en langwerpig van vorm; hun dikke, oneffene schaal is met een wit
kalkkorstje bedekt, doch heeft overigens een groenachtig witte kleur,
die echter spoedig door het vuil van het nest in geelroodachtig of
olijfkleurig bruin veranderd en soms gemarmerd wordt. Het mannetje en
het wijfje broeden om beurten; het wijfje zit over 't geheel genomen
langer op 't nest dan het mannetje, dat, terwijl zijn gade broedt, in
de nabijheid rondzwemt. Als beide het nest verlaten, halen zij vooraf
steeds een hoop half vergane waterplanten van den bodem en bedekken
hiermede de eieren. Na een broedtijd van ongeveer 3 weken komen de
jongen ter wereld, ook uit die eieren, welke gedurende het broeden
grootendeels in 't water liggen. Onmiddellijk begeven de jongen zich in
hun element; reeds op den eersten levensdag blijkt hun bedrevenheid in
de zwemkunst; binnen weinige dagen leeren zij ook duiken. Aanvankelijk
nemen hunne ouders hen bij dreigend gevaar onder de vleugels mede naar
de diepte; niet zelden worden de jongen ook bij 't vliegen, tusschen
de borstveeren verborgen, meegedragen. Hun nest betreden de kuikentjes
zelden weer; gelegenheid om uit te rusten vinden zij op vaders of
moeders rug, dien zij ook als slaapplaats gebruiken. Het zou hun niet
licht gelukken op dezen warmen en zachten zetel te klimmen, maar ook
hiervoor weten de liefderijke ouders raad. Zij geven aan hunne kinderen
een teeken om zich zwemmend dicht tegen elkander te dringen, duiken
en komen onder de jongen weer boven, zoodat deze op hun rug komen te
zitten. Op een dergelijke wijze ontdoen zij zich van hun last, als deze
hun hinderlijk wordt, of liever, wanneer een gevaar allen bedreigt. In
een kleinen vijver of in een doelmatig ingerichte kooi, waarin zich
altijd een grooten waterbak moet bevinden, kunnen de gevangen Fuuten
gemakkelijk in 't leven worden gehouden; natuurlijk moet men hun een
voldoende hoeveelheid Visschen en Insecten verschaffen. De grootste
soorten behelpen zich met Visschen, zonder meer; de kleinere hebben
bovendien ook Insecten noodig. Hun voortdurend onderduiken en weer
opstijgen, de verschillende houdingen, die zij aannemen, de argelooze
gemeenzaamheid, die zij toonen, doen hun ieders genegenheid winnen.
Het statigste lid van het eenige geslacht der Zoetwaterduikers
is de Fuut, ook wel Zandreiger, Lumme, Zanddrijver, Pronkvogel,
Certijnduiker, Satijnduiker, in Noordbrabant Keizer, in Friesland
Kroonduiker en Groote Aalduiker, in 't Friesch Haerringslynder
genoemd (Colymbus cristatus). In 't bruiloftskleed draagt de kop
een van boven in twee hoornen gesplitste pluim en een uit prachtige,
lange, losbaardige veeren samengestelden kraag, die de zijde van den
kop en de keel omgeeft. De bovendeelen zijn glanzig zwartbruin, een
spiegel op den vleugel, de wangstreek en de keel zijn wit; de kraag
is roestrood, aan den rand zwartbruin; de onderdeelen zijn wit met
zijdeachtigen glans, in de flanken met roestkleurige en grijsachtig
zwarte vlekken. Het oog is karmijnrood, de teugel rood, de snavel
lichtrood, de voet aan de buitenzijde donker hoornkleurig, aan de
binnenzijde vuilgeelachtig wit. In het winterkleed zijn de pluim en
de kraag nog niet tot ontwikkeling gekomen; op de bovendeelen is het
zwartbruin met donkergrijs gemengd; het roestrood van den kraag en
het roestbruin van de zijden is doffer. Totale lengte 95, vlucht 64,
vleugellengte 18 cM.
In alle Europeesche landen, die bezuiden 60° NB. liggen, vindt men den
Fuut in alle voor hem geschikte meren en andere binnenwateren. Bij
ons is deze soort door de vervolgingen, die zij te verduren had,
veel minder talrijk geworden dan voorheen; in Duitschland is zij niet
zeldzaam, op de meren van Zuid-Europa overvloedig. In Noordwest-Afrika
komt zij eveneens nog geregeld voor; in Egypte ontmoet men haar in
kleinen getale en zelden. Even veelvuldig als Europa bewoont zij
Middel-Azië en Noord-Amerika, trekt van Siberië naar het zuiden van
China en Japan en in Noord-Amerika naar het zuiden van de Vereenigde
Staten.
De Fuut houdt zich hier te lande op van April tot September;
sommige exemplaren overwinteren aan de kust. Des zomers houdt hij
verblijf op groote plassen of meren, die gedeeltelijk met riet en
andere moerasplanten begroeid zijn, bij voorkeur op een watervlakte
van tamelijk groote uitgestrektheid, zoodat hij te midden van deze
beveiligd is tegen een schot. Meer nog dan zijne kleinere verwanten
is hij aan 't water gehecht, omdat het staan en het gaan hem meer
moeite kosten. Geen hunner is bekwamer in 't zwemmen en duiken; zijn
volharding vergoedt, wat hem aan behendigheid ontbreekt. Naumann heeft
waargenomen, dat hij onder water een afstand van meer dan 60 M. in
een halve minuut aflegt. Zijn vlucht is betrekkelijk snel, geschiedt
volgens een rechte lijn en veroorzaakt een hoorbaar gedruisch. Boven
alle leden zijner familie munt hij uit door voorzichtigheid en
schuwheid. Overal waar hij zich niet geheel veilig acht, blijft hij in
't open water, liefst op een paar honderd schreden afstands van den
oever, om door niets verhinderd te zijn in 't rondkijken en ieder
gevaar van verre te kunnen ontdekken. In den voortplantingstijd
nadert hij het riet aan den oever slechts dan, als er geen menschen
in de nabijheid zijn. Wanneer hij hier overrompeld wordt, verschuilt
hij zich soms in het riet, maar verlaat dit, zoodra er kans bestaat
om onder water door naar de open ruimte terug te keeren, waar hij
dikwijls alleen met den kop boven water komt, om daarna opnieuw te
duiken en verder te zwemmen, totdat hij zich veilig acht. Men ziet
hem nooit of nooit lang achtereen in het gezelschap van andere Vogels;
gedurende den broedtijd wil hij zelfs met zijne soortgenooten niets te
maken hebben. Als verscheidene paren in een plas nestelen, handhaaft
ieder paar zich streng in zijn gebied en duldt hier geen ander.
De krachtige, ver hoorbare stem van den Fuut biedt veel verscheidenheid
aan. Het dikwijls herhaalde geluid "kökökök" dient voor het gewone
verkeer tusschen beide seksen; de luide klank "kraor" of "kroeor"
vervangt als 't ware het gezang van andere Vogels, en wordt daarom
hoofdzakelijk gedurende den paartijd vernomen; dit geluid klinkt,
alsof het door den waterspiegel versterkt en verder voortgeplant
wordt, zoodat men het onder den wind op een afstand van een uur
gaans kan hooren. In de nabijheid van het nest schreeuwen de Fuuten
trouwens niet of slechts zelden: schranderheid en vrees verbieden
hen hier veel leven te maken. Het nest wordt in de nabijheid van
riet, zeggen of biezen steeds dicht bij het open water en op grooten
afstand van den vasten wal, dikwijls geheel vrij in het water gebouwd
en daarna aan eenige halmen bevestigd. Het is ongeveer 30 cM. breed
en 15 cM. hoog. De holte is zeer ondiep en ontstaat, naar 't schijnt,
langzamerhand door de drukking van den daarop rustenden Vogel. Het
geheel gelijkt zoozeer op een toevallig door den wind bijeengedreven
hoop rottende plantendeelen, dat een ongeoefende het niet voor het
nest van een Vogel zal houden. Men moet zich er over verwonderen,
dat deze natte massa den tamelijk zwaren Vogel kan dragen en nog meer,
dat zij niet omkantelt, als de Vogel er op of er af klimt. Het aantal
eieren bedraagt vier, soms één meer, soms een minder; zij liggen half
in het water, zijn aanvankelijk zuiver wit, maar nemen weldra een vuil
leemgele kleur aan. Het mannetje en het wijfje broeden beurtelings
zeer ijverig en toonen groote liefde voor hun gebroed. Tegen vliegende
roovers, b.v. Kraaien, verdedigt het wijfje hare jongen met heldenmoed
en niet zelden met succes, door uit het water op te springen en onder
jammerlijk geschreeuw naar den vijand te happen en te steken.
De jongen worden door beide ouders gehoed; de vader neemt echter vooral
de taak van schildwacht op zich. Aanvankelijk houden de ouders met
den snavel hunne jongen kleine insectenlarven voor, later leggen zij
deze voor hen op het water neer; zoodra de jongen 8 dagen oud zijn,
krijgen zij onderricht in 't duiken; de moeder legt een vischje voor
hen neer; zoodra hare kinderen het willen grijpen, neemt zij het
weer weg, duikt en noodigt de teleurgestelde kleintjes door den klank
"kwoeang" uit haar te volgen.
In de vrije natuur voedt de Fuut zich bijna uitsluitend met Visschen,
hoewel hij groote Insecten geenszins versmaadt. In vijvers, waar
Visschen worden gekweekt, kan hij derhalve eenige schaden aanrichten,
die echter daar, waar men groote Visschen houdt, van weinig beteekenis
is en in ieder geval door het voordeel, dat de Vogel verschaft,
wordt vergoed. Zijn vleesch is niet eetbaar, maar zijn rijk bevederde
huid, bij de bontwerkers onder den Franschen naam "grêbes" bekend,
wordt voor het vervaardigen van kragen en dergelijke artikelen zeer
gezocht; hierdoor wordt de vervolging, die men den Fuut doet ondergaan,
eenigermate verontschuldigd. Algerië voert ieder jaar 40.000 stuks van
deze en dergelijke vogelhuiden uit, Siberië omstreeks 1 1/2 millioen.
In een doelmatig ingerichte kooi, waarin een niet te kleine waterbak
moet zijn, kan men den Fuut met kleine Visschen in 't leven houden. Op
een kleinen vijver in een tuin gevoelt hij zich weldra thuis, geraakt
in weinige dagen aan zijn verzorger gewoon en wordt ten slotte zoo tam,
dat hij komt, als men hem roept, en het voedsel, dat men hem toewerpt,
aanneemt, zonder zich om de menschen te bekommeren.
De Roodhalsfuut (Colymbus griseigena) is kleiner dan de vorige soort
(46 cM. lang, 80 cM. vlucht). De bovenkop, de nek en de achterhals zijn
zwart met zwakken, groenachtigen glans; de kuif en de wangkraag zijn
veel minder ontwikkeld dan bij de vorige soort; evenals de keel zijn
zij aschgrauw, de veeren van de wangen met smallen, grijsachtig witten
zoom; de hals is, van voren en aan de zijden helder kastanjebruinrood;
op de grijsachtig zwarte bovendeelen vormen de lichtere vederzoomen
een teekening; de onderdeelen zien er uit als witte atlas, met
donkergrijsachtige schaftstrepen en vederranden in de flanken; de
slagpennen zijn zwartachtig; de witte, binnenste armpennen vormen op
den vleugel een smallen spiegel. Het oog is karmijnrood, de snavel
aan den wortel oranjegeel, overigens zwart, de loop aan de buitenzijde
zwartgroen, aan de binnenzijde groenachtig geel.
Deze soort bewoont alle noordelijke landen der aarde en broedt ook
bij ons, maar is minder talrijk dan de vorige.
De Kuifduiker of Kleine Zanddrijver (Colymbus auritus) onderscheidt
zich door zijn buitengewoon sterk ontwikkelden wangkraag. Deze is
zwart met goudgroenen weerschijn, evenals de bovenkop, de achterhals en
de bovendeelen. De breede teugelstreep is donker vuurrood, van boven
door een zwavelgelen rand begrensd; de voorhals, de kropstreek en de
zijden zijn helder bruinrood, de onderdeelen overigens wit als bij
beide vorige soorten, de handpennen grijsbruinzwart met donkerbruine
schaften, de armpennen van de tweede af zuiver wit. De snavel is zwart;
de wortel van de onderkaak echter karmijnrood, evenals de oogen. De
pooten zijn groenachtig, maar hebben vleeschkleurige zwemlobben. Lengte
33, vlucht 62 cM.
Deze soort is over den gematigden aardgordel verbreid; gedurende het
winterhalfjaar vindt men haar in kleinen getale op onze kust. Een
enkel paar werd broedend gevonden te Vlijmen (Noordbrabant).
De Geoorde Fuut (Colymbus nigricollis) is slechts weinig kleiner dan
de Kuifduiker (lengte 33, vlucht 60 cM.); hij heeft een dunneren,
eenigszins naar boven gekromden snavel. Een breede, bij het oog
beginnende, de oorstreek bedekkende teugelstreep is helder goudgeel en
neemt aan den boven- en onderrand een roodachtige tint aan. De overige
deelen van den kop benevens de hals en de bovendeelen zijn zwart,
de bovenborst en de zijden helder bruinrood, de borst en het midden
van den buik atlas-wit, de handpennen, de binnenste armpennen en de
bovenste vleugeldekveeren grijsachtig zwart, de 6e handpen aan het
einde, iedere volgende ook verder bovenwaarts, wit gezoomd, de korte
armpennen zuiver wit. Het oog is helder rood, de snavel zwartachtig
groen, de voet grijsgroen.
Deze soort bewoont den gematigden gordel van de Oude Wereld. Een
klein getal bezoekt ons in het voor- en najaar op den doortrek. Een
enkel exemplaar blijft 's winters aan de kust. Enkele paren werden
broedend gevonden in Zuid-Holland en Noordbrabant (Albarda).
De algemeenste van onze Zoetwaterduikers is de Dodaars, Kleine Fuut of
Kleine Duiker, bij Haarlem, Hagelzakje, in Friesland Kleine Aalduiker,
in Limburg Duikertje genoemd (Colymbus fluviatilis). Bij dezen zijn
de kopveeren slechts weinig zijwaarts verlengd en ontbreekt de witte
spiegel op den in rust verkleurenden vleugel, daar de armpennen alleen
op de binnenvlag wit zijn. In het prachtkleed zijn de veeren van de
bovendeelen glanzig zwart met bruinachtigen weerschijn, die van de
onderdeelen grijswit met donkerder, wolkachtige vlekken; de keel en
de plek vóór het oog zijn zwartachtig, de zijden van kop en hals en
de gorgel kastanjebruinrood. Het oog is roodachtig bruin, de teugel
geelachtig groen, de snavel aan den wortel geelgroen, aan de spits
zwart, de loop aan de buitenzijde zwart, aan de binnenzijde licht
hoornkleurig. In het herfstkleed zijn de bovendeelen meer bruingrijs,
de onderdeelen atlas-wit, de kop en de hals lichtgrijs. Lengte 25,
vlucht 43, vleugellengte 10 cM.
Het verbreidingsgebied van den Dodaars is ongeveer hetzelfde als dat
van zijn grooteren verwant; veelvuldiger komt hij echter gedurende
den winter in Noord-Afrika voor. Hier te lande broedt hij vooral aan
rivieren, meren, poelen en plassen en overwintert er niet zelden;
bij gesloten water houdt hij zich in wakken op. De exemplaren, die
in den herfst naar 't zuiden trekken, hebben voor 't meerendeel in
Zuid-Europa hunne winterkwartieren. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk
uit Insecten en hunne larven; daarom geeft hij aan modderig en troebel
water de voorkeur, in eigenschappen en levenswijze komt hij met zijne
verwanten overeen; evenals deze, is hij een meester in 't zwemmen en
duiken. Hij vliegt echter slecht en doet dit dan ook hoogst ongaarne
met zeer snelle korte slagen, "als een sprinkhaan", zegt Naumann. In
tijden van gevaar duikt hij onder, zwemt naar een met planten dicht
bedekte plaats, en blijft hier onder water, met den snavel er boven,
zoolang verborgen, als hij raadzaam oordeelt. Zijn stem is een als
"bieb" of "biebie" klinkend gefluit, dat soms, vooral in den paartijd,
zoo dikwijls herhaald wordt, dat het op een triller gelijkt.
Het nest rust op het water tusschen riet, biezen, grassen en andere
waterplanten; het is nooit verborgen in dicht begroeide gedeelten van
den plas, maar gewoonlijk vrij, zoodat men het van den oever kan zien,
hoewel men het niet licht zal herkennen; steeds is het zoo ver mogelijk
van den oever verwijderd. Het is een even slordige opeenhooping
van plantendeelen als het nest van den Fuut, maar naar verhouding
grooter. Tegen het einde van April of in 't begin van Mei vindt men
in de ondiepe nestholte 3 à 6 kleine, langwerpige, oorspronkelijk
witte eieren, welker kleur door de bestanddeelen van het nest sterk
gewijzigd wordt. Beide ouders broeden om beurten 20 à 21 dagen.
De gevangen Doodaars gaat aanvankelijk plat op de borst en den buik
liggen, steekt nu en dan den kop omhoog en gedraagt zich, alsof hij
zoomin staan als gaan kan, later echter begint hij rond te loopen,
kijkt naar den voor hem gereed staanden bak met water, loopt er
omheen, klimt er eindelijk in en vleit zich neder. Dikwijls rent hij
pijlsnel als een Leeuwerik de kamer rond. Als men hem pakken wil,
gaat hij op den buik liggen en wacht zijn lot af, of vlucht in een
hoek. Nooit tracht hij te vliegen; zijne vleugels blijven steeds
onder de draagvederen, dicht tegen den romp aangedrukt. Als men
Waterinsecten of kleine Regenwormen in een schotel met water doet,
loopt hij er om heen en vischt ze er uit.
De kleine familie van de Zeeduikers (Urinatoridae) omvat slechts 4
soorten. Deze zijn over 't algemeen grooter dan de Zoetwaterduikers,
hebben een grooteren, overal met korte veeren begroeiden kop, een
dikkeren snavel, een korteren en dikkeren hals, een zeer langwerpige
romp, korte, spitse, uit harde veeren samengestelde vleugels en
een zeer korten staart, die uit 16 à 20 goed ontwikkelde pennen
bestaat. De zwemvliezen zijn niet ingesneden. Het buitengewoon dichte
en glad aanliggende vederenkleed is in verschillende jaargetijden en
levenstijdperken ongelijk van kleur.
De grootste soort is de IJsduiker of Imbervogel (Urinator glacialis),
wiens lengte 95 à 100 cM. bedraagt. In het prachtkleed zijn de
bovendeelen en de zijden donker zwart met witachtige, op venstertjes
gelijkende vlekken, de kop en de hals groenachtig zwart; het midden van
den hals wordt ingenomen door een van voren en van achteren afgebroken
halsband, die uit witte en zwarte, overlangsche strepen bestaat;
aan de voorzijde komt een dwarsstreep van soortgelijke kleur voor;
ook de zijden van de bovenborst zijn zwart en wit overlangs gestreept;
overigens zijn de onderdeelen atlas-wit. Het oog is lichtbruin, de
snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan de binnenzijde
roodachtig vleeschkleurig. In het winterkleed zijn de bovendeelen en
de zijden zwartachtig zonder witte venstertjes, de onderdeelen wit,
aan de zijden van den kop met zwarte, overlangsche vlekken, welke
bij de (overigens ook op deze wijze gekleurde) jongen ontbreken.
De Parelduiker (Urinator arcticus) heeft in het prachtkleed den
bovenkop tot in den nek donker aschgrauw, den rug en de vleugels
donkerzwart, een plek met witte, op venstertjes gelijkende vlekken
op den bovenrug en een andere op de schouderveeren, een plek op den
vleugel met blauwachtige stippels, zwarte, overlangsche strepen op de
witte zijden van den hals, een witten, zwartgestreepten dwarsband op
den zwartgrijzen onderhals, de flanken eindelijk met zwartachtige,
overlangsche vlekken geteekend, de onderdeelen wit. Het oog is
lichtbruin, de snavel zwart, de voet aan de buitenzijde grijs, aan
de binnenzijde roodachtig vleeschkleurig. Het winterkleed is aan den
kop en den achterhals donkergrijs, overigens zwartachtig met lichtere
randen om de veeren; de witte onderdeelen hebben aan de zijden van
den krop zwartachtige en witte strepen; deze strepen ontbreken bij
de jongen. Lengte 75 cM.
De Roodkeelige Zeeduiker (Urinator septentrionalis) is de kleinste
(lengte 65 cM.). De zijden van kop en hals zijn aschgrauw;
de achterhals is zwart en wit gestreept, de onderhals glanzig
kastanjebruinrood, de rug bruinzwart; de onderdeelen zijn wit, aan
de zijden van krop en borst met zwarte, overlangsche vlekken. In het
winterkleed hebben de veeren van de bovendeelen witachtige spitsen
en ziet de keelstreek er wit uit. In het jeugdkleed zijn de kleuren
nog eenvoudiger. Het oog is licht bruinrood, de snavel zwart, de
voet donkerbruin, aan de binnenzijde blauwgrijs, op de zwemvliezen
donkerder.
De IJsduiker bewoont het hooge noorden; in den zomer strekt zijn
verbreidingsgebied zich noordwaarts ongeveer tot 76 en zuidwaarts
hoogstens tot 59° NB. uit; hij wordt vooral aan de zeekusten
van Groenland, Spitsbergen, Europeesch en Aziatisch Rusland en
van enkele eilanden zooals de Fär-öer, de Orkney-eilanden en de
Hebriden aangetroffen; 's winters zwerft hij rond en daalt dan soms,
hoewel zelden, ook naar onze kusten af, waar hij eenige malen (bij
Soeterwoude, op Wieringen, bij den Zwarten Haan, bij Schellinkwoude,
op het Sneekermeer) gevangen of geschoten werd.
De Parelduiker behoort, naar 't schijnt, meer oostwaarts thuis en is
in Europa, met uitzondering van Noord-Rusland, overal zeldzaam, in
Siberië daarentegen veelvuldig; hij broedt ook in het hooge noorden
van Amerika; op zijn winterreis bezoekt hij Zuid- en West-Rusland,
Denemarken, Duitschland en Nederland. Bij ons wordt hij nu en dan aan
de kust en op de binnenwateren aangetroffen. Evenals van de vorige
soort, zijn exemplaren in 't prachtkleed hier uiterst zeldzaam.
Het verbreidingsgebied van den Roodkeeligen Duiker eindelijk is
ongeveer gelijk aan dat van de beide vorige soorten bijeengenomen. Bij
ons komt hij veelvuldiger voor dan de andere inheemsche leden van
zijn geslacht; men treft hem van October tot Maart langs de kust op
de rivieren en de groote meren aan.
In aard en gewoonten komen de Zeeduikers zoozeer met elkander overeen,
dat wij ons tot de beschrijving van de levenswijze van den Roodkeeligen
Zeeduiker kunnen bepalen. Evenals zijne verwanten, is hij een echte
zeevogel, die slechts gedurende den voortplantingstijd en in den winter
op den trek de binnenwateren bezoekt, overigens echter zich steeds in
de zee ophoudt en hier voortdurend ijverig bezig is met de vischvangst;
hij kan uitmuntend zwemmen en is een meester in het duiken; hij vliegt
ook snel en lang achtereen. Alle Zeeduikers leggen roeiend met groot
gemak groote afstanden af; naar verkiezing liggen zij boven op den
zeespiegel of laten zich zoo diep zakken, dat slechts een smalle
streep van den rug zichtbaar blijft; zij bewegen zich langzaam en op
hun gemak, of snellen met verbazingwekkende snelheid voort, verdwijnen
zondere merkbare inspanning en ook zonder eenig gedruisch in de diepte,
strekken zich hier lang uit, en schieten nu met dicht tegen het lichaam
aangedrukte veeren en vleugels, uitsluitend met de voeten roeiend,
pijlsnel door het water, nu eens in deze, dan weer in eene andere
richting, hetzij op korten afstand onder de oppervlakte of op een
diepte van vele vademen. Zij wedijveren in snelheid met de vlugste
zwemmers onder de Visschen, want zij vangen deze; zij zwemmen en
duiken reeds op den eersten levensdag en later in alle omstandigheden,
daar zij zich in 't water veiliger achten dan zelfs op aanzienlijke
hoogte in de lucht. Op den vasten grond zijn zij vreemdelingen. Hoewel
ook zij soms het land betreden, lijdt het geen twijfel, dat zij dit
minder dikwijls doen dan de meeste overige Vogels, de Fuuten misschien
uitgezonderd. Bovendien betreden zij het niet in den eigenlijken zin
van het woord, maar schieten slechts uit het water op het droge, want
tot een beweging, die den naam van gaan verdient, en zelfs tot rechtop
staan, zijn zij niet geschikt. Zij vliegen veel beter, dan men met het
oog op de zwaarte van hun lichaam en de kortheid van hunne wieken zou
verwachten. Wel moeten de Zeeduikers een flinken aanloop nemen, voordat
zij opvliegen; zoodra zij echter een zekere hoogte bereikt hebben,
kunnen zij zich door onverpoosde, zeer snelle beweging hunner wieken
zeer vlug voortreppen. Alle Zeeduikers hebben een zeer luide stem.
Over de geestvermogens dezer Vogel wordt verschillend geoordeeld;
de gelegenheid om met hen nader kennis te maken, wordt ons trouwens
slechts zelden geboden. Het blijkt, dat zij uitmuntende zintuigen
hebben, vooral een scherp gezicht en een fijn gehoor; spoedig bemerkt
men ook, dat het hun niet aan oordeel en overleg ontbreekt. In 't nauw
gebracht, verdedigen zij zich met woede en brengen met den scherpen
snavel hun belager ernstige wonden toe.
Naar alle waarschijnlijkheid gebruikt de Zeeduiker uitsluitend Visschen
als voedsel. Zoolang hij zich op zee bevindt, bepaalt hij zich stellig
tot dezen buit. Zijn grooten bekwaamheid in 't zwemmen en duiken maakt
het hem gemakkelijk zich met het noodige voedsel te voorzien, te meer,
daar hij niet bijzonder vraatzuchtig is en geringe eischen stelt.
Alle Zeeduikers begeven zich om te broeden naar kleine, stille
zoetwaterplassen niet ver van de kust, die soms echter op aanzienlijke
hoogte boven den zeespiegel gelegen zijn. De nesten komen voor op
kleine eilandjes of, indien deze ontbreken, aan den oever, altijd zeer
dicht bij het water; zij bestaan uit een slordig opeengestapelden hoop
droge zeggen en rietgrassen. De nestplaats is volstrekt niet verborgen,
zoodat men den broedenden Vogel van verre kan zien. De Roodkeelige
Zeeduiker legt twee langwerpige, eenigszins glanzige eieren, die
op somber olijfgroenen grond met donker aschgrauwe ondervlekken en
roodachtig zwartbruine bovenvlekken, stippels en vlekjes geteekend
zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten met gelijken
ijver en zorgen gemeenschappelijk voor de leiding der jongen.
Nut verschaffen de Zeeduikers ons niet. Hun vleesch wordt oneetbaar
geacht; hunne veeren zijn niet bruikbaar. In hun noordelijk vaderland
maakt niemand jacht op hen.
In December 1870 ontdekte Marsh aan de oostelijke helling van het
Rotsgebergte (in Kansas), in aardlagen, die tot het middelste gedeelte
van de krijtformatie behooren, het onderstuk van een scheenbeen van
een Vogel, die Hesperornis ("Vogel van het westen") werd genoemd,
omdat men zijn overblijfselen alleen in Noord-Amerika aantreft. In
Juni 1871 vond men een volledig geraamte; later werden beenderen
ontdekt van een groot aantal individuën, die gedeeltelijk tot
andere soorten of zelfs tot andere geslachten worden gebracht, maar
wegens hun overeenkomst één familie vormen (Hesperornithidae). Hunne
eigenschappen stemmen het meest met die van de Fuutvogels overeen,
hoewel zij zich van alle thans levende Vogels onderscheiden door het
bezit van tanden. Deze zijn van kegelvormige gedaante en zeer talrijk
(14 boven, 33 onder, in elke kaakhelft), niet, zooals die van de
Zoogdieren, met wortels in tandkassen bevestigd, maar in een groeve
van het kaakbeen, zooals bij de Krokodillen. Het borstbeen had geen
spoor van kam; de vleugels waren rudimentair; van voorarm en hand
was zelfs geen spoor aanwezig. De achterste ledematen waren zeer
krachtig en op de wijze van die der Fuutvogels gebouwd. Hesperornis
was ongeschikt tot vliegen, maar kon waarschijnlijk flink zwemmen en
duiken. Sommige soorten bereikten een hoogte van 1 M.