niet misdeelde verwanten. Hun "spiegel" is goudgroen: bij het wijfje
van voren en van achteren wit begrensd, bij het mannetje van voren
door een fluweelzwarten, van onderen door een smallen, witten,
van boven door een breeden, deels witten, deels roestkleurigen band
omgeven. De spiegel van den Zomertaling is kleiner, bij 't wijfje
dof grijs, bij 't mannetje met groenachtigen weerschijn, bij beide
van voren en van achteren wit, van boven grijs gezoomd. Goudgroen is
ook de kleur van een teugelstreep, die zich in 't prachtkleed van den
mannelijken Wintertaling van 't oog tot aan den achterhals uitstrekt
en welks witte zoom zich ook vóór het oog, langs den mondhoek tot aan
de kin voortzet. Wit is deze streep bij den Zomertaling waar zij een
scheiding vormt tusschen het zwartbruin van kruin en bovenhals en het
bruinrood met fijne witte streepjes van het voorhoofd en de zijden van
kop en hals. Bij den Wintertaling zijn de kop en de bovenhals levendig
kaneelrood, de achterhals, de mantel en de zijden van de borst op
aschgrauwen grond met zwarte, dwarse golflijnen geteekend. De overige,
deels witte, deels geelachtige onderdeelen zijn bij hem minder sterk
gevlekt dan bij zijn verwant. Meer verschil biedt de vleugel aan: bij
den Zomertaling zijn de achterste schouderveeren zeisvormig verlengd,
blauwachtig grauwzwart met witte schaft en breeden, witten zoom, de
kleine en middelste vleugeldekveeren licht blauwachtig grijs. Ook
bij den Wintertaling zijn de schouderveeren spits; haar lengte is
echter geringer, bovendien zijn zij aschgrauw met zwarte schaft;
de kleine vleugeldekveeren zijn bruingrijs. Daar de laatstgenoemde
veertjes hun bij beide soorten verschillende kleur in 't zomerkleed
nagenoeg onveranderd behouden, kan men ze, althans de mannetjes,
hieraan en aan den spiegel ook 's zomers onderscheiden. Het zeer
bescheidene zomerkleed vertoont overigens bij de Talingen onderling
en bij de Eenden in 't algemeen betrekkelijk weinig verschil; in den
zomer en den herfst wordt hierdoor het onderscheiden van de soort en
van mannetjes, wijfjes en jongen bemoeielijkt.
De Wintertaling bewoont als broedvogel het noorden van beide halfronden
tot op IJsland en in Kamtsjatka; vooral in Siberië is hij talrijk,
hoewel zijn broedgebied zich hier minder ver noordwaarts uitstrekt. In
Europa reikt het zuidwaarts tot op onze breedte. Op den trek doorreist
deze soort geheel Europa en Azië en een deel van Noord-Amerika; in
grooten getale bezoekt zij Noord-Afrika. De Zomertaling broedt in
geheel Middel-Europa en Middel-Azië, doch niet verder noordwaarts dan
het zuiden van Zweden. Op den trek komt hij in Afrika tot op 10° N.B.
In hoofdzaak komen beide soorten in levenswijze en gewoonten overeen;
wij bepalen ons daarom tot het beschrijven van den Zomertaling. Deze
kiest tot verblijf- en broedplaats bij voorkeur zoetwaterplassen,
die grootendeels of althans langs den oever met dichtbijeenstaand
riet, met biezen enz. begroeid zijn, ondiepe, met drijvende planten
bedekte bochten hebben en te midden van moerassige weilanden gelegen
zijn. Hij vestigt zich ook wel in allerlei andere broeklanden en
moerassen: bijzonder gaarne bewoont hij echter een diep in 't woud
verborgen stouwwater of een door boomen overschaduwden, door den
lenteregen gevormden plas. Van hier uit bezoekt hij 's nachts alle
watervergaarplaatsen in de buurt, zelfs de kleinste, voorzoover zij
ondiep, modderig en rijk aan planten zijn; niet minder gaarne begeeft
hij zich naar overstroomde landerijen of naar weiden met talrijke
bevloeiings- of afwateringskanalen. Hier, altijd gedekt, verricht hij
zijne dagelijksche of liever nachtelijke bezigheden. Zijn voedsel
verschilt in zoover van dat der andere Eenden, dat hij, behalve
dierlijke stoffen en malsche uitspruitsels, ook vele zaden, vooral
die van het mannagras en dergelijke, op vochtigen grond groeiende
grassen eet. Zijn stem is een zwak, hoog gekwaak, dat als "kwek"
of "knèèk" klinkt; in den paartijd hoort men van het mannetje het
ratelende "klerrree"; de snel opeenvolgende klanken "jèk jèk jèk"
duiden opgewondenheid aan. Het verschil in aard van de Talingen
en de andere Eenden schijnt grooter dan het is. Het vertrouwen op
hun vaardigheid in 't wegkruipen en duiken, maakt hen minder schuw
dan hunne verwanten; toch zijn zij niet minder schrander dan deze,
zooals blijkt uit het allengs afleggen van alle vrees op plaatsen,
waar zij geen gevaar hebben te duchten.
Bij het kiezen van een plaats voor het nest houdt het wijfje zich niet
aan een vasten regel; soms nestelt zij in of dicht bij het water,
soms op eenige honderden meters afstand van den waterkant. Het nest
gelijkt op dat van andere Eenden; de eieren (9 à 12, soms nog meer)
zijn iets grooter dan die van de Houtsnip, langwerpig eivormig,
fijnschalig, bruingeelachtig wit. De broedtijd duurt drie weken.
De reeds genoemde en allerlei andere soorten van Eenden worden hier
te lande veelvuldig gevangen in zoogenaamde "eendenkooien" [4]. Deze
bestaan uit een eenzamen ver van alle gedruisch gelegen vijver, door
houtgewas omgeven en in gemeenschap staande met een gekromde sloot,
die naar achteren allengs nauwer wordt; het oeverhout wordt als een
gewelf boven de sloot saamgevlochten, of deze wordt door deknetten
van boven afgesloten. Lokeenden verleiden de wilde Vogels om in den
vijver neer te strijken en in de sloot op te zwemmen, waar zij geen
gevaar bespeuren, omdat de slootkanten voorzien zijn met staande
rietmatten, waarachter de kooiker zich schuil houdt. Een hiervoor
afgericht hondje, dat langs den waterkant loopt, drijft de Eenden door
voortdurend keffen steeds verder, totdat zij eindelijk, den plotseling
verschijnenden kooiker achter zich ziende, al vluchtend in een groot,
sterk, fuikvormig net aan 't einde van de sloot geraken.
De Krak of Krakeend (Anas strepera) vertegenwoordigt een ondergeslacht
van dien naam (Chaulelasmus), dat zich van het vorige onderscheidt door
den betrekkelijk kleineren en smalleren snavel, de langere, iets meer
aan den dag komende zeefplaatjes en de grootere lengte van de beide
middelste stuurpennen (zoodat de vleugels de spits van den staart
onbedekt laten). Zij houdt, wat grootte betreft (lengte 52 cM.),
ongeveer het midden tusschen een Wintertaling en een Eend en wordt
daarom door de Amsterdamsche poeliers Halve Eendvogel genoemd. Zij
heet ook wel Krust, Kreets of Kreest; in Groningen noemt men haar
Roepereend, in Friesland Grijpvogel, in Limburg Kraakeend. De laatste
en de vier eerste namen dankt zij aan haar stem. De totale indruk van
de kleur van 't vederenkleed is grijs, daar het op witachtigen grond
met een tallooze menigte van fijne en grovere, zwarte streepjes en
vlekken geteekend is; alleen de bovendekveeren van den vleugel steken
hierbij af door hun levendige, deels roestroode, deels bruinzwarte en
zwarte kleur. Deze Vogel vertoeft in ons land van Maart tot October
en broedt in kleinen getale aan dicht begroeide poelen. Op den trek
komen hier exemplaren van de in Noord-Europa gelegen broedplaatsen,
waarvan eenige bij ons overwinteren. Naar het schijnt, vermindert
hun aantal gaande weg (Albarda).
Veel sterker verlengd dan bij de leden der vorige soort zijn
de middelste staartveeren bij het geslacht der Langstaarteenden
(Dafila), dat zich bovendien kenmerkt door den zeer slanken romp, den
buitengewoon langen hals, den langwerpigen kop en den zeer smallen,
zwak gewelfden snavel, welks mondspleet langer is dan de kop.
De Pijlstaart, te Amsterdam Langhals, in Limburg Gaffelstaart genoemd
(Dafila acuta), heeft den kop, de kin en de keel purperbruin; een van
boven smalle, naar onder breeder wordende streep op het midden van den
achterhals en den nek is zwart met groenen weerschijn; de mantel en
de zijden, de onderrug en de staartwortel zijn op aschgrauwen grond
met uiterst fijne, zwarte, dwarse golflijnen geteekend, de borst,
de buik en een streep aan de zijden van den hals zijn zuiver wit,
de handpennen donker bruingrijs; de spiegel is groen, van boven
door een bruinachtig goudkleurigen, van onderen door een zwarten,
wit gezoomden band begrensd; de lange, spits toeloopende achterste
schouderveeren zijn wit met breede, zwarte schaftstreep; de beide
middelste staartveeren loopen spits toe en steken ver voorbij de
overige uit; gene zijn zwart, deze gaan naar buiten van zwart door
grijs in wit over; de onderdekveeren van den staart en de stuit zijn
zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig, de voet grijs. In
't zomerkleed is de bovenzijde grootendeels donkerbruin, de onderzijde
licht roodachtig bruin met donkerbruine vlekken, de staart wigvormig
zonder verlengde middelpennen, evenals bij 't wijfje. Lengte van
't mannetje in 't prachtkleed 64, van den staart 22 cM.
De Pijlstaart broedt in alle landen, die tusschen de kusten van
de Noordelijke IJszee en 50° N.B. gelegen zijn; hij trekt tot aan
Middel-Afrika, de zuidkust van Azië en Middel-Amerika. Hier te
lande broeden enkele paren aan de meertjes onder Vlijmen en Engelen
(Noordbrabant). In zeer grooten getale bezoeken de Pijlstaarten ons
op den doortrek in Maart en April en van September tot November; zij
zijn dan veelvuldig op Wadden en de groote veenplassen te vinden. Als
broed- en verblijfplaatsen kiezen zij steeds groote, afgelegene,
vrije, zonnige, met allerlei moeras- en waterplanten begroeide
meren en moerassen; zij schuwen plassen te midden van bosschen en
struikgewas. Wegens hun slanke gestalte herinneren deze Vogels bij
't staan zoowel als bij 't gaan en bij 't zwemmen in vele opzichten
aan de Zwanen. Hun stem, een eentonig, hoog, kwakend, als "krok"
klinkend geluid, wordt in den paartijd door het mannetje tot "kluuk"
verzacht, of bij vermeerderde opgewondenheid tot "aankluuk ère". Als
wild wordt deze Vogel hooggeschat.
De door snavelvorm en bonte kleur zeer opmerkelijke Slobeend, in
Groningen Lepelbek, in Friesland Slob, in Limburg Slobbereend genoemd
(Spatula clypeata), vertegenwoordigt het geslacht der Lepelbekeenden
(Spatula). Dit is kenbaar aan den snavel, die in lengte den kop
overtreft, en van den wortel tot aan de spits sterk in breedte
toeneemt, zoodat hij hier dubbel zoo breed is als daar; de mondspleet
is langer dan de loop; de zeefplaatjes in het voorste derde deel van
den bovensnavel zijn aan den rand tot lange, fijne, loodrecht naar
onderen gerichte puntjes uitgegroeid. De kop en de bovenhals hebben
een donkergroenen metaalglans; het onderste deel van den achterhals,
de bovenrug en de korte schouderveeren zijn zwart met lichtgrijzen
zoom, de lange, spitse, achterste schouderveeren wit met zwarte
schaftstreep, de onderhals en de krop wit, de bovenste vleugeldekveeren
eveneens wit, de overige lichtblauw; de metaalglanzig groene spiegel
is van voren door een breede, witte streep begrensd; de onderrug en de
staartwortel zijn zwartachtig groen, de borst en de buik kastanjebruin,
de onderdekveeren van den staart zwart, de handpennen bruingrijs,
de middelste stuurpennen bruin met witte kanten; het wit neemt toe
op de verder buitenwaarts gelegen stuurpennen. Het oog is goudgeel,
de snavel zwart, de voet roodachtig geel. Lengte 50 cM.
De gematigde aardgordel is het vaderland van de Slobeend; in het
hooge noorden komt zij zeldzamer voor. In Europa vindt men haar van
Zuid-Noorwegen af overal; in Amerika bewoont zij alle Vereenigde
Staten tot aan Canada. Van hier trekt zij gedurende den winter tot
naar Mexico, van Europa tot in Noord- en Middel-Afrika, van Middel-Azië
tot Zuid-China, Indië en Australië. In Nederland ontmoet men haar van
Maart tot October; zij broedt in het riet en aan begroeide waterkanten,
zoowel in de zandstreken als op de klei, waar zij zich in polder- en
molensloten ophoudt. Een klein getal blijft aan de kust den winter
over. Ook in Oost-Pruisen, Polen en Denemarken is deze soort zeer
gemeen, in Middel-Duitschland hier en daar woonachtig, in Zuid-Europa
gedurende den winter zeer talrijk.
Hoewel het bekend is, dat de Slobeend zich met allerlei kleine
ongewervelde dieren, met Insecten en hunne larven, met eieren
van Visschen en Amphibiën, met jonge vischjes, zoetwaterslakken
enz. voedt en ook malsche, plantaardige stoffen niet versmaadt,
kunnen gevangen exemplaren moeielijker in 't leven gehouden worden
dan alle overige Eenden; zij verkwijnen en sterven dikwijls bij
de overvloedigste voeding, zonder dat men tot dusver heeft kunnen
vinden, welke voedingsstof haar door het verblijf in de gevangenschap
onthouden wordt.
De prijs der schoonheid komt toe aan de Carolina-eend (Lampronessa
sponsa), een over geheel Noord-Amerika verbreide en daar menigvuldig
voorkomende Vogel, die tegenwoordig op onze eendenvijvers voor goed
geacclimatiseerd is. Zij vertegenwoordigt het geslacht der Pronkeenden
(Lampronessa), kenbaar aan den snavel, die korter is dan de kop,
naar voren slechts weinig smaller wordt en voorzien is met een sterk
gekromden nagel, die de geheele breedte van de spits inneemt; de
voeten zijn kort en krachtig, de vleugels middelmatig lang, smal en
spits; de staart is lang, dik, breed, sterk afgerond en uit 16 pennen
samengesteld. Het vederenkleed is prachtig, dicht, glanzig, aan den
achterkop tot een lange, naar achteren overhangende kuif verlengd;
aan den wortel van den bovensnavel en bij het oog komt een naakte
streek voor.
De bovenkop en de wangstreek tusschen oog en snavel zijn glanzig
donkergroen, de zijden van den kop en een groote vlek aan de zijde
van den hals purpergroen met blauwachtigen weerschijn; de goudgroene
kuifveeren zijn fraai geteekend met twee smalle, witte strepen:
de eene ligt boven het oog, de andere begint bij het oog en is naar
achteren gericht. De zijden van bovenhals en bovenborst zijn op fraai
kastanjebruinen grond als 't ware met fijne, witte droppels bespat;
de groenachtig purperblauwe schouderveeren, handpennen en stuurpennen
hebben een fluweelachtig zwarten weerschijn; de veeren tusschen de
schouders, het achterste deel van den rug en de bovendekveeren van
den staart zijn zwartachtig groen, eenige van de zijdelings verlengde,
smalle dekveeren van den staart roodachtig oranje, de onderdekveeren
van den staart bruin. De kin en de keel, een band om den bovenhals,
het midden van de borst en de buik zijn wit, de flanken op geelachtig
grauwen grond met fijne, sierlijke, zwarte golflijnen geteekend,
eenige langere veeren echter zwart, met breeden, witten zoom. Het
oog is hoogrood, de snavel witachtig, in het midden geelachtig,
aan den wortel donker bruinachtig rood, aan de spits zwart, de voet
roodachtig geel. Lengte 45 cM.
Men vindt de Carolina-eend in de Vereenigde Staten overal, van
Nieuw-Schotland tot aan de zuidkust; zij bezoekt op den trek geregeld
Middel-Amerika en West-Indië.
Fraai is haar gestalte, prachtig haar kleed, niet minder lieftallig
haar aard. Zij bezit alle eigenschappen, die ons in een Zwemvogel
kunnen behagen. Aan het leven in de gevangenschap geraakt zij spoediger
gewoon dan eenige andere Eend. Zelfs oud gevangen exemplaren schikken
zich spoedig in de veranderde omstandigheden, beschouwen hun oppasser
als een welwillend verzorger en luisteren reeds naar zijn stem, kort
nadat zij hun vrijheid verloren. Eerder dan alle andere Eenden kan men
haar vrije beweging veroorloven. Bovendien plant zij zich geregeld in
de gevangenschap voort, wanneer haar slechts een geschikte gelegenheid
om te broeden wordt verschaft.
In de vrije natuur voedt de Carolina-eend zich met graanvruchten en
zaden, met malsche topspruitjes van verscheidene waterplanten en
graansoorten, met Wormen, Slakken en Insecten, ook wel met kleine
Amphibiën en andere Gewervelde Dieren; in gevangen staat is zij
tevreden met zaad en visch, maar raakt langzamerhand gewoon aan alle
spijzen, die de mensch gebruikt.
In de meeste gevallen is de Keizerspecht de bouwmeester van de woning,
die alle wenschen van deze Eend bevredigt; soms moet zij zich met
een verlaten hol van een Voseekhoorn, bij uitzondering zelfs met een
rotsspleet behelpen. Het wijfje glipt met verwonderingwekkend gemak
door de ingangsopeningen van verschillende holen, hoewel deze voor
haar veel te klein schijnen. Meesterlijk verstaat zij de kunst om een
holte tot nest in te richten. Dit wordt dan vele jaren achtereen door
het paar gebruikt.
Van September tot in het begin van den winter is het vleesch
van deze Eenden voortreffelijk van smaak; zij worden in dien tijd
overal vervolgd en bij duizenden op de markt gebracht. Boven al hare
uitheemsche verwanten munten zij uit door schoonheid; daar bovendien
haar voortplanting geen bezwaren oplevert, geeft men te recht in
eendefokkerijen aan haar de voorkeur.
De Duikeenden of Zeeëenden (Fuligulinae) kenmerken zich o.a. door
korte pooten, die grootendeels onder de huid van den romp verborgen
en dus ver naar achteren geplaatst zijn. Hierdoor staan zij
met een opgerichte houding en hebben een gebrekkigen gang, maar
kunnen des te beter zwemmen en duiken. De scheen is tot op het
hielgewricht bevederd, de loop korter dan de middelste voorteen en
sterk zijdelings samengedrukt; de lange voorteenen zijn door groote
zwemvliezen vereenigd; de achterteen is met een zwemvliesje voorzien,
daar zijn van weerszijden samengedrukte zool, zich tot een vrij naar
beneden hangenden huidzoom heeft uitgebreid. De romp is kort, breed
en plomp, meer ineengedrongen dan bij de Zwemeenden, de hals kort
en dik, de kop groot, de snavel middelmatig lang, gewoonlijk breed,
met korte zeefplaatjes voorzien, aan den wortel dikwijls gezwollen; de
vleugels zijn kort en bol; de staart is middelmatig lang of kort, maar
breed. Het vliegen vermoeit haar meer dan de andere Zeefsnaveligen,
hoewel zij na eens een zekere hoogte te hebben bereikt, zich met
snelle vleugelslagen tamelijk vlug voortbewegen.
In verband met haar vaardigheid in 't duiken houden deze Eenden meer
van open en diep water dan van een ondiepen of met planten begroeiden
plas. De meeste bewonen de zee, doch zoeken in den voortplantingstijd
het zoetwater op; andere brengen hier nagenoeg haar geheele leven
door. Een enkele, bovenwaartsche stoot van de roeiwerktuigen en het
gelijktijdig uitbreiden van den staart naar beneden is voldoende om
haar met den kop vooruit naar onderen te doen schieten. Zij kunnen
niet, gelijk de Duikers, een door haar waargenomen buit onder water
vervolgen, maar duiken min of meer loodrecht naar den bodem en komen na
een afwezigheid van eenige minuten bijna precies op de plaats vanwaar
zij verdwenen, weer boven. Zij zoeken haar voedsel op den bodem van 't
water en kunnen een niet onbelangrijke diepte bereiken, deze bedraagt
voor de in zee levende soorten, naar uit den aard van haar voedsel
blijkt, soms ongeveer 100 M. Slechts weinige Duikeenden gebruiken bij
voorkeur plantaardige spijzen, de meeste voeden zich met Tweekleppige
Schelpdieren en andere Weekdieren, met Wormen, Schaaldieren, Visschen
enz., gedurende hun verblijf in 't zoetwater ook met Insecten. Het
van den bodem opgezochte voedsel wordt onmiddellijk, reeds gedurende
het duiken, verzwolgen. Zij kwaken niet gelijk de Zwemeenden, maar
brengen ratelende of langgerekte geluiden voort. Wat hare zintuigen
en geestvermogens betreft, schijnen zij ongeveer op gelijke hoogte
te staan met hare verwanten.
Meer dan de overige Zeefsnaveligen nestelen zij gezellig en vormen
soms echte volkplantingen. Niet zelden leggen twee wijfjes, die soms
zelfs tot verschillende soorten behooren, hare eieren in 't zelfde
nest, broeden gemeenschappelijk en houden zich gezamenlijk bezig met
het opvoeden en verzorgen der jongen zonder tusschen het eigen kroost
en de vreemde kinderen onderscheid te maken. Vele stelen elkander de
eieren af en rollen ze naar hare eigene nesten of lokken de jongen,
die pas uit den dop komen, tot zich om ze te verzorgen. De eieren
gelijken veel op die van de Zwemeenden, maar zijn meer afgerond en
hebben een steviger schaal.
Verscheidene Duikeenden leveren door het dons, waarmede zij haar
nest voeren, een belangrijk product; ook zijn sommige als wild
zeer gezocht; van de meeste heeft het vleesch (ten gevolge van de
eigenaardige voedingswijze) een onaangenamen, tranigen of sterken
smaak, waardoor het, voor gastronomen althans, oneetbaar wordt.
De eereplaats onder de Duikeenden komt toe aan de Eidereenden
(Somateria). Behalve door haar aanzienlijke grootte onderscheiden
zij zich door haar zijdelings samengedrukten, in lengte den kop
evenarenden, levendig gekleurden snavel, die bij enkele soorten aan
den wortel knobbelvormig gezwollen is en steeds van hier tot aan de
spits onmerkbaar in breedte en hoogte afneemt. De snavelrug verdeelt
zich van achteren in twee takken, die ver tusschen de veeren van
het voorhoofd doordringen; op de zijden van den bovensnavel reikt
de bevederde huid tot onder de eenigszins naar voren verschoven
neusgaten. De groote, onduidelijk begrensde nagel beslaat de geheele
breedte van de bovensnavelspits.
De Eidereend (Somateria mollissima) heeft den bovenkop, den hals,
den rug en de bovendekveeren van den vleugel wit, de bovenborst
wit met roodachtige tint, het voorhoofd en de slaapstreek, den
onderrug en den buik zwart, de wangen zeegroen; de slagpennen en
stuurpennen zijn bruinachtig zwart, de veeren, die den spiegel
vormen, donker fluweelachtig zwart. Het oog is roodachtig bruin,
de snavel groenachtig geel, de voet olijfgroen. De lengte bedraagt
63 cM. Het wijfje is kleiner, haar roestkleurig kleed is aan den kop
en den hals met bruine, overlangsche vlekken, overigens met zwarte,
halvemaanvormige dwarsvlekken geteekend; haar spiegel is bruin met
witten rand; de onderdeelen zijn donkerbruin met zwarte golflijnen.
Het verbreidingsgebied van de Eidereend is grooter dan dat van alle
overige soorten. Zij bewoont het noorden van de geheele aarde, van
de Jutlandsche eilanden tot Spitsbergen en van Europa's westkust
langs alle noordelijke kusten tot Groenland en IJsland. Het zijn
voornamelijk jonge exemplaren, die ons in sommige jaren 's winters
komen bezoeken; steeds is hun aantal gering. Soms dwalen zij ook
naar de binnenlanden van Duitschland en zelfs naar de Zwitsersche
meren af. De zuidelijkste broedplaatsen zijn die van het eiland Sylt
en van de kleine Deensche eilanden, die op gelijke breedte liggen;
hoe verder men van hier noordwaarts gaat, des te talrijker schijnen
deze Vogels te worden. Reeds in Middel-Noorwegen vindt men hen bij
duizenden, gehoed en verzorgd door de kustbewoners, beschermd door
speciale wetten, die ongelukkig niet overal worden nageleefd: IJsland
en Groenland bewonen zij eveneens in grooten getale. In de zuidelijkste
gewesten en landen van haar verbreidingsgebied blijven zij 's zomers en
's winters, daar de Golfstroom hun in de Noordzee bijna overal open
water verschaft. Zelfs in de Oostzee blijven gewoonlijk open plekken,
waarheen zij 's winters de wijk kunnen nemen; bij zeer strenge vorst
moeten zij van hier vertrekken en begeven zich dan naar de Noordzee
of zelfs naar den Atlantischen Oceaan. Van Groenland trekken de
Eidereenden in de maanden September en October geregeld zuidwaarts,
vereenigen zich in verbazend grooten getale op plaatsen, waar het
voedsel overvloedig is en bedekken de zee in den letterlijken zin van
't woord over een uitgestrektheid van eenige vierkante kilometers. In
April beginnen zij naar het noorden terug te keeren en zijn in den
regel ook dan tot groote zwermen vereenigd.
De Eidereend is een echte zeevogel. Op het land beweegt zij zich
hoogst moeielijk; haar gang is een gebrekkig hompelen, waarbij zij
dikwijls struikelt en valt. Door het vliegen wordt zij steeds vermoeid;
aanhoudend moeten de betrekkelijk kleine vleugels snel bewogen worden;
meestal begeeft zij zich niet op groote hoogte, maar vliegt op korten
afstand van den waterspiegel. Het water is haar element. Haar romp is
bij 't zwemmen minder diep ingedompeld dan die van andere Duikeenden;
zij zwemt sneller dan iedere andere bekende soort en bereikt bij het
duiken grootere diepten. Holböll verzekert, dat zij haar voedsel soms
op een diepte van 50 M. zoekt en wel 6 minuten onder water kan blijven.
Alle Eidereenden broeden eerst tamelijk laat in 't jaar, niet vóór
't laatst van Mei, gewoonlijk eerst in Juni of Juli. Met dit doel
verzamelen zij zich om kleinere eilanden, waar zij gemakkelijk aan
land kunnen komen. De paren scheiden zich van den grooten hoop af;
het mannetje en het wijfje waggelen het land op om een geschikte
nestplaats te zoeken en letten hierbij voornamelijk op een beschutte
ligging. Daarom geven zij de voorkeur aan eilanden, die voor een deel
met lage struiken begroeid zijn. Overal waar de mensch zich met het
broeden van deze nuttige gasten bemoeit, worden toebereidselen voor hun
ontvangst gemaakt; oude kisten worden op het strand neergezet, steenen
met planken en rijshout bedekt en allerlei andere schuilplaatsen
aangebracht. Zoo schuw de Eidereend vroeger was, zoo gemeenzaam is
zij thans. Op de bescherming van den mensch vertrouwend, laat zij
zich door zijn bedrijf volstrekt niet weerhouden of storen. Tot bij
de eenzame hoeve van den kustbewoner komt zij aanwaggelen, tot in
zijn woning zelfs zoekt zij een geschikte plaats voor haar nest; niet
zelden komt het voor, dat enkele wijfjes van Eidereenden in kamers,
stallen, bakovens en dergelijke plaatsen broeden, zoo zelfs dat de
vrouw des huizes last van deze Vogels heeft. In den beginne wordt
het wijfje op al hare wandelingen trouw vergezeld door haar man; deze
verlaat echter zijn ega en haar nest, zoodra het broeden aanvangt en
zoekt buiten, in de zee, de andere mannetjes op.