P. J. Stahl
Maroessia
De Ukraineesche Jeanne d'Arc
Tweede druk
Geheel herzien door
A. C. Slop
Met 62 illustratiën naar teekeningen van
Th. Schuler
D. Bolle--Rotterdam
I.
EEN ONBEKEND REIZIGER.
Ik zal u eens iets vertellen, dat heel lang geleden in de Ukraine is
voorgevallen, en wel in een vergeten, maar frisschen en bekoorlijken
hoek van deze landstreek.
Ik houd veel van die streken, waarover men weinig spreekt, die de
vreemdeling niet bezoekt, die men aan zich zelf overlaat, die haar
schuilplaatsen en haar geheimen, haar groote smarten en haar eenvoudige
genoegens voor zich houden. De geschiedenis van die streken is meestal
niet bekend. Men ontmoet er, wat men nergens anders vindt: zaken en
menschen zijn er nieuw. Die landen hebben,--zonder het aan iemand te
zeggen,--soms ook hun helden, waarachtige helden.
Ik houd ook veel van helden,--vooral als zij er zich niet op beroemen,
dat zij 't zijn,--als zij eerlijk en oprecht zijn, als zij groote
dingen doen, zonder luidkeels te roepen: "Kijk eens aan! dat heb ik
nu gedaan! Onthoudt mij mijn belooning daarvoor niet!" maar alleen
omdat zij niet anders zouden kunnen dan heldhaftig te zijn.
Welnu, in dat afgelegen hoekje van de Ukraine stond vroeger een huis,
dat precies gebouwd was als andere buitenhuizen; en dit huis werd
bewoond door een kozak, Danilo Tsjabane, en zijn gezin.
Men verwarre de kozakken uit de Ukraine niet met die van den Don,
met die mannen met hun zware baarden, hun woeste oogen, hun ruwe taal
en hun onbeschofte manieren; zij lijken daar heelemaal niet op.
De bewoners van de Ukraine laten hun baard pas groeien, als zij vijftig
jaar zijn. Daaruit volgt, dat men in dit land alleen maar grijze
baarden of geen baarden ziet. De jongeren hebben snorren, evenals
de Polen. De bewoners van de Ukraine zijn groot, stevig en forsch
gebouwd. Zij hebben voor 't grootste deel regelmatige gezichtstrekken,
keurig gepenseelde wenkbrauwen, groote oogen, en een kalme, edele,
eenigszins strenge gelaatsuitdrukking, die wel eens somber schijnt.
In den tijd, toen de Ukraine een republiek was, zag zij zich gedurende
verscheidene jaren tusschen twee vuren geplaatst: Rusland en Polen. Men
zou zelfs kunnen zeggen; "tusschen vier vuren," als men de Turken
en de Tartaren meetelde. Eindelijk had deze republiek, omdat zij het
met de Polen niet eens kon worden, de "broederlijke" voorstellen van
Rusland aangenomen.
"Wij zijn te zwak om met onze naburen te blijven vechten. Wij hebben
den oorlog tot dusverre met roem gevoerd; maar wij zullen tenslotte
toch moeten verliezen. Rusland stelt ons een verbond voor. Laat ons
dit aannemen."
Zoo dacht en sprak het oude opperhoofd Bogdan Kmielnitski, en het
volk had zijn raad opgevolgd.
In het eerst ging alles goed. Vrijheid, gelijkheid, broederschap: de
Russen eerbiedigden dat alles; maar langzamerhand kwam er verandering
in den staat van zaken.
Na verloop van nog geen jaar had het volk genoeg redenen om tegen
zijn opperhoofd Bogdan te zeggen: "Wat hebben wij gedaan?"
Toen de oude Bogdan dit hoorde, huilde hij, naar men zegt, voor het
eerst van zijn leven.
"Laat ons een poging doen om het gedane te herstellen," zei hij;
maar hij slaagde er niet in en stierf van verdriet.
Na zijn dood had de Ukraine veel beproevingen te doorstaan. Zij
werd in twee partijen verdeeld: de eene was nog altijd voor Rusland,
de andere hield het met Polen.
Maar er was ook een derde partij ontstaan. Deze was voor de volstrekte
onafhankelijkheid van de Ukraine. Ongelukkig was die partij niet
talrijk. Op het tijdstip dat de zaken zoo staan begint ons verhaal.
De kozak Danilo Tsjabane dan, bewoonde met zijn gezin een huis op
het platteland.
Danilo had dit huisje geërfd: zijn vader, die het van zijn vader
gekregen had, die het ook weer van den zijnen had gekregen, had het
hem bij zijn overlijden nagelaten. Ik weet niet, hoevele geslachten
van de Tsjabanes daarin wel gewoond hadden.
Het huis was, daar het tusschen een onafzienbare steppe en een
uitgestrekt bosch, tusschen een diepe rivier en een grasrijke weide,
tusschen een hoogen berg en een frissche vallei stond, prachtig
gelegen en mooi gebouwd.
In het noorden strekte zich een eindelooze steppe uit. Men zou gezegd
hebben, dat het een oceaan van groen was, met bloemen bezaaid. In
het zuiden verhieven zich de bergen, nu eens met boomen begroeid en
groen gekleurd, dan weer kaal en steenachtig. De vallei, waarin geen
rijwegen en zelfs geen voetpaden te zien waren, strekte zich aan den
oostkant uit. De rivier, waarvan het water eene blauwachtige tint had,
besproeide de weide.
En bij dat alles, hadden de bewoners van het huisje, om hun geluk
volmaakt te voelen in hun nabijheid goede buren en trouwe vrienden.
Op feestdagen ontving het gezin van Danilo Tsjabane verscheidene
bezoekers. Nu eens was Semene Vorosjilo de eerste, die kwam, dan
weer Andry Kroek, of ook hoorde men reeds in de verte de heldere en
welluidende stem van Hanna, die zoo hartelijk kon lachen, of zag men
het kleine schuitje van Wassiel Grime aanleggen. En na deze kwamen er
nog vijf, soms wel tien anderen, mannen en vrouwen, jongens en meisjes,
ook wel kinderen en zelfs grijsaards; want iedereen was er op gesteld,
Danilo te bezoeken.
Op het oogenblik waarop ons verhaal begint heerschte er, zooals we
reeds gezegd hebben, overal in de Ukraine groote verwarring.
Het land, aan den eenen kant door de Russen begeerd, aan den anderen
door de Poolsche aristocratie, van beide kanten verpletterd, was in
vollen opstand en betreurde zijn verloren onafhankelijkheid diep. De
Ukraine was door de Russische troepen overstroomd. Het opperhoofd
van de Moscovitische party werd met gunsten en geschenken van den
Czaar overladen; het opperhoofd van de Poolsche partij had zich in
een stad versterkt en noodigde alle vrienden der vrijheid uit, zich
bij hem aan te sluiten.
Het was moeilijk partij te kiezen...
Er was een samenkomst ten huize van Danilo Tsjabane. De avond was
somber, de gasten waren in gedachten verzonken. De aanvoerders zelf
hadden moeite om een vroolijk gezicht te zetten. Men keek elkander
meer aan, dan men met elkaar sprak. Het was duidelijk te zien, dat
allen onder dezelfde zorgen gedrukt gingen.
Van tijd tot tijd richtte men enkele vragen tot Andry Kroek: "Waren de
muren van Tsjigirine stevig genoeg om een aanval te weerstaan? Was er
op de verdedigers wel staat te maken? Als men de laatste proclamatie
van het opperhoofd nog eens voorlas? Er waren er die er niets van
wisten. Had hij ook gehoord, of er zich veel vrijwilligers aanmeldden?"
Andry Kroek, die blijkbaar zeer goed over al die dingen ingelicht
was, antwoordde zonder eenige aarzeling. Hij beschreef de wallen,
de grachten, de poorten en de schansen van Tsjigirine, als iemand,
die er geweest is en dat alles meer dan eens gezien heeft, en wel
nog niet zoo lang geleden.
Terwijl de mannen praatten, stonden de spinnewielen stil: de vrouwen
luisterden in angstige spanning. En als de mannen zwegen en rookten,
wisselden zij op fluisterenden toon een paar woorden.
"Alweer een slag bij Welika," zeide er een.
"Hoeveel dooden?" vroeg Mogila.
"Men heeft Terny in brand gestoken; de huizen zijn niet meer dan een
puinhoop, en het dorp Krinitza staat nog in brand."
"Weet je ook," zei een meisje, "weet je ook, of..."
Maar verder kwam ze niet; tranen kwamen in haar oogen, en moedeloos
liet zij het hoofd zinken.
Een oude vrouw, met een bruinen doek om het hoofd, waaruit weelderige
grijze lokken te voorschijn kwamen, met een koud en streng gezicht,
waarin twee groote zwarte oogen als sterren fonkelden, zei:
"Mijn zoons zijn allen dood. Ik sta alleen op de wereld. Zij zeiden
allen: 'Wij trekken ten strijde,' en ik keek ze aan, zeggende:
'Goed, kinderen!' en zij voegden er bij: 'De Ukraine zal haar
onafhankelijkheid herkrijgen!' en ik antwoordde nogmaals: 'Goed,
kinderen!' Alle drie zijn zij op het slagveld gebleven, en de Ukraine
is nog niet vrij!"
"Ach," zei een jonge vrouw, "men laat zich doodschieten, en men
heeft nog niets gewonnen. Als men nog maar bij zich zelf kon zeggen:
'Ik sterf, maar ik laat aan de anderen de taak over, waarnaar ik
heb gestreefd.'"
De oude vrouw viel haar in de rede.
"Je hebt mij niet begrepen. Als er sprake van het vaderland is,
dan onderhandelt men niet, dan zegt men niet bij zich zelf: 'Zal ik
slagen?' maar: 'Het is mijn plicht,' en men gaat ten oorlog. Als men
gedood wordt, heeft men een gelukkigen dood; goed te sterven is een
beter lot dan slecht te leven. Mijn zoons hebben zoo gehandeld. Als
zij nog eens ten strijde konden trekken, zouden zij het weer zoo doen."
"Je hebt gelijk," zeiden verscheidene vrouwen.
Anderen zeiden niets, maar begonnen zacht te huilen. De kinderen waren
ook terneergeslagen. Zij speelden niet, zij praatten of lachten niet,
maar zaten, heel stil, in de hoeken van de kamer, terwijl zij naar
de groote menschen keken en naar hun gesprekken luisterden.
Een klein, heel klein meisje, met blond haar, met groote, frissche
fonkelende oogen en lippen, scheen de eenige, die geheel in haar
eigen gedachten verdiept was. Zij nam eenige biezen in haar schort
en vlocht daarvan een mooie mat.
Het werd later op den avond, en in het vertrek werd het al somberder
en stiller. Iedereen bewaarde het stilzwijgen: het meisje viel in
slaap met haar onvoltooide mat tusschen haar vingers.
De nacht brak aan, en de sterren fonkelden.
Eensklaps werd er op het raam geklopt.
Dit was zoo onverwacht, dat niemand zijn ooren wilde gelooven; maar
men klopte nog eens, en nog eens, heel duidelijk, erg hard.
De heer des huizes stond op en ging naar de deur om open te
doen. Zijn gasten en zijn vrienden staken hun pijpen op en begonnen
te rooken. Weer deed zich een luid geklop op de ruiten hooren. De
rookers huiverden, de kinderen keken elkander aan. Danilo deed de
deur half open.
"Wie klopt daar?" vroeg hij.
Eene stem, een krachtige en mannelijke stem antwoordde, dat een
verdwaalde reiziger gastvrijheid vroeg.
"Wees welkom!" zeide Danilo en hij deed de deur wijd open, terwijl
hij den reiziger uitnoodigde om binnen te komen.
Men zag enkele sterren, een koude avondwind drong in de warme kamer
door; vervolgens vertoonde zich op den drempel een man, die een
rijzige gestalte had; hij was genoodzaakt z'n hoofd te buigen, om
binnen te kunnen komen.
Zijn gezicht was een van die edele, waarop de onverschilligste
blikken zich met een plotseling gevoel van achting vestigen. Zijn
groote gestalte was sierlijk en lenig. Zijn heele voorkomen verried
kalmte en sterkte; maar het meest vielen zijn oogen op, zwarte oogen,
die fel schitterden.
Danilo en zijn vrienden waren door dat alles getroffen; maar de
Ukrainiërs kunnen hun gewaarwordingen voor zich zelf houden, en zij
lieten er dan ook niets van blijken. Zij ontvingen den reiziger,
zooals iedere reiziger in een fatsoenlijk huis moet ontvangen worden,
met hartelijkheid en voorkomendheid. Men verzocht hem, bij de tafel
plaats te nemen, en haastte zich, hem iets aan te bieden.
De reiziger bleek een eenvoudig en beschaafd man te zijn. Omdat
hij een onbekende was en bijgevolg geen recht had om zich met de
bijzondere belangen van zijn gastheer en diens vrienden te bemoeien,
trachtte hij zich niet op den voorgrond te plaatsen. Hij vertelde niet,
zooals anderen dit zouden gedaan hebben, zijn avonturen. Hij meende
vreemdelingen geen deelgenoot te moeten maken van zijn plannen, als
hij die tenminste had. Hij deed geen vragen en antwoordde slechts
met weinig woorden. Als hij sprak, dan was het over onderwerpen,
die op dit oogenblik allen bezighielden: over de rampen van het land,
over de verbrande steden, over de verwoeste velden, die hij op zijn
weg had gezien. Danilo en zijn vrienden volgden zijn voorbeeld. Zij
vroegen zich waarschijnlijk wel af, waar hij vandaan kwam en waar
hij naar toe ging, en ook in welk land hij geboren was; maar omdat
hij dat niet zei, vroegen ze 't hem niet. Men merkte wel, dat hij,
ofschoon nog jong, veel wist. Hij kende de Turksche zeden, de Poolsche
gewoonten, het Russische karakter, de Tartaarsche gebruiken en het
scheen, dat de Setsj hem ook niet onbekend was. [1]
Wat de Ukraine aangaat, het bleek wel, dat hij deze in allerlei
richtingen doorkruist had, dat hij de groote steden zoowel als de
dorpen bezocht en er misschien wel gewoond had. Meer dan een had
zich ook afgevraagd, hoe hij aan het litteeken kwam, dat hij op
z'n linkerwang had, waar hij deze wond had gekregen, die zeker wel
door een scherp wapen was toegebracht. Maar dat ging hem alleen
aan. Ieder zijn geheimen. Intusschen werd de reiziger, zonder
twijfel ingenomen met de gulle ontvangst, die hem ten deel viel,
uit zich zelf mededeelzamer. Hij vertelde van de veldslagen, die er
onlangs geleverd waren. Het was, alsof men er zelf bij tegenwoordig
was. Iedereen luisterde met ingehouden adem naar hem. De mannen,
gewoonlijk zoo kalm, raakten in vuur: de vrouwen snikten. De kinderen
hingen aan zijn lippen, alsof hij een mooi sprookje vertelde.
Hij had juist een verhaal beëindigd; de stilte woog zwaar, ieder
was met z'n eigen gedachten bezig. Plotseling schrikten zij op. Twee
schoten klonken in den nacht, gevolgd door meerdere.
Men luisterde scherp. De schoten kwamen van den kant der steppe. Een
langen tijd wachtte men of er misschien nog meer zouden volgen,
maar alles was weer stil geworden.
"Zoo, wordt er in deze vreedzame streken ook al kruit
verschoten?" vroeg de reiziger toen.
"Dat schieten moet van den kant van den straatweg naar Tsjigirine
komen," beweerde Andry Kroek.
"Het is van verschillende kanten gekomen," zei Danilo hoofdschuddend.
Het was intusschen al laat geworden. De vrouwen stonden op om naar
huis terug te keeren want het werd voor de kinderen tijd om naar bed
te gaan.
Men zei elkaar op den drempel nog eenmaal goedendag, men wisselde
een glimlach, men knikte elkander vriendelijk toe. Alles ging als
gewoonlijk, en toch gevoelde ieder, dat er storm in aantocht was.
"Wel te rusten!" zeide men. "Goeden nacht!"
Toen verspreidde het heele gezelschap zich langs de donkere voetpaden
en verdween in de duisternis. De beide trouwe vrienden Andry Kroek
en Semene Vorosjilo bleven alleen met Danilo achter. De reiziger
bleef ook.
II.
DE KLEINE MAROESSIA.
Toen allen vertrokken waren begaf de vrouw des huizes zich naar een
kamer naast die, waarin de samenkomst gehouden was.
"Is er ook een middel om van hier naar Tsjigirine te komen?" vroeg
de reiziger. Zijn stem was eenigszins gedaald, terwijl hij die vraag
deed, zooals het onwillekeurig gaat, wanneer men voelt, dat het gevaar
misschien dichter bij is, dan men wil zeggen.
"Dat zal moeilijk gaan," antwoordde Danilo, terwijl hij ook zijn stem
liet dalen.
Zijn beide vrienden zeiden niets, maar zij bliezen een paar ontzaglijke
rookwolken uit hun pijpen en fronsten hun zware wenkbrauwen.
Dit drukte zonder woorden, maar toch heel juist uit, dat zij het
volkomen met Danilo eens waren. De oogen van den reiziger vestigden
zich een oogenblik op het onbeweeglijke gezicht van Danilo, vervolgens
op de niet minder onbeweeglijke gezichten van zijn vrienden. Een
enkele blik van zijn doordringende oogen was voldoende om hun het
bewijs te leveren, dat hij gewoon was, het gevaar te verachten,
en dat hij de behendigheid had om desnoods de slagen af te weren,
die men hem toebracht.
"En toch moet ik er naar toe," zeide hij na eenige oogenblikken,
"en wel regelrecht en langs den korsten weg."
"Regelrecht naar Tsjigirine?" antwoordde Andry Kroek. "Op dit oogenblik
bestaat daar geen kans op."
"Is het nog ver?" vroeg de reiziger.
"De lengte van den weg doet er voor hem, die goede beenen heeft,
weinig toe, als de weg maar goed is," zeide Semene Vorosjilo, "maar
al was deze ook nog zoo kort, wat doet dat er toe, als hij toch
onbegaanbaar is?"
Bij het uitspreken van deze woorden sloeg Semene Vorosjilo een blik
op den reiziger.
"Het staat niet altijd aan ons, reizigers," antwoordde de onbekende,
"den aangenaamsten weg te kiezen. Bij gebrek van een goeden, moeten
wij ons met een slechteren tevreden stellen; maar als er eenmaal
bepaald is, dat men ergens zal komen, is er geen terugkrabbelen
mogelijk. Maar hij die zich een veiligen gids of een trouwen reisgenoot
weet te verschaffen, is goed af! Ik wil het niet voor u verbergen;
het is mij meer dan eens gebeurd dat ik, op het oogenblik, waarop
ik er het minst aan dacht, maar er het meest behoefte aan had, een
trouwen kameraad gevonden heb."
Bij deze woorden van den vreemdeling richtten Danilo en zijn beide
vrienden het hoofd op.
"Wat U zegt is waar," antwoordde Danilo; "een dappere metgezel,
op wien men staat kan maken, is goud waard."
"Het ontbreekt in de Ukraine niet aan vastberaden mannen," zei Andry
Kroek. "In dit opzicht kan ik zeggen, dat geen land ons vaderland
overtreft."
"Goed geantwoord, Kroek!" zeide Danilo. "De Polen kunnen er zich op
beroemen, dat zij onverschrokken heeren hebben, de Turken schitterende
sultans, de Moscoviten slimme en knappe mannen; wat ons betreft,
wij kunnen één ding verklaren, dat tegen al het andere opweegt,
en wel dat wij broeders zijn."
"Op eenige uitzonderingen na heeft u gelijk," antwoordde de reiziger.
"Op de beste velden vindt men wel een enkel onkruidje," liet Danilo
hierop terstond volgen. "Is de tarwe daarom minder goed?"
"Nee, zeker niet," zeide Vorosjilo. "Maar ... er is iets, dat niet
mag worden voorbijgezien."
"En dat is?" vroeg de reiziger.
"Dat men niet altijd de tarwe van het onkruid kan onderscheiden. Wie
een zwarte kap draagt, is niet altijd een monnik."
"Een goede herder herkent zijn schapen, zelfs onder een
wolfshuid!" antwoordde de vreemdeling.
Er heerschte een diep stilzwijgen; men keek elkander nog eenmaal aan;
woorden waren overbodig.
"Broeders!" zei plotseling de reiziger, "de inwoners van de Setsj
bieden u achting en vriendschap aan. Ik ben hun afgezant. Ik ga
naar Tsjigirine."
"Wij zijn tot uw orders; wij zijn uw vrienden," zeiden de drie
Ukrainiërs als uit één mond.
"Wat hebben jullie mij te vertellen? Wat weten jullie? Wat valt er
hier voor?" vroeg de afgezant van de Setsj.
"Niets goeds," antwoordde Danilo. "De een heeft een verbond van
vriendschap met de Moscoviten gesloten; de ander is misschien op
dit oogenblik met de Polen in onderhandeling, nadat hij de Turken
vruchteloos uitgenoodigd heeft, hem te hulp te komen."
"Ja, het is maar al te waar!" zuchtten de vrienden van Danilo en hun
manlijke gezichten drukten diepe smart uit.
"Dat is voor mij een reden te meer om naar Tsjigirine te gaan,"
antwoordde de afgezant van de Setsj, "en liefst zonder tijd te
verliezen."
"Alle wegen zijn afgesneden," antwoordde Vorosjilo.
"En de weg naar Gonna?"
"Door de Moscoviten bezet en in staat van verdediging gebracht."
De afgezant begon na te denken, niet over de bezwaren, maar over het
middel om zijn doel te bereiken.
"Wij, kozakken van de Setsj," zeide hij eindelijk, "wij zijn noch voor
de Moscoviten, noch voor de Polen. Wij zijn voor de Ukrainiërs. Jullie
begrijpen dus wel, dat ik naar Tsjigirine mòet. Van jullie beide
opperhoofden heeft de een zich verkocht, naar men zegt ... maar
de ander?"
"De ander, de hetman Petro Dorosjenko," zeide Kroek, "is een eerlijk
man."
"Dat weet ik," zei de afgezant. "Maar omdat hij trotsch,
hartstochtelijk en te overijld is, vrees ik, dat hij, terwijl hij de
Ukraine wil redden, haar in het verderf stort. In zijn verbittering
tegen de Russen vergeet hij, dat wij nog andere vijanden hebben. Hij
is op het punt om een dwaasheid te begaan en van den regen in den
drup te komen. Ik ben uitgestuurd om hem dit te beletten;--maar om
daarin te slagen, moet ik hem zien en spreken. Als ik draalde..."
Hier zweeg de afgezant en keek om zich heen. De vrouw des huizes was
nog afwezig, twee kleine jongens sliepen rustig op een breede bank. Hij
was op het punt om weer met spreken voort te gaan, toen hij eensklaps
achter in het vertrek twee fonkelende oogen op zich gevestigd zag,
die zijn woorden schenen te verslinden. Hij wilde opstaan en er naar
toe gaan, toen hij tot zijn verwondering bemerkte, dat die twee
fonkelende oogen toebehoorden aan een eenvoudig en bevallig kind,
dat, in een donkeren hoek der kamer verscholen, hem als een betooverde
vogel aankeek.
Danilo had den blik van den afgezant gevolgd en ontdekte het meisje
dat zijn aandacht getrokken had.
"Het is mijn dochter," zeide hij, "mijn dapper kind." Hij riep haar
"Maroessia, kom eens hier!"
Maroessia kwam.
Het was een echt Ukrainisch meisje met zware oogleden en met wangen,
die door de zon gebruind waren, een echt type van haar ras. Zij droeg
naar de wijze des lands een geborduurd hemd, een donkerblauwe jurk
en een rooden gordel; hare prachtige blonde lokken hingen in zware
vlechten neer, en, ofschoon gevlochten, golfden zij toch nog en
schitterden als zijde.
"Maroessia!" zei haar vader, "heb je ons gesprek afgeluisterd?"
"Ik wilde het niet afluisteren," antwoordde Maroessia. "Maar
onwillekeurig drongen de woorden tot mijn ooren door, en toen begon
ik scherper te luisteren."
"En wat heb je dan gehoord, mijn kind?"
"Ik heb alles gehoord."
Hare stem klonk welluidend.
"Vertel me dan eens, wat je gehoord hebt, m'n kind."
De fonkelende oogen van Maroessia wendden zich naar den afgezant van
de Setsj, toen zij zei:
"Ik heb begrepen, dat het noodig was, dat de groote vriend van dezen
avond erg gauw in Tsjigirine kwam, en dat het voor het welzijn van
de Ukraine noodig was, dat hij den hetman kon zien en spreken."
"Dan heb je alles gehoord en begrepen," zeide Danilo. "Maar luister
eens, Maroessia! Van wat je gehoord hebt, mag je tegen niemand een
woord zeggen. Als iemand je er naar vraagt, dan weet je niets. Begrijp
je, wat een geheim is?"
"Dat is iets, dat je nooit verraden mag," zei het kind.
"Welnu," zei de vader op een ernstigen toon, "je bent nu in het bezit
van een geheim."
"Ja, vader!" zei Maroessia.
Danilo sprak er niet meer over. Maroessia behoefde niets te beloven,
maar er lag in die twee woorden: "Ja, vader!" door het meisje
gesproken, op dien toon al een belofte.
"Waar is je moeder?" vroeg Danilo.
"Zij maakt het avondeten klaar."
"Ga haar zeggen, dat je broertjes in slaap gevallen zijn."
Maroessia ging naar de deur, maar op het oogenblik, waarop zij
deze zou opendoen, bleef zij plotseling staan luisteren naar een
zonderling gedruisch, dat zich buiten deed hooren. Men zou gezegd
hebben, dat het ruiters waren, die in de richting van het huis kwamen
aanrijden. Plotseling nam dit gedruisch toe; kreten en vloeken
vermengden zich al met het gehinnik der paarden. In een oogenblik
was het een rumoer, alsof er een heele afdeeling kwam aanstormen.
De deur van de kamer werd opengedaan. De vrouw des huizes vertoonde
zich op den drempel; ze zag zoo wit als een doek.
"Het zijn soldaten," zeide zij, "een escadron, misschien wel een
regiment. Zij zijn er al...
"Wij moeten ons kalm houden," zei Danilo vastberaden.
De afgezant van de Setsj was opgestaan, maar zonder overhaasting;
de anderen deden hetzelfde. Geen enkel woord werd er gesproken,
ieder dacht na.
De moeder van Maroessia onderzocht, of de deur wel goed gesloten was,
en met den rug tegen den deurpost leunende, wachtte zij de bevelen
van haar man af. Maroessia was naast haar moeder gaan staan. Haar
lippen waren een beetje bleek, maar haar gezicht was kalm.
"Vorosjilo en Kroek," zeide Danilo, "jullie moeten slapen. Mijn vrouw
en mijn dochter zijn met naaiwerk bezig; ik ben niet thuis. Ik ben
op bezoek bij een vriend. Vorosjilo en Kroek waren hier gekomen, om
ossen van mij te koopen, zij hebben misschien wat te veel gedronken,
zij snorken, terwijl zij op mij wachten... Het is er maar om te doen,
tijd te winnen."
Zich vervolgens tot den afgezant van de Setsj wendende, zei hij:
"Alleen het voorgedeelte van het huis is bezet; het keukenraam komt
in den tuin uit. Volg mij!"
Dat alles was zoo vlug in zijn werk gegaan, als een verandering
van tooneel, waarvoor de toebereidselen vooraf gemaakt zijn. De
beide mannen lagen even gerust op de banken te slapen, als de beide
knaapjes. De vrouw des huizes en haar dochter naaiden. Danilo en de
afgezant waren verdwenen.
"Stijgt af en klopt op de deur!" schreeuwde een ruwe stem van buiten.
"Slaat die deur maar in!" riep een andere stem, gebiedender dan
de eerste.
De vrouw des huizes ging, zonder haar naaiwerk neer te leggen, naar
het raam toe.
"Wie is daar? Wat wilt u?" zei ze met een stem, waarin geen enkele
trilling te hooren was.
Maar in plaats van een antwoord, vlogen er een paar ruiten van het
raam in stukken, en onmiddellijk daarop kwam er een ruw gezicht, rood
van toorn, met een zwaren snorbaard, door de gebroken ruiten kijken
en wierp naar alle hoeken van de kamer norsche en wantrouwende blikken.
"Wat heb je mij zoo aan te kijken?" vroeg deze kerel norsch. "Waarom
doe je de deur niet open? Of heb je liever, dat we ze in mekaar
timmeren?"
"De kinderen slapen," zeide zij een pas terugdeinzende, "en de beide
mannen slapen ook. Maak niet zooveel leven!"
"Zal je opendoen, schepsel?" schreeuwde de man met het roode gezicht.
De vrouw van Danilo, als verlamd door den schrik, verroerde zich niet.
De deur schudde onder de zware slagen der aanvallers, maar bezweek
nog niet.
Het gelukte den man met het roode gezicht, de helft van zijn lichaam
door de gebroken ruit te wringen. Hij richtte den loop van een pistool
op de borst van de vrouw des huizes en schreeuwde:
"Als je deur binnen een seconde niet wijd openstaat, dan schiet ik
je als een kraai dood!"
De vrouw van Danilo deed een stap naar de deur; men zou haar voor
een steenen beeld gehouden hebben, dat trachtte te gehoorzamen aan
een bevel, dat zij niet begreep.
"Vervloekt wijf!" riep de officier woedend. Maar iemand, die buiten
stond, trok hem uit de ruit terug. Nu vertoonde zich het gezicht van
een anderen officier.
"Vrouw!" zei deze, "je heele huis zal in brand gestoken worden, en
geen van zijn bewoners zal er levend uitkomen, als deze deur niet
onmiddellijk toegang aan deze manschappen verleent."
De vrouw des huizes, als verstijfd van schrik, snelde toen naar de
deur; maar hetzij dat onhandigheid, hetzij schrik er de oorzaak van
was, sleutels noch grendels schenen haar te willen gehoorzamen. "Ik doe
al open," riep zij, "ik doe al open, Mijnheeren! Ziet u het niet? Maar
dit slot wil niet open; ik zal het morgen dadelijk laten maken."
Eindelijk ging de deur open.
Dat alles had vrij lang geduurd. Soldaten en officieren snelden nu
de woning binnen en begonnen haar heelemaal te onderzoeken. Men zou
gezegd hebben, dat het wolven waren, die hun prooi opspoorden, welke
plotseling verdwenen was.
De kleinste der jongens, die wakker geworden was, begon luidkeels te
huilen. De oudste keek alles aan, zonder zich te verroeren.
"Schreeuwleelijk! wil je je mond wel eens houden?" zei een der
officieren tegen het huilende kind.
De officier met het roode gezicht zei niets tegen hem, maar gaf hem
een schop, waardoor hij onder de bank rolde, waarop hij geslapen had.
"Lafaard!" zeide het oudste kind. "Lafaard! Als ik groot ben..."
De leelijke kerel met het roode gezicht had wel wat anders te doen dan
naar hem te luisteren. Met een tweeden schop had hij Kroek overeind
doen komen, die als slaapdronken scheen en zijn verwonderde oogen
beurtelings opendeed en weer sloot.
Het scheen, dat Vorosjilo, die op dezelfde wijze wakker gemaakt
was, niet wist, wat hij van de zaak moest denken, zoo keek hij zijn
aanvallers aan. Hij noemde den langen officier zijn kameraad Generasime
en den ander zijn kameraad Stephane; hij glimlachte tegen den een
en knikte den ander vriendelijk toe, waarna hij weder op zijne bank
neerviel, zeggende:
"Laten we gaan slapen: het is tijd."
De soldaten keken hem beurtelings aan.
"Hij is het," zeiden enkelen. "Hij is het niet," beweerden
anderen. "Wat een schurkenvolk! Er is er geen een onder, die geen
verrader is."
"Stil!" riep de man met het roode gezicht.
Hij had zich aan de tafel gezet, en terwijl hij een onbeschoften wenk
aan de vrouw gaf, zei hij tot haar:
"Kom eens wat dichterbij!"
Zij voldeed aan dit bevel.
"Wie ben je?" vroeg hij.
"Ik ben de vrouw van Danilo Tsjabane."
"Waar is je man?"
"Hij is een vriend gaan bezoeken."
"Wacht! Ik zal je eens leeren, wat een vriend is!" En hij nam een
knoet, dien een van zijn soldaten droeg.
"En die twee daar, die twee dronkaards, die twee honden, wie zijn dat?"
En om de personen beter aan te duiden, raakte hij met zijn knoet de
schouders van Kroek aan en vervolgens die van Vorosjilo.
"Kan je je mond niet opendoen?" riep hij, terwijl hij met een
dreigenden blik naar haar toe kwam.
De vrouw deinsde terug, zooals zij zou gedaan hebben, als zij
plotseling tegenover een wild dier gestaan had. Maar na een poging
aangewend te hebben om haar schrik te overmeesteren: antwoordde zij:
"Het zijn mijn buren, Mijnheer! Zij zijn hier gekomen om ossen te
koopen en waren in slaap gevallen, terwijl zij op mijn man wachtten."
"Ja, mijnheer! wij zijn hier gekomen om drie ossen van Danilo te
koopen," zeide Andry Kroek, die eindelijk wakker werd. "Ja, om die
ossen, die wij hadden beloofd morgen te zullen leveren, en nu vinden
wij Danilo niet thuis. Nou kan je begrijpen, wat een teleurstelling
dat voor ons was.--'Nou,' zei ik tegen mijn kameraad (hierbij wees
hij naar Vorosjilo, die ook ontwaakt was, maar zijn oogen nog niet
scheen te kunnen openhouden), 'nou,' zei ik tegen mijn kameraad,
'de baas is er niet, dat is een gekke zaak.'--'Ja,' antwoordde mijn
kameraad, 'dat is een gekke zaak; maar er is niets aan te doen.'--'Wij
treffen het slecht!' zeide ik, 'maar het is niet anders, hij is er
niet.'--'Ja,' antwoordde mijn kameraad, 'Danilo is er niet.'--'Dat is
een dag verloren.'--'Ja, verloren,' antwoordde hij, 'maar wat is er
aan te doen?'--'Je kan niet alles vooruit weten.'--'Nee,' antwoordde
mijn kameraad, 'je kan niet alles vooruit weten.'--'Maar hoe moet
het nu met de markt van morgen?'"
"Zal je nu ook eens ophouden, kanalje?" riep de man met het
roode gezicht. "Verraders! Ik ken die voorgewende onnoozelheid
wel. Soldaten! bindt die schurken, en stevig ook."
Dit was gauw gebeurd: Andry Kroek en Semene Vorosjilo waren in een
oogwenk gebonden en gekneveld.
Op dit oogenblik trad de heer des huizes binnen.
"Wie ben je?" brulde de man met het roode gezicht, die blijkbaar het
opperhoofd van den troep was. "Hoe heeft men je hier binnengelaten?"
"Ik ben de eigenaar van deze hut, Mijnheer!" antwoordde Danilo,
terwijl hij groette. "Ik kom zooeven thuis."
"Heidaar, mannen! Zet schildwachten voor de deur, en laat niemand er
uit of in. Hoor je?" zei de officier tegen zijn manschappen. Vervolgens
wendde hij zich tot Danilo met de woorden:
"Als je je leven op prijs stelt, antwoord mij dan. Waar is de bandiet,
dien wij zoeken? Laat je antwoord duidelijk zijn, Judas! Als je maar
wat om de zaak heenpraat, dan schiet ik je neer. Weet dus, wat je
doet. Waar is de Zaporoger?"
"De Zaporoger?" antwoordde Danilo verwonderd. "Het is voor de eerste
maal, dat ik dien naam hoor. Ik ken geen Zaporoger."
"Maak dat aan anderen wijs!" schreeuwde de officier. "Wil je mij wijs
maken, dat je de bandieten niet kent, die je opstoken? Die Zaporoger
is in het land, hij is hier binnengegaan; waar is hij? Beken het
dadelijk, of ik steek je nest in brand en laat er jou met je vrouw
en je kinderen in braden."
"Mijnheer!" antwoordde Danilo, "ik verzeker u, dat ik nooit heb hooren
spreken over dengene, dien u daar genoemd hebt."
"Wil je niet spreken? ook goed! Je zaak is duidelijk!" En zich tot
Vorosjilo en Andry Kroek wendende, zei hij tot hen: "Schurken, jullie
kennen dien Zaporoger, dien de duivel hale, zeker ook niet?"
"Ik vraag u wel excuus, Mijnheer!" antwoordde Semene Vorosjilo,
die meer dood dan levend scheen, "en ik..."
"Stotter niet zoo, ezel!"
"Ik heb hem gezien."
"Heb je hem gezien en heb je het niet dadelijk gezegd, verrader?"
"Ik durfde het niet doen, Mijnheer! en verder..."
"En verder, kerel?"
"En verder was hij al weg."
"Waar had je hem gezien?"
"Op de ossenmarkt te Frosny, Mijnheer!"
"Wien had hij bij zich?"
"Een grooten hond, Mijnheer! een grooten, zwarten, mooien hond,
van echt ras, die tegen iedereen blafte en die..."
"Domkop! je bent zelf een hond! Er is geen sprake van den hond,
maar van den baas en van de schurken van jou soort. Die Zaporoger
was zeker niet alleen, een troep deugnieten volgde hem, is 't niet?"
"Een troep deugnieten, Mijnheer! Welke troep?"
"Liep er niet een troep mannen en vrouwen achter hem?"
"Ja, Mijnheer! een heele troep. Men duwde elkaar, men schreeuwde."
"De namen?..."
"Welke namen, Mijnheer?"
"De namen van hen, die achter hem liepen."
"Maar het was een troep, Mijnheer! niets dan een troep."
"Domme ezel!"
"Zie je niet," zei de andere officier, "dat deze kerel idioot is? Je
verliest je tijd met hem."
"Ik verwonder mij over jou," zeide een derde officier, die gedurende
dit geheele tooneel was blijven zitten. "Waar is die overhaasting goed
voor? Hebben wij den tijd niet om dien ezel in hechtenis te nemen? Is
er bij niets meer haast dan bij het fusileeren van hem? Als hij ons
ontsnapt is, dan zal het toch niet voor lang zijn. Vergeet je, dat wij
sedert vanmorgen als gekken rondloopen zonder te eten en te drinken,
en dat het niet gezond is, een leege maag te hebben? Het ziet er in dit
huisje prettig uit; zou je er wat op tegen hebben, hier eens lekker
te eten? Na een maaltijd zullen wij des te beter geschikt zijn om de
jacht op de bandieten te hervatten. Hemelsche goedheid! je ziet zoo
rood als een kalkoensche haan! Heb je de aanbevelingen van den dokter
vergeten: 'Geen aandoeningen, geen toorn, eene gematigde beweging,
geregelde maaltijden!' En je arme vrouw, die mij zoo plechtig heeft
laten beloven, dat ik over je zou waken en dat ik voor je zou zorgen
als een broeder, zij zou er alles behalve mee ingenomen zijn, als
zij had kunnen zien, aan welk eene onzinnige woede je je overgeeft..."
"Zwijg!" hernam de man met het roode gezicht. "Zwijg,--en laat ons
een avondmaal gebruiken."
En, zich tot Danilo wendende, vervolgde hij:
"Heb je het gehoord? Al het eten, dat er in je provisiekast is,
moet binnen twee minuten op deze tafel staan... binnen twee minuten,
hoor!" En hij gaf op de tafel een slag met de vuist, die het huis op
zijne grondvesten deed trillen.
"Odarka," zeide Danilo tegen zijn vrouw, "haast je wat!"
Odarka ging heen en nam haar beide jongens op haar armen met zich mee;
de oudste stribbelde tegen, hij wilde zijn vader niet verlaten.
Zij kwam spoedig, beladen met levensmiddelen, terug. Zij was kalm
en zeide niets. Intusschen dwaalden haar oogen met een zekere onrust
door de hut heen.
Semene Vorosjilo en Andry Kroek stonden met de handen op den rug en met
de beenen door middel van stevige touwen aan elkander vastgebonden, in
een hoek der kamer. Danilo stond, met de armen op de borst gekruist,
in een anderen. Met uitzondering van een schildwacht, die de deur
versperde, waren de soldaten verdwenen. De officieren hadden zich
aan den disch neergezet, met hun sabels naast zich en hun pistolen
op de tafel, en aten en dronken, lachten en praatten vroolijk.
Maar waar was de kleine Maroessia toch?
Maroessia was, zwijgend als een schim, even na de terugkomst van
haar vader verdwenen. Had de blik van dezen, onbegrijpelijk voor
ieder ander, haar gezegd, wat zij moest trachten te doen, of had zij
zoo uit eigen beweging gehandeld? Zeker is 't, dat zij zonder door
iemand opgemerkt te worden, het vertrek had verlaten, en dat zij,
na tusschen de soldaten en de paarden, die het huis omsingelden,
doorgeslopen te zijn, den tuin bereikt had.
Zoodra het meisje daar gekomen was, bleef zij onder een grooten
kerseboom staan en drukte met de hand op haar hart, als wilde zij
het beletten te kloppen. Haar hoofd was gloeiend warm. Heete tranen
stonden in haar oogen. De wind verkoelde haar voorhoofd en deed haar
bedaren. Zij luisterde. Zou men haar vlucht bemerkt hebben? Het
verwarde, maar eentonige gebrom van de stemmen der soldaten drong
tot haar door en stelde haar gerust. Ook hoorde zij het geschreeuw en
het gelach der officieren, door wie geen enkel bevel tot vervolging
gegeven werd. Haar blik rustte nog even op het huis, dat nog alles
bevatte, wat zij ooit liefgehad en geëerd had, toen deed ze een
paar stappen voorwaarts. Behoedzaam drong zij in het kreupelhout
aan den rechterkant door. Maar ze zag of hoorde niets. Vervolgens
ging zij naar den linkerkant, aldoor luisterend, ternauwernood
ademhalend. Haar oog bespiedde alle schaduwen; zij doorzocht tot
zelfs de meest onwaarschijnlijke hoeken.
Eindelijk stond zij stil onder de groote appelboomen en voorzichtig
keek zij rond.
Plotseling schrok ze hevig: een vogel vloog op uit zijn nest. Eene
huivering ging over haar leden. Was zij dan zoo zwak?
Zij bleef een tijd lang tegen een boom aanleunen, waarvan de schaduw
haar verborg. De wind strooide de witte bloesems van de appelboomen op
het groene gras. "Het is, alsof het sneeuwt!" dacht ze in zichzelf. Zij
vreesde, dat het ritselen van de bladeren een ander geluid zou
overstemmen, het zwakke geluid, dat haar voorovergebogen hoofd en
haar luisterend oor schenen af te wachten, aldoor af te wachten.
Maar ... wat is dat? Enkele meters van daar, tusschen twee boomen,
vertoont zich... Zij vergist zich toch niet? Nee, het is de flinke
en krachtige gestalte van den nieuwen vriend, voor wien haar vader en
moeder nu moeten lijden,--voor wien ook zij alles zal trotseeren.--De
gestalte beweegt zich, zij sluipt als een slang tusschen de boomen
door. Zij zoekt zeker een verborgen doorgang, die naar de rivier leidt.
Met een haastigen stap loopt Maroessia haar achterna. Al gauw is de
rivier bereikt. Alleen maar een heg is er tusschen. Over deze heg buigt
hij zich heen en kijkt in 't rond. Aan den voet van een geweldigen
boom, waarvan de takken in de rivier hangen, heeft hij een schuitje
ontdekt. Een schuitje! Precies, wat hij noodig heeft; de rivier, dat
is de weg, die hem niet verraden kan. Juist wil hij de heg, die er hem
van scheidt, overklimmen, als twee kleine handen zijn arm omvatten
en een stem hem toefluistert: "Nee, nee, dat niet,--het schuitje
niet! De rivier is een spiegel, waarop men zelfs van verre alles ziet."
Geen wonder, dat hij hevig ontsteld was, nog meer ontsteld, dan wanneer
hij zich plotseling door tien soldaten, van top tot teen gewapend,
omringd had gezien; maar hij liet er niets van blijken. Men zag,
dat hij iemand was, die al lang aan allerlei soort van verrassingen
gewoon was.
Hij keek op en herkende het meisje.
"Wat doe je daar, beste meid?" vroeg hij, terwijl hij even glimlachte,
net alsof hij haar op de wandeling had ontmoet, en nu een gesprek wilde
aanknoopen. Maar er verliepen eenige oogenblikken, voordat Maroessia,
vermoeid en ontroerd als zij was, iets aan haar woorden kon toevoegen.
De man legde toen zijn hand op het hoofd van het meisje en streelde
haar langs de wangen, als wilde hij tegen haar zeggen: "Bedaar wat,
mijn kind!" Hij zelf was een toonbeeld van kracht, van behendigheid,
van onverschrokkenheid, van moed; maar op dit oogenblik, terwijl hij
tegenover dat kleine hijgende meisje stond, kwam er een glans van
goedheid op zijn gezicht. Zijn krachtige hand, gewoon om wapens te
hanteeren, legde zich zachter dan die van een moeder op Maroessia's
schouder.
"Wel m'n kind, wat wou je me nu zeggen?"
"Als u de rivier overgestoken was, zoudt u niet in Tsjigirine gekomen
zijn. En daar moet u toch naar toe. Ik heb aan een middel gedacht om
er heen te gaan."
"Ik luister naar je, mijn kind!" antwoordde de vluchteling.
"Laat ons dan eerst naar dien ouden muur gaan, daarachter kunnen wij
ons verschuilen."
Zoodra zij daar gekomen waren, zei zij:
"Daarginds, ver in de steppe, heeft vader een kleine hut, een
stal, waar men in den zomer de groote ossen laat blijven, als
men aan het hooien is, om ze niet alle avonden naar huis te moeten
terugbrengen. Voor de deur staat een groote wagen, met hooi beladen,
die morgen door vader naar huis had moeten worden gebracht. De ossen
blijven tot het aanbreken van den dag in den stal. Wij kunnen daar
beiden binnen een uur zijn. Dan zal ik, dan zullen wij, de groote
ossen voor den wagen spannen; dan moet u zich in het hooi verschuilen,
en dan zal ik u naar het huis van baas Kniesj brengen. Baas Kniesj
is een vriend van vader. Hij komt dikwijls bij ons, en als hij komt,
praat hij met de anderen. Ik kan hem alles vertellen, of als u dat
liever niet hebt, zal ik niets tegen baas Kniesj zeggen, maar trachten
te doen...te doen..."
Zij zweeg plotseling, want zij wist niet precies, wat het meest
gewenscht zou zijn. Toch hernam zij:
"Ik zal doen, wat u mij zegt."
Terwijl hij naar haar luisterde, werden zijn oogen vochtig en zacht
zei hij tegen haar:
"Wie heeft je op dat idee gebracht, Maroessia?"
III.
EEN ROOVERGESCHIEDENIS.
"Ik ken een roovergeschiedenis, die mij daaraan deed denken,"
antwoordde het meisje. "Ik herinnerde mij, hoe de vrouw van den
struikroover uit het sprookje gevlucht was, en ik zei bij mezelf:
Dat zullen wij ook doen."
"Als wij toch een vrij langen weg af te leggen hebben, om aan den
stal in de steppe te komen, kan je mij die geschiedenis onder de
wandeling wel vertellen, is 't niet Maroessia?"
"Ja dat wil ik wel. Maar mag ik u dan naar Tsjigirine brengen?"
"Heel graag," antwoordde hij. "Maar zou je vader het wel goedvinden,
dat ik je voor gids gebruik? Zou hij er later niet boos over zijn?"
"Nee, dat zeker niet, want vader heeft mij aangekeken, en ik heb hem
begrepen," zei het kind. "Zijn oogen zeiden tegen mij: voor hèm moet
je alles verlaten, zelfs ons."
"Vooruit, dan geef ik mij aan jouw leiding over, beste
meid! Je moet mijn gids zijn, en ondertusschen kan je mij je
geschiedenis vertellen. Ik luister Maroessia; ik hou veel van
roovergeschiedenissen."
Zij gaven elkander de hand en liepen langs den oever voort. Na verloop
van een oogenblik zei hij tegen het meisje, omdat hij merkte, dat
zij het stilzwijgen bewaarde:
"Ik luister al, maar ik hoor niets."
"O!" antwoordde zij, "ik kan u de geschiedenis niet dadelijk
vertellen."
"En waarom niet, beste meid?"
"Wij zijn nog niet ver genoeg van de soldaten af; ik hoor ze nog. Ik
ben een beetje bang, dat wij... Het zou mij zoo spijten, als het mij
niet gelukte, u te brengen, waar u zooveel goed kunt doen."
"Men moet doen, wat men verplicht is, laat er van komen, wat er van
komen wil!"
Zij hief haar hoofd op en keek hem met groote oogen aan.
"Kom laat mij nu niet langer wachten, Maroessia! Ik merk wel, dat je
niet weet, hoe graag ik sprookjes hoor vertellen."
Maroessia begon:
"Er was eens een kozak, die zijn dochter aan een knappen jongen man
ten huwelijk gaf."
"Daar deed hij wel aan! Je sprookje begint goed, als de echtgenoot
ten minste een braaf man was," viel de vreemdeling in de rede.
Maroessia schudde 't hoofd, in plaats van een antwoord te geven,
en ging ongestoord verder:
"Het meisje hield niet veel van hem. Hij was wel knap om te zien,
maar zijn oogen bevielen haar niet, maar omdat haar vader erg op dit
huwelijk gesteld was, gehoorzaamde zij en trouwde met hem.
"Zoodra het huwelijk voltrokken was, nam de echtgenoot zijn jonge
vrouw met zich mee, ver, o! heel ver.
"Het huis van haar man was heel mooi, het was zelfs prachtig; het
was bijna een paleis, maar dan een somber paleis. Het stond in zoo'n
dicht en donker bosch, dat men de lucht bijna niet door de toppen
van de groote boomen zien kon. De echtgenoot bleef niet dikwijls bij
zijn vrouw. Iederen avond omhelsde hij haar en dan zei hij: 'Ik kom
weer gauw terug, vrouwtje!' en dan vertrok hij met zijn vrienden en
bleef soms twee, drie en zelfs wel tien dagen weg."
"Dat was heel leelijk van hem," zei de afgezant.
"Als hij terugkwam, praatte hij veel meer met zijn kameraden dan met
zijn vrouw. Hij gaf haar wel allerlei sieraden; maar daar was het
z'n vrouw niet om te doen; zij was niet ijdel; zij voelde zich diep
ongelukkig en werd langzamerhand erg verdrietig.
"Zij zei bij zich zelve: 'Omdat mijn leven zoo treurig is, wil ik
sterven. Ja, het is gedaan...'
"Maar het spreekwoord zegt terecht: 'Het verdriet komt dikwijls terug,
maar de dood komt slechts eenmaal.' Eens, toen zij alleen in het
groote sombere kasteel was en toen zij zich bij uitzondering eens
opgewekt gevoelde, zei ze bij zich zelf:
"'Waarom zou ik den dood zoo bedaard blijven afwachten? Ik zal eens
wat gaan wandelen.'
"En zij liep naar den tuin, die zich tusschen de steenen muren van het
kasteel en het bosch uitstrekte. Alles groeide, alles bloeide in dien
kleinen tuin. 'Sterven,' dacht zij, terwijl zij naar de bloemen keek,
'dat is toch ook niet alles. Ach! als ik maar gelukkig was, dan zou
ik veel liever blijven leven...'
"Toen plukte zij een ruiker van wilde bloemen, en toen zij zag,
dat deze zoo mooi was, zei zij tegen de bloemen: 'Waar zal ik je nu
zetten, arme bouquet? In mijn groote kamer is het zoo somber!'
"Ineens kwam er toen een andere gedachte bij haar op:
"'Als ik de andere kamers eens bezocht, dan zou ik er misschien wel
een vinden, die mij beviel.'
"Zoo gezegd, zoo gedaan. Zij liep verschillende kamers door; alle
waren groot, rijk en mooi, maar toch niet gezellig.
"'Nee,' dacht zij, terwijl zij van de eene naar de andere ging,
'deze moet ik niet hebben, deze moet ik niet hebben.'"
Op dat oogenblik hield de afgezant z'n hand voor Maroessia's mond.
"Wacht even!" zei hij zachtjes.
"Hebt u iets gehoord?" vroeg het kind.
De afgezant was op zijn knieën gaan liggen en hield zijn oor op
den grond.
Toen hij weder opstond, zei hij:
"Het detachement heeft het huis van je vader verlaten; de soldaten gaan
in galop naar den linkerkant. Als zij gevangenen met zich meenamen,
zouden zij niet galoppeeren. Maroessia! ik geloof, dat het in het
huis van je vader nu weer rustig is."
"Goddank!"
Zij liepen een tijdje zwijgend voort; ieder was in zijn eigen
gedachten verdiept.
De afgezant verbrak het eerst het stilzwijgen.
"De jonge vrouw," zei hij, "liep dus van de eene kamer naar de andere,
zonder er eene naar haar zin te vinden, en zij zeide: 'Laat ons nog
eens zoeken!'"
"Juist zoo," hernam Maroessia, "dat zeide zij! Ineens zag zij een
zeer smalle, maar stevig gesloten en vastgegrendelde deur voor zich.
"Wacht!" zei zij bij zich zelf, "de kamer, die men door deze deur
binnenkomt, moet ik hebben, daar ben ik zeker van."
"Zij deed allerlei pogingen om de deur te openen, maar deze bood
weerstand, en hoe meer weerstand zij bood, des te grooter werd haar
lust om er binnen te gaan."
"Juist," viel de vreemdeling in de rede, "daarin herken ik de vrouwen."
"Wat wilt u daarmee zeggen?" vroeg Maroessia verwonderd.
"Ik wil daarmee zeggen, dat alle vrouwen graag willen weten, wat zich
achter een gesloten deur bevindt. Maar ga voort, Maroessia! Heeft
die jonge vrouw de deur eindelijk open gekregen?"
"Ja. Den heelen dag bonsde zij op de deur, en eindelijk gelukte het
haar open te krijgen en de onbekende kamer binnen te treden. In
't eerst kon zij geen hand voor haar oogen zien; want het was er
stikdonker. Zij liep de kamer al tastende rond, maar vond nergens
deuren of ramen. De vier muren waren overal kaal. Ontmoedigd wilde zij
terugkeeren, toen zij eensklaps rechts van de kleine deur, die haar den
toegang tot dit vertrek had verleend, met de hand tegen een tafeltje
stiet, waarop zich een lantaarn bevond met een doosje lucifers er
bij. Natuurlijk stak zij dadelijk de lantaarn op, maar ook met behulp
daarvan kon zij geen andere deur in de kamer ontdekken. Toch gaf zij
het nog niet op. 'Deze kamer kan het einddoel niet zijn,' dacht zij;
'zij moet ergens heen leiden. Er moet ergens een deur zijn. Ik ga er
niet uit, voordat ik haar gevonden heb.'"
"Dat was eene stijfhoofdige vrouw," zei de afgezant.
"Stijfhoofdigheid was het niet; maar er was iets, dat haar voortdreef;
zij had een bepaalde gedachte! Zij zeide bij zich zelve: 'Mijn man
kan komen, en als hij komt, wie weet, of hij mijn nieuwsgierigheid
dan niet zal afkeuren!' Maar toch zette zij haar nasporingen voort."
"Zij liep zoo lang in de kamer rond, totdat zij eindelijk met den
voet tegen een ijzeren ring stiet...
"Zij hield er haar lantaarn bij: het was een luik in den vloer.
"Het scheen haar toe, alsof zij nooit in haar leven zoo voldaan
was geweest.
"Het luik was heel zwaar voor haar; maar als men iets met volharding
wil, gelukt het bijna altijd, het te doen. En na veel vergeefsche
pogingen lichtte zij het luik toch eindelijk op.
"Zij zag toen de treden van een smalle trap, die op een groot zwart
gat uitkwam. Zij was haar verkenningstocht nu eenmaal begonnen en
wilde dien voortzetten.
"En zij daalde er naar beneden."