De Zaagbekeenden nestelen, broeden en verzorgen hare jongen nagenoeg

op dezelfde wijze als de andere Gansvogels. Dikwijls worden hare

eieren geraapt. Het dons der gedoode Vogels is beter bruikbaar dan

hun vleesch. Zij zijn vrij dure kostgangers en worden daarom slechts

door enkele liefhebbers in de kooi gehouden.

Het Nonnetje, ook wel Weeuwtje, Schef, Scheft, Schelft, Scherft en

Scherpbek genoemd (Mergus albellus), vertegenwoordigt het geslacht

of ondergeslacht der Rouwzaagbekken (Mergus), dat zich door zijn

korten, breeden snavel van de overige inheemsche Zaagbekeenden

onderscheidt. Deze Vogel vertoont eenige overeenkomst met sommige

Duikeenden en meer bepaaldelijk met den Brilduiker. Het prachtkleed

van het mannetje is zuiver wit, een plek tusschen het oog en den

snavel en een band in den nek zijn groenachtig zwart; de rug en het

grootste deel van den vleugel, twee smalle strepen over den schouder

en een overlangsche streep over den vleugel zijn zwart, de flanken

blauwachtig grijs; de snavel en de voet zijn grijsblauw. Lengte 50 cM.

Het eigenlijke vaderland van deze soort is Noord-Azië; van hier

strekt haar verbreidingsgebied zich westwaarts over Noord-Europa,

oostwaarts over het noorden van Amerika uit. Door den winter genoopt

naar zuidelijker oorden te reizen, komt zij van November tot Maart

ook aan onze kust en op onze binnenwateren voor, zelden echter in

zoo grooten getale, als in den winter van 1896-1897 (Albarda).

Bij 't gaan houdt het Nonnetje den romp horizontaal en trekt den hals

in; zijn gang, hoewel waggelend, is beter dan die zijner verwanten;

bij 't zwemmen is de romp ongeveer voor de helft van de hoogte

ingedompeld. Het duiken wordt voorafgegaan door een sprong boven den

waterspiegel. Onmiddellijk nadat de Vogel in de diepte verdwenen

is, strekt hij den hals naar voren; door krachtige roeibewegingen

beurtelings met den eenen en met den anderen poot zwemt hij op

iederen afstand van den bodem verbazend snel en behendig, eerder als

een roofvisch dan als een Vogel. Men ziet hem soms eerst na een zeer

langdurig verblijf onder water en meestal ver van de plaats waar hij

ondergedoken is, weer te voorschijn komen. Zijn wijze van vliegen

gelijkt op die van de kleine soorten van Eenden.

De Groote Zaagbek, Roséwaard of Duikergans, in Groningen Zaageend,

in Noordbrabant Korporaal, Boterbuik, Dubbele Zaagbek en Groote

Duikergans genoemd (Mergus merganser), vertegenwoordigt het geslacht

of ondergeslacht der Zaagbekken (Merganser), dat zich van het vorige

hoofdzakelijk onderscheidt door den langen, zijdelings samengedrukten

snavel. In het prachtkleed zijn de kop en het bovenste deel van den

hals zwart met groenachtigen weerschijn, de bovenrug, de schouders,

de vleugelrand en de schouderveeren zwart; de witte onderdeelen hebben

een fraai geelroode, na den dood verbleekende tint; de handpennen zijn

zwart, de vleugelveeren overigens wit, de benedenrug en de staartwortel

grijs met fijne, zwarte golflijnen, de stuurpennen grijs. Het oog is

roodachtig geel, de snavel koraalrood, de voet bleekrood. Lengte 80 cM.

De Middelste Zaagbek of Kleine Duikergans, te Rotterdam Pinduiker

genoemd [Mergus (Merganser) serrator] heeft een naar verhouding iets

langeren en fijneren snavel dan zijn grootere verwant. De veeren van

den achterkop zijn verlengd tot een kuif. De kop en het bovenste

derde gedeelte van den hals zijn zwart met metaalachtig groenen

weerschijn. De rug, de schouderveeren en de laatste armpennen zijn

zwart, de onderrug, de staartwortel, de bovendekveeren van den

staart en de flanken op witten grond met fijne, zwarte golflijnen

geteekend. Het middelste deel van den hals is wit, het achterste deel

met den krop grijsbruin, de onderzijde wit met een teer roodachtig

waas, de stuit wit. De kleine vleugeldekveeren zijn grijsachtig

bruin, de middelste en de grootste wit met zwarte spits; de voorste

armpennen wit, de handpennen donker bruingrijs; de stuurpennen dof

grijsachtig bruin. Het oog is roodbruin met karmijnrooden rand,

de snavel donkerrood, de voet geelachtig rood. Lengte 60 cM.

De Groote Zaagbek bewoont het noorden van Europa, Azië en Amerika

en is, naar het schijnt, in alle drie werelddeelen ongeveer even

veelvuldig. De gordel tusschen 52 en 60° N.B. kan men als zijn

broedgebied beschouwen. Hij trekt geregelder dan zijne verwanten

en reist dan naar alle zuidelijker gelegen landen van Europa, naar

Noord-Indië en Zuid-China, voorts naar nagenoeg alle deelen van de

Vereenigde Staten. Bij ons vertoeft hij, evenals de vorige soort,

maar in grooter aantal, van November tot Maart aan de kust en op

de binnenwateren. Nagenoeg hetzelfde verbreidingsgebied heeft de

Middelste Zaagbek, wiens levenswijze in de meeste opzichten met die

van den Grooten overeenstemt, zoodat wij ons tot den laatsten zullen

bepalen. De middaguren brengt hij liefst op een zandige plek van den

oever rustig door; overigens ziet men hem bijna voortdurend op het

water, zijn eigenlijk gebied. Op het land beweegt hij zich langzaam

en waggelend, in de lucht tamelijk snel, maar toch met inspanning;

op en in het water daarentegen toont hij een waarlijk buitengewone

bedrevenheid. Om de snelheid te leeren kennen, die hij zwemmend kan

bereiken, moet men hem waarnemen bij 't najagen van een soortgenoot,

die door het verslinden van den zooeven gevangen buit, zijn afgunst

opwekt; geen Vogel zou in staat zijn hem dan voorbij te streven;

deze beweging gaat met een hevig, klotsend gedruisch gepaard. Zonder

merkbare inspanning en bijna zonder gedruisch begeeft hij zich naar

de diepte en zwemt onder water zoo snel, dat men hem eerder voor

een Visch dan voor een Vogel zou houden. Soms blijft hij ongeveer

2 minuten weg, gewoonlijk echter ruim 1 minuut. Meestal heeft hij

zich in dezen tijd al visschend, waarbij in den regel herhaaldelijk

afwijkingen van den rechten weg noodig zijn, over een afstand van

ongeveer 100 schreden verplaatst.

De Groote Zaagbek brengt een vreemdsoortig geratel voort, welks

bestanddeelen als "karr" of "kerr" klinken.

Over de hoogere gaven van de Zaagbekken blijft men niet lang in

't onzekere. De voortreffelijkheid van hunne zintuigen, die alles

opmerken, wat er in de omgeving voorvalt, stelt den jager dikwijls

teleur. Ieder, die deze Vogels in de vrije natuur heeft nagegaan, noemt

ze verstandig, voorzichtig en schuw, loos en geschikt tot het verbergen

van hunne bedoelingen. Dat hun verstand niet gering is, toonen

zij, door zich spoedig te schikken in de gewijzigde omstandigheden

van het leven der gevangenschap. In tegenstelling met de andere

leden hunner familie zoeken zij geen ander gezelschap dan dat van

soortgenooten. Hoewel men op den trek en in de diergaarden de Groote

Zaagbekken steeds bijeenziet, is er van een echt vriendschappelijke

verhouding tusschen hen geen sprake; vooral hun afgunstige aard

openbaart zich bij iedere gelegenheid.

Tenzij hij genoodzaakt wordt zich met ander voedsel te behelpen, eet

de Groote Zaagbek niets anders dan Visschen, bij voorkeur kleine van

10 à 15 cM. lengte, ofschoon hij ook wel grootere kan vermeesteren. Bij

uitzondering worden tevens Insecten of Wormen ingeslikt.

In geringen getale broedt de Groote Zaagbek in Noord-Duitschland,

geregeld en meer algemeen op de Deensche eilanden, in noordelijker

gewesten bij ieder voor hem geschikt binnenwater. Het nest bevindt

zich dikwijls op den grond in een kuiltje tusschen steenen of onder

struiken, soms op knotwilgen, niet zelden in oude nesten van Roofvogels

en Kraaien of in holle boomen. Het wijfje broedt op 8 à 14 eieren, maar

legt er tweemaal zooveel, wanneer men haar de eieren achtereenvolgens

ontneemt. Om dit gemakkelijker te kunnen doen, hangt men aan de

rivieroevers in Noorwegen dikwijls nesthokjes in de boomen op.

Van de vijanden, die het leven van de kleinere Zeefsnaveligen en

dat der Zwemvogels in 't algemeen bedreigen, hebben de sterke en

vlugge Zaagbekken weinig te lijden; ook ontkomen zij meestal aan de

vervolging van den mensch, die trouwens niet geregeld jacht op hen

maakt; daar hun vleesch, naar onzen smaak althans, oneetbaar is en

daar van hunne veeren geen ruim gebruik gemaakt wordt voor het doel,

waarvoor zij zouden kunnen dienen.

AANTEEKENINGEN

[1] De naam Kormoran, die soms, in navolging van de Franschen en

Duitschers, aan dezen Vogel gegeven wordt, is afgeleid van "Corvus

marinus" en beteekent dus "Zeeraaf."

[2] De naam Podiceps, waarmede Latham het geslacht der Zoetwaterduikers

aanduidde, en de hiervan afgeleide, bij Fürbringer voorkomende namen

Podicipitidae, Colymbo-Podicipites en Podicipitiformes voor familie,

groep en onderorde worden vrij algemeen afgekeurd. De familie der

Zeeduikers (Urinatoridae) heet bij Fürbringer Colymbidae, met welken

naam hier de Zoetwaterduikers worden bedoeld.

[3] Zie over de vangst van Smienten en andere Eenden in slagnetten een

opstel van Dr. G. A. Venema in het "Album der Natuur." (Jaarg. 1878,

p. 253.)

[4] Zie over de "Eendekooi" een opstel van Prof. Harting in het

"Album der Natuur". Jaargang 1876, p. 115.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 31 / 31 段