De Gansachtigen (Anserinae), die een talrijke, ongeveer 45 soorten

omvattende, over de geheele wereld verbreide onderfamilie vormen,

onderscheiden zich van de Zwanen door een meer ineengedrongen romp,

een korteren hals en snavel en hoogere, nader bij het midden van den

romp geplaatste pooten. De snavel is nauwelijks zoo lang als de kop,

bij sommige zelfs iets korter, van boven gewelfd, van onderen plat,

aan den wortel zeer hoog, boven en onder uitgerekt tot een breeden,

bollen nagel, die scherpe randen heeft, aan de zijden met harde,

tandvormige zeefplaatjes gewapend, overigens met een zachte huid

bekleed. Slechts bij uitzondering vertoont het kleed bij beide seksen

een in 't oog loopend verschil; ook dan echter wedijvert het wijfje

in schoonheid met het mannetje. De jongen krijgen reeds in het eerste

levensjaar het volkomen kleed.

Ieder werelddeel heeft zijne eigene soorten van Ganzen. Verscheidene

zijn in Azië en Europa bijna even veelvuldig; enkele zijn over het

noorden van de geheele wereld verbreid; verder zuidwaarts is ieders

gebied beperkt. Minder dan de overige Zeefsnaveligen leven zij in

het water; een deel van haar leven brengen zij op het vasteland en

zelfs op boomen door. In de vlakte komen zij talrijker voor dan in

het gebergte, hoewel zij hier niet ontbreken; sommige soorten worden

zelfs uitsluitend op aanzienlijke hoogte gevonden. Haar gang is zeer

goed, over 't geheel genomen beter dan die van eenig ander lid der

onderorde; zij zwemmen behendig en snel, hoewel minder goed en vlug

dan de Eenden en Zwanen; zij duiken in haar jeugd en in tijd van

gevaar tot op een aanzienlijke diepte; haar vlucht is gemakkelijk en

fraai: in wigvormige orde gerangschikt doorklieven zij met suizend

gedruisch de lucht en leggen een grooten weg af zonder halt te

maken. Verscheidene soorten brengen brommende, andere snaterende,

enkele zeer welluidende en op verren afstand hoorbare tonen voort;

de meeste sissen, als zij toornig zijn.

Waarom men de Ganzen voor dom heeft uitgemaakt, is moeielijk te

zeggen, daar de ervaring steeds het tegendeel leert. Alle leden dezer

groep, geen uitgezonderd, zijn schrander, verstandig, voorzichtig

en waakzaam. Zij wantrouwen ieder mensch, onderscheiden zonder

fout den jager van den landman of den herder, kennen alle voor hen

gevaarlijke menschen zeer goed, zetten wachten uit, kortom, nemen

verscheidene practische voorzorgsmaatregelen tot bevordering van hun

veiligheid. De gevangen exemplaren schikken zich zeer spoedig in de

veranderde omstandigheden en worden reeds na korten tijd zeer tam;

het juiste inzicht in hun toestand, dat zij op deze wijze toonen,

pleit zeer voor hun verstand. Ook de inborst van de Ganzen trekt

ons aan. Eenige kan men niet vrijspreken van een zekere heerschzucht

en onverdraagzaamheid, de meeste echter zijn buitengewoon gezellig;

zij zoeken het gezelschap van hare soortgenooten, niet dat van andere

dieren; de leden van één gezin zijn met groote teederheid aan elkander

gehecht. Zonder strijd tusschen de mannetjes loopt de paartijd niet af;

zoodra ieder een wijfje heeft, is de vrede hersteld; de verschillende

paren broeden naast elkander zonder te twisten. Het echtverbond geldt

voor het geheele leven. Het mannetje helpt niet mede bij het broeden,

maar is later een gids voor de jongen en waakt voor de veiligheid

van het geheele gezin.

Alle Ganzen gebruiken bij voorkeur plantaardig voedsel. Met haar

harden, scherprandigen snavel bijten zij gras en graanplantjes,

kool en andere kruiden af, schillen jonge boompjes, plukken bladen,

bessen, peulen en aren, verwijderen vruchtwand of kafjes van zaden

of graankorrels, verzamelen slobberend in ondiep water verschillende

plantaardige stoffen en versmaden geen enkel voor hen bruikbaar

plantendeel. Enkele soorten gebruiken ook Insecten, Schelpdieren en

kleine Gewervelde Dieren. Daar, waar zij in grooten getale voorkomen,

kunnen zij schade aanrichten; deze vergoeden zij echter door haar

voortreffelijk vleesch en haar rijk voorzien vederenkleed. Op alle

soorten wordt ijverig jacht gemaakt, vooral gedurende den ruitijd, die

ook vele Ganzen eenige weken achtereen ongeschikt maakt om te vliegen.

Bij de Ganzen i.e.z. (Anser) is de snavel zoo lang als de kop en,

gedeeltelijk althans, geel of rood van kleur; de zeefplaatjes van

den bovensnavel steken voorbij diens zijrand uit; de neusgaten zijn

achter het midden van de mondspleet gelegen. De handpennen hebben

witte schaften. De achterteen reikt tot op den grond.

De Wilde Gans of Grauwe Gans, in Groningen Schierling, in het land van

Kuik Koenekraan, in Friesland Groote Schiere of Groote Witgat genoemd

(Anser ferus of A. anser), is de stamsoort van onze Tamme Gans. Op den

rug is zij bruinachtig grijs, door de lichtere randen van de veeren

als 't ware geschubd, op de onderdeelen geelachtig grijs, hier en daar

door een enkel zwart veertje gevlekt; de groote vleugeldekveeren zijn

blauwachtig grijs met lichtere randen, de kleine zuiver aschgrauw,

de staartwortel, de buik en de onderdekveeren van den staart wit,

de veeren aan de zijden van borst en buik donker vaalgrijs met

lichtvaalgrijzen eindzoom, de slagpennen en stuurpennen zwartgrijs

met witte schaft, de laatstgenoemde ook wit aan de spits. Het oog

is lichtbruin, de voet, evenals de wortel van den snavel, licht

vleeschrood, de nagel aan de spits van den bovensnavel wasgeel. Totale

lengte 98, vlucht 170, vleugel 47, staart 16 cM. Het mannetje heet Gent

of Ganzerik (in 't Friesch Garre), het wijfje Gans (in 't Friesch Goes,

meervoud: Giesen).

De Wilde Gans is het eenige in Nederland (en Duitschland) broedende lid

van haar onderfamilie; zij behoort meer in de gematigde streken dan in

het hooge noorden thuis. Van Noorwegen strekt haar verbreidingsgebied

zich in oostelijke richting uit over geheel Europa en Azië tot aan

de oostelijkste kust van dit werelddeel; broedend vindt men haar tot

op ongeveer 45° N.B. Van October tot November en in Maart en April

trekt zij in tamelijk grooten getale door ons land. Bij zacht weder

overwinteren hier enkele exemplaren. "Sedert 1819 broedt een kleine

kolonie van Wilde Ganzen jaarlijks in de zoogenaamde Kraanlanden en

Boornbergumer petten (Friesland). Door inpoldering en het stichten van

woningen is haar terrein echter eenigszins ingekrompen, zoodat zij

zich thans naar Eernewoude en Oudega heeft verplaatst, alwaar ieder

jaar eieren worden gevonden" (Albarda). In Duitschland verschijnt

zij, tot familiën of kleine gezelschappen vereenigd, tegen het einde

van Februari of in het begin van Maart, dus reeds vóór het smelten

van de sneeuw, verkondigt door vroolijk geschreeuw haar aankomst en

strijkt op de broedplaats neer, waar zij zich dadelijk thuis gevoelt,

zooals uit hare handelingen blijkt. Tegen het einde van Juli,

als het ruien afgeloopen is, begint zij aan de afreis te denken;

aanvankelijk maakt zij geen groote haast, maar reist op haar gemak;

haar plaats wordt weldra ingenomen door de Rietgans. Zelden vormt

zij op den trek talrijke zwermen; meestal blijven slechts de ouders

met hunne volwassen jongen bijeen.

In vroeger jaren broedden de Wilde Ganzen bij alle groote, stilstaande

wateren van Duitschland; tegenwoordig ontmoet men nog slechts enkele

paren in de uitgestrekte broeklanden van Noord- en Oost-Duitschland,

de meeste in Pommeren en Oost-Pruisen. Bij voorkeur vestigen zij zich

in moerassen, die hier en daar met uitgestrekte waterplassen afwisselen

of deze omgeven, een moerassigen bodem hebben en moeilijk genaakbare

eilandjes bevatten, die met gras, riet en struiken begroeid zijn. Op

deze eilanden verzamelen zich de paren bij hun aankomst om er uit

te rusten en later hunne nesten te bouwen. Van soortgelijken aard

is het terrein, waarop de hierboven genoemde Friesche broedkolonie

voorkomt. "Tusschen Oldeboorn, Eernewoude, Oudega, Boornbergum en Beets

is een vlakte van 7 à 8 uren gaans in omtrek, waar men zeer weinige

menschelijke woningen aantreft. Daarin liggen vele vaarten, poelen en

petten, en de lage, veenachtige bodem, die hier en daar zeer moerassig

is en voor een deel bestaat uit drijftillen (sompen), die met gagel,

rietgrassen en wolwilgen zijn begroeid, wordt des winters geheel door

het water bedekt. In het midden daarvan, in de zoogenaamde Kraanlanden

en nabij de Boornbergumer petten, benoorden den Ouden Leppedijk, hebben

deze Vogels sedert 1819 hunne broedplaatsen gevestigd. Zij komen in

het laatst van Maart aldaar aan. Begroeide plaatsen, zoo mogelijk

geheel door moeras omgeven, of kleine eilandjes in de petten kiezen

zij bij voorkeur voor den nestbouw. Het nest bestaat dikwijls uit een

geheele vracht riet en andere waterplanten; het binnenste daarvan is

geheel met vederen en dons belegd. Het getal der eieren is meestal

6 of 7 en gaat nimmer 9 te boven. Zij zijn geheel gelijk aan die van

de Tamme Gans, alleen is de schaal minder poreus. Zij worden ijverig

opgezocht en zijn gemakkelijk te vinden, daar de Gent zich altijd

in de nabijheid van het nest ophoudt en luid schreeuwend rondom den

naderenden mensch vliegt; terwijl de Gans eerst dan met een sissend

geluid van de eieren opstaat, wanneer men haar tot op weinige schreden

is genaderd. De Vogels, wier eieren zijn weggenomen, of die, welke

niet broeden (waarschijnlijk jongen), zwerven den geheelen zomer door

in eenigszins ruimeren kring en vertoonen zich nu en dan te Wartena,

Garijp, Suawoude en Gersloot. Het getal der Vogels, welke broeden,

bedraagt volgens in de nabijheid wonende personen, ongeveer 30"

(Albarda).

De nakomelingen van de Wilde Gans, onze Tamme Ganzen, hebben weinig

van het voorkomen en de eigenaardigheden harer stamouders verloren;

deze hebben echter, evenals alle in 't wild levende dieren, een

fierder houding en een vluggere beweging, waardoor zij een eenigszins

verschillenden indruk op den waarnemer maken. Zij gaan zeer snel

en sierlijk, veel losser en behendiger dan de Tamme Gans, zwemmen

goed, duiken, als een gevaar haar bedreigt, maar weten zich op het

water minder goed te redden dan op het land. Zij vliegen zeer goed,

wel niet zoo licht en fraai als de verwante soorten, maar toch lang

achtereen en voor hun doen snel genoeg. Bij het opvliegen veroorzaken

de hevige vleugelslagen een klapperend gedruisch, bij het neerstrijken

verneemt men een dergelijk geraas, vermeerderd met dat van 't plassen

in 't water, als de Gans zich op den waterspiegel neerzet. Als een

paar een korten weg heeft af te leggen, verheft het zich zelden tot

een aanzienlijke hoogte, zooals het anders in den regel doet. De Gans

vliegt dan voor den Gent uit; op den trek daarentegen wordt deze even

vaak als gene aan de spits van den wigvormigen zwerm gevonden. De

lokstem klinkt als "gahkahkakgak", wordt dikwijls snel achtereen

herhaald en, als het mannetje en het wijfje elkander beantwoorden, in

"giekgak" veranderd; de geluiden voor het dagelijksch verkeer klinken

als "tattattattattat"; in toorn sissen beide. Dit alles geschiedt

geheel op dezelfde wijze als bij de Tamme Gans.

Uit het gedrag van de Wilde Gans blijkt haar goed ontwikkeld

verstand. Altijd is zij voorzichtig en wantrouwig; slechts op de

broedplaats blijft zij bij de nadering van een mensch langer dan

gewoonlijk. Gezellig kan men haar eigenlijk niet noemen. Alleen de

Tamme Ganzen deelen in haar genegenheid; terwijl deze aan 't grazen

zijn, krijgen zij dikwijls bezoek van hare wilde verwanten. Soms

blijven deze tamelijk lang; zelfs is het wel eens voorgekomen, dat

zij zich met de tamme kudde naar het dorp lieten drijven; dan vlogen

zij nog ter rechter tijd weg. Ook paren Wilde Ganzen nu en dan met

Tamme. Zoo weinig de Wilde Gans zich om andere Vogels bekommert,

zoo trouw zijn de leden van één gezin aan elkander gehecht. Deze

blijven tot aan de lente bijeen, keeren soms gezamenlijk naar het

vaderland terug en verstrooien zich eerst, als de oude Vogels beginnen

te nestelen.

Onmiddellijk na de terugkomst in het vaderland, zoekt ieder paar een

geschikte plaats voor het bouwen van het nest. IJverig houdt het wijfje

zich bezig met het aanvoeren van verschillende bouwstoffen. In de

eerste plaats worden die, welke in de onmiddellijke nabijheid liggen,

bijeengezocht: later moeten voor het voltooien van het nest andere

materialen met zorg uitgekozen en dikwijls van verre aangedragen

worden. Dikke stengels, halmen, bladen van moerasplanten, riet,

biezen enz. vormen, ongeregeld en los opeengestapeld, den grondslag

van het nest, welks holte met fijnere stoffen en een dikke donslaag

bekleed wordt. De oude wijfjes leggen 7 à 14, jonge 5 à 6 eieren,

welke op die van de Tamme Gans gelijken en een gladde, glanslooze,

min of meer korrelige schaal hebben van groenachtig witte of somber

geelachtige kleur. In de nesten van oude paren vindt men reeds in

het begin van Maart het eerste ei; tegen het midden (of uiterlijk

in het einde) van deze maand begint het wijfje te broeden. Vooraf

plukt zij zich alle donsveeren van de borst uit, bekleedt hiermede

den binnenrand van het nest en bedekt, zoo vaak zij zich verwijdert,

zorgvuldig hare eieren.

Op den 28en dag van de bebroeding komen de jongen uit; deze worden nog

ongeveer een dag in het nest gehouden, begeven zich daarna te water,

geleid door de moeder, die hun voedsel leert zoeken. Eendenkroos, gras

en dergelijke stoffen maken hun eerste voedsel uit. Later bezoeken

zij de weiden en de akkers. Des avonds keeren ouders en kinderen naar

het nest terug. Daar dit na ongeveer 2 weken voor de sterk gegroeide

jongen te klein geworden is, slapen deze voortaan nu eens hier, dan

weer daar, dicht tegen de moeder aangedrukt. De waakzaamheid van den

Gent neemt toe, nadat de jongen het ei verlaten hebben. De moeder gaat

of zwemt vóór het gezin uit, de dicht opeengedrongen jongen volgen,

de vader dekt in zekeren zin den aftocht van het gezelschap. Bij 't

naken van een gevaar geeft hij het eerste sein tot vluchten. "Een

aangenaam schouwspel," zegt Naumann, "kan ieder vriend van de

natuur zich verschaffen, door op een fraaien Meiavond van uit een

geschikten schuilhoek zulke Ganzen-familiën te bespieden, als zij

bij zonsondergang, alle op gelijke wijze en bijna gelijktijdig uit

het riet sluipen, zich op den vrijen waterspiegel wagen en stil naar

den oever zwemmen. Zie eens, hoe de vader van het gezin overal waar

hij gevaar ducht voor de veiligheid van zijn gezin, een verdubbelde

waakzaamheid ten toon spreidt. Wanneer alle gelukkig aangeland zijn

op de plek, waar zij willen grazen, durft de Gent bijna niet mede te

eten; zoodra er onraad is, waarschuwt hij met een zacht geluid. Tot

zijn schande moet echter gezegd worden, dat hij zich onder jammerlijk

geschreeuw het eerst op de vlucht begeeft, als de nood aan den man

komt. In zulke gevallen toont het wijfje veel meer moed; zij denkt

meer om hare kinderen dan om haar eigen veiligheid."

Jong gevangen Wilde Ganzen worden spoedig tam; zelfs oudere geraken

weldra gewoon aan het verlies van haar vrijheid en leeren den mensch

kennen als iemand, die haar welzijn behartigt. Zij verloochenen

hare vroegere neigingen echter niet geheel; dit blijkt zelfs bij

jongen uit eieren van Wilde Ganzen, die door Tamme Ganzen werden

uitgebroed. Zoodra zij volwassen zijn, ontwaakt in hen het verlangen

naar vrijheid; als men hen niet met geweld terughoudt, trekken zij

in den herfst met de Wilde Ganzen naar het zuiden. Soms keeren enkele

terug naar het erf, waar zij grootgebracht werden; dit is echter een

uitzondering. Boie verhaalt, dat van vier Wilde Ganzen, die door Tamme

waren uitgebroed en te midden van deze haar jeugd hadden gesleten, drie

na den trek wegbleven; de vierde echter keerde iedere lente gedurende

13 opeenvolgende jaren (waarschijnlijk dus tot aan haar dood) naar

haar geboorteplaats terug. Zij verscheen hier verscheidene weken na

de terugkomst van de overige Wilde Ganzen: nooit vóór den 1en, nooit

nà den 4en April. Op het erf was zij zeer tam, daar buiten even schuw

als hare wilde stamgenooten. In de eerste weken kwam zij gewoonlijk

des morgens en des avonds voedsel halen, bleef soms een half uur of

een uur, maar vloog dan altijd weer terug naar het naburige meer,

waar zij vermoedelijk haar nest had. Na het begin van den tijd,

waarin men de jongen van de Wilde Ganzen in het water ziet, bleef

zij langer op het erf, dikwijls zelfs den geheelen dag. Des avonds

om 10 uur vloog zij geregeld weg, in de richting van het meer.

Oude Wilde Ganzen worden niet zelden door groote soorten van Arenden

en Edelvalken, soms ook door Vossen en Wolven buitgemaakt. Voor den

mensch nemen zij zich steeds zeer in acht; er is ervaring noodig

om ze te verschalken. Daar zij bij 't vliegen van 't water naar

't land en omgekeerd steeds dezelfde wegen volgen, verschuilt de

jager zich onder zulk een weg b.v. in het riet. In vele gevallen

gelukt een nachtelijke jacht met drijvers, terwijl de jagers op

bepaalde plaatsen geposteerd staan. Op sommige plaatsen vervolgt

men de Ganzen ook wel zeer onjachtmatig in een boot gedurende den

ruitijd, gelijk de Lappen doen. Daar zij dan niet kunnen vliegen,

trachten zij den dood te ontkomen door telkens te duiken en worden,

zoodra zij uitgeput zijn door een stokslag of een schot gedood. In

Friesland, Overijsel, Gelderland, Utrecht en in 't Gooiland, bij de

meren en aan de Zuiderzeekust, vooral bij de monden van den IJsel en

den Eem, worden de Wilde Zwanen en Ganzen, meestal bij vriezend weer

en als het land met een dikke sneeuwlaag bedekt is, door afgerichte

lokganzen verleid om neer te strijken bij de voor hen gevaarlijke

slagnetten. Voor een groot deel worden de gevangen Vogels naar Engeland

gezonden. Het vleesch van de oude Wilde Ganzen is hard en taai, dat

van de jongen daarentegen zeer smakelijk. Hare veeren worden hooger

geschat dan die van de Tamme Gans; vooral het dons is zeer gezocht.

De Rietgans, Zaadgans of Zwartkop, te Amsterdam Schiergans, in

Groningen Weenk, Wink, Weenkie en Grasgans, in het land van Kuik

Koenekraan geheeten (Anser fabalis, Anser segetum), gelijkt door

de kleur van haar vederenkleed op de vorige soort, maar is kleiner

(lengte 86, vlucht 180, vleugel 48, staart 14 cM.). De schouderveeren

en alle groote bovendekveeren van den vleugel zijn echter bruin met

smalle, vuilwitte kanten. Het oog is donker nootbruin, de snavel

zwart, achter den nagel met een breeden, helder geelrooden ring om

beide kaken, de voet oranjekleurig.

De Akkergans (Anser fabalis arvensis, Anser arvensis) wordt als een

verscheidenheid van de Rietgans aangemerkt. Zij is bijna even groot als

de Wilde Gans (lengte 95, vlucht 174, vleugel 50, staart 14 cM.). Het

zwart op den overigens oranjerooden snavel blijft beperkt tot den rug,

het achterste deel van de zijstukken en den nagel.

De Kleine Rietgans (Anser brachyrhynchus) gelijkt veel op de Rietgans,

maar verschilt van deze door geringere grootte (lengte 82, vleugel

42, staart 14 cM.), voorts door den opmerkelijk korten, plompen en

dikken snavel, met smallen, licht rozerooden ringband; de voeten zijn

klein en eveneens rozerood; het kleed is zeer donker, de bovenkop

zwartbruin, de hals roodachtig bruin; de veeren van de bovenzijde en

van de flanken zijn dof grauwzwart met lichtgrijze randen.

De drie laatstgenoemde Ganzen broeden in het hooge noorden van de

Oude Wereld; de grenzen van ieders gebied zijn echter niet nauwkeurig

bekend. Tot dat van de Rietgans behooren IJsland, Lapland en de

toendra van Europa en Azië; de Akkergans nestelt eveneens in Lapland;

van de Kleine Rietgans weet men, dat zij in den zomer op Spitsbergen

voorkomt. In den herfst trekken deze Vogels naar 't zuiden en bezoeken

ook ons vaderland, waar zij van November tot Maart rondzwerven en

veelvuldiger zijn dan de gewone Wilde Ganzen. Het talrijkst zijn

de Akkerganzen, die ook bij strenge vorst hier blijven; terwijl de

Rietganzen zich dan naar Zuid-Europa en zelfs naar Noordwest-Afrika

begeven, vanwaar zij echter, zoodra het weer gunstiger wordt,

naar noordelijker gewesten terugkeeren. De Kleine Rietganzen komen

hier geregeld, doch slechts in kleinen getale; zij verlaten hare

broedplaatsen ongeveer terzelfder tijd als de Akkerganzen (later dan

de Rietganzen) en keeren eerder derwaarts terug.

De Rietgans, die in levenswijze en gewoonte met hare beide verwanten

overeenstemt, slaapt in meren en rivieren bij voorkeur op onbewoonde,

kale, door ondiep water omringde eilandjes, waar zij veilig is voor een

aan den waterkant staanden jager; des noods behelpt zij zich met andere

moeilijke toegankelijke plekjes van waterrijke of moerassige gewesten

of zelfs met de vrije watervlakte van een meer of grooten plas. Van

haar rustplaats vliegt zij met het aanbreken van den dag, nooit zonder

geschreeuw en geraas en steeds langs bepaalde wegen, naar de velden,

waar zij haar voedsel zoekt, en keert tegen 11 uur in den voormiddag

naar haar verblijfplaats terug, om te drinken, te baden, hare veeren

te reinigen en te ordenen, zich te ontspannen en misschien een weinig

te slapen; des namiddags tegen 2 of 3 uur vliegt zij ten tweeden male

uit; zoodra de schemering aanvangt, gaat zij slapen. In den herfst

voedt zij zich met de zaden, die op het stoppelland achtergebleven

zijn, later met de jonge graanplantjes van de akkers met winterkoren;

zij richt hierdoor veel schade aan. Haar doordringende, ver hoorbare

stem gelijkt op die van de gewone Wilde Gans.

De Kolgans (Anser albifrons) heet zoo wegens den door witte veeren

gevormden, breeden, ringvormigen band achter den snavelwortel,

die men bij de volwassen Vogels (in Friesland Bonte Kollen genaamd)

opmerkt; bij de jongere exemplaren (of Schiere Kollen) is deze streek

in meerdere of mindere mate wit gevlekt of zelfs zonder eenig wit. De

kop en de hals zijn donkergrijs, de bovendeelen bruingrijs met lichtere

randen om de veeren, de onderdeelen grijs, de borst met zeer dicht

bijeenstaande, zwarte vlekken geteekend, de staartwortel, de stuit

en de onderstaartdekveeren wit, de handpennen en de vleugeldekveeren

aschgrauw, de armpennen zwart, de staartveeren zwartachtig bruingrijs

met smallen, witten zoom en breeden, witten eindrand. De jongen hebben

een nagenoeg effen grijs kleed. Het oog is donkerbruin, de snavel bijna

effen roodachtig geel, de voet oranje. Totale lengte 70, vlucht 150,

vleugel 44, staart 12 cM.

Een verscheidenheid van de Kolgans, de Dwerggans (Anser albifrons

erythropus), is aanmerkelijk kleiner (60 cM. lang). De witte

voorhoofdsvlek reikt bij haar tot op het midden van de kruin en heeft

een zwartachtigen zoom; de borst is wegens de talrijke, donkere veeren,

nagenoeg zwart.

Deze beide vormen werden in alle toendras van de noordpoolgewesten

broedend aangetroffen. Op hun winterreis, die zich tot in Egypte, het

zuiden van Perzië en Indië uitstrekt en waarbij zij de kust volgen,

bezoeken zij ons vaderland; van November tot Maart zwerven zij hier

veelvuldig rond, maar begeven zich bij strenge koude naar zuidelijker

gewesten. In levenswijze en gewoonten verschillen zij weinig van de

Rietganzen; hun stem klinkt echter geheel anders, n.l. ongeveer als

"kliekkliek" of "klekkek", "klieng" en "kleng." Hieraan danken zij

den naam Klik.

Door een eigenaardige kleur onderscheidt zich de Sneeuwgans [Anser

(Chen) hyperboreus]. De volwassen Vogel is sneeuwwit; de tien eerste

slagpennen zijn echter zwart, met uitzondering van het wortelgedeelte

van de schaft, dat eveneens wit is. In het jeugdkleed hebben de veeren

van kop en nek een grijsachtig wit waas; de zwartachtig grijze kleur

van de onderzijde van den hals, van den bovenrug, de schouderveeren, de

borst en de zijden wordt naar onderen bleeker. Het oog is donkerbruin,

de snavel licht vuilrood, aan de randen zwartachtig, de voet licht

vuilkarmijnrood. De lengte bedraagt 86 cM.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 26 / 31 段