bewoont de oevers der rivieren of groote, door den regen gevormde
plassen en zwerft slechts over een betrekkelijk klein gebied heen en
weer. Haar gang herinnert in de verte aan dien van een Ooievaar en
is dus beter dan die van eenige andere soort van de onderfamilie. Ook
haar voedsel is in zooverre eigenaardig, dat zij zeer gaarne Visschen
of dierlijke stoffen in 't algemeen eet en deze, als zij er eens aan
gewoon is, met hetzelfde verlangen te gemoet ziet als de Eenden.
De dierenwereld van Australië is ook door hare Ganzen vreemdsoortig. De
hier levende Hoendergans (Cereopsis Novae-Hollandiae) heeft een
forsch gebouwden romp, een dikken, korten hals, een kleinen kop
met zeer korten, dikken, stompen, aan den wortel hoogen snavel,
die tot bij de spits met een washuid bedekt, hier gekromd en als 't
ware afgeknot is, zoodat hij in de verte op den snavel van sommige
soorten van Hoenderen gelijkt, de loop is lang, de teenen zijn kort
met diep uitgesneden zwemvliezen en groote, krachtige nagels voorzien,
de breede vleugels hebben sterk ontwikkelde schouderveeren, de staart
is kort en afgerond. De kleur is grootendeels zacht blauwachtig grijs
met zwarte, oogvormige vlekken op den rug en de schouders; de tophelft
van de armpennen, de stuurpennen en de onderdekveeren van den staart
zijn bruinachtig zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, zijn
washuid groenachtig geel, de voet zwartachtig. Lengte ongeveer 90 cM.
De Hoendergans leeft veel meer op het land dan op het water. In verband
hiermede loopt zij uitmuntend, zwemt echter tamelijk slecht en daarom
slechts in geval van nood; haar vlucht is plomp. Door haar afkeer van
't water, die zij ook in de gevangenschap toont, onderscheidt zij
zich van alle overige soorten harer familie. Zonder er toe gedwongen
te zijn, zwemt zij hoogst zelden; in den regel blijft zij over dag
zoowel als 's nachts op den vasten bodem, in de morgen- en avonduren
grazend, in de middaguren en gedurende den nacht rustend.
Wegens zijn uitmuntend vleesch, dat, naar men zegt, verre te verkiezen
is boven dat van onze Ganzen, hielden de Nieuw-Hollandsche kolonisten
dezen Vogel vroeger veel op hunne boerderijen. Thans geschiedt dit
wegens zijn twistzieken, onverdraagzamen aard slechts zelden. De Gent
is voor geen der huisdieren bevreesd. "Met de grootste woede," verhaalt
Cornély, "vervolgde mijn Gent ieder levend wezen. Een groote Kraan, die
hem toevallig in den weg kwam, werd onmiddellijk aangevallen. Hoewel
mijn knecht slechts eenige honderde schreden te loopen had, om
de dieren te scheiden, kwam hij toch te laat; de Kraan was reeds
bezweken. Eens kwam de Gent 's nachts in een stal, waar een andere
Kraan sliep; ook dezen vonden wij 's morgens met wonden bedekt. De
koeien nemen voor hem de vlucht; hij valt zelfs voorbijgaande
Paarden aan, zoodat men hem met stokslagen moet wegjagen. Hoewel de
Hoenderganzen hier zeer goed gedijen en op een groene weide een zeer
fraai schouwspel opleveren, moet ik toch iedereen, die niet over een
groote ruimte te beschikken heeft, ontraden, deze Vogels te houden;
want overal, waar zij met andere dieren samenkomen, brengen zij onheil
teweeg." In Europa wordt de vermenigvuldiging van de Hoenderganzen ook
nog bemoeielijkt door den tijd, waarin zij broeden; dit geschiedt in
de laatste herfstmaanden, die in Australië lentemaanden zijn, zoodat
de winterkoude de hoop van den vogelfokker dikwijls verijdelt. De
ervaring heeft echter geleerd, dat Hoenderganzen, welker eerste legsel
door de koude te niet ging, in Februari opnieuw legden en dan hare
jongen zonder bezwaar grootbrachten.
De leden van de derde onderfamilie der Zeefsnaveligen, de Zwemeenden
(Anatinae), onderscheiden zich van de Ganzen vooral door de kortheid
van den loop en van de Zwanen door den korteren hals. Haar romp is
kort, de kop dik; de snavel is even lang als de kop of iets korter
dan deze; de zijranden van den bovensnavel zijn zoo gebogen, dat de
ondersnavel er grootendeels door omvat wordt. De scheen is tot kort
boven het spronggewricht bevederd, de voet ver naar achteren geplaatst;
de korte, zijdelings samengedrukte loop is korter dan de middelste
voorteen, de achterteen heeft geen zwemvliesje. De vleugels zijn
middelmatig groot, smal en spits; de schoudervleugel is gewoonlijk
sterk ontwikkeld en prijkt dikwijls met veeren van eigenaardigen
vorm; de staart is kort en breed, aan den top afgerond of spits;
de kleine veeren vormen op den romp een zeer dicht en glad kleed,
waartusschen zich een overvloed van dons bevindt. Tusschen mannetjes
en wijfjes, ouden en jongen en in verschillende jaargetijden bestaat
een aanmerkelijk verschil in kleur; deze is bij het mannetje meer
of minder prachtig, bij het wijfje eenvoudig en weinig in 't oog
vallend.--Het prachtkleed of bruiloftskleed van het mannetje moet op
één lijn gesteld worden met het zomerkleed van de Vogels van andere
groepen, hoewel het niet in de lente, maar reeds vóór den aanvang
van den winter te voorschijn komt en gedurende den winter en de lente
blijft bestaan. Tegen den aanvang van den zomer, terwijl het wijfje nog
broedt, maakt het prachtkleed van den waard plaats voor het eenvoudige
"zomerkleed", dat dus vergeleken kan worden met het winterkleed der
overige Vogels. Daar de waard gedurende het ruien door het nagenoeg
gelijktijdig uitvallen der slagpennen bijna volkomen buiten staat is
om te vliegen, neemt hij in dezen tijd de wijk naar plassen, die door
hun uitgestrektheid, eenzame ligging en plantengroei hem een veilige
verblijfplaats aanbieden; hier komt in 't verborgen het wisselen der
veeren tot stand. Op alle gunstig gelegen plassen en meren vereenigen
de ruiende Vogels zich tot groote gezelschappen, die den jager een
voordeelige jacht verschaffen, waarvoor echter meestal schuitjes
noodig zijn. Tegen den tijd, waarin de vleugels der jongen bruikbaar
geworden zijn, is ook hun vader weer tot vliegen in staat. Hij keert
dan naar zijn kroost terug, dat tot dusver alleen door de moeder werd
opgevoed. Het wijfje ruit wel twee maanden later. Vóór den winter
heeft bij het mannetje de vervanging van het zomerkleed door het
winterkleed plaats; deze geschiedt niet plotseling, door het uitvallen
der oude en het ontstaan van nieuwe veeren, maar langzamerhand, door
verkleuring van het prachtkleed, zoodat men niet zelden exemplaren in
een zoogenaamd "overgangskleed" aantreft. De veeren, die gedurende den
zomer verloren gingen, worden omstreeks denzelfden tijd vernieuwd met
de kleuren van het prachtkleed; bij de meeste individuën treden beide
verschijnselen, de kleursverandering en het ontstaan van nieuwe veeren,
gelijktijdig op, waardoor de onjuiste meening ingang heeft gevonden,
dat de mannetjes tweemaal per jaar, de wijfjes daarentegen slechts
éénmaal ruien.
Ook de Zwemeenden zijn over de geheele wereld verbreid, hoewel men
in de heete en de gematigde aardgordels een grooter aantal soorten
aantreft dan in de koude. Zij bewonen de zee en het zoetwater tot in
hooge bergstreken en trekken naar warmere gewesten, als de winter
haar er toe noodzaakt; sommige soorten doen zeer verre reizen;
onderweg vereenigen zij zich tot ontzaglijke zwermen. Eenige soorten
loopen bijna even goed als de Ganzen, andere hebben een plompen
en waggelenden gang; alle zijn uitmuntend ervaren in het zwemmen,
hoewel zij slechts bij uitzondering duiken en hierin geen bijzondere
bekwaamheid toonen. Alle vliegen goed, met snel opeenvolgende,
bijna gonzende vleugelslagen, die een fluitend, ruischend of schel
klinkend geluid veroorzaken; zij stijgen met evenveel gemak uit
het water als van den vasten grond omhoog, bewegen zich op korten
afstand van den bodem en van den waterspiegel voort of verheffen
zich tot een hoogte van verscheidene honderden meters. Van enkele
is de stem welluidend en helder, gelijk de tonen van een trompet of
van een fluit; van andere is zij kwakend of ratelend; het geluid van
het mannetje is in den regel anders dan van het wijfje. Het voedsel
wordt gewoonlijk in de schemering- of avonduren gezocht en is deels
dierlijk, deels plantaardig. Malsche spruitjes, wortelknollen en zaden
van allerlei soorten van moeras- en waterplanten, verschillende grassen
en graangewassen, Insecten, Wormen, Weekdieren, Amphibiën, Visschen,
stukken vleesch van groote Gewervelde Dieren, zelfs krengen worden met
graagte verslonden; tot bevordering van de spijsvertering dienen de
tevens doorgeslikte schelpjes en zandkorrels of kleine kiezelsteentjes.
Alle Eenden leven in monogamie (iedere "waard" of "woerd" met
één wijfje). De wijfjes bouwen de nesten bij voorkeur in elkanders
nabijheid; eenige soorten vormen echte broedgezelschappen. Verborgen
nestplaatsen vallen het meest in den smaak; vele bouwen haar nest
echter op een open terrein. Verscheidene soorten nestelen in holen
onder den grond of in rotskloven, andere in gaten van boomen, nog
andere op de takken, waarbij het nest van een landvogel den grondslag
voor het hare vormt. De overige maken een diepe kom in een hoop
plantendeelen op den grond; vóór het broeden wordt deze holte door de
eend met haar eigen dons zacht gevoerd. Het aantal eieren is in den
regel groot, zelden minder dan 6, soms wel 16; de duur van het broeden
wisselt af van 21 tot 24 dagen. Als verscheidene wijfjes-eenden naast
elkander nestelen, stelen zij elkander gewoonlijk de eieren af; want de
aandrift tot broeden en verzorgen van jongen is bij haar zeer groot. De
moeder voert de jongen, nadat zij droog geworden zijn, zoo schielijk
mogelijk naar het water en helpt ze met groote liefde. Reeds op den
eersten levensdag bewegen zij zich zeer behendig en vlug; zij zijn
vaardig in het loopen, zwemmen en duiken, vangen ijverig Insecten,
eten veel en groeien schielijk. Onmiddellijk na het gereed komen
van het eerste vederenkleed begint de ontwikkeling van het tweede;
deze is afgeloopen als de vader bij zijn gezin terugkomt.
Alle snelvliegende Roofvogels, van den Arend tot de wijfjes
van Haviken en Sperwers, maken jacht op de volwassen Eenden;
de jongen worden door Vossen, Marters, Wezels, Ratten, Raven,
Kraaien, Roofmeeuwen enz. vervolgd: bovendien worden vele broedsels
vernield door onverwachte rijzing van den waterspiegel en andere
natuurverschijnsels. In bebouwde landen vermindert het aantal Eenden
van jaar tot jaar, niet zoozeer wegens de vervolgingen, die zij
te verduren hebben, als door het meer en meer droogleggen van de
terreinen, waar zij haar voedsel zoeken en nestelen.
Het geslacht der Eenden (Anas) omvat alle Zwemeenden, welker snavel
langer is dan de kop, naar voren niet breeder, maar een weinig
smaller wordt en een nagel heeft, die ternauwernood een derde van de
breedte van de spits inneemt. De eerste en de tweede slagpen zijn de
langste. De spits eindigende staart bestaat uit 14 of 16 pennen. Van
de 40 soorten van dit geslacht, dat in verscheidene ondergeslachten
wordt verdeeld, zijn 5 inheemsch.
Van alle Eenden zijn mijns inziens de Fluiteenden (Mareca) nog het
naast aan de Ganzen verwant. Haar mondspleet is korter dan bij de
overige Eenden, daar zij even lang is als de loop. De eenige inheemsche
vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de Smient of Fluiteend
[Anas (Mareca) penelope], in Groningen Smeenk of Smink, in Friesland
Smunt, in Limburg Maaseend genoemd. Des winters bezoekt zij ons land
in ontelbare menigte op den trek; een enkel paar werd in Noordbrabant
broedend gevonden (Albarda). In 't prachtkleed heeft het mannetje den
kop en den hals roestrood met okergele kruin, den krop grijsachtig
rozerood, de kleine bovendekveeren van den vleugel benevens het
midden van borst en buik zuiver wit, de zijden van borst en buik op
witten grond met zeer fijne, dichtbijeenstaande, dwarse golflijnen
geteekend, de lange schouderveeren zwart met witten buitenzoom,
de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zwartgrijs, den
spiegel glanzig groen (bij 't wijfje bruinzwart), van voren en van
achteren door een zwarte streep begrensd, de handpennen grijsbruin,
de voorste armpennen zwart met groenen glans op de buitenvlag, de
staartpennen donker aschgrauw. Het oog is bruin, de snavel licht
blauwachtig grijs met zwarte spits, de voet aschgrauw. Lengte 54 cM.
Het broedgebied van de Smient omvat de geheele toendra van Europa,
Azië en Amerika. Op den trek doorreist zij geheel Europa en Azië;
zij bezoekt echter het binnenland van Afrika niet, doch overwintert
in het kustgebied van de Middellandsche zee. Meer dan eenige andere
Zwemeend geeft zij aan zoetwater de voorkeur, hoewel zij zich op den
trek tijdelijk in ondiepe zeebochten en brakwater ophoudt. Hoewel
zij in aard en voorkomen een echte Eend is, onderscheidt zij zich van
hare verwanten door haar lossen, snellen, bijna niet waggelenden gang,
welke aan dien van een Gans herinnert. Zij dankt haar naam "Fluiteend"
aan haar op "wiewuu, wuubiebuu, wuubwieüu" gelijkende, op een afstand
niet onaangenaam klinkende stem. Geen enkele mij bekende Eend houdt
zooveel van plantaardig voedsel als deze. Eigenaardig is het, dat
voor de vangst van Smienten onder slagnetten behalve tamme Eenden
ook tamme Ganzen als lokvogels gebruikt worden, voor de vangst van
andere soorten van Eenden daarentegen uitsluitend tamme leden van
haar eigen onderfamilie. "De Eenden", schrijft Dr. G. A. Venema [3],
"houden niet veel van het geroep van Ganzen. Alleen de Smienten zijn
niet zóó zeer op het gezelschap van hare soortgenooten gesteld, maar
luisteren gaarne naar het geroep der Weenkies" (hiermede wordt Anser
albifrons, bedoeld) "en vinden haar gezelschap aangenaam."
Gevangene Swienten zijn een sieraad van een door traliewerk afgesloten
vijver en planten zich hier ook voort. Als wild zijn zij zeer gezocht.
Van alle Eenden is de Wilde Eend [Anas (Anas) boscas], in Limburg
Blokeend, in 't Friesch Ein of Einefoegel (mannetje: erk; wijfje: ein)
genoemd, voor ons de belangrijkste, omdat van haar onze Tamme Eend
afstamt. Zij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Spiegeleenden
(Anas), zoo genoemd wegens haar grooten, zeer in 't oog vallenden
"spiegel" (een plek op den vleugel, die door de eigenaardige kleur
en teekening van de armpennen gevormd wordt). In 't prachtkleed
is het mannetje zeer gemakkelijk te herkennen aan de verlengde,
sikkelvormig naar voren omgekrulde, laatste bovendekveeren van den
staart. De kop en het bovenste deel van den hals zijn groen, van de
kastanjebruine bovenborst gescheiden door een smallen, witten halsband;
de bovenrug is hoog- of grijsbruin, met donkerder tinten gemengd, op
de schouders met grijswitte, bruine en zwartachtige golflijnen. De
vleugel heeft grijze bovendekveeren en een prachtig blauwen, aan
weerszijden wit gezoomden spiegel; de onderrug, de staartwortel en de
bovendekveeren van den staart zijn zwartachtig groen, de onderdeelen op
grijswitten grond met zeer fijne, zwartachtige golflijnen geteekend;
de onderdekveeren van den staart zijn fluweelzwart, de slagpennen
donkergrijs. Het oog is lichtbruin, de snavel groengeel, de voet
bleekrood. In den zomer en herfst verschilt het kleed van 't mannetje
alleen door een iets lichtere kleur van dat van 't wijfje; dit heeft
den kop en den hals vaalgrijs met donkerder stippels, den bovenkop
zwartbruin; de teekening van den bruinen rug bestaat uit zwartbruine,
grijze, bruine en roestbruingele stippels en lichtere vederranden,
die van den onderhals en den krop uit zwarte maanvlekken op licht
kastanjebruinen grond, die van de overige onderdeelen uit bruine
vlekken op geelbruinen grond. Lengte 63 cM.
Het verbreidingsgebied van de Wilde Eend omvat geheel Europa en Azië,
Noord-Amerika (tot Mexico) en Noord-Afrika; zij trekt in 't noorden
geregeld, begeeft zich ook van onze breedten in den herfst naar
't zuiden, overwintert echter reeds in Zuid-Duitschland dikwijls
in haar broedgebied. In de maanden October en November verzamelen
de Wilde Eenden zich tot groote zwermen om zuidelijker gewesten op
te zoeken. De meeste gaan tot Italië, Griekenland en Spanje, slechts
weinige tot Noord-Afrika of de Zuid-Aziatische landen, die op dezelfde
breedte liggen. Op de Italiaansche, Grieksche en Spaansche meren ziet
men ze bij duizenden en honderdduizenden; soms is het water met deze
Vogels bedekt over een uitgestrektheid van verscheidene vierkante
KM. en veroorzaken zij bij het opvliegen een ver hoorbaar geraas, dat
aan het geluid van de branding herinnert. Reeds in Februari, uiterlijk
Maart, begint de terugtocht. Bij ons broedt deze soort overal; de Wilde
Eenden, die hier in het winterhalfjaar zoo menigvuldig aangetroffen
worden, trekken voor 't meerendeel door. De uit het noorden afkomstige
exemplaren zijn de grootste. Kleinere Eenden met een meer gedrongen
lichaamsbouw en een korteren snavel, die slechts bij strenge vorst
komen opzetten, zijn bij de kooikers onder den naam van "Oostvogels"
bekend (in Groningen noemt men ze "Oostersche Eenden"); zij broeden
aan de Oostzeekusten (Albarda).
In haar vaderland, zoowel als in den vreemde bewoont de Wilde Eend bij
voorkeur meren, vijvers en moerassen, die gedeeltelijk met struiken,
riet en andere moerasplanten begroeid zijn, zoodat er hier en daar
open water is. Van hier vliegt zij naar de kleine vijvers, poelen,
kanalen, slooten of akkers om ook van het hier aanwezige voedsel
gebruik te maken. Betrekkelijk zelden vertoont zij zich op den
vrijen waterspiegel; liefst zwemt zij zoo schielijk mogelijk naar het
naburige halmenwoud en zoekt hier slobberend en wadend, haar voedsel
in het slijk.
De Wilde Eend is een van de vraatzuchtigste Vogels, die wij kennen. Zij
verslindt malsche bladen, spruitjes, knoppen, kiemplantjes en
zaden van grassen en allerlei andere moerasplanten, graankorrels,
knolvormig gezwollen plantendeelen enz. Bovendien maakt zij ijverig
jacht op allerlei Weekdieren, Wormen, Gelede Dieren, Visschen en
Amphibiën. Haar onverzadelijke honger noopt haar te eten, zoolang
zij wakker is en iets te bikken vindt.
Door aard, bewegingen en gewoonten komt zij overeen met haar tamme
verwant, de Huiseend. Zij loopt, zwemt, duikt en vliegt op soortgelijke
wijze, maar beter. Van de wijfjes van Wilde en van Tamme Eenden hoort
men het ver klinkende "kwak", van de mannetjes het doffe "kwek"; voor
't gewone verkeer dienen de klanken "wek wek"; de loktoon is "wak
wak", vrees wordt door "rets" of "reb reb" uitgedrukt, kortom van
beide is de stem geheel dezelfde. Hare zintuigen zijn scherp, hare
geestvermogens goed ontwikkeld. Zij is steeds voorzichtig en sluw,
maar wordt buitengewoon schuw door vervolgingen. Hoogst gezellig,
over 't algemeen ook verdraagzaam van aard, voegt zij zich gaarne
bij hare verwanten en gaat met allerlei Vogels gemeenzaam om. Zelfs
vermijdt zij niet altijd de nabuurschap van den mensch, maar vestigt
zich dikwijls op vijvers, die onder de bescherming van het publiek
staan, bij voorbeeld op die van plantsoenen of groote tuinen;
hier verliest zij weldra haar argwaan en laat zich gaarne door de
wandelaars voederen. Zij schroomt niet op zulke plaatsen te broeden
en jongen groot te brengen; zij gedraagt zich hier bijna als een
tamme Vogel. Voor het bouwen van haar nest zoekt zij een stil, droog
plekje onder struiken of andere planten op, maar maakt ook wel gebruik
van reeds aanwezige, op boomen gevestigde nesten van Roofvogels of
Kraaien. Zij broedt op 8 à 16 langwerpige eieren met harde en gladde,
grijswitte schaal, welke niet onderscheiden kunnen worden van die der
Huiseend. De jongen (die men vaak "Pielen" of "Puulen" hoort noemen)
worden na het verlaten van het ei nog een dag in het nest verwarmd
en vervolgens naar het water gevoerd. Als zij in een hoog gelegen
nest het eerste levenslicht aanschouwden, springen zij eenvoudig op
den grond, zonder zich bij den val te bezeeren.
De vader bemoeit zich in 't geheel niet met zijn gezin in dezen tijd
van zorg en angst voor de moeder. Zoodra de eend begint te broeden,
vliegt de waard weg en vereenigt zich met zijns gelijken tot troepen.
Menige oude Eend valt den Vos of den Vischotter, menige jonge den
Bunsing of den Nerts ten buit; de eieren en kleine jongen worden
door Waterratten of door Wouwen geroofd; hare ergste vijanden zijn
echter de groote Edelvalken, die zich een tijdlang bijna uitsluitend
met Eenden voeden; zij trachten bij 't zien van zulk een geweldenaar
zich zoo goed mogelijk door duiken te redden.
De Eenden zijn als wild zeer gezocht; op allerlei wijzen worden zij,
zoowel bij ons als in zuidelijker landen, bij duizenden gevangen. Des
winters zijn de markten van alle Italiaansche, Grieksche, Spaansche
en Egyptische steden overvoerd met Eenden in 't algemeen en met die
van de gewone soort in 't bijzonder.
De kleine soorten van Eenden, die ongeveer de grootte van een Woudduif
hebben, worden hier te lande gewoonlijk Talingen genoemd. Men vat
ze dikwijls samen in een ondergeslacht van dien naam (Querquedula),
gekenmerkt door de kuifvormig verlengde veeren van den achterkop en
de spits toeloopende, soms zeisvormig verlengde schouderveeren. Van
de vier Europeesche soorten van deze groep zijn er twee inheemsch. De
kleinste, de 32 cM. lange Wintertaling--naar de stem ook wel Krik of
Krikje, in Friesland Piepteling genoemd (Anas crecca)--onderscheidt
zich o.a. door het bezit van 16 pennen in den staart van den (38
cM. langen) Zomertaling--vroeger ook Schijftaling, bij Oirschot
Schuim- of Schiemeendje, in Friesland Schiertaling genoemd (Anas
querquedula)--, die 14 stuurpennen heeft. De eerste wordt daarom ook
wel tot een afzonderlijk ondergeslacht, dat der Krikeenden (Nettion),
gerekend. De Wintertaling heet zóó, omdat hij in Nederland van
Augustus, totdat de vorst invalt en in Maart en April in ontelbare
menigte voorkomt. Hier en daar werd hij in onze streken broedend
aangetroffen. Minder zelden, doch geenszins veelvuldig vindt men
bij ons, vooral in kleistreken, nesten van den Zomertaling. Deze
vertoeft in Nederland gewoonlijk van April tot September en brengt
er slechts in enkele gevallen den winter door. Voor den kooiker is
hij van weinig belang. De Wintertalingen daarentegen worden in groote
menigte gevangen, eenige jaren geleden b.v. in een eendenkooi onder
Anjum (Friesland) 1500 stuks op één dag (Albarda).