Het vaderland van de Sneeuwgans is het hooge noorden van Amerika, van

de kustlanden van de Hudsonsbaai tot de Aleoeten. Zij trekt meer in

zuidoostelijke dan in zuidwestelijke richting; iederen winter wordt zij

in Noord-China en Japan waargenomen, soms dwaalt zij naar Europa af;

enkele malen werd zij in Nederland gezien. Het hoofdleger trekt echter

door Noord-Amerika en houdt zich 's winters op in de zuidelijkste

gedeelten van de Vereenigde Staten en in Middel-Amerika. In Texas,

Mexico, op Cuba en de overige West-Indische eilanden komt zij

van October tot April algemeen voor. In Zuid-Californië, Texas,

Louisiana, Mississippi, Alabama, Georgië en Florida ziet men in dezen

tijd zwermen van vele duizenden. Deze blijven echter niet gedurende

den geheelen winter in dezelfde streek, maar begeven zich, al naar de

weersgesteldheid, nu eens verder zuidwaarts, dan weer naar noordelijker

gewesten terug. Daar zij op haar reis door de Vereenigde Staten in

hooge luchtlagen blijven, krijgt men van het aantal Sneeuwganzen,

die het zuiden opzoeken, eerst in hare winterkwartieren een juiste

voorstelling. Zij vliegen uitmuntend en loopen goed. Bij haar aankomst

in de winterkwartieren zijn zij volstrekt niet schuw; zij worden het

echter spoedig door de onaangename ervaringen, die zij opdoen. Volgens

Barenston richten vooral de Indianen een groote slachting onder de

Sneeuwganzen aan. Niet zelden komt het voor, dat een ervaren jager er

gedurende den trek honderden van schiet. Eerst sedert een twintigtal

jaren komt deze soort in de Europeesche dierentuinen voor (Maitland).

Bij de Zeeganzen (Branta) is de snavel korter dan de kop en zwart

van kleur; de zeefplaatjes van den bovensnavel worden door diens

zijrand bedekt; de neusgaten zijn boven het midden van de mondspleet

gelegen. De handpennen hebben zwartachtige schaften. De achterteen

reikt niet tot op den grond.

Van de drie inheemsche soorten van dit geslacht komt de Rotgans,

Pauwgans of Ringelgans (Branta bernicla) hier het veelvuldigst voor;

men ontmoet haar van September tot Mei in groote vluchten aan de kust

en op de zandplaten van de Wadden. De kop, de hals, de nek, de krop,

de slagpennen en de stuurpennen zijn zwart, de rug, de borst en de

bovenbuik donkergrijs, iedere veer met lichtere randen, de zijden van

den buik, de stuit en de bovendekveeren van den staart wit; de hals

heeft aan weerszijden een halvemaanvormige, witte dwarsvlek. Het oog

is donkerbruin, de snavel roodachtig zwart, de voet donkerzwart. Lengte

62 cM.

Het hooge noorden van de Oude en de Nieuwe Wereld is het vaderland van

deze soort; zij broedt aan kusten en op eilanden tusschen 60° en 80°

N.B., op IJsland in kleinen getale, op Spitsbergen zeer veelvuldig. In

den herfst verlaten de Rotganzen deze ongastvrije oorden en begeven

zich naar onze kusten, soms nog verder zuidwaarts. In het einde van

October of op zijn laatst in het begin van November bevolken zij bij

duizenden alle vlakke oevers van de Oostzee en de Noordzee. Zoover

het oog reikt, ziet men de bij eb droogliggende Wadden of zandbanken

met deze Ganzen bedekt; haar geschreeuw overstemt het rollen van de

branding; het aantal individuën dezer zwermen, die van verre gezien

bij het opvliegen op dichte rookwolken gelijken, is niet te schatten.

De Brandgans of Dondergans, in 't Friesch Tongergoes geheeten (Branta

leucopsis), is grooter dan de vorige soort (70 cM. lang). Het voorhoofd

en de zijden van den kop, de bovendekveeren van den staart, de borst,

de buik en de stuit zijn wit, de veeren van de flanken met flauwe,

donkere dwarsstrepen geteekend, de achterkop, de hals, een smalle

teugelstreep, die tot aan het oog reikt, de nek, de boven- en de

middelrug zijn glanzig donkerzwart, de veeren van den bovenrug met

bruinen zoom, de mantelveeren aschgrauw met witte randen, de slagpennen

zwartbruin, de bovendekveeren van den vleugel en de schouderveeren

donker aschgrauw, bij de spits zwartbruin, met smallen, witten

eindzoom, de stuurpennen zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel,

evenals de voet, zwart. Deze soort bezoekt 's winters bij strenge koude

in kleinen getale onze kust en de binnenwateren; de Noordpoolgewesten

zijn haar vaderland, hare broedplaatsen nog niet bekend.

Veel fraaier dan de beide vorige soorten is de 55 cM. lange

Roodhalsgans of Russische Gans (Branta ruficollis), een in ons land

vrij zeldzame wintergast (van een tiental exemplaren is de vangst

bekend). De voorhals en de onderkeel zijn bruinrood (door een witten

band begrensd), de zijden van den kop wit; de bovenkop, de kin, de

keel, de achterhals, de zijden van de borst, de rug en de staart zijn

zwart, de vleugels zwart met uitzondering van de wit gezoomde, bovenste

dekveeren; de buikveeren zijn wit, zoo ook de boven- en onderdekveeren

van den staart. Het oog is donkerbruin, de snavel blauwachtig zwart,

de voet donkerzwart. De Roodhalsgans behoort in 't hooge noorden van

Azië, misschien ook in 't uiterste noordoosten van Europa thuis; zij

trekt in talrijke scharen naar 't zuiden om vooral aan de Kaspische

Zee (waarschijnlijk in nog grootere menigte aan de steppenmeren van

Toerkestan) te overwinteren; slechts weinige exemplaren begeven zich

zuidwestwaarts en brengen den winter op de kusten van West-Europa door.

De Rotgans is een kustvogel, die de zee zelden uit het oog verliest

en slechts bij uitzondering, groote stroomen volgend, het binnenland

bezoekt. Zij is sierlijker van gestalte, lieftalliger, vredelievender

en gezelliger van aard dan de meeste van hare meer binnenslands

verblijf houdende verwanten, bij welke zij in begaafdheid niet

achterstaat. Zij loopt even goed op vasten als op slijkerigen grond,

zwemt met gemak en op bevallige wijze, duikt uitmuntend, althans beter

dan de overige Ganzen, die zij ook bij 't vliegen den loef afsteekt;

de reizende zwerm vormt meestal een verwarden hoop en plaatst zich

niet geregeld in wigvormige orde, gelijk de Echte Ganzen.

In de gevangenschap is haar houding aanvankelijk zeer schroomvallig;

weldra schikt zij zich naar de veranderde omstandigheden; geraakt

mettertijd aan haar verzorger zeer gehecht, komt als hij roept, bedelt

bij hem om voedsel en wordt, als men het er op toelegt, zoo tam,

dat zij haar meester als een Hond naloopt.

Het voedsel van de Zeeganzen bestaat niet uitsluitend uit gras en

waterplanten zooals dat van hare verwanten, maar ook uit Weekdieren. In

't hooge noorden zullen zij vermoedelijk geen enkele plant versmaden;

bij ons geven zij aan jong gras de voorkeur. De gevangen exemplaren

geraken gewoon aan brood, zemelen en gerst, maar moeten, om voortdurend

gezond te blijven, bovendien ook groen voer hebben.

In de noordpoolgewesten maken de Eskimos en de walvischvangers jacht

op de Rotganzen; in zuidelijker kuststreken worden zij in den herfst

en in de lente bij duizenden gedood. Evenals de Brandganzen en de

Zee-eenden vangt men ze in de Zuiderzee tusschen Wieringen, Texel

en Vlieland op de met wier begroeide ondiepten in slagnetten. De

door lokvogels ("baanzwemmers" of "roepers") tot neerdalen verlokte,

voorbijtrekkende zwermen worden, wanneer zij niet onder de slagnetten

geraken, in schakels gedreven, die deels boven, deels onder water

liggen en aan staken uitgespannen zijn (Maitland). Het vleesch van de

Rotganzen wordt als smakelijk geroemd, maar heeft dikwijls een sterken

bijsmaak, die niet iedereen behaagt. Daar deze bijsmaak een gevolg is

van het eten van schelpdieren, worden de levend gevangen Zeeganzen soms

een tijd lang met graan gevoerd, en eerst na deze mesting geslacht.

Van de uitheemsche soorten van Ganzen verdient de Vosgans of Egyptische

Gans (Chenalopex aegyptiacus) vermelding, omdat zij van Afrika en

Syrië uit vrij geregeld Zuid-Europa bezoekt en ook in Duitschland

meermalen waargenomen werd. Zij is de eenige vertegenwoordigster

van het geslacht der Boomganzen (Chenalopex), dat zich kenmerkt door

een stompe, hoornachtige punt aan 't handgewricht, een dunnen hals,

een grooten kop met korten snavel, hooge pooten, breede vleugels en

een prachtig vederenkleed. De zijden van den kop en den voorhals

zijn geelachtig wit en fijn gesprenkeld; een vlek om het oog, de

achterhals en een breede gordel aan den middelhals zijn roestbruin;

de bovenzijde is grijs en zwart, de onderzijde vaalgeel met witte en

zwarte, dwarse golflijnen, het midden van de borst en van den buik

lichter, gene met een groote, afgeronde, kaneelbruine vlek versierd, de

stuit fraai roestgeel; de bovendekveeren van den vleugel zijn wit, vóór

het einde zwart met prachtigen metaalglans; de top van de slagpennen

en stuurpennen is glanzig zwart. Het oog is geel of oranje, de snavel

roodachtig blauw, de voet roodachtig of lichtgeel. Lengte 70 cM.

Afrika, van Egypte tot Kaapland en van de oostkust tot ver in

het binnenland, is het vaderland van deze Gans: aan de westkust

ontbreekt zij, naar het schijnt. Zij bewoont ook Syrië en Palestina

en is herhaaldelijk naar Griekenland, Zuid-Italië en Zuid-Spanje

afgedwaald. Sedert meer dan 60 jaar heeft men haar in Europa

gefokt. Het is niet uitgemaakt of de Vosganzen, die in Noord- en

West-Frankrijk, België en Duitschland geschoten zijn, afgedwaald

waren uit haar vaderland, of ontsnapt aan de gevangenschap.

In Egypte ziet men ze gedurende den broedtijd bij paren, later in

gezelschap van de jongen, nog later in ontzaglijke zwermen, die soms

mijlen ver de beide oevers van den stroom bedekken. Water, en meer

bepaaldelijk zoetwater, is voor haar welzijn een vereischte; zij weet

zich echter te behelpen met een door den regen gevormden stroom, die

slechts hier en daar tot een kleinen plas verbreed is. Het liefst

houdt zij zich op aan met bosch bedekte oevers van stroomen, omdat

zij bij voorkeur in het woud en op boomen broedt. In 't noordelijke

gedeelte van het Nijlgebied zijn eilanden en zandbanken in den stroom

hare meest geliefde verblijfplaatsen. Op de akkers zoekt zij haar

voedsel, o.a. Sprinkhanen; naar den stroom keert zij terug om uit

te rusten en zich te ontspannen te midden van een talrijk gezelschap

van soortgenooten.

De Vosgans wedijvert in 't loopen met de hoogpootige Spoorwiekgans

en zwemt zeer behendig met diep ingedompelde borst; snel en met

volharding duikend, vervolgt zij haar gedeeltelijk uit waterdieren

bestaande prooi tot op groote diepte; met de pooten en de vleugels

roeiend, kan zij onder water een grooten weg afleggen. Hoewel zij bij

't vliegen een sterk ruischend geluid maakt, geschiedt deze beweging

snel en zonder merkbare inspanning; de eene Gans volgt de andere op

korten afstand, als een paar zich in de lucht verheft; de geheele zwerm

vormt gedurende het vliegen een verwarde hoop, die echter wigvormig

wordt, als het doel van de reis veraf ligt. Haar niet zeer luide stem,

een vreemdsoortig heesch en valsch geschetter, dat op de tonen van

een slechte trompet gelijkt, trekt sterk de aandacht, als de een of

andere zorg de gemoederen drukt of als het mannetje in toorn geraakt.

De Vosgans, die altijd voorzichtig, op haar veiligheid bedacht

en in de hoogste mate wantrouwig is, wordt, als zij vervolging te

verduren heeft, even schuw als de andere Ganzen; zij weet afstanden

te schatten en onderscheidt den vreemden bezoeker onmiddellijk van

den minder gevaarlijken inboorling. Minder aanlokkelijk is haar aard:

in de hoogste mate heerschzuchtig en boosaardig, leeft zij niet eens

met hare soortgenooten in vrede, hoewel zij zich met hen tot troepen

vereenigt. In den paartijd strijden de mannetjes letterlijk op leven

en dood met elkander, althans in de gevangenschap.

In Egypte wordt de Vosgans door Turken en Europeanen gejaagd; in

Oost-Soedan schijnen de Arenden en de Krokodillen hare eenige vijanden

te zijn. Zij is bruikbaar voor 't zelfde doel als de andere soorten van

wilde Ganzen: de jongen leveren een zeer smakelijk gebraad; het vleesch

van de ouden, hoewel taai en hard, is voor soep uitmuntend geschikt.

Volgens een Indische overlevering werden eens twee gelieven in

Ganzen veranderd en veroordeeld om ver van elkander den nacht door

te brengen op verschillende oevers van denzelfden stroom, vanwaar

zij voortdurend het volgende gesprek laten hooren: "Tsjakwa, mag

ik bij je komen?"--"Neen, Tsjakwi."--"Tsjakwa, mag ik niet bij je

komen?"--"Neen, Tsjakwi."--De Vogel, die door zijn geroep aanleiding

heeft gegeven tot deze sage, is de Kasarka der Russen, de Braminen-gans

van de Indiërs (Tadorna casarca) en vertegenwoordigt het geslacht

der Holeneenden. Haar snavel is even lang als de kop, aan den wortel

even hoog als breed en eindigt van voren in een dikken, hoornachtigen

nagel van geringere breedte dan de spits; de zeefplaatjes zijn bij

gesloten bek zichtbaar. Het onbevederde, onderste deel van den scheen

is ongeveer half zoo lang als de loop en deze een weinig korter dan

de middelste voorteen. De achterteen heeft geen zwemvliesje. Bij

de genoemde soort is het vederenkleed grootendeels roestrood, de

wangstreek geelachtig wit, de hals roestgeel, een smalle band aan

den onderhals, die echter alleen in het prachtkleed waarneembaar

is, groenachtig zwart; de boven- en onderdekveeren van den vleugel

zijn wit; de spiegel is metaalachtig groen; de staartwortel,

de bovendekveeren van den staart, de slagpennen en de stuurpennen

zijn glanzig zwart. Het oog is lichtbruin, de snavel zwart, de voet

loodkleurig grijs. De lengte bedraagt 62 cM.

Middel-Azië is het brandpunt van het verbreidingsgebied van de Kasarka;

oostwaarts reikt het tot aan den bovenloop van den Amoer, westwaarts

tot Marokko. Op den trek bezoekt zij zeer geregeld Griekenland,

Zuid-Italië en in kleinen getale ook Spanje; soms brengt zij er

den winter door, gewoonlijk trekt zij verder. In geheel Indië is

zij welbekend, daar zij als wintergast in alle gewesten van het

Schiereiland voorkomt. Soms dwalen sommige exemplaren naar het

noorden en noordwesten af; enkele werden, hoewel hoogst zelden,

in Middel-Duitschland waargenomen.

Uitsluitend op de geringe grootte van de Kasarka afgaande, zou men

haar voor een Eend kunnen houden; bij nadere kennismaking met dezen

Vogel herkent men haar als een Gans. Al laat men buiten rekening,

dat reeds de kleur van haar vederenkleed haar verwantschap met andere

Ganzen verraadt, zoo stemmen toch de levenswijze, de gebaren, de gang,

de vlucht, het zwemvermogen, de stem, zelfs het gedrag bij het broeden

met de eigenschappen, zeden en gewoonten van de Ganzen, niet echter met

die van de Eenden overeen. Paarsgewijs en zonder ooit te kort te doen

aan de huwelijkstrouw, die het geslacht der Ganzen kenmerkt, leeft

de Kasarka minder op dan bij het water, mijdt beslist de poelen en

moerassen en zoekt daarentegen rijk begroeide vlakten, met malsch gras

bedekte weiden en akkers met jonge graangewassen op om hier op de wijze

van de Ganzen te grazen. Hoewel zij dierlijk voedsel niet versmaadt,

toont zij een besliste voorliefde voor plantaardige spijzen. Ook

haar zeer krachtige, ver klinkende stem, die de Russen door den

naam Toerpan trachten na te bootsen, kan slechts met die van Ganzen

vergeleken worden. Nergens en nooit verliest zij gedurende het leven

in de vrije natuur de voorzichtigheid uit het oog. In de nabijheid

van haar broedplaats is zij even schuw als in de winterkwartieren,

den inboorling vertrouwt zij evenmin als den vreemden bezoeker dezer

gewesten.

De Kasarka broedt uitsluitend in holen en moet daarom dikwijls lang

zoeken, voordat zij een voor haar geschikte plaats vindt; ook moet

zij zich hier dikwijls het gezelschap van Vogels van andere soorten

getroosten. Salvin vond in Noordwest-Afrika een Kasarka-nest in een

kloof van een loodrechten rotswand, die bovendien ook door Wouwen,

Gieren en Raven als broedplaats werd gebruikt. Het nest wordt van

droge grasbladen gebouwd en van boven met een krans van dons bekleed;

het wijfje broedt op 12 à 15 eieren, welker fijne, glanzige schaal

een zuiver witte of geelachtig witte kleur heeft.

De Kasarkas schikken zich even goed in de gevangenschap als de andere

soorten der onderfamilie, worden zeer tam en planten zich geregeld

voort, wanneer haar een doelmatige verzorging ten deel valt.

De Bergeend (Tadorna damiatica, T. tadorna) houdt het midden tusschen

de Ganzen en de Eenden; haar snavel is van voren breeder dan bij deze

en onderscheidt zich ook door een gedurende den paartijd opzwellenden

knobbel aan den wortel van den snavel van het mannetje; zij staat

lager op de pooten, heeft korter vleugels en een bonter kleed

dan hare verwanten. De kop en de hals zijn glanzig donkergroen,

twee groote vlekken op de schouders zwart, een naar voren zich

verbreedende halsband, de middelrug, de vleugeldekveeren, de zijden

van den buik en de staartveeren (met uitzondering van de zwarte

spitsen) zijn schitterend wit, een breede borstband en eenige van de

schouderveeren fraai kaneelrood, de middelborst en de buik grauwzwart,

de onderdekveeren van den staart geelachtig, de slagpennen zwartgrijs;

de spiegel is metaalglanzig groen. Het oog is donker nootbruin, de

snavel karmijnrood, de voet vleeschkleurig. De lengte bedraagt 63 cM.

Aan de kusten van de Noordzee en de Oostzee is de Bergeend een van

de veelvuldigste soorten van haar onderfamilie. Noordwaarts strekt

haar verbreidingsgebied zich ongeveer tot het midden van Zweden uit,

zuidwaarts tot Noord-Afrika, waar zij op alle meren veelvuldig en

gedurende den winter soms in ontelbare menigte voorkomt. Bovendien

heeft men haar aan de kusten van China en Japan waargenomen en ook

bij alle groote meren van Siberië en andere landen van Middel-Azië

aangetroffen. Daar zij aan zoutachtig water de voorkeur geeft boven

zoet, ontmoet men haar het menigvuldigst op de zee zelve of op groote

brakwatermeren. Zij broedt op eenzame en rustige plaatsen in oude

konijnenholen, bovendien op de heide te Hilversum en bij Harderwijk,

onder Anjum en Engwierum in Friesland. In de wintermaanden zwerft zij

rond en bezoekt dan ook de poelen en plassen in het binnenland. Door

aard en bewegingen gelijkt zij op de Vosgans; wel is haar gang iets

plomper; daarentegen geeft zij bewijzen van groote bekwaamheid in 't

zwemmen. Ook zij is schuw en voorzichtig, maar bemerkt spoedig, hoe

de mensch jegens haar gezind is. In de holen, die voor haar gegraven

worden, nemen de Bergeenden zonder aarzelen haar intrek. Zoo broeden

zij op het eiland Rottum, ten getale van eenige honderden. Hiervan

geeft Dr. G. A. Venema de volgende lezenswaardige beschrijving:

"Toen tegen de Konijnen op Rottum een verdelgingskrijg werd begonnen,

verminderden hunne holen; de oude, onbewoonde verdwenen, doordien de

wind ze met stuifzand vulde. De voogd (die met zijn gezin de eenige

menschelijke bevolking van het eiland uitmaakt) is toen begonnen met

het bouwen van kunstmatige holen onder den grond, die de Bergeenden

onverwijld voor het leggen van hare eieren opzochten. In deze holen

moet, wanneer men wenscht, dat de Bergeend ze veilig acht, geen

licht door den ingang of van boven naar beneden kunnen dringen tot

de plaats, waar de eieren worden gelegd. Holen, gebogen zooals die

van de Konijnen, zijn daarom gewenscht. De L-vormige goot of greppel,

die men in den grond groef, bedekte men met hout en bracht daarop

zoden. De Bergeend kiest voor het leggen van hare eieren het achterste"

(hier met een groote stip gemerkte) "deel, dat de voogd met een groote

zode dekt, zoodat men door haar weg te nemen, gemakkelijk de eieren

kan verkrijgen.

"Later gaf de voogd aan de kunstmatige holen voor de Bergeenden een

._|_. of ._|_. vormige gedaante. De goot of greppel in den grond wordt

door 12 of 15 latjes overspannen, die men met zoden, soms daarna

met zand en dan nog eens met zoden dekt. Op de" (hier met een stip

gemerkte) "einden legt men een enkele zode, ten einde de eieren te

kunnen wegnemen. Deze nieuwe soort van nesten voldoen uitmuntend. De

Bergeend maakt er even gaarne gebruik van als vroeger van de holen

der Konijnen en de voogd heeft er het voordeel van, dat hij de nesten

der Bergeenden niet behoeft te zoeken, waartoe hij verplicht was,

toen het eiland nog door Konijnen werd bewoond. Zoodanig kunstmatig

aangelegd, onderaardsch hol, als ik hier heb beschreven, dient voor

nest van twee Bergeenden, die altijd de uiterste einden opzoeken;

in ieder eind legt één wijfje. Andere Vogels hebben een vrije keuze

voor de plaats hunner nesten, maar de Bergeenden op Rottum niet. Hare

nesten legt de voogd op de westzijde van het eiland aan, een kleiner

getal bevindt zich in het midden, maar alle nesten worden in de lage

binnenduinen gevonden, waarin de Bergeenden zich gaarne ophouden.

"De Bergeenden leggen hare eieren, die een bijna witte kleur hebben,

in de maanden Mei en Juni ten getale van 12. Men vindt soms meer

eieren in één nest, maar, waar dit het geval is, mag men aannemen,

dat meer dan één Eend hare eieren aan hetzelfde nest vertrouwt. De

voogd vond eens in een Bergeendennest 56 eieren. De Bergeenden leggen

alle dagen, als het weder zacht en warm is, of als er geen wind waait,

en om den anderen dag, als de lucht guur en het weder onstuimig is. De

voogd neemt telkens de eieren op twee na, tot ongeveer half Juni,

weg, en laat de Bergeend op 6, 7 of 8 eieren broeden; op één of 2

eieren broedt zij niet; vandaar dat de eieren, die de voogd in het

nest laat verblijven, niet worden aangebroed."

Ongeveer op dezelfde wijze gaat men op het eiland Sylt te werk. Het

hierdoor verkregen voordeel is niet onbelangrijk. De eieren van

de Bergeenden, hoewel niet naar ieders smaak, vinden toch grage

koopers; het dons, dat na afloop van den broedtijd uit het nest wordt

genomen, is bijna even zacht als dat van de Eidereend en in den regel

zuiverder. Op het vleesch van den volwassen Vogel valt niet te roemen,

daar het een sterken of tranigen smaak en een onaangenamen reuk heeft.

Met andere dieren van haar soort leeft de Bergeend tot op zekere

hoogte zelfs gedurende den broedtijd gezellig. Haar voedsel bestaat

hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, vooral uit de malsche gedeelten

van zeeplanten of van kruiden, die in zouthoudend water groeien uit

zaden van verschillende soorten van grassen en biezen, graankorrels

enz. Dierlijke stoffen zijn echter voor haar welzijn volstrekt

noodig. Ook hieruit blijkt, dat zij het midden houdt tusschen de

Ganzen en de Eenden. In de vrije natuur maakt zij ijverig jacht op

kleine Visschen, Weekdieren en Insecten.

Jonge Bergeenden kunnen bij goede verzorging zonder veel moeite

grootgebracht worden; gewoonlijk verkrijgt men ze door tamme Eenden

te laten broeden op eieren van in 't wild levende Vogels. Deze jongen

worden zeer tam en verkrijgen een even fraai vederenkleed als hunne

soortgenooten in de vrije natuur. Soms, doch zelden, zullen tamme

Bergeenden eieren leggen en uitbroeden; men moet daartoe onderaardsche

gangen voor haar beschikbaar stellen.

De Spoorwiekganzen (Plectropterus), zoo genaamd wegens den

krachtigen doorn, waarmede de vleugelbocht gewapend is, behooren

in Afrika thuis; een drietal soorten van dit geslacht treft men

in dierentuinen aan, o.a. te Amsterdam. Zij onderscheiden zich

door een aanzienlijke grootte, een slanken romp, een langen hals,

een grooten, forschen snavel, een onbevederd voorhoofd met dikken,

naakten knobbel, betrekkelijk zeer hooge pooten met lange teenen en

groote zwemvliezen, lange, spitse vleugels met buitengewoon sterk

ontwikkelde schouderveeren.

Tot groote verrassing der onderzoekers werd één soort van dit geslacht,

de Gewone Spoorwiekgans (Plectropterus gambensis) in het jaar 1827

in Engeland geschoten. Op deze vrijwillige overkomst volgde in 1830

de eerste overbrenging van levende exemplaren naar Europa door den

mensch. De wangen, de kin en de keel, de middelborst en de buik

benevens de korte bovendekveeren langs den geheelen rand zijn wit,

de onderhals en de mantel, de slagpennen en stuurpennen zijn bruin met

groenachtig zwarten weerschijn. Het oog is roodbruin, de snavel en het

voorhoofd zijn blauwachtig rood, de voet is lichtrood. Lengte 90 cM.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 27 / 31 段