van de familie der Enaliornithidae. Enaliornis (het woord beteekent:
zeevogel) was zoo groot als een Duif, had goed ontwikkelde vleugels en
voor 't zwemmen geschikte pooten. Vermoedelijk bezat hij tanden, welken
evenals die van Ichthyornis, met wortels in tandkassen bevestigd waren.
De laatste onderorde der Stootvogels is die der Gansvogels
of Zeefsnaveligen (Anseriformes), welke slechts één familie
van hedendaagsche dieren bevat. Deze, door Fürbringer Anatidae
genoemd, kan in onze taal gevoegelijk denzelfden naam dragen als
de onderorde. Een andere familie van Zeefsnaveligen, die uit thans
niet meer levende wezens bestaat, heeft ter eere van Gaston Plante,
den ontdekker van het eerste, hiertoe behoorende overblijfsel, den
naam van Gastonvogels (Castornithidae) ontvangen. Zij leefden in
den aanvang van den tertiairen tijd (in het eocene tijdvak), hadden
zeer lange, krachtige pooten en zwak ontwikkelde vleugels. Bij hen,
evenals bij de Vinduikers, bleef de vergroeiing der schedelbeenderen
onvolkomen. Ook de beenderen, die te zamen het loopbeen vormen en
de bestanddeelen der verticale beenplaat aan 't einde van den staart
waren niet volkomen vereenigd. In grootte evenaarden of overtroffen
deze Vogels den Afrikaanschen Struis. De grootste soort (Gastornis
Edwardsii) was ongeveer 3 M. hoog. In verschillende opzichten
kwamen deze voorwereldlijke dieren duidelijk overeen met de thans
nog levende Zeefsnaveligen.--De hoofdkenmerken der onderorde zijn:
het ontbreken van de bijveder aan de schacht der omtrekveeren, de
middelmatig lange, langs de randen met hoornplaatjes bezette snavel,
de korte loop, de vereeniging van de voorteenen door een zwemvlies,
de kleinheid en de achterwaartsche stand van den binnenteen.
Bekijk een Eend, zoo hebt gij het type van een Zeefsnavelige voor
u. Onze aandacht wordt het eerst getrokken door den bouw van den
snavel, die den Vogel in staat stelt zijn voedsel op een eigenaardige
wijze te verzamelen. Deze snavel is zelden langer dan de kop,
gewoonlijk recht, breed, aan de bovenzijde slechts weinig gewelfd;
van voren loopt hij in een breeden "nagel" uit; aan de zijden is
hij met hoornplaatjes voorzien; die van de bovenkaak vallen tusschen
die van de onderkaak. De huid, die den snavel bekleedt, is slechts
langs de randen hard, overigens zacht; de takken van het vijfde paar
hersenzenuwen, die zich in deze huid verspreiden, maken haar tot een
uitmuntend tastorgaan. De groote, vleezige, fijngevoelige tong is
slechts aan den rand verhoornd en hier met franjes en tandjes bezet;
zij verhoogt aanmerkelijk de geschiktheid van den snavel om den dienst
te verrichten van een zeef, waarmede zelfs de kleinste voedseldeeltjes
van de hen omringende, oneetbare stoffen afgescheiden kunnen worden. De
romp is krachtig; het steeds zeer rijke, dichte en glad aanliggende
vederenkleed bevat een overvloed van donsveeren. Prachtig kan men
zijn kleur niet noemen, meestal echter wel zeer bevallig; dikwijls,
maar niet altijd, is zij verschillend bij mannetjes en bij wijfjes,
bij oude en bij jonge Vogels.
Het verbreidingsgebied van de Gansvogels is beperkter dan dat van
andere zwemvogels. Wereldburgers zijn ook zij. Met uitzondering van
het vasteland aan de zuidpool ontmoet men ze in alle werelddeelen;
zij bewonen echter de warme en gematigde aardgordels in veel grooter
aantal dan de koude. Het aantal soorten bedraagt 180; zij zijn over
40 geslachten verdeeld, waarvan er 21 in het noordelijke Rijk van de
Oude Wereld vertegenwoordigd zijn.
De talenten van de leden dezer familie, hoewel zeer verschillend, zijn
toch gelijksoortig. Eenige van hen hebben wegens hunne ver achterwaarts
geplaatste pooten een langzamen en waggelenden gang; geen hunner is
echter, gelijk sommige Duikers, genoopt om te kruipen; vele zijn zelfs
flink ter been en kunnen zonder zichtbare inspanning uren lang gaan;
eenige kunnen zich ook in een boomkroon goed redden. Alle zwemmen
behendig en met volharding; er zijn er bijna geen onder, die met
tegenzin of slechts uit nood te water gaan; de meeste kunnen bovendien
tot meer of minder groote diepte duiken, hetgeen sommigen weinig,
anderen meer moeite kost; enkele staan de bekwaamste zwemkunstenaars
naar de kroon. Bij het duiken gaan zij van den waterspiegel uit;
zij zijn "sprongduikers" en geen "stootduikers". Wat bekwaamheid
in 't vliegen betreft, staan zij duidelijk bij andere Zwemvogels
achter. Bijna alle verheffen zich niet dan met betrekkelijk groote
krachtsinspanning van het water of van het land in de lucht; zij
vallen zoo plomp naar beneden, dat enkele in 't geheel niet op den
grond durven neerstrijken, maar altijd in het water neerdalen om een
minder hevigen schok te ondervinden. Na het bereiken van een zekere
hoogte is hun vlucht echter zeer snel; zij leggen in één tocht een
grooten weg af, maar moeten hunne vleugels onophoudelijk bewegen.
De verstandelijke vermogens van de Zeefsnaveligen zijn misschien
geringer dan die van de meest begaafde Stootvogels; stellig
overtreffen zij echter die van alle overige Zwemvogels. Wie de
Gans, in gedachtelooze navolging van een oude spreekwijze, een
dom schepsel noemt, heeft haar nooit goed nagegaan; iedere jager,
die Wilde Ganzen heeft trachten te verschalken, zal er anders
over oordeelen. De Zwanen, Eenden en Zaagbekken behooren tot de
voorzichtigste van alle Vogels, geven blijken van list en sluwheid,
weten over toestanden een juist oordeel te vellen en zich spoedig te
schikken in veranderde omstandigheden: dit maakt hen zoo bijzonder
geschikt voor huisdieren. Over 't algemeen zijn zij goedhartig,
verdraagzaam en tot gezelligheid geneigd. Met warme liefde is het
wijfje aan gade en kroost gehecht; het mannetje neemt echter niet
altijd deel aan de verzorging der jongen. Met lofwaardigen moed
verdedigt het wijfje in tijden van gevaar hare kinderen.
Boven de andere Zwemvogels munten de Gansvogels uit door de
veelzijdigheid en welluidendheid van hun stem. Hun voedsel bestaat uit
dierlijke en plantaardige stoffen. Slechts weinige Zeefsnaveligen zijn
volslagen roofdieren, d.w.z., dat zij in 't geheel geen plantaardig
voedsel gebruiken; even weinige zijn er, die zich uitsluitend met
planten voeden.
Het echtverbond van de Zeefsnaveligen duurt tot aan den dood; hun
huwelijkstrouw is echter niet boven allen twijfel verheven. Bij de
meeste soorten zorgt de moeder voor het uitbroeden der eieren en
het opvoeden der jongen. Het nest bevindt zich soms op plaatsen,
waar de moerassige bodem eenige stevigheid vertoont, soms op een
vast terrein, soms in een hollen boom, in een gat van den grond of
in een holte van het gesteente; het is uit verschillende stoffen,
gewoonlijk op eenvoudige, kunstelooze wijze samengesteld; van binnen
is het echter zeer regelmatig met dons bekleed.
Van een zeer groot aantal dieren hebben de Zeefsnaveligen een vijandige
behandeling te duchten, ofschoon de grootste leden van de familie menig
roofdier weten af te weren. De mensch vervolgt hen allen, sommige
wegens hun smakelijk vleesch, andere ter wille van hunne veeren;
hij neemt hunne eieren weg, berooft de nesten van het bekleedende
dons en draagt aanmerkelijk bij tot vermindering van het aantal dezer
eigenlijk onschadelijke Vogels. Zeer weinige soorten heeft hij tot
huisdieren gemaakt en getemd, ofschoon juist de Zeefsnaveligen voor
dit doel uitnemend geschikt zijn. Eerst in den laatsten tijd is men
begonnen hun de aandacht te wijden, die zij zoo ruimschoots verdienen.
Afgezien nog van de lof, die in sagen en gedichten over de Zwanen
wordt uitgestort, zal men aan deze fiere en statige Vogels den eersten
rang onder hunne verwanten moeten toekennen. Men vereenigt ze tot een
onderfamilie (Cygninae). Zij hebben een langwerpigen romp met zeer
langen hals en middelmatig grooten kop. De snavel, die den kop ongeveer
in lengte evenaart, is recht, overal even breed, van voren afgerond,
aan den wortel naakt of bultig gezwollen, bij de spits een weinig
bol en met een afgeronden "nagel" voorzien. Het vederenkleed is zeer
rijk, aan den romp buitengewoon dicht, zacht en zonder glans, aan den
kop en den hals fluweelachtig, aan de onderzijde dik en vachtvormig,
op de bovendeelen uit groote veeren samengesteld; overal is de huid
tusschen de omtrekveeren met een overvloed van dons begroeid.
Met uitzondering van de keerkringsgewesten, bewonen de 10 bekende
soorten van Zwanen alle aardgordels, het veelvuldigst echter de
gematigde en koude landen van het noorder halfrond. Iedere soort heeft
een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied en onderneemt op geregelde
tijden reizen, die zich over een grooten afstand uitstrekken. Alle
soorten trekken, hoewel zij dit niet in alle omstandigheden doen; niet
zelden overwinteren enkele exemplaren in hun vaderland of beperken
hunne omzwervingen in het koude jaargetijde tot op korten afstand
van hunne broedplaatsen. Zoetwatermeren en waterrijke moerassen zijn
hunne eigenlijke woonplaatsen, hoewel zij op allerlei soorten van
wateren verblijf houden. Zij nestelen in het binnenland, maar houden
zich na den broedtijd in zee op. Hunne werkzaamheden verrichten zij
over dag; zelfs hunne reizen hebben nooit 's nachts plaats. Het water
is hun rijk; ongaarne bewegen zij zich op het land. Hun gang wordt
bemoeilijkt, doordat de pooten ver naar achteren zijn aangehecht; op
het land is hun beweging daarom plomp en waggelend. Dat het vliegen en
vooral het opvliegen van uit het water een groote krachtsinspanning
vereischt, is duidelijk merkbaar; nadat de Zwaan een zekere hoogte
heeft bereikt, komt hij echter snel vooruit. Hij is bijna niet in staat
zich van den vasten grond in de lucht te verheffen; nauwelijks durft
hij er op neerstrijken. Om van het water op te stijgen, slaat hij met
de vleugels en trapt tevens met de breede zolen op den waterspiegel,
beweegt zich op deze wijze onder luidklinkend geplas, half loopend,
half vliegend, 15 à 20 M. ver en heeft eerst dan de noodige vaart
voor het vliegen verkregen. Als het vliegen zal ophouden, laat hij
zich zonder vleugelslag langzamerhand in schuinsche richting uit de
lucht naar beneden glijden, schiet, nadat hij op den waterspiegel is
neergekomen, hierover nog een eind weegs voort of tracht met de naar
voren gestrekte voeten den schok tegen het water te verminderen.
Eenige soorten kunnen een geluid voortbrengen, dat eenigszins
herinnert aan de stem van den Kraan en op trompetgeschal gelijkt; zij
doen dit echter zelden, maar laten gewoonlijk een sterk gesis of een
dof gemurmel hooren. Andere soorten daarentegen hebben een sterke en
krachtige stem, die zelfs eenige afwisseling vertoont en ons, wanneer
zij van een afstand komt, als muziek in de ooren klinkt. De mannetjes
schreeuwen vaker dan de wijfjes, hun geluid is voller van toon en
krachtiger; de jongen van beiderlei geslacht piepen als Ganzen. De
geestvermogens der Zwanen zijn niet geringer dan die van de andere
Zeefsnaveligen. Zij zijn schrander en vlug van begrip, regelen hun
gedrag naar de omstandigheden en naar de handelingen van de menschen,
waarmede zij te maken hebben; de schuwheid en omzichtigheid, die hun
eigen zijn, leggen zij echter slechts zelden af. Uit hun houding
spreekt zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde, maar ook een
zekere boosaardigheid, die zich in het verkeer met soortgenooten van
dezelfde sekse als vechtlust, bij ontmoetingen met zwakkere Vogels als
heerschzucht openbaart. Jegens zwakkere Vogels zijn zij onvriendelijk
en afgunstig; het is, alsof de onbeperkte heerschappij, die zij
weldra weten te verwerven, hen nog niet bevredigt: niet zelden worden
andere Zwemvogels aanhoudend door hen vervolgd, woedend aangevallen
en zonder eenige reden om 't leven gebracht, alleen uit baldadigheid,
om te toonen, dat zij de sterkste zijn.
Het mannetje en het wijfje zijn met trouwe liefde aan elkander gehecht;
hun verbintenis wordt voor het geheele leven gesloten. Even teeder
toonen de ouders zich jegens hun kroost; want, hoewel het mannetje in
den regel niet mede broedt, waakt hij toch trouw voor de veiligheid
van het wijfje, blijft voortdurend in haar nabijheid en geeft acht
op ieder gevaar; soms begeeft hij zich bij haar op het nest om haar
den tijd te verdrijven door zijn tegenwoordigheid. Het nest is zeer
groot en zonder kunst gebouwd; de grondslag bestaat uit allerlei
waterplanten; met droog riet en dergelijke materialen wordt het
voltooid en gevoerd. Overal waar kleine, veilige eilandjes voorkomen,
worden deze tot standplaats voor het nest gekozen; indien zulke
plekjes ontbreken, stapelt het wijfje planten opeen, totdat de in
't water drijvende hoop het echtpaar kan dragen. Het broeden begint
na het leggen van 6 à 8 eieren, welker dikke schaal een vuilwitte of
bleekgroene kleur heeft; het duurt 5 à 6 weken. De kuikentjes zien
er in hun dicht donskleed zeer bevallig uit; zij worden nog ongeveer
een dag in het nest verwarmd en gedroogd, vervolgens naar het water
gevoerd en tot het zoeken van voedsel aangespoord; de moeder neemt hen
dikwijls op den rug, laat hen 's nachts onder hare vleugels slapen,
verdedigt hen met moed tegen gevaren, kortom, verpleegt hen zeer
liefderijk, totdat hunne veeren zich ontwikkeld hebben en zij zorg
en leiding ontberen kunnen.
Plantaardige stoffen, die in het water of op een moerassigen bodem
groeien, wortels, bladen en zaden, Insecten en hunne larven, Wormen,
Schelpdieren, kleine Amphibiën en Visschen maken het voedsel van de
Zwanen uit.
De Zeearend en de Steenarend vangen soms oude, vaker nog jonge Zwanen;
overigens hebben deze fiere en weerbare Vogels weinig van roofdieren
te lijden. De mensch is belust op hun vleesch en hunne veeren, vooral
op hun dons. In het noorden maakt hij gebruik van een flinke bries
om hen in een zeilboot te naderen, zoodat het vaartuig voor den wind
op hen aanloopt. Daar de Zwanen, als zij zich in de lucht verheffen,
het liefst in den wind opvliegen, is het waarschijnlijk, dat zij zich
in de richting van den jager zullen bewegen en hem gelegenheid tot
een schot zullen geven.
Het is niet moeilijk jong gevangen Zwanen groot te brengen en even tam
te maken als die, welke in de gevangenschap gefokt zijn. Enkele raken
zeer gehecht aan hun verzorger; hunne liefkoozingen zijn echter meestal
zoo hartstochtelijk, dat het altijd zaak is eenige voorzorgen te nemen,
wanneer men zich verder met hen wil inlaten. De schoone gestalte en
de sierlijke bewegingen dezer Vogels verschaffen hun vele vrienden;
een vijver met Zwanen levert een bekoorlijk schouwspel op.
De stamvader van onzen Tammen Zwaan, de Roodbekzwaan of Knobbelzwaan
(Cygnus olor), bewoont Noord-Europa en Oost-Siberië. De wilde Zwanen,
die iederen winter in kleinen getale ons vaderland bezoeken, zijn niet
te onderscheiden van de tamme; "in sommige streken, zooals in Noord-
en Zuid-Holland, waar de laatstgenoemde veel worden gehouden, is het
altijd moeilijk uit te maken, of men niet met ontvluchte voorwerpen
te doen heeft. Treft men echter vluchten van 7 à 9 stuks, dan is
dit niet waarschijnlijk, vooral wanneer dit plaats heeft in streken,
waar weinig of geen tamme worden gehouden" (Albarda). De langwerpige
romp, de lange, slanke hals en de roode snavel, die even lang is als
de kop en zich onderscheidt door een zwart knobbeltje aan den wortel
van den bovensnavel, maken, dat men deze soort met geen andere kan
verwarren. De veeren zijn zuiver wit, die van de jongen grijs of
wit. Het oog is bruin, de snavel rood, de teugel zwart, de voet
bruinachtig of zuiver zwart. De lengte bedraagt 180, de vlucht 260
cM. (lengte van den vleugel 70, van den staart 18 cM.). Het wijfje
is iets kleiner.
De zoogenaamde Witgeboren Zwanen (Cygnus olor immutabilis) vormen
slechts een verscheidenheid van de gewone soort; zij kunnen met "grauw
geboren" in 't zelfde broedsel voorkomen. Soms, doch zeer zelden,
komen zij bij ons in het wild voor. Tweemaal werd in Nederland een
dergelijk exemplaar geschoten.
Van de eerstgenoemde soort onderscheidt zich de Wilde Zwaan of Deen, in
Groningen Hoelzwaan, in 't Friesch Kloekswan geheeten (Cygnus musicus),
door zijn meer gedrongen gestalte, door den iets korteren en dikkeren
hals en vooral door den snavel, die aan de spits zwart, aan den wortel
geel en eenigszins gezwollen is, maar geen knobbel vertoont. (Lengte
160, vlucht 250, vleugel 62, staart 20 cM.) Iederen winter treft men
op onze kust, alsmede op de binnenwateren en ondergeloopen vlakten
exemplaren van deze soort aan; soms zijn zij hier zeer talrijk.
De derde soort van de onderfamilie, die Europa en Noord-Azië bewoont,
de Kleine Zwaan (Cygnus Bewickii), onderscheidt zich van de vorige
hoofdzakelijk door geringere grootte (lengte 125 à 130 cM.), den dunnen
hals, een aan den wortel zeer hoogen snavel en een uit 18 stuurpennen
samengestelden staart. Sommige dierkundigen beschouwen hem als een
verscheidenheid van den Wilden Zwaan. In kleinen getale bezoekt hij
's winters ons vaderland. In den strengen winter van 1870/1871 was
hij hier vrij talrijk.
De Wilde Zwaan is in het noorden van Europa niet zeldzaam, en
komt eveneens voor in geheel Noord- en Middel-Azië tot aan de
Behring-straat, als ook in Amerika. Op den trek begeeft hij zich
iederen winter naar Noord-Afrika, naar Egypte zoowel als naar de
meren van Marokko, Algerië en Tunis. Aan de Oostzeekust verschijnen de
Wilde Zwanen reeds in October; Middel-Duitschland en Nederland doen
zij in November en December op de heenreis, in Februari of Maart op
de terugreis aan.
De Wilde Zwaan staat duidelijk achter bij den Roodbekzwaan wat
bevalligheid en sierlijkheid betreft. Gunstig onderscheidt hij zich
echter van dezen door zijn schelle en betrekkelijk welluidende stem,
die men trouwens op een afstand moet hooren om haar met bazuingeschal
en viooltonen te vergelijken: zooals de IJslanders doen. Naumann
stelt het gewone geschreeuw van dezen Vogel zeer juist voor door
de teekens "kielkliï", het zachtere door "ang". Hoewel deze beide
geluiden van nabij gehoord geen bijzonder aangenamen indruk maken,
maar heesch en krijschend zijn, is het niet onmogelijk, dat zij
welluidend mogen heeten, wanneer men ze op een afstand hoort en
wanneer een groot aantal Vogels ze te gelijk voortbrengen. Dit
kan men afleiden uit de berichten van Schilling: "De Wilde Zwaan
bekoort den toeschouwer niet slechts door zijn schoone gestalte,
maar steekt door de waakzaamheid en de schranderheid, die uit iedere
beweging van den kop en uit de geheele houding blijken, gunstig af
bij den Roodbekzwaan. Zijn luide, gevarieerde, zuivere stem, die bij
iedere aanleiding als loktoon en waarschuwend sein weerklinkt, maakt
een aangenamen indruk. De tot troepen vereenigde Wilde Zwanen laten
zich voortdurend hooren; 't is, alsof zij een zangwedstrijd houden
om zich den tijd te verdrijven. Wanneer een strenge vorst de zee op
alle plaatsen, die niet opengehouden worden door een hevigen stroom,
met een ijslaag bedekt en de ondiepten, waar de Wilde Zwanen zich bij
voorkeur ophouden, ongeschikt zijn om hen te herbergen, vereenigen
deze statige Vogels zich bij honderden in de naastbijgelegene,
opene watervlakten. Zij bejammeren dan als 't ware met droefgeestig
geschreeuw hun ongelukkig lot, daar zij in diep water het noodige
voedsel niet kunnen verzamelen: meermalen hoorde ik op een langen
winteravond en gedurende den geheelen volgenden nacht het veelstemmig
klaaggezang, dat op uren afstands voortgebracht werd door Vogels, die
in zulke omstandigheden verkeeren. Soms klinkt dit zangerig geschreeuw
als klokgelui in de verte, soms als tonen van blaasinstrumenten;
het komt niet geheel overeen met de tonen van het doode metaal, maar
overtreft deze in vele opzichten; daar het van levende wezens afkomstig
is, maakt het een meer sympathieken indruk, harmonieert het beter met
ons zintuig. Het maakt de als een verdichtsel uitgekreten overlevering
van het zwanengezang tot een werkelijkheid." Wegens zijn gezang wordt
de Wilde Zwaan in Rusland, waar onze Roodbekzwaan niet veel in tel
is, dikwijls in getemden staat gehouden. De hartstochtelijkheid en
twistgierigheid, die deze soort misschien in hoogere mate bezit dan
al zijne verwanten, worden eenigszins vergoed door zijn schranderheid.
In vrij grooten getale nestelt de Wilde Zwaan in de moerassen
van Finland, Noord-Rusland en Middel-Siberië, ook wel in die van
Noord-Amerika en van IJsland. Bij uitzondering werd soms een enkel
paar in Duitschland broedend waargenomen.
Alle volken van het noorden maken ijverig jacht op de Zwanen. Deze
doorleven een moeilijken tijd, als het ruien in vollen gang is en zij
de meeste van hunne slagpennen verloren hebben. Door jagers, die hen
in een boot vervolgen, worden zij dan met den stok doodgeslagen. De
ouden en de jongen zijn in dezen tijd zeer vet; vooral laatstgenoemde
zijn als wild zeer gezocht.
Een der fraaiste, uitheemsche Zwanen is de Zwartnekzwaan (Cygnus
nigricollis). Zijn kleed is wit; de kop met uitzondering van een
witte wenkbrauwstreep is zwart, evenals de bovenste helft van den
hals. Het oog is bruin, de snavel loodkleurig grijs, aan de spits geel;
de knobbel aan den bovensnavel en de naakte plek van den teugel zijn
bloedrood; de voet is lichtrood. De lengte bedraagt ongeveer 100 cM.
Het verbreidingsgebied van deze soort strekt zich over de zuidspits
van Amerika, van het zuiden van Peru tot de Falkland-eilanden en van
hier langs de oostkust tot Santos in Brazilië uit.
In 1851 voerde Lord Derby op zijn kasteel Knowsley bij Liverpool
het eerste paar Zwartnekzwanen in. Kort voor 1870 werd een paar van
deze dieren voor f 1200 aangekocht door den Heer P. J. Polvliet,
een bekend kweeker van zwemvogels te Rotterdam, die er in 1872 reeds
26 jongen van had verkregen. Tegenwoordig treft men deze Zwanen,
zelfs bij particulieren, niet zelden aan; zij zijn mak van aard en
telen vrij goed in den gevangen staat voort, gedragen zich als Wilde
Zwanen, maar laten slechts zelden hun zwakke stem hooren. In strenge
winters moeten zij tegen felle koude beschut worden; overigens zijn
zij tegen ons klimaat goed bestand (Maitland).
De Zwarte Zwaan (Cygnus atratus) is iets kleiner dan de Gewone, maar
doet voor dezen niet onder in schoonheid van gestalte en sierlijkheid
van bewegingen. De kleine omtrekveeren zijn nagenoeg geheel
bruinachtig zwart, alleen haar rand is zwartgrijs; de onderdeelen zijn
weinig lichter van kleur; hierbij steekt het heldere wit van alle
handpennen en van het grootste deel der armpennen prachtig af. De
groote vleugeldekveeren zijn sterk gekruld. Het oog is karmijnrood,
de teugel anjelierrood, de snavel helder karmijnrood, een strook vóór
de spits van den bovensnavel en de spitsen van beide kaken zijn wit,
de voeten zwart.
Cook trof deze diersoort, die reeds sedert 1698 bekend is, op de door
hem bezochte gedeelten van de Australische kust veelvuldig aan; ook
thans nog vindt men haar in alle voor haar geschikte meren, poelen
en rivieren van Zuid-Australië en Tasmanië; verbazend talrijk is zij
in de weinig bezochte streken van het binnenland en zoo weinig schuw,
dat het geen moeite kost er zoovele van te schieten als men verlangt.
In aard en gewoonten verschilt de Zwarte Zwaan niet veel van zijn
ons bekenden verwant; hij is echter minder stil dan deze en houdt
zelfs veel van schreeuwen; zijn zonderlinge stem, die min of meer
aan dof trompetgeschal herinnert, wordt vooral tegen den paartijd
dikwijls gehoord.
In 1726 werden voor 't eerst levende Zwarte Zwanen uit Australië naar
Batavia overgebracht; hun intocht in Europa deden zij in 't begin
van deze eeuw op het aan Keizerin Josephine toebehoorende kasteel
Malmaison. Tegenwoordig zijn zij in de vijvers van de Europeesche
vogelliefhebbers gewone verschijningen; het onderhoud van deze Vogels
vereischt weinig meer zorg dan dat van de meest gewone leden hunner
verwantschap. De koude van onzen winter hindert hen niet veel;
de eischen, die zij aan het voedsel stellen, zijn gemakkelijk te
bevredigen. Ieder jaar planten zij zich in de gevangenschap voort: bij
den Heer P. J. Polvliet te Rotterdam werden in 5 opeenvolgende jaren
(van 1858 tot 1861 door één paar en van 1861 tot 1865 door 2 paren)
98 jongen grootgebracht (Maitland).