzamen.

De wagen had zijn afgemeten gang hernomen; Maroessia had zich onder

voorwendsel, dat zij vermoeid was, er boven op neergezet, en terwijl

zij er opklom, had zij kans gezien om haar kleine hand even aan haar

grooten vriend toe te steken, wiens kalme en vertrouwende blik haar

uit het gat, dat hij in het hooi gemaakt had, de hare ontmoet had. Dat

had hun beiden goed gedaan. Iwan had natuurlijk nergens vermoeden van;

hij had haar laten begaan, hij liep naast de ossen, terwijl hij zijn

pijp rookte en voor zich keek.

Wat had de oorlog daar gewoed! Tegen één groen land, dat een rijken

oogst beloofde, hadden zij er tien over te rijden, die geheel

verwoest waren.

Het geweervuur herhaalde zich met gedurig kortere tusschenpoozen,

en de schoten werden al duidelijker en duidelijker hoorbaar.

De wagen was een van die heuveltjes opgereden, die niet zeldzaam in

dit land zijn en waaronder de gesneuvelden in vroegere veldslagen

begraven liggen.

Toen zij boven op dit heuveltje aangekomen waren, bemerkte Maroessia

in de vlakte een menigte tenten, half verborgen door wolken van

zwarten rook, die soms door de opwaaiende roode vlammen verhelderd

werden. Het was op dit terrein, dat het gevecht werd geleverd, dat

het geweervuur hun in de verte had aangekondigd.

Van tijd tot tijd hoorde men geluiden, hetzij het gekerm van menschen,

hetzij het gehinnik van paarden; ook het geschreeuw van kinderen

drong door de frissche morgenlucht heen.

Maroessia zag voor zich het vreeselijke schouwspel van een in brand

gestoken dorp, rijke huizen in vlammen en ineenstortende hutten.

Vrouwen, die met hun kinderen in de armen radeloos heen en weer liepen

vielen neer door onzichtbare slagen getroffen.

Paarden galoppeerden zonder ruiters voort. De lijken lagen op sommige

plaatsen opgestapeld. De lichamen der gekwetsten, die den genadeslag

verwachtten, waren over den grond verspreid. De gelederen, straks

nog welgevuld, waren gedund; het getal der levenden verminderde bijna

zichtbaar. De grond was op verscheidene plaatsen rood van bloed.

Niet ver van deze afschuwelijke tooneelen en recht voor haar, gelijk

aan een oase, die zich te midden van de woestijn vertoont, stond de

boerderij van Kniesj, door bloemen omgeven, die een heerlijken geur

uitwasemden. Maroessia herkende iederen boom van dezen dichten tuin;

de kleur van iedere bloem teekende zich op den groenen achtergrond af.

De deur van den stal stond open, en haar jeugdige oogen onderscheidden

een grooten troep kippen, die, zonder zich om het gevecht te

bekommeren, op het groote voorplein heen en weer liepen; op het

voorplein stonden wagens, ploegen, hooivorken, spaden, harken en

schoffels.

Bij de deur stond een groote hond, gitzwart en met borstelig haar,

als een trouwe waker voor het huis van zijn baas.

VI.

BIJ DEN OUDEN KNIESJ.

Nauwelijks stond de wagen voor de deur stil, of een jongen van

ongeveer twaalf jaar, stevig gebouwd, en met een paar heldere oogen

in z'n hoofd, vertoonde zich aan Maroessia.

"Is pane [2] Kniesj thuis?" vroeg Maroessia.

"Ben je dan om grootvader gekomen?" zei de knaap, vragende in plaats

van te antwoorden.

"Ja, om je grootvader. Is hij thuis?"

"Hij is thuis."

"Waar is hij dan?"

"Hij is in den tuin; maar het kan ook wel zijn, dat hij in huis of

op het land is."

"Ga hem eens zeggen dat wij er zijn!"

"En haast je wat!" voegde Iwan er bij, terwijl hij zijn pijp weer

opstak.

Maar de grootvader kwam reeds aan.

Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een goedhartig oud

man. Hij droeg een eenvoudig boerengewaad,--een hemd en een broek

van linnen. Zijn hoofd was bedekt met een stroohoed, dien hij

waarschijnlijk zelf gevlochten had.

Hij herkende Maroessia terstond en scheen volstrekt niet verwonderd

haar te zien. Het tegendeel is waar; men zou gezegd hebben, dat hij

haar verwachtte, en dat dit bezoek voor hem de eenvoudigste en de

meest gewone zaak van de wereld was.

"Zoo, beste meid!" zei hij, "hoe gaat het met je? Ik ben blij dat ik

je weer eens zie! Kom maar in huis! Maar als je liever in de open

lucht wilt blijven, dan kent Taras de plaatsen, waar men aardbeien

vindt en waar de frambozen staan. Wij hebben binnen nog wat andere

lekkernijen: honingkoeken, kleine taartjes en zelfs groote."

Iwan had dit woord "taartjes" in het voorbijgaan opgevangen.

"Ik zie, dat je goed van alles voorzien bent," zei hij met een stem,

die nog wel norsch klonk, maar die toch door het vooruitzicht op

"de groote taartjes" al wat verzacht was.

"Gelukkig wel!" antwoordde de oude boer. "Kom binnen, kom binnen,

als je honger hebt."

Hij zag er zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo naïef uit, die oude

Kniesj!

"Kom binnen!" herhaalde hij. "Wat een genoegen! wat een aangename

verrassing! Ik houd van alle soldaten... Kom binnen, Mijnheer de

soldaat!..."

De soldaat, waarmee hij zooveel ophad, was uitgeput van vermoeienis

en hongerig als een wolf: hij volgde den ouden boer dan ook, zonder

zich verder te laten smeeken, en zoodra hij in de kamer was, ging

hij op een bank liggen, geeuwende, de armen uitstrekkende, de beenen

uitrekkende, in één woord, gebruik makende van het gelukkige toeval,

dat hem in staat stelde, aan zijn lichaam, geheel uitgeput door de

vermoeienissen van den oorlog, een beetje rust te gunnen.

Het was duidelijk te zien, dat hij den ouden Kniesj voor een onnoozelen

en dommen kerel hield, en dat hij eigenlijk aan niets anders dacht

dan aan zijn taartjes: wat de zaak van het hooi aangaat, die zou

later wel ter sprake komen.

Maroessia had er zich eerst mee bezig gehouden, den grooten wagen

op het voorplein te brengen. De kleine Taras had haar daarbij

geholpen. Toen dit gedaan was, ging zij naar de beide mannen toe.

"Pane Kniesj," zei Maroessia toen, "wat hebt u mooi koren op uw land

staan! Ik heb het bewonderd, toen ik er voorbij kwam. Het is nog wel

wat groen, maar ik geloof, dat men het desnoods zou kunnen gebruiken,

voordat het geheel rijp is!"

"God zij geloofd, beste meid! Ja, wij zullen een goed jaar hebben!" gaf

de oude Kniesj hierop ten antwoord.

De kalme toon, waarop hij sprak, verried niet de minste ontroering. Hij

liep de kamer op en neer, riep zijn knechts en gaf zijn bevelen met

een vroolijke stem. Zijn oogen trachtten niet in die van het kind te

lezen. Het was een braaf man, trotsch op zijn taartjes en zijn hammen,

zich bij voorbaat verheugende in de gedachte aan den maaltijd, dien

hij den vreemdeling zou aanbieden.

"Heeft hij het begrepen?" vroeg Maroessia zich af. "Nee, hij heeft

het niet begrepen! En toch..." en haar hart kromp ineen, "als hij

het eens niet begrepen had!"

Zij wist niet, wat te denken, zij wist niet, wat te doen!

"Ik moet zijn, zooals hij," zeide zij eindelijk bij zich zelve,

"ik moet moedig zijn, weten te zwijgen en weten te wachten."

Zij begreep, dat de afgezant een bewijs van al deze eigenschappen

gegeven had, door niet van den wagen af te springen, nadat hij het

gewapend geleide tot een enkelen soldaat had zien verminderen, dien

Iwan, dien hij gemakkelijk had kunnen verslaan, en door er nog op te

blijven, zelfs reeds nadat de wagen het voorplein opgereden was, en

daar zij het besluit had genomen om te zijn zooals hij, richtte zij

geen vragen tot den ouden man en ging, zonder een woord te spreken,

achter hem het huis in.

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc · 第 3 / 10 段