De Spoorwiekgans is over Middel-, Oost- en West-Afrika verbreid. Zij

bewoont de oevers der rivieren of groote, door den regen gevormde

plassen en zwerft slechts over een betrekkelijk klein gebied heen en

weer. Haar gang herinnert in de verte aan dien van een Ooievaar en

is dus beter dan die van eenige andere soort van de onderfamilie. Ook

haar voedsel is in zooverre eigenaardig, dat zij zeer gaarne Visschen

of dierlijke stoffen in 't algemeen eet en deze, als zij er eens aan

gewoon is, met hetzelfde verlangen te gemoet ziet als de Eenden.

De dierenwereld van Australië is ook door hare Ganzen vreemdsoortig. De

hier levende Hoendergans (Cereopsis Novae-Hollandiae) heeft een

forsch gebouwden romp, een dikken, korten hals, een kleinen kop

met zeer korten, dikken, stompen, aan den wortel hoogen snavel,

die tot bij de spits met een washuid bedekt, hier gekromd en als 't

ware afgeknot is, zoodat hij in de verte op den snavel van sommige

soorten van Hoenderen gelijkt, de loop is lang, de teenen zijn kort

met diep uitgesneden zwemvliezen en groote, krachtige nagels voorzien,

de breede vleugels hebben sterk ontwikkelde schouderveeren, de staart

is kort en afgerond. De kleur is grootendeels zacht blauwachtig grijs

met zwarte, oogvormige vlekken op den rug en de schouders; de tophelft

van de armpennen, de stuurpennen en de onderdekveeren van den staart

zijn bruinachtig zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, zijn

washuid groenachtig geel, de voet zwartachtig. Lengte ongeveer 90 cM.

De Hoendergans leeft veel meer op het land dan op het water. In verband

hiermede loopt zij uitmuntend, zwemt echter tamelijk slecht en daarom

slechts in geval van nood; haar vlucht is plomp. Door haar afkeer van

't water, die zij ook in de gevangenschap toont, onderscheidt zij

zich van alle overige soorten harer familie. Zonder er toe gedwongen

te zijn, zwemt zij hoogst zelden; in den regel blijft zij over dag

zoowel als 's nachts op den vasten bodem, in de morgen- en avonduren

grazend, in de middaguren en gedurende den nacht rustend.

Wegens zijn uitmuntend vleesch, dat, naar men zegt, verre te verkiezen

is boven dat van onze Ganzen, hielden de Nieuw-Hollandsche kolonisten

dezen Vogel vroeger veel op hunne boerderijen. Thans geschiedt dit

wegens zijn twistzieken, onverdraagzamen aard slechts zelden. De Gent

is voor geen der huisdieren bevreesd. "Met de grootste woede," verhaalt

Cornély, "vervolgde mijn Gent ieder levend wezen. Een groote Kraan, die

hem toevallig in den weg kwam, werd onmiddellijk aangevallen. Hoewel

mijn knecht slechts eenige honderde schreden te loopen had, om

de dieren te scheiden, kwam hij toch te laat; de Kraan was reeds

bezweken. Eens kwam de Gent 's nachts in een stal, waar een andere

Kraan sliep; ook dezen vonden wij 's morgens met wonden bedekt. De

koeien nemen voor hem de vlucht; hij valt zelfs voorbijgaande

Paarden aan, zoodat men hem met stokslagen moet wegjagen. Hoewel de

Hoenderganzen hier zeer goed gedijen en op een groene weide een zeer

fraai schouwspel opleveren, moet ik toch iedereen, die niet over een

groote ruimte te beschikken heeft, ontraden, deze Vogels te houden;

want overal, waar zij met andere dieren samenkomen, brengen zij onheil

teweeg." In Europa wordt de vermenigvuldiging van de Hoenderganzen ook

nog bemoeielijkt door den tijd, waarin zij broeden; dit geschiedt in

de laatste herfstmaanden, die in Australië lentemaanden zijn, zoodat

de winterkoude de hoop van den vogelfokker dikwijls verijdelt. De

ervaring heeft echter geleerd, dat Hoenderganzen, welker eerste legsel

door de koude te niet ging, in Februari opnieuw legden en dan hare

jongen zonder bezwaar grootbrachten.

De leden van de derde onderfamilie der Zeefsnaveligen, de Zwemeenden

(Anatinae), onderscheiden zich van de Ganzen vooral door de kortheid

van den loop en van de Zwanen door den korteren hals. Haar romp is

kort, de kop dik; de snavel is even lang als de kop of iets korter

dan deze; de zijranden van den bovensnavel zijn zoo gebogen, dat de

ondersnavel er grootendeels door omvat wordt. De scheen is tot kort

boven het spronggewricht bevederd, de voet ver naar achteren geplaatst;

de korte, zijdelings samengedrukte loop is korter dan de middelste

voorteen, de achterteen heeft geen zwemvliesje. De vleugels zijn

middelmatig groot, smal en spits; de schoudervleugel is gewoonlijk

sterk ontwikkeld en prijkt dikwijls met veeren van eigenaardigen

vorm; de staart is kort en breed, aan den top afgerond of spits;

de kleine veeren vormen op den romp een zeer dicht en glad kleed,

waartusschen zich een overvloed van dons bevindt. Tusschen mannetjes

en wijfjes, ouden en jongen en in verschillende jaargetijden bestaat

een aanmerkelijk verschil in kleur; deze is bij het mannetje meer

of minder prachtig, bij het wijfje eenvoudig en weinig in 't oog

vallend.--Het prachtkleed of bruiloftskleed van het mannetje moet op

één lijn gesteld worden met het zomerkleed van de Vogels van andere

groepen, hoewel het niet in de lente, maar reeds vóór den aanvang

van den winter te voorschijn komt en gedurende den winter en de lente

blijft bestaan. Tegen den aanvang van den zomer, terwijl het wijfje nog

broedt, maakt het prachtkleed van den waard plaats voor het eenvoudige

"zomerkleed", dat dus vergeleken kan worden met het winterkleed der

overige Vogels. Daar de waard gedurende het ruien door het nagenoeg

gelijktijdig uitvallen der slagpennen bijna volkomen buiten staat is

om te vliegen, neemt hij in dezen tijd de wijk naar plassen, die door

hun uitgestrektheid, eenzame ligging en plantengroei hem een veilige

verblijfplaats aanbieden; hier komt in 't verborgen het wisselen der

veeren tot stand. Op alle gunstig gelegen plassen en meren vereenigen

de ruiende Vogels zich tot groote gezelschappen, die den jager een

voordeelige jacht verschaffen, waarvoor echter meestal schuitjes

noodig zijn. Tegen den tijd, waarin de vleugels der jongen bruikbaar

geworden zijn, is ook hun vader weer tot vliegen in staat. Hij keert

dan naar zijn kroost terug, dat tot dusver alleen door de moeder werd

opgevoed. Het wijfje ruit wel twee maanden later. Vóór den winter

heeft bij het mannetje de vervanging van het zomerkleed door het

winterkleed plaats; deze geschiedt niet plotseling, door het uitvallen

der oude en het ontstaan van nieuwe veeren, maar langzamerhand, door

verkleuring van het prachtkleed, zoodat men niet zelden exemplaren in

een zoogenaamd "overgangskleed" aantreft. De veeren, die gedurende den

zomer verloren gingen, worden omstreeks denzelfden tijd vernieuwd met

de kleuren van het prachtkleed; bij de meeste individuën treden beide

verschijnselen, de kleursverandering en het ontstaan van nieuwe veeren,

gelijktijdig op, waardoor de onjuiste meening ingang heeft gevonden,

dat de mannetjes tweemaal per jaar, de wijfjes daarentegen slechts

éénmaal ruien.

Ook de Zwemeenden zijn over de geheele wereld verbreid, hoewel men

in de heete en de gematigde aardgordels een grooter aantal soorten

aantreft dan in de koude. Zij bewonen de zee en het zoetwater tot in

hooge bergstreken en trekken naar warmere gewesten, als de winter

haar er toe noodzaakt; sommige soorten doen zeer verre reizen;

onderweg vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen. Eenige soorten

loopen bijna even goed als de Ganzen, andere hebben een plompen

en waggelenden gang; alle zijn uitmuntend ervaren in het zwemmen,

hoewel zij slechts bij uitzondering duiken en hierin geen bijzondere

bekwaamheid toonen. Alle vliegen goed, met snel opeenvolgende,

bijna gonzende vleugelslagen, die een fluitend, ruischend of schel

klinkend geluid veroorzaken; zij stijgen met evenveel gemak uit

het water als van den vasten grond omhoog, bewegen zich op korten

afstand van den bodem en van den waterspiegel voort of verheffen

zich tot een hoogte van verscheidene honderden meters. Van enkele

is de stem welluidend en helder, gelijk de tonen van een trompet of

van een fluit; van andere is zij kwakend of ratelend; het geluid van

het mannetje is in den regel anders dan van het wijfje. Het voedsel

wordt gewoonlijk in de schemering- of avonduren gezocht en is deels

dierlijk, deels plantaardig. Malsche spruitjes, wortelknollen en zaden

van allerlei soorten van moeras- en waterplanten, verschillende grassen

en graangewassen, Insecten, Wormen, Weekdieren, Amphibiën, Visschen,

stukken vleesch van groote Gewervelde Dieren, zelfs krengen worden met

graagte verslonden; tot bevordering van de spijsvertering dienen de

tevens doorgeslikte schelpjes en zandkorrels of kleine kiezelsteentjes.

Alle Eenden leven in monogamie (iedere "waard" of "woerd" met

één wijfje). De wijfjes bouwen de nesten bij voorkeur in elkanders

nabijheid; eenige soorten vormen echte broedgezelschappen. Verborgen

nestplaatsen vallen het meest in den smaak; vele bouwen haar nest

echter op een open terrein. Verscheidene soorten nestelen in holen

onder den grond of in rotskloven, andere in gaten van boomen, nog

andere op de takken, waarbij het nest van een landvogel den grondslag

voor het hare vormt. De overige maken een diepe kom in een hoop

plantendeelen op den grond; vóór het broeden wordt deze holte door de

eend met haar eigen dons zacht gevoerd. Het aantal eieren is in den

regel groot, zelden minder dan 6, soms wel 16; de duur van het broeden

wisselt af van 21 tot 24 dagen. Als verscheidene wijfjes-eenden naast

elkander nestelen, stelen zij elkander gewoonlijk de eieren af; want de

aandrift tot broeden en verzorgen van jongen is bij haar zeer groot. De

moeder voert de jongen, nadat zij droog geworden zijn, zoo schielijk

mogelijk naar het water en helpt ze met groote liefde. Reeds op den

eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig en vlug; zij zijn

vaardig in het loopen, zwemmen en duiken, vangen ijverig Insecten,

eten veel en groeien schielijk. Onmiddellijk na het gereed komen

van het eerste vederenkleed begint de ontwikkeling van het tweede;

deze is afgeloopen als de vader bij zijn gezin terugkomt.

Alle snelvliegende Roofvogels, van den Arend tot de wijfjes

van Haviken en Sperwers, maken jacht op de volwassen Eenden;

de jongen worden door Vossen, Marters, Wezels, Ratten, Raven,

Kraaien, Roofmeeuwen enz. vervolgd: bovendien worden vele broedsels

vernield door onverwachte rijzing van den waterspiegel en andere

natuurverschijnsels. In bebouwde landen vermindert het aantal Eenden

van jaar tot jaar, niet zoozeer wegens de vervolgingen, die zij

te verduren hebben, als door het meer en meer droogleggen van de

terreinen, waar zij haar voedsel zoeken en nestelen.

Het geslacht der Eenden (Anas) omvat alle Zwemeenden, welker snavel

langer is dan de kop, naar voren niet breeder, maar een weinig

smaller wordt en een nagel heeft, die ternauwernood een derde van de

breedte van de spits inneemt. De eerste en de tweede slagpen zijn de

langste. De spits eindigende staart bestaat uit 14 of 16 pennen. Van

de 40 soorten van dit geslacht, dat in verscheidene ondergeslachten

wordt verdeeld, zijn 5 inheemsch.

Van alle Eenden zijn mijns inziens de Fluiteenden (Mareca) nog het

naast aan de Ganzen verwant. Haar mondspleet is korter dan bij de

overige Eenden, daar zij even lang is als de loop. De eenige inheemsche

vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de Smient of Fluiteend

[Anas (Mareca) penelope], in Groningen Smeenk of Smink, in Friesland

Smunt, in Limburg Maaseend genoemd. Des winters bezoekt zij ons land

in ontelbare menigte op den trek; een enkel paar werd in Noordbrabant

broedend gevonden (Albarda). In 't prachtkleed heeft het mannetje den

kop en den hals roestrood met okergele kruin, den krop grijsachtig

rozerood, de kleine bovendekveeren van den vleugel benevens het

midden van borst en buik zuiver wit, de zijden van borst en buik op

witten grond met zeer fijne, dichtbijeenstaande, dwarse golflijnen

geteekend, de lange schouderveeren zwart met witten buitenzoom,

de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwartgrijs, den

spiegel glanzig groen (bij 't wijfje bruinzwart), van voren en van

achteren door een zwarte streep begrensd, de handpennen grijsbruin,

de voorste armpennen zwart met groenen glans op de buitenvlag, de

staartpennen donker aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel licht

blauwachtig grijs met zwarte spits, de voet aschgrauw. Lengte 54 cM.

Het broedgebied van de Smient omvat de geheele toendra van Europa,

Azië en Amerika. Op den trek doorreist zij geheel Europa en Azië;

zij bezoekt echter het binnenland van Afrika niet, doch overwintert

in het kustgebied van de Middellandsche zee. Meer dan eenige andere

Zwemeend geeft zij aan zoetwater de voorkeur, hoewel zij zich op den

trek tijdelijk in ondiepe zeebochten en brakwater ophoudt. Hoewel

zij in aard en voorkomen een echte Eend is, onderscheidt zij zich van

hare verwanten door haar lossen, snellen, bijna niet waggelenden gang,

welke aan dien van een Gans herinnert. Zij dankt haar naam "Fluiteend"

aan haar op "wiewuu, wuubiebuu, wuubwieüu" gelijkende, op een afstand

niet onaangenaam klinkende stem. Geen enkele mij bekende Eend houdt

zooveel van plantaardig voedsel als deze. Eigenaardig is het, dat

voor de vangst van Smienten onder slagnetten behalve tamme Eenden

ook tamme Ganzen als lokvogels gebruikt worden, voor de vangst van

andere soorten van Eenden daarentegen uitsluitend tamme leden van

haar eigen onderfamilie. "De Eenden", schrijft Dr. G. A. Venema [3],

"houden niet veel van het geroep van Ganzen. Alleen de Smienten zijn

niet zóó zeer op het gezelschap van hare soortgenooten gesteld, maar

luisteren gaarne naar het geroep der Weenkies" (hiermede wordt Anser

albifrons, bedoeld) "en vinden haar gezelschap aangenaam."

Gevangene Swienten zijn een sieraad van een door traliewerk afgesloten

vijver en planten zich hier ook voort. Als wild zijn zij zeer gezocht.

Van alle Eenden is de Wilde Eend [Anas (Anas) boscas], in Limburg

Blokeend, in 't Friesch Ein of Einefoegel (mannetje: erk; wijfje: ein)

genoemd, voor ons de belangrijkste, omdat van haar onze Tamme Eend

afstamt. Zij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Spiegeleenden

(Anas), zoo genoemd wegens haar grooten, zeer in 't oog vallenden

"spiegel" (een plek op den vleugel, die door de eigenaardige kleur

en teekening van de armpennen gevormd wordt). In 't prachtkleed

is het mannetje zeer gemakkelijk te herkennen aan de verlengde,

sikkelvormig naar voren omgekrulde, laatste bovendekveeren van den

staart. De kop en het bovenste deel van den hals zijn groen, van de

kastanjebruine bovenborst gescheiden door een smallen, witten halsband;

de bovenrug is hoog- of grijsbruin, met donkerder tinten gemengd, op

de schouders met grijswitte, bruine en zwartachtige golflijnen. De

vleugel heeft grijze bovendekveeren en een prachtig blauwen, aan

weerszijden wit gezoomden spiegel; de onderrug, de staartwortel en de

bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, de onderdeelen op

grijswitten grond met zeer fijne, zwartachtige golflijnen geteekend;

de onderdekveeren van den staart zijn fluweelzwart, de slagpennen

donkergrijs. Het oog is lichtbruin, de snavel groengeel, de voet

bleekrood. In den zomer en herfst verschilt het kleed van 't mannetje

alleen door een iets lichtere kleur van dat van 't wijfje; dit heeft

den kop en den hals vaalgrijs met donkerder stippels, den bovenkop

zwartbruin; de teekening van den bruinen rug bestaat uit zwartbruine,

grijze, bruine en roestbruingele stippels en lichtere vederranden,

die van den onderhals en den krop uit zwarte maanvlekken op licht

kastanjebruinen grond, die van de overige onderdeelen uit bruine

vlekken op geelbruinen grond. Lengte 63 cM.

Het verbreidingsgebied van de Wilde Eend omvat geheel Europa en Azië,

Noord-Amerika (tot Mexico) en Noord-Afrika; zij trekt in 't noorden

geregeld, begeeft zich ook van onze breedten in den herfst naar

't zuiden, overwintert echter reeds in Zuid-Duitschland dikwijls

in haar broedgebied. In de maanden October en November verzamelen

de Wilde Eenden zich tot groote zwermen om zuidelijker gewesten op

te zoeken. De meeste gaan tot Italië, Griekenland en Spanje, slechts

weinige tot Noord-Afrika of de Zuid-Aziatische landen, die op dezelfde

breedte liggen. Op de Italiaansche, Grieksche en Spaansche meren ziet

men ze bij duizenden en honderdduizenden; soms is het water met deze

Vogels bedekt over een uitgestrektheid van verscheidene vierkante

KM. en veroorzaken zij bij het opvliegen een ver hoorbaar geraas, dat

aan het geluid van de branding herinnert. Reeds in Februari, uiterlijk

Maart, begint de terugtocht. Bij ons broedt deze soort overal; de Wilde

Eenden, die hier in het winterhalfjaar zoo menigvuldig aangetroffen

worden, trekken voor 't meerendeel door. De uit het noorden afkomstige

exemplaren zijn de grootste. Kleinere Eenden met een meer gedrongen

lichaamsbouw en een korteren snavel, die slechts bij strenge vorst

komen opzetten, zijn bij de kooikers onder den naam van "Oostvogels"

bekend (in Groningen noemt men ze "Oostersche Eenden"); zij broeden

aan de Oostzeekusten (Albarda).

In haar vaderland, zoowel als in den vreemde bewoont de Wilde Eend bij

voorkeur meren, vijvers en moerassen, die gedeeltelijk met struiken,

riet en andere moerasplanten begroeid zijn, zoodat er hier en daar

open water is. Van hier vliegt zij naar de kleine vijvers, poelen,

kanalen, slooten of akkers om ook van het hier aanwezige voedsel

gebruik te maken. Betrekkelijk zelden vertoont zij zich op den

vrijen waterspiegel; liefst zwemt zij zoo schielijk mogelijk naar het

naburige halmenwoud en zoekt hier slobberend en wadend, haar voedsel

in het slijk.

De Wilde Eend is een van de vraatzuchtigste Vogels, die wij kennen. Zij

verslindt malsche bladen, spruitjes, knoppen, kiemplantjes en

zaden van grassen en allerlei andere moerasplanten, graankorrels,

knolvormig gezwollen plantendeelen enz. Bovendien maakt zij ijverig

jacht op allerlei Weekdieren, Wormen, Gelede Dieren, Visschen en

Amphibiën. Haar onverzadelijke honger noopt haar te eten, zoolang

zij wakker is en iets te bikken vindt.

Door aard, bewegingen en gewoonten komt zij overeen met haar tamme

verwant, de Huiseend. Zij loopt, zwemt, duikt en vliegt op soortgelijke

wijze, maar beter. Van de wijfjes van Wilde en van Tamme Eenden hoort

men het ver klinkende "kwak", van de mannetjes het doffe "kwek"; voor

't gewone verkeer dienen de klanken "wek wek"; de loktoon is "wak

wak", vrees wordt door "rets" of "reb reb" uitgedrukt, kortom van

beide is de stem geheel dezelfde. Hare zintuigen zijn scherp, hare

geestvermogens goed ontwikkeld. Zij is steeds voorzichtig en sluw,

maar wordt buitengewoon schuw door vervolgingen. Hoogst gezellig,

over 't algemeen ook verdraagzaam van aard, voegt zij zich gaarne

bij hare verwanten en gaat met allerlei Vogels gemeenzaam om. Zelfs

vermijdt zij niet altijd de nabuurschap van den mensch, maar vestigt

zich dikwijls op vijvers, die onder de bescherming van het publiek

staan, bij voorbeeld op die van plantsoenen of groote tuinen;

hier verliest zij weldra haar argwaan en laat zich gaarne door de

wandelaars voederen. Zij schroomt niet op zulke plaatsen te broeden

en jongen groot te brengen; zij gedraagt zich hier bijna als een

tamme Vogel. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een stil, droog

plekje onder struiken of andere planten op, maar maakt ook wel gebruik

van reeds aanwezige, op boomen gevestigde nesten van Roofvogels of

Kraaien. Zij broedt op 8 à 16 langwerpige eieren met harde en gladde,

grijswitte schaal, welke niet onderscheiden kunnen worden van die der

Huiseend. De jongen (die men vaak "Pielen" of "Puulen" hoort noemen)

worden na het verlaten van het ei nog een dag in het nest verwarmd

en vervolgens naar het water gevoerd. Als zij in een hoog gelegen

nest het eerste levenslicht aanschouwden, springen zij eenvoudig op

den grond, zonder zich bij den val te bezeeren.

De vader bemoeit zich in 't geheel niet met zijn gezin in dezen tijd

van zorg en angst voor de moeder. Zoodra de eend begint te broeden,

vliegt de waard weg en vereenigt zich met zijns gelijken tot troepen.

Menige oude Eend valt den Vos of den Vischotter, menige jonge den

Bunsing of den Nerts ten buit; de eieren en kleine jongen worden

door Waterratten of door Wouwen geroofd; hare ergste vijanden zijn

echter de groote Edelvalken, die zich een tijdlang bijna uitsluitend

met Eenden voeden; zij trachten bij 't zien van zulk een geweldenaar

zich zoo goed mogelijk door duiken te redden.

De Eenden zijn als wild zeer gezocht; op allerlei wijzen worden zij,

zoowel bij ons als in zuidelijker landen, bij duizenden gevangen. Des

winters zijn de markten van alle Italiaansche, Grieksche, Spaansche

en Egyptische steden overvoerd met Eenden in 't algemeen en met die

van de gewone soort in 't bijzonder.

De kleine soorten van Eenden, die ongeveer de grootte van een Woudduif

hebben, worden hier te lande gewoonlijk Talingen genoemd. Men vat

ze dikwijls samen in een ondergeslacht van dien naam (Querquedula),

gekenmerkt door de kuifvormig verlengde veeren van den achterkop en

de spits toeloopende, soms zeisvormig verlengde schouderveeren. Van

de vier Europeesche soorten van deze groep zijn er twee inheemsch. De

kleinste, de 32 cM. lange Wintertaling--naar de stem ook wel Krik of

Krikje, in Friesland Piepteling genoemd (Anas crecca)--onderscheidt

zich o.a. door het bezit van 16 pennen in den staart van den (38

cM. langen) Zomertaling--vroeger ook Schijftaling, bij Oirschot

Schuim- of Schiemeendje, in Friesland Schiertaling genoemd (Anas

querquedula)--, die 14 stuurpennen heeft. De eerste wordt daarom ook

wel tot een afzonderlijk ondergeslacht, dat der Krikeenden (Nettion),

gerekend. De Wintertaling heet zóó, omdat hij in Nederland van

Augustus, totdat de vorst invalt en in Maart en April in ontelbare

menigte voorkomt. Hier en daar werd hij in onze streken broedend

aangetroffen. Minder zelden, doch geenszins veelvuldig vindt men

bij ons, vooral in kleistreken, nesten van den Zomertaling. Deze

vertoeft in Nederland gewoonlijk van April tot September en brengt

er slechts in enkele gevallen den winter door. Voor den kooiker is

hij van weinig belang. De Wintertalingen daarentegen worden in groote

menigte gevangen, eenige jaren geleden b.v. in een eendenkooi onder

Anjum (Friesland) 1500 stuks op één dag (Albarda).

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 28 / 31 段