de onmiddellijke nabijheid te vinden zijn; fijne rijsjes, zeewier,
gras, afval van stroo of dergelijke materialen worden zeer slordig
opeengestapeld, maar met een dichte en overvloedige binnenbekleeding
voorzien; deze bestaat uit de fijne donsveeren van het onderlijf,
die de leggende Eidereenden zich zelf uitplukken en als kostelijke
belooning voor den mensch, die hen vriendschappelijk beschermde,
achterlaten. De 6 à 8 eieren, waarop het wijfje broedt, zijn zuiver
eivormig en hebben een gladde schaal van vuilgroene of grijsgroene
kleur. Reeds na verloop van weinige dagen zit de broedende moeder zeer
vast op het nest; overal waar zij aan den mensch gewoon geraakt is,
verlaat zij bij diens komst haar plaats niet, maar drukt slechts
den kop op den grond en breidt de vleugels een weinig uit om zich
onkenbaar te maken. Gewoonlijk stemt de kleur van haar kleed zoo
volkomen overeen met die van den omringenden bodem, dat het den
ongeoefende werkelijk moeite kost den Vogel te onderscheiden en
te vinden. Ook op eilanden, die ver van bewoonde plaatsen liggen,
vliegt de Eidereend eerst dan op, als de mensch dicht bij haar nest
gekomen is. Als zij in de buurt van menschelijke woningen broedt,
kan men haar van 't nest optillen om de eieren te bekijken en haar
vervolgens weer neerzetten, zonder dat zij aan wegvliegen denkt.
Voordat de Eend haar nest verlaat, hetgeen zij, wanneer men haar
niet stoort, gewoonlijk in de morgenuren doet, bedekt zij de eieren
zeer zorgvuldig met dons om ze warm te houden. Zij vliegt daarna
zoo schielijk mogelijk naar zee, om hier ongeveer een half uur lang
ijverig te duiken en den krop te vullen met zooveel schelpdieren als
zij bergen kan, voordat zij naar haar nest terugkeert. De jongen, die
na 25 of 26 dagen voor den dag komen, zijn allerliefste, met een dicht
en tamelijk bont donskleed bedekte diertjes; zij toonen reeds op den
eersten levensdag hun bekwaamheid in 't zwemmen en duiken en kunnen ook
tamelijk goed loopen, althans beter dan hunne ouders. De moeder brengt
haar kroost dadelijk, zelfs voordat het geheel droog is, naar de zee,
die zij voortaan slechts dan verlaat, als de jongen vermoeid zijn
en de golfslag te hevig is om ze op haar rug te laten uitrusten. Als
de oude Eend gedood wordt, terwijl de jongen de moederlijke hulp nog
niet kunnen ontberen, voegen deze zich bij een andere troep kinderen,
welker moeder de vreemde eendjes even liefderijk behandelt als haar
eigen kroost. De jonge eendjes groeien snel en kunnen zich reeds na
weinige weken zoo goed redden, dat zij geen oppassing meer behoeven;
toch blijven zij nog tot de volgende lente bij hunne ouders en houden
zich in het tweede levensjaar zooveel mogelijk bij de oude mannetjes
op. In haar prille jeugd eten de Eidereenden kleine Schaaldieren en
Weekdieren; later bepalen zij zich bijna uitsluitend tot Tweekleppige
Schelpdieren, zonder evenwel kleine Visschen en andere zeedieren
te versmaden.
Hoewel de bewoners van het hooge noorden aan de Eidereenden belangrijke
voordeelen te danken hebben, worden niet overal maatregelen genomen om
deze bron van inkomsten in stand te houden. Tweemaal kan men de pas
gelegde eieren en het dons wegnemen; de Eidereend zal voor de derde
maal het nest met dons bekleeden en eieren leggen. Daarna moet men
haar echter laten broeden, omdat zij na een derde storing de streek
voor goed verlaat. Volgens dezen regel handelen de eigenaars van
de "Eiderholme" (broedplaatsen van Eidereenden) in het zuiden van
Noorwegen. Uit 24 nesten wordt één KG. gezuiverd dons verkregen, dat
den verzamelaar f 20 à 27 oplevert. Het eerst ingezamelde dons is het
beste; het product van de tweede inzameling is middelsoort; het dons,
dat uit het nest genomen wordt, nadat de jongen het verlaten hebben,
verschilt in prijs niet veel van het fijnste ganzendons. Het zuiveren,
waardoor allerlei bijmengselen, zooals zeegras en wier, verwijderd
worden, is een tijdroovende arbeid. Wegens den hoogen prijs van het
eiderdons komen vervalschingen van dit artikel niet zelden voor. Het
echte is kenbaar aan de bruine kleur en de witte schatten der veertjes
en ook hieraan, dat het bij het schudden niet uiteenstuift.
In noordelijker gewesten, Lapland, IJsland, Spitsbergen, Groenland,
wordt aan een geregelde exploitatie van de broedplaatsen der
Eidereenden niet gedacht: zoomin de Vogels als hunne eieren worden
ontzien: gene bij duizenden gedood, hoewel hun vleesch tranig is, de
nesten zonder eenige beperking van hun inhoud beroofd. Op Spitsbergen
zijn de gevolgen van deze roekelooze handelwijze reeds duidelijk
te bespeuren; terwijl vroeger de donsproductie eenige duizenden
KG. bedroeg, moet men zich thans met evenveel honderden KG. tevreden
stellen. De Vogels worden geschoten of in netten gevangen. Niet zelden
kan de jager, die in den herfst bij de Groenlandsche kust een der
hier zwemmende zwermen in een roeiboot nadert, de Vogels bij twintigen
tegelijk met één schot dooden. Voorts rooven Raven en Jagers de eieren
en de jongen, Jachtvalken en Poolvossen bovendien de volwassen Vogels.
Voor het leven in de gevangenschap zijn de Eidereenden evenmin geschikt
als de overige in zee levende Duikeenden; zij verkwijnen zelfs bij
de best mogelijke verzorging, hoewel men hen rijkelijk voorziet met
Mossels, het voedsel, dat zij ook in de vrije natuur bij voorkeur
gebruiken. In den regel sterven de in diergaarden aanwezige exemplaren
in den zomer, in 't begin van den ruitijd. Aan voortplanting in de
kooi valt bij hen niet te denken.
Zeeëenden i. e. z. (Oidemia) noemt men eenige groote Duikeenden van
donkere kleur, welker tamelijk lange, doch breede snavel, bij de
oude mannetjes vooral, op de achterste helft van den bovensnavel
een knobbel vertoont; de nagel is even breed als lang en neemt de
geheele breedte van de spits in. De voeten hebben een korten loop
en zeer lange teenen. De korte staart is wigvormig. Het zachte,
fluweelachtige vederenkleed is donker van kleur, soms lichter gevlekt
op den kop en de vleugels.
De Zwarte Zeeëend, ook wel Zwarte Bergeend of Wigstaart genoemd
(Oidemia nigra), is effen glanzig zwart; het wijfje en de jongen zijn
donkerbruin met grijsachtig witte onderdeelen. De snavel is blauwzwart,
bij 't mannetje met uitzondering van een breede, oranjeroode zadelvlek
om de neusgaten; de knobbel op den bovensnavel is bij 't wijfje
zeer weinig ontwikkeld; het oog is donkerbruin, de voet zwartachtig
olijfgroen. Lengte 52 cM.
De Bruine Zeeëend, te Rotterdam ook wel Groote Noordsche Duiker en
(evenals vele andere Duikeenden, die op den trek uit het noorden tot
ons komen) Noordsche Eend genoemd (Oidemia fusca), komt in kleur met
de vorige soort overeen, maar heeft een witte vlek onder het oog en
een witten spiegel; de geheele snavel is oranjerood (bij 't wijfje
zwart) met uitzondering van den rand en den wortel, die zwart zijn;
de voet is bleek vleeschrood (bij 't wijfje groenachtig geel), het
oog parelwit (bij 't wijfje bruin). Lengte 55 cM.
De Zeeëenden behooren in de noordelijke zeeën van beiden halfronden
thuis en broeden bij binnenwateren in de toendra, slechts op enkele
plaatsen, o. a. bij de bergmeren in 't zuiden van Noorwegen, bezuiden
den poolcirkel. De beide genoemde soorten bezoeken ons 's winters van
September tot Mei op den trek. Van de eerstgenoemde, die 's winters
in groote vluchten langs de kust wordt waargenomen, treft men ook
in den zomer soms enkele exemplaren aan. De Bruine Zeeëend is meer
aan de hooge zee gebonden. Beide loopen en vliegen op plompe wijze,
maar zijn meesters in 't duiken. De Lappen, Samojeden, Ostjaken,
Toengoesen en dergelijke volken dooden deze Vogels gedurende den
ruitijd in menigte en vinden ze lekker; de bewoners van zuidelijker
gewesten houden er niet van.
De snavel van de Duikeenden i. e. z. (Fuligula) is langer dan de
loop en aan den wortel niet gezwollen; de neusgaten zijn achter
het midden gelegen; de nagel is langer dan breed en beslaat niet de
geheele breedte van de snavelspits. De staart bestaat uit 14 pennen
en is aan den top afgerond.
De Tafeleend of Roodkop, in Zuid-Holland Valinger, in Noordbrabant
Bareend of Boreend genoemd [Fuligula (Nyroca) ferina], heeft den kop
en den voorhals fraai bruinrood, de voorborst zwart, den rug en de
flanken bleek aschgrauw met zeer fijne, zwarte dwarsgolven, den stuit
zwart, de onderdeelen grijswit, de vleugeldekveeren aschgrauw, den
spiegel lichtgrijs, de slag- en stuurpennen grijs. Het oog is geel,
de snavel aan den wortel en de randen zwart, overigens blauwgrijs,
de voet groenachtig grijs. Lengte 55 cM.
Deze soort, die de gematigde luchtstreek van beide halfronden bewoont,
in Europa van ± 60° NB. tot in Hongarije, bezoekt ons land in September
en October en van Maart tot Mei op den trek en komt dikwijls in
groote vluchten op meren en plassen voor. Een klein getal blijft aan
de kust den winter over. Enkele paren broeden onder Vlijmen en Engelen
(Noordbrabant).
Minder dikwijls ontmoet men hier van September tot November en in
April en Mei de uit Zuidoost-Europa afkomstige Witoogeend, Bruine
Duikereend of Rouwdrager [Fuligula (Nyroca) nyroca], die kleiner is dan
de Tafeleend (43 cM. lang) maar veel op deze gelijkt. De kop, de hals
(met uitzondering van een smallen, donkeren ring) en de borst zijn
helder kastanjebruin, een driehoekige vlek aan de kin en het midden
van borst en buik zijn wit, de bovendeelen zwartgrijsbruin, de flanken
roodachtig bruin, de vleugels bruin met zuiver witten spiegel. Het
oog is parelwit, de snavel loodkleurig zwart, de voet (op de zwarte
zwemvliezen na) groenachtig loodkleurig. De kop draagt een korte kuif.
Zeldzaam is bij ons de Krooneend [Fuligula (Netta) rufina], die de
grootte heeft van de Gewone Eend (60 cM. lang) en gemakkelijk te
herkennen is aan de verlengde, smalle, gedeeltelijk losbaardige,
roodbruine veeren van den bovenkop, die veelal opgericht gedragen
worden als een kroonvormige kuif. De kop is overigens roestgeel,
evenals de keel; de onderhals, de borst en het midden van den buik
zijn zwart, de zijden van den buik wit, de bovendeelen lichtbruin. Het
oog is helder geelrood, de snavel karmijn- of bloedrood, de voet
lichtrood. Het broedgebied van deze soort omvat de landen om de
Kaspische en de Zwarte Zee, maar ook enkele gewesten van Duitschland.
In het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld broedt de
Toppereend of Veldduiker, in Friesland Kareend genoemd [Fuligula
(Fuligula) marila]; bij ons ontmoet men haar 's winters met
de Kuifeend in ontelbare scharen op meren, plassen en poelen,
welke verblijfplaats zij eerst dan met de zee verwisselt, wanneer
het ijs haar er toe dwingt. Zij is slechts weinig kleiner dan
de Tafeleend (52 cM. lang). De kop en de hals zijn zwart met
sterken, metaalachtig groenen weerschijn, de krop, de bovenborst,
de onderrug, de staartwortel en de stuit eveneens zwart, de mantel
en de rug op grijsachtig witten grond met fijne, zwarte, dwarse
golflijnen geteekend, de onderdeelen wit; de spiegel is zuiver wit,
van achteren en van onderen begrensd door een bruinzwarten zoom met
groenen weerschijn. Het oog is heldergeel; de snavel en de voeten zijn
loodkleurig grijs. In het zomerkleed (en bij het wijfje) zijn alle
vroeger zwarte deelen dof roetbruin met een breeden, witten band om
den snavelwortel, alle vroeger witte deelen aschgrauw of grijsachtig.
De zooeven reeds vermelde Kuifeend, Kamduiker of Jolling [Fuligula
(Fuligula) cristata], die ook wel eens Rouwbandje of "Toppereend"
wordt genoemd, onderscheidt zich van de vorige soort, behalve door
haar geringere grootte (lengte 40 cM.), door een tamelijk lange,
neerhangende kuif, doch weinig door de kleur. De witte spiegel is
hier echter van achteren en van onderen grauwzwart gezoomd. Het oog is
geel, de snavel licht loodkleurig blauw, aan de spits zwart, de voet
groenachtig loodkleurig. Het zomerkleed van 't mannetje is doffer van
kleur, de kuif is dan nog niet ontwikkeld; het wijfje gelijkt op dat
van de vorige soort, doch heeft een korte kuif. De Kuifeend broedt
in 't hooge noorden van de Oude Wereld, doch ook verder zuidwaarts,
in Europa tot aan de kusten van de Noordzee en de Oostzee, in Azië
tot aan den benedenloop van den Amoer en tot in Japan.
De Kleine Toppereend [Fuligula (Fuligula) affinis], die één enkele
maal hier te lande (op het strand bij Katwijk) geschoten werd,
hoewel zij in Noord-Amerika en Japan thuis behoort, is kleiner dan
haar naamgenoot (35 à 40 cM. lang); haar kop heeft geen groenen,
maar een purperen metaalglans.
De Tafeleend, tot welker levensbeschrijving wij ons moeten bepalen,
is vlugger van beweging dan de meeste andere Duikeenden. Haar gang
is beter, hoewel nog steeds plomp; zij begeeft zich niet gaarne aan
land; hoogstens gaat zij op een veilige zandbank rusten, of doorzoekt
een aan 't strand gespoelde hoop planten; overigens worden al hare
werkzaamheden op 't water verricht. Bij 't zwemmen is haar romp
een weinig minder diep ingezonken dan die van hare verwanten; even
behendig als deze doorklieft zij de golven en verdwijnt bliksemsnel
in de diepte. Haar tamelijk langzame vlucht, die snelle vleugelslagen
vereischt en een duidelijk hoorbaar gedruisch veroorzaakt, is minder
vermoeiend dan men zou kunnen meenen. Haar stem, een diep, snorkend
geluid, dat ongeveer als "Kar" of "Ker" klinkt en in den paartijd met
eenige eigenaardige tonen vermeerderd wordt, weerklinkt in den regel,
terwijl zij op den trek uit het noorden tot ons komt. Zij reist dan
's nachts in groote, meestal ongeregelde zwermen, die zich slechts bij
uitzondering in een schuinsche reeks groepeeren; in de lente ziet men
haar in kleinere troepen of bij paren. De Tafeleend en hare verwanten
zijn minder schuw dan de Zwemeenden, soms zelfs toonen zij een zekere
gemeenzaamheid, b. v. als zij, al of niet gelokt door Tamme Eenden,
op vijvers in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen
neerstrijken. Door vervolging worden zij echter voorzichtiger.
Het voedsel van de Tafeleend verschilt in zooverre van dat der andere
Duikeenden, dat zij gedurende den zomer bij voorkeur plantaardige
stoffen eet; wortelknollen, kiemplantjes, malsche uitspruitsels,
bloemen en zaden van velerlei waterplanten. Tevens vangt zij Insecten
of kleine Visschen, zoekt Schelpdieren enz. en brengt dus tamelijk
veel afwisseling in hare maaltijden.
Zij broedt eerst laat in 't jaar, zelden vóór het midden van Mei,
omdat zij er op gesteld is haar nest te bouwen te midden van riet
of andere waterplanten. Haar broedplaats is steeds een meer of een
ander binnenwater, welks oevers met hoogstengelige waterplanten
begroeid zijn. Het nest wordt vervaardigd van droge bladen en halmen
van riet en andere grassen; het is tamelijk dicht gevlochten, in het
midden diep uitgehold en hier rijkelijk gevoerd met dons. Het wijfje
broedt op 8 à 10 rondachtige eieren met fijnkorrelige, glanslooze,
grijze of olijfgroenachtige schaal. De jongen groeien schielijk,
doch leeren eerst vliegen, wanneer zij hunne volle grootte bereikt
hebben. Nadat de oude mannetjes zich weer bij de wijfjes en de jongen
gevoegd hebben, ontstaan de talrijke zwermen, die men in den herfst
aan onze kusten opmerkt.
Behalve de Roofvogels, de Kraaien, Eksters enz., die althans de eieren
rooven, is ook de mensch belust op het zeer smakelijke vleesch van de
Tafeleend; zoowel in haar broedgebied als in hare winterkwartieren
heeft zij vervolging te duchten. Daar de jongen gewoon zijn in tijd
van gevaar tot een dichten hoop opeen te dringen, kan men er dikwijls
verscheidene met een enkel schot dooden. De Tafeleenden houden
zich in de gevangenschap zeer goed en kunnen zelfs aan 't broeden
worden gebracht; hetzelfde geldt van de meeste andere leden van haar
geslacht. Sommige daarvan, vooral de Kuifeenden en Toppereenden, worden
in sommige streken van ons land, o.a. op de groote binnenwateren van
Friesland, in den herfst en in het voorjaar, in groote menigte levend
in netten gevangen en naar Engeland en Frankrijk verzonden.
De Scheleenden (Clangula) verschillen van de Duikeenden, waarmede
zij veel overeenkomst vertoonen, door den snavel; deze is even
lang als de loop, ongeveer zoo lang als de kop, neemt naar achteren
allengs in hoogte toe en dringt, een spitsen hoek vormend, tusschen
de voorhoofdsveeren door, zonder hier gezwollen te zijn; naar voren
wordt hij allengs smaller en loopt in een smallen, tamelijk sterk
gebogen nagel uit; de neusgaten zijn vóór het midden van den snavel
gelegen. Wegens den korten hals en den ruig bevederden kop schijnt
de lichaamsbouw meer gedrongen dan hij is. De loop is kort en draagt
zeer lange teenen; de vleugels zijn middelmatig lang; de afgeronde
staart is uit 16 pennen samengesteld.
De Brilduiker, Brileend of Knob, bij Rotterdam Bolder of Belder, in
Noordbrabant Bonte Duiker of Schilder genoemd (Clangula glaucion of
C. clangula) bezoekt ons vaderland elken winter; met de Kuifeenden
en Toppereenden houdt zij zich op aan de kust en bewoont, zoolang
het water open is, meren, poelen en plassen. Het broedgebied van deze
soort is de toendra van beide halfronden; iederen herfst trekt zij door
geheel Europa tot in Noord-Afrika en doorkruist geheel Noord-Amerika
zoowel als het grootste deel van Azië. Haar naam ontleent zij aan een
groote, witte vlek op iedere wang; overigens is de kop, evenals het
bovenste deel van den hals, zwart met metaalglans; het onderste deel
van den hals, de krop en de borst zijn wit, de mantel en de rug zwart,
de staartpennen grijsachtig zwart, de vleugels zwart met breeden,
witten spiegel. Het oog is oranjerood, de snavel donker blauwzwart,
de voet roodachtig geel. Lengte bijna 50 cM.
De IJseend (Harelda hyemalis), de eenige inheemsche vertegenwoordiger
van haar geslacht, onderscheidt zich van de reeds genoemde Duikeenden
door den wigvormigen staart, welks beide middelste pennen in 't
prachtkleed van 't mannetje sterk verlengd zijn. Haar kleur is zeer
bont. De kop, de voor- en achterhals, de nek en de krop, de schouders,
de flanken, de buik en de stuit zijn wit, de zijden van den hals,
de rug, de bovendekveeren van den vleugel en de geheele borst
donkerbruin, de onderrug en de staartwortel zwart; de staart is in
't midden zwart, aan de zijden wit; de slagpennen zijn lichtbruin met
roodachtig bruinen, onduidelijken spiegel. Het oog is lichtbruin,
de bovensnavel zwartgroen, vóór de neusgaten helder steenrood, de
ondersnavel helder rood, de voet blauwgrijs. Bij het mannetje in het
zomerkleed en het wijfje zijn de bovendeelen bruin, de onderdeelen
wit. Soms zijn de middelste staartpennen 30 cM. lang; dan bedraagt
de totale lengte 60 cM.
Deze soort broedt aan de oevers van de toendrameertjes en overwintert
aan de kusten van Middel-Europa. Zij bezoekt ons zeer ongeregeld,
in enkele jaren in vrij grooten getale, in andere schaars of in 't
geheel niet. In aard en gewoonten komt zij overeen met de overige
Duikeenden. Opmerkelijk is de luide, aangenaam klinkende paringsroep
van het mannetje, dat in den winter geen andere dan kwakende geluiden
voortbrengt. De volwassen Vogels voeden zich vooral met Weekdieren,
de jongen aanvankelijk bijna uitsluitend met de tallooze Muggenlarven
der toendra.
De Roeieenden (Erismaturinae) worden als een afzonderlijke onderfamilie
beschouwd, omdat zij door haar gestalte en vooral door den bouw van
den staart van al hare verwanten afwijken; in sommige opzichten houden
zij het midden tusschen de Duikeenden en de Aalscholvers. Een korte,
dikke hals verbindt den tamelijk grooten kop met den slanken romp; de
snavel is van voren plat en met een onduidelijken nagel voorzien, bij
het voorhoofd sterk zijwaarts uitgezet; de vleugels zijn opmerkelijk
kort en zeer bol; de lange, wigvormige staart is uit 18 smalle, zeer
spitse, harde en veerkrachtige veeren samengesteld; de voeten hebben
een korten loop en zeer lange teenen.
Bij de Witkopeend (Erismatura leucocephala) zijn de kop en de wangen
wit, een groote vlek op den bovenkop, de keel en een band om den
hals zwart, de onderhals en de krop kastanjebruin met fijne, zwarte
golflijnen; met een dergelijke teekening prijken de mantel en de rug,
die een grijsachtig gele, en de onderdeelen, die in het midden een
grijsachtig witte, doch overigens een roestgele kleur hebben; de
handpennen zijn grijs, de stuurpennen zwart. Het oog is roestgeel,
de snavel blauwachtig grijs, de voet roodachtig grijs. De totale
lengte bedraagt 56 cM., waarvan 12 cM. op den staart komen.
De Witkopeend bewoont Zuidoost- en Zuid-Europa, het zuiden van
Middel-Azië en Noordwest-Afrika. In Nederland werd tweemaal een
exemplaar van deze soort waargenomen; ook naar Duitschland dwaalt
zij enkele malen af; in Hongarije komt zij zelden voor, hoewel zij
in Zevenburgen broedt. Talrijker ontmoet men haar in de lage landen
langs den Donau, in Dalmatië en op Sardinië, in menigte op de meren
van Middel-Azië.
Deze fraaie Vogel trekt door zijne sierlijke standen en bewegingen
onmiddellijk de aandacht. De witte kop is gedurende het zwemmen
op grooten afstand zichtbaar en doet denken aan een op het water
drijvend ei. Het voorste deel van den romp is diep ingedompeld,
de staart loodrecht naar boven gericht. Snel en licht over den
waterspiegel schietend, zoekt hij de diepste gedeelten van het water
op, duikt dikwijls als een vallende steen naar den bodem en komt
bijna op dezelfde plek weer boven. Wanneer hij opvliegt, hetgeen
zelden geschiedt, neemt hij klapwiekend een grooten aanloop over
het water, verheft zich er boven en doorklieft dan vlug en behendig
de lucht. Aan vervolging onttrekt hij zich gewoonlijk door in
't rietveld te vluchten, in 't open water echter door te duiken en
eerst na geruimen tijd, op grooten afstand van de plaats, waar hij
in de diepte verdween, weer boven te komen. Zijn voedsel bestaat uit
kleine Slakken en rietzaden.
De Zaagbekeenden (Merginae) hebben een zeer langwerpigen romp
en een middelmatig langen, maar dunnen hals; de groote kop is
gewoonlijk met een pluim of kuif getooid. De lange, slanke, smalle,
bijna rolvormige snavel is recht of een weinig opwaarts gebogen; de
scherpe zijranden zijn met lange, achterwaarts gerichte, tandvormige
knobbeltjes bezet, die de dwarse plaatjes der overige Zeefsnaveligen
vervangen; aan weerszijden staan de boventandjes op een dubbele rij,
die een tusschenruimte heeft, waarin bij gesloten bek de enkele rij
ondertandjes gelegen is; de bovensnavel eindigt in een krachtigen
haak. De ver naar achteren geplaatste, korte pooten hebben groote
voorteenen; de achterteen draagt, evenals bij de Duikeenden, een
breeden huidzoom. De vleugels zijn middelmatig lang en zeer puntig;
hun spits wordt gevormd door de eerste en de tweede handpen; de korte,
breede, afgeronde staart bestaat uit 16 à 18 pennen. Het kleed is
zacht en fraai van kleur; bij mannetjes en wijfjes, ouden en jongen,
's zomers en 's winters verschillend.
De Zaagbekeenden hebben een waggelenden, draaienden gang, daar zij het
voorste deel van 't lichaam weinig opheffen; zij zwemmen uitmuntend,
duiken met groot gemak, kunnen lang onder water blijven en vliegen
snel, zonder groote inspanning, in den trant van de Eenden. In
tegenstelling met de Duikeenden houden zij zich liever in stroomend
dan in stilstaand water op; zij volgen 's winters de rivieren en
begeven zich slechts van hier uit naar de meren en plassen, die nog
open water hebben.
Alle tien bekende soorten van Zaagbekeenden bewonen het noorden. Door
strenge koude worden zij uit haar vaderland verdreven en genoopt tot
reizen, die zich vrij geregeld tot op onze breedte, minder dikwijls
tot Zuid-Europa of tot de even ver zuidwaarts gelegen landen van Azië
en Amerika uitstrekken. Zij verwijderen zich niet meer dan noodig
is, van haar geboortegrond en zijn dus in de eene streek trekvogels,
terwijl zij in een andere min of meer geregeld rondzwerven. Plantenkost
wordt door haar niet geheel versmaad, doch alleen in tijd van nood
gebruikt. Visschen en andere waterdieren, o. a. kleine Amphibiën,
Schaaldieren en Insecten, zijn haar eigenlijk voedsel. Door haar
buitengewone vraatzucht kunnen zij in beschaafde landen aan de
visscherij een hoogst gevoelige schade toebrengen.