"Zij was wel moedig," vond de vreemdeling.

"Zij verwachtte wel iets vreeselijks te zullen zien; maar wat zij zag,

overtrof nog het verschrikkelijkste, dat zij zich had voorgesteld.

"De kelder was geheel gevuld met bijlen, sabels, dolken, pieken,

lansen, groote messen, knotsen, met prachtige maar met bloed bevlekte

kleeren, met parelsnoeren, diamanten, robijnen en smaragden, met

turkooizen en saffieren, met prachtige stoffen. Dat alles lag door

elkander, en overal waren sporen van bloed. Toch aarzelde zij nog,

toen haar oog op iets sneeuwwits viel, dat op een stuk zwart fluweel

gehecht was. Het was eene blanke hand, wit als marmer, een bevallige

vrouwenhand, met kostbare ringen versierd.

"Zij zei huiverend bij zich zelf: 'Mijn man is het opperhoofd van een

rooverbende. Ons kasteel is erger dan een hol.' En dat veroorzaakte

haar een groot verdriet."

"Ga maar niet verder met deze geschiedenis voort Maroessia!" zei de

afgezant, "het zou je kwaad doen, vooral als zij nog verschrikkelijker

wordt."

"Misschien wel; maar wat doet dat er toe? U moet den afloop weten,

om goed te kunnen begrijpen, wat ik bedoel." En ze vervolgde:

"De jonge vrouw dacht lang over alles na. Vóór alles moest zij uit

het verschrikkelijke onderaardsche hol zien te komen. Zij kwam er

uit, deed het luik dicht, zette de lantaarn weder op hare plaats,

sloot alle deuren goed achter zich dicht en trad meer dood dan levend

haar kamer binnen. Zij was veel ongelukkiger sedert haar ontdekking,

en toch wilde zij niet meer sterven, maar wel vluchten."

"'Wat te doen?' dacht de jonge vrouw bij zich zelf. Het ondoordringbare

bosch omgaf het kasteel aan alle kanten. Men zag er geen enkelen

uitgang. Zeker kon zij op het gevaar af, dat zij zich ernstig zou

wonden, door het dichte kreupelhout heensluipen. Maar verder? Wie

zou zeggen, of zij zich, na een geheelen dag rondgeloopen te hebben,

niet weer op de plaats zou bevinden, vanwaar zij was uitgegaan? 'Wat

te doen? Wat te doen?' herhaalde zij bij zich zelve.

"'Al moest ik onderweg sterven,' zei ze eindelijk, 'ik moet vluchten,

en ik zal vluchten.'"

De vreemde vriend volgde oplettend het verhaal, dat zijn kleine

metgezellin hem onder het voortloopen deed. Maroessia merkte dit wel,

en het deed haar genoegen.

"Dat geeft hem wat afleiding," dacht zij.

Zij zou haar verhaal wel wat hebben willen verkorten, maar dan zou

hij het misschien minder goed begrijpen, en bovendien hadden zij den

tijd, zij om alles te vertellen, hij om alles aan te hooren; de hut

in de steppe, de stal met de groote ossen was nog ver weg.

Zij hervatte dus:

"De jonge vrouw ging opnieuw naar den tuin. Maar nauwelijks had zij

een paar stappen gedaan of zij hoorde hoefgetrappel.

"Zij bleef staan en hield haar adem in, en, verscholen achter den

stam van een dikken boom, luisterde zij. Toen zag zij het bleeke

gezicht van haar man te voorschijn komen uit het kreupelhout. Zijn

gewone metgezellen volgden hem. Het scheen, alsof zij allen als door

een tooverslag uit deze omheining van groen te voorschijn kwamen."

"Zij had nog maar juist den tijd gehad om zich beter tusschen het

kreupelhout te verbergen, en kon nu haar man ongemerkt gadeslaan. Hij

was van zijn paard gestegen en liep met langzame schreden voort, vlak

langs haar heen; ook de anderen gingen haar voorbij. Verscheidene

van die woestaards hadden roode vlekken op hun kleeren.

"Weldra hoorde zij de stem van haar man. Hij riep haar.

"Nee, het oogenblik was nog niet daar, waarop zij voor altijd zou

kunnen vluchten. Zij kwam moedig uit het kreupelhout te voorschijn

en ging voor hem staan.

"'Je ziet erg bleek,' zei hij tegen haar, 'en men zou zeggen, dat

je beeft. Je zult het onder deze boomen koud gehad hebben; kom hier

voortaan niet meer.'

"Toen haalde hij uit zijn zak een klein voorwerp:

"'Ziedaar! Je merkt, dat ik wel aan je gedacht heb.'

"Bij deze woorden bood hij haar een ring aan, die als een kleine

zon schitterde.

"'Wil je dien hebben?'

"Zij deed zich geweld aan, om dit aanbod niet van de hand te wijzen,

en vroeg hem, waar hij dit kleinood vandaan had.

"'Als mijn vraag hem in verlegenheid brengt,' zei zij bij zich zelve,

'als er ontsteltenis op zijn gezicht te lezen is, dan zal dit een

bewijs zijn, dat hij nog niet heelemaal verhard is.'

"Maar hij antwoordde haar op een luchtigen toon:

"'Ik heb hem op de jacht in handen gekregen, liefste!'

"'Op de jacht?'

"Tegelijkertijd dacht zij: 'Wat er ook gebeuren moge, ik zal volhouden;

ik wil eindelijk weten, waaraan ik mij te houden heb.' Zij voegde er

dus bij: 'De jacht op ringen? Ik heb nog nooit van mijn leven over

zoo'n zonderlinge jacht hooren spreken.'

"'Minder zonderling, dan je wel denkt,' zei hij, 'maar zeker

vermoeiend, en zelfs zoo vermoeiend, dat ieder na den afloop ervan

behoefte aan rust heeft. Dat is op dit oogenblik ook met mij het geval,

daarom ga ik naar bed want ik val bijna om van den slaap. Later zal

ik je wel eens op zoo'n jacht meenemen, en ik denk wel, dat 't in je

smaak zal vallen.'

"Daarop verliet hij haar met een lach en begaf zich ter ruste in

den vleugel van het oude gebouw, waarin zij woonden. Zijn vrienden

volgden zijn voorbeeld. Eenige oogenblikken daarna was zij zeker wel

de eenige in het kasteel, die niet sliep.

"Toen kwam het plan weer bij haar op om te vluchten. Ze ging voor

de tweede maal naar den tuin en liep dadelijk naar de plaats waar ze

haar man zoo plotseling had zien verschijnen.

"Daar ging de jonge vrouw aan den voet van eene met mos begroeide

rots zitten die tusschen de dikke wortels van een reusachtigen boom

ingesloten was, om te overdenken wat haar te doen stond. Maar toen

zij ertegen leunde bezweek de rots zoo plotseling onder haar gewicht,

dat zij omver viel."

"Juist zoo!" zei de afgezant, "dat was de ingang waardoor de bandieten

binnenkwamen..."

"Ja, het was de geheimzinnige deur. Zij was zoo over haar val

verwonderd, dat zij eenige oogenblikken bleef liggen, zonder zich

te durven verroeren. Waar was zij? Boven haar hoofd bevond zich een

donkergroen gewelf, waardoor slechts hier en daar een plekje van den

blauwen hemel te zien was.

"Toen zij eenigszins van haar schrik bekomen was stond zij op, legde

bij den onzichtbaren toegang een witten steen en was verstandig genoeg

om naar het kasteel terug te keeren, om er zich van te verzekeren,

dat haar man en zijn metgezellen niet wakker waren.

"Maar die waren allen in een diepen slaap gedompeld, zooals dit gebeurt

met iemand, die veel van zijn krachten gevergd heeft. Op haar teenen

voortsluipend, ging zij van deur tot deur, schoof er zonder gedruisch

de grendels op en sloot alle luiken. Dit was één goede voorzorg;

maar zij nam nog een andere, die ook te pas kwam, namelijk om de

lichte kleederen, die zij altijd droeg, tegen zwarte te verruilen;

toen ging zij snel naar de plaats, die door den witten steen aangewezen

was. Toen zij die teruggevonden had, ging ze, evenals de eerste maal,

tegen de rots aanleunen en opende haar. De hooge steenen deur, die

de rots verborg, was zoo ingericht, dat zij vanzelf dichtging. Nu

begon zij te loopen, telkens weer harder.

"Na verloop van een half uur bereikte zij een punt, waarop meer dan

tien wegen uitkwamen, die alle in verschillende richtingen liepen.

"Zij deed een paar passen langs den eenen, toen langs een anderen, en

zoo alle tien. Het kwam er op aan, zich niet te vergissen. Het ongeluk

was, dat zij allemaal op elkaar geleken, waardoor het moeilijk was,

den eenen boven den anderen te verkiezen. Eensklaps ontdekte zij in

een van deze gangen iets wits. Zij liep er heen. Het was een kleine,

fijne zakdoek, waarvan de vier hoeken fraai geborduurd waren.

"Ik hoor iets, dat ons volgt," zei Maroessia ineens, haar verhaal

afbrekend. De vreemdeling had het ook gehoord. Hij nam Maroessia bij

den arm en plaatste zich met zijn opgeheven stok voor haar.

"Ach!" zei Maroessia, "het is een groote hond!"

Terwijl ze dat zei deed de afgezant zoo'n plotselingen sprong, dat

Maroessia zich niet kon verklaren, hoe hij het dier, dat zich zoo

onverwacht aan hem vertoond had, zoo snel met zijn dikken stok had

kunnen doodslaan.

De afgezant lag met zijn eene knie op den grond. Toen hij weer opstond,

lag het dier levenloos aan zijn voeten.

"Het was een wolf," zeide hij bedaard tegen het kind, "hij moet wel

honger gehad hebben, dat hij ons zoo van nabij gevolgd is."

"O!" zeide Maroessia tegen haar vriend, "u bent ook voor niets bang."

"Wel zeker," zei de afgezant, "ik ben bang voor alles, wat je

geschiedenis afbreekt. Dus had de vrouw van den bandiet een zakdoek

gevonden."

"Ja," zei Maroessia.

"Het zien van dien fijnen zakdoek, die zoo lekker rook en ongetwijfeld

van een vrouw was, gaf haar stof tot nadenken.

"'Ze zijn hier vanmorgen langs gekomen,' zei ze bij zich zelf, 'en

als dat zoo is, komen zij er waarschijnlijk nu niet meer. Ik moet

dien weg kiezen.'

"Maar voordat ze dien insloeg, kwam de gelukkige gedachte bij haar op,

een mooi rood lint, dat zij om haar hals droeg, zóó op te hangen aan

een tak, die zich over een ander voetpad, dan dat, hetwelk zij wilde

inslaan, uitstrekte, dat men het in de verte kon zien. 'Zij zullen dit

lint zien en mij dus vervolgen langs den weg, dien ik niet ingeslagen

heb.' Dat was niet slecht bedacht, om hen van het spoor af te brengen,

niet waar?"

"Het was zeer goed bedacht," zei de afgezant.

"Gelukkig, dat zij daaraan gedacht had, liep zij vlug het pad langs,

waar zij den geborduurden zakdoek gevonden had. Zij liep den geheelen

dag door. De avond viel; de duisternis was zoo dik, dat zij niet meer

wist, wat zij boven haar hoofd had, of dit een gewelf van rotsen of

een koepeldak van bladeren was.

"'Laat ik maar aldoor voortloopen,' dacht zij bij zich zelf, toen

zij zich vermoeid voelde. 'God, die mij tot hiertoe geleid heeft,

zal mij niet verlaten.' Eensklaps stiet zij tegen iets aan. De weg

maakte daar een bocht; maar in plaats van zich te beklagen over

de pijn, die zij zich zelve had berokkend, scheelde het niet veel,

of zij had in haar verwondering een kreet van vreugde geslaakt.

"Alle sterren van den hemel fonkelden eindelijk boven haar hoofd;

geen gewelf, noch van steenen, noch van ineengegroeide takken was

meer boven haar, zij was op een groote open plek!"

"Zoo, des te beter!" zei de afgezant, "dat doet mij voor haar

pleizier."

In plaats van eenig antwoord te geven, schudde Maroessia met het

hoofd en drukte zijn hand nog steviger.

"Ongelukkig zou de vrouw van het opperhoofd der bandieten zich niet

lang kunnen verheugen; want zij hoorde ineens heel duidelijk stemmen,

geschreeuw en het getrappel van paarden, die in galop komen aanrennen.

"Wat nu te doen? Waar een schuilplaats te vinden? Hoe zich onzichtbaar

te maken? Naar de gang terug te keeren? Dat nooit! Dat zou hetzelfde

zijn, als naar het kasteel terug te keeren.

"Er stond op deze open plek een forsche eik met dichtgebladerde

takken, die tot op den grond neerhingen. In een wip klom zij als een

eekhorentje van den eenen tak op den anderen, totdat zij den hoogsten

bereikt had. Zij had er goed aan gedaan, geen minuut te verliezen;

een oogenblik daarna kwamen alle bandieten van vijf of zes kanten te

gelijk te voorschijn, want alle gangen liepen op deze open plek uit.

"'Welnu?' riep een haar welbekende stem tot vijf ruiters, die

aankwamen rijden.

"'Niets,' antwoordde er een. 'Ik heb niets anders gevonden dan dit,'

en hij hield een rood lint omhoog.

"Op dit lint sloeg het opperhoofd geen acht. Wist hij wel, dat zijn

vrouw er ooit zoo een had bezeten?

"'Ik heb niemand gezien,' antwoordde een tweede.

"'Geen spoor,' zeide een derde.

"En allen verklaarden achtereenvolgens hetzelfde.

"'Laat ons nog eens zoeken!' riep de echtgenoot uit. 'Wij moeten haar

dood of levend terugvinden. Komaan! Op weg! Ons geluk hangt er van af.'

"Hij voltooide zijn volzin niet; want iets bijzonders had zijn

aandacht getrokken.

"In een oogwenk was hij van zijn paard gesprongen, had zich

voorovergebogen en had van den grond een voorwerp opgeraapt, dat hij

aandachtig bekeek.

"'Een zakdoek!' riep hij aan de anderen toe, 'een vrouwenzakdoek! Zij,

die wij zoeken, is niet veraf.'

"Het gras was hoog en stond dicht op elkaar. Nu begonnen zij allen

het terrein te verkennen, sommigen op handen en voeten, anderen met

hun sabels en hun pieken; sommigen verpletterden de jonge boompjes

onder de pooten van hun paarden, anderen velden ze door middel van

bijlslagen neer om er zich van te verzekeren, dat de vluchtelinge

zich daartusschen niet verscholen had.

"Zij vonden hoegenaamd niets.

"Intusschen keek de echtgenoot naar de lucht in de richting van den

grooten dichtgebladerden eik.

"'De bladeren van dezen boom zijn zeer dicht,' zei hij bij zich zelf;

'al de vrouwen zijn vogels. Wie weet, of mijn vrouw er niet boven

in zit?'

"Hij neemt een lans uit de hand van een zijner manschappen, klimt op

de onderste takken, en terwijl hij zich met de eene hand vasthoudt,

begint hij met de andere de bovenste takken met de punt van zijn lans

te doorboren."

"Die arme vrouw!" zei de afgezant, "nu is het met haar gedaan."

"Wat had zij er goed aan gedaan, haar zwarte japon aan

te trekken!" hernam Maroessia. "Dank zij deze donkere kleur,

bemerkte haar man haar niet. Hij stak de punt van zijn lans in de

donkerste gedeelten van het dicht gebladerte. Verschrikt, sprakeloos,

onbeweeglijk, hield zij den tak, die haar tot steun diende, krampachtig

met de armen omklemd.

"Driemaal drong het koude ijzer in haar vleesch door; bloed stroomde

uit de wonden, maar zij verroerde zich niet, zij bezat dien moed,

zij gaf geen gil en liet geen enkelen kreet hooren."

"Je geschiedenis is verschrikkelijk, Maroessia! Ach! die ongelukkige!"

Maroessia, die geheel met haar verhaal vervuld was, vervolgde:

"De luitenant van haar man, die wel zag, dat alles vruchteloos was,

zei toen tegen zijn kapitein:

"'De tijd, dien wij op deze plek verliezen, is slechts in het voordeel

van haar, die wij zoeken. Het dorp is dichtbij, de stad is niet ver

verwijderd. Als wij hier een kwartier langer blijven, zal uw vrouw

er vóór ons aankomen, kapitein! En dan is er geen verhelpen meer aan.'

"Bij de gedachte, dat zijn vrouw, die blijkbaar in het bezit van zijn

geheim was, hem zou kunnen ontsnappen, en dat zijn levenswijze dan

bekend zou worden, kwam er een vloek over de lippen van den kapitein.

"'Te paard!' riep hij uit, 'te paard en rijdt, alsof het uw leven

gold!'

"Zij gaven hun paarden de sporen en reden in gestrekten draf weg.

"Het werd tijd; de arme vrouw kon zich niet meer vasthouden; zij liet

zich op het gras neerglijden op het gevaar af, een doodelijken val

te doen."

Op dit oogenblik deed Maroessia een stap achterwaarts.

"Hoort u dat?" zei zij.

"Een geweerschot," antwoordde de afgezant kalm, "dat is al het derde

sedert wij op weg zijn. Maar laat je dat niet verontrusten: het is

voor ons uit en vrij veraf. In tijden, als de tegenwoordige, hoort

men telkens en overal geweerschoten. De schoten werden niet in de

richting van ons gelost, evenmin als in die van het huis van je vader."

"Bent u daar zeker van?" vroeg zij.

"Bepaald zeker. Als je weer hoort schieten, let er dan maar niet

op. Men moet aan dat geluid wennen. Maar ga nu met je verhaal voort!"

"De arme vrouw lag op den grond. Ik weet niet precies, hoeveel uren

zij daar bewusteloos bleef liggen," zei Maroessia. "Toen zij weer

tot bewustzijn kwam, was de nacht niet meer zoo zwart: de vogels

begonnen te ontwaken, en het gras, dat geheel nat van den dauw was,

scheen als met witte paarlen bezaaid. Zij had kracht genoeg om het

bloed van haar wonden te stelpen en scheurde haar mooie japon aan

stukken, om daarvan windsels te maken. Zou zij kunnen loopen? Zij

had reeds veel bloed verloren.

"Maar zij moest loopen, en zij liep ook. Zij liep met moeite;

haar armen en haar zijde waren door de lansstooten gewond, maar

langzamerhand schonk de beweging zelf haar nieuwe krachten.

"Zij bemerkte toen, dat zij op een grooten gebaanden weg was; dit deed

haar moed toenemen. Maar, ondanks dit alles, voelde zij haar zwakte

vermeerderen, toen zij tot haar geluk het geratel van wielen hoorde.

"Een groot rijtuig, met een massa hooi beladen,--luister goed naar

mij!--reed langzaam voort, getrokken door twee stevige ossen, met

groote kromme horens. Naast dit rijtuig liep een oud man, die een

lied zong.

"Zij verhaastte haar schreden, en het gelukte haar, het rijtuig en

den voerman in te halen.

"'Help mij,' zei ze tegen den grijsaard. 'Heb medelijden met mij! Ik

heb geen krachten meer om het dorp te voet te bereiken!'

"Maar tegelijkertijd hoorde zij in de verte het geschreeuw der

struikroovers, die op hun schreden terugkeerden. Het aanbreken van

den dag noodzaakte hen zonder twijfel om naar huis te gaan.

"'Ik ben verloren,' zei zij tegen den grijsaard. 'Die menschen,

die daar aankomen, zijn bandieten en mijn man is hun opperhoofd.'

"'Verberg u in het hooi,' zei de grijsaard tegen haar, 'en houd u

doodstil. Gauw maar!'

"Spoedig was zij in het hooi verborgen en bleef daarin, zonder zich

te verroeren. Binnen eenige oogenblikken waren de struikroovers vlak

bij het rijtuig, dat langzaam voortreed.

"'Heidaar!' riep het opperhoofd den grijsaard toe, die naast zijn

ossen liep, terwijl hij zijn pijp rookte, 'heb je onderweg ook een

jonge vrouw ontmoet, die scheen te vluchten?'

"'Een jonge vrouw?' herhaalde de grijsaard, terwijl hij met de

hand over zijn voorhoofd wreef, als trachtte hij zijn gedachten

te verzamelen.

"'Ja zeker, een jonge vrouw!'

"'Zoo! Een jonge vrouw...'

"'Wil je ook antwoorden?'

"'Waarom niet?'

"'Antwoord dan!'

"'Ik heb geen jonge vrouw gezien.'

"'Ben je daar wel zeker van? Zij moest toch denzelfden weg volgen

als jij...'

"'Dat is best mogelijk; maar ik heb niets gezien. Mijn oogen zijn

in de laatste twee jaren erg verminderd. Zoo gaat het in de wereld:

men wordt oud, men leeft niet eeuwig.'

"'Die kerel schijnt een slimme vos te zijn,' zei de luitenant. 'Hij

drijft den spot met ons.'

"'Weet je wel, wien je voorhebt?' vroeg het opperhoofd hem.

"'Hoe zou ik dat weten?' antwoordde de grijsaard. 'Het is de eerste

maal, dat wij elkaar zien. Bovendien, weest wat ge wilt, heeren of

struikroovers, wat kan dat een armen grijsaard schelen, die niets op

de wereld bezit?'

"'Je bezit toch je leven,' zei de luitenant.

"'Mijn leven?' antwoordde de boer. 'Wat is het leven mij waard,

als ik alle dagen hard moet werken?'

"'Je leven zullen we je laten behouden, oude babbelaar, maar je hooi

zullen wij je ontnemen.'

"'Mijn hooi is mijn hooi niet. Als ik u zeg, dat ik niets op de wereld

bezit, dan wil dat niet zeggen, dat ik zoo'n berg hooi heb. Als u

mij dien wilt ontnemen, doet het dan, maar takelt mij eerst wat toe;

als ik zonder wonden en zonder hooi terugkom, zal mijn heer, die niet

met zich laat gekscheren, denken, dat ik het heb verkocht om er drank

voor te koopen. Het komt al op hetzelfde neer, of ik stokslagen van

hem dan wel van u krijg.'

"'Oude gek!' antwoordde de luitenant, die moeite had om niet te

lachen. 'Wij willen van je hooi maar een beetje hebben om aan onze

paarden te geven.'

"'Als dat moet, dan moet het!' zei de grijsaard, 'maar laat mij het u

dan zelf geven en het zoo aanleggen, dat er zoo weinig mogelijk van te

zien is. Als dat zoo kan gaan, zal ik er misschien ongedeerd afkomen.'

"'Hebt u zoo genoeg?' vroeg hij na voorzichtig een tiental handenvol

van zijn wagen genomen te hebben. 'Als ik nog meer nam zou er een

leegte ontstaan en dat zou gezien worden, en ik zou er voor moeten

boeten. Misschien dat het nu nog wel zal losloopen, als mijn heer

het hooi ten minste niet naweegt.'

"De luitenant knikte, als wilde hij zeggen: Zoo is het genoeg,--en

de kapitein wendde zich tot den boer met de woorden:

"'Je kunt verder gaan, maar vooraf wil ik je twee dingen te raad

geven. Het eerste is, je niet om te keeren om te zien, wat er achter

je voorvalt. Het tweede, tegen niemand over je ontmoeting te spreken.'

"'Ik weet een geheim te bewaren,' antwoordde de oude boer met een

onnoozel gezicht. 'Ik zal uw raad opvolgen.'

"En hij gaf zijn ossen een paar slagen om hun het sein tot voortrijden

te geven.

"Na verloop van tien minuten kon hij het rennen van de paarden der

struikroovers hooren. Het gedruisch verminderde langzamerhand en was

eindelijk in 't geheel niet meer te hooren.

"'Zij zijn het bosch weer ingegaan,' zei de grijsaard alsof hij in zich

zelf sprak, 'maar dat is nog geen reden om zich overwinnaar te voelen.'

"De raad was goed en werd opgevolgd. De jonge vrouw, die in het

hooi verborgen was, verroerde zich niet. Een half uur daarna kwam

het dorp,--het was meer dan een dorp, het mocht wel een kleine stad

heeten,--in het gezicht. De wagen reed langs een breede straat, alsof

er niets gebeurd was, toen door een groote poort een binnenplaats op.

"'Ziezoo!' zei de grijsaard, 'God heeft het zoo gewild: het is

nu gedaan.'

"Op die wijze werd de vrouw van den kapitein der bandieten eindelijk

gered.

"Men bracht haar bij welgestelde en liefdadige menschen, waar iedereen

zorg voor haar droeg tot op het oogenblik, waarop haar vader,

onderricht van het onvoorzichtige huwelijk, dat hij haar had doen

aangaan, haar kwam terughalen.

"Men liet het bosch omsingelen in de hoop, dat men de bandieten zou

bemachtigen; maar het was reeds te laat: het kasteel was verlaten,

toen de justitie kwam. Toen zij het gevaar inzagen, ontdekt te worden,

hadden zij er niet durven blijven."

"Dat was jammer," zei de afgezant. "Maar de vrouw was gered, en dat

was het voornaamste. Waarlijk! je vertelling is zeer belangrijk, en

je hebt er wel aan gedaan, mij haar uitvoerig mee te deelen. Mooie

sprookjes verkorten den weg."

"De reden, waarom ik u dit verteld heb," zei Maroessia, "bestaat

hierin, dat het ons van nut kan zijn."

"Ik heb het begrepen, m'n kind," zei de afgezant, "heel goed

begrepen. O, wij verstaan elkaar wel."

"Toch," voegde hij er bij, "heeft de geschiedenis van de blanke hand

met diamanten en van de lanssteken in de bladeren van den grooten

eik mij doen huiveren."

IV.

DE VLUCHT.

Het was nog nacht, maar de morgenkoelte deed zich reeds gevoelen. In

een verwijderd klooster hoorde men de vroegmissen zingen; het riet

aan den oever boog zich voor den wind.

"Wij moeten nu linksaf," zei Maroessia.

Twee minuten daarna betraden zij de steppe.

Tot dusverre hadden zij langs den oever der rivier geloopen, bijna

altijd beschermd door de boomen.

Hoewel Maroessia en de afgezant geen tijd te verliezen hadden,

bleven zij toch onwillekeurig stilstaan en ademden met volle teugen

de frissche lucht van deze vlakte in.

"Kijk dien kant eens uit!" zei Maroessia. "Dat zwarte stipje daarginds

is de stal, waarover ik u gesproken heb. Nu moeten wij nog eens

linksaf: daar zullen wij de ossen vinden."

"Laat ons dan nog eens linksaf slaan," zei de afgezant.

De steppe breidde zich zoo ver zij zien konden voor hen uit; een paar

hooge hoopen hooi, die nog pas opgestapeld waren, belemmerden alleen

het gezicht.

De afgezant klom op een daarvan om te zien, of er in de verte iets

te zien was.

"Blijf daar niet staan!" riep Maroessia hem toe; "u bent zoo lang,

men zou u van verre zien."

Alles scheen rustig te zijn. De afgezant gaf aan Maroessia een wenk

om ook eens te komen kijken en wilde er haar op helpen klimmen;

maar dat was niet noodig; want in een oogenblik was zij er op.

"'t Lijkt wel of jij vleugels hebt," zei de afgezant tegen haar.

"Vader noemt mij altijd zijn klein eekhorentje," antwoordde het kind

met een zekeren trots.

Zij keek ook, maar slechts naar een enkelen kant, en wel naar dien,

waar het huis van haar ouders stond.

"Ziet u daar ginds wel?" zei ze. "Kijk eens voor mij; want mijn oogen

zien op dit oogenblik niet goed,--het schijnt mij evenwel toe, dat

alles er rustig is."

"Ja, ja," zei de afgezant, "alles schijnt te zeggen: rust."

Nadat ze nog even rondgekeken hadden, klommen zij van den hoop hooi

af. Zij liepen nog enkele meters en kwamen nu bij eene heg, die een

kleine vallei omgaf.

"Hier is het!" zei Maroessia. "Help mij nu, den boom van de deur te

lichten. Hier zijn de ossen, ziet u ze?"

"Ik zie ze, zij zien er prachtig uit!"

De beide ossen, die op het gras lagen, bleven onbeweeglijk als twee

groote bergen. Maroessia streelde met haar kleine hand hun gehoornde

koppen. Een dof geloei was het antwoord op de liefkoozingen van

het kind.

"Stil, stil," zei Maroessia haastig. "Je moet mij heel bedaard

volgen! Gauw maar!"

Maroessia: De Ukraineesche Jeanne D'Arc · 第 2 / 10 段