De Pelikanen maken geen onderscheid tusschen zoet en zout, maar

wel tusschen diep en ondiep water. Door het luchtkussen onder hun

huid missen zij het vermogen om hun lichaam onder water te brengen;

zij liggen als een kurk aan de oppervlakte en houden zich daarom

uitsluitend op in water van zulk een diepte, dat zij het met hun hals

en totebel-snavel kunnen uitvisschen. Te dien einde vereenigen zij

zich op de ondiepe gedeelten van het water, verspreiden zich in een

zekere orde over een uitgestrekte ruimte en visschen nu, hoe langer hoe

meer opeendringend, het tusschen hen liggende water leeg. Op de meren

en de ondiepe gedeelten van de zee scharen zij zich in een groote,

halvemaanvormige reeks en roeien naar het strand; ook groepeeren zij

zich wel in een kring, die langzamerhand verkleind wordt; op smalle

rivieren of kanalen verdeelen zij zich in twee troepen, die ieder een

aaneengesloten reeks vormen, beide reeksen zwemmen naar elkander toe en

visschen op deze wijze een bepaald deel van 't water schoon leeg. Hun

totebel-snavel is uitnemend geschikt voor het vangen en vasthouden van

den buit. In den regel eten de Pelikanen niets anders dan Visschen;

soms vangen zij echter ook andere Gewervelde Dieren. Jonge zwemvogels,

die zich in hun nabijheid wagen, loopen steeds gevaar; het inslikken

van halfvolwassen Eenden kost hun geen moeite. Hun slokdarm is zoo

wijd, dat een mansvuist er met gemak doorheen gestoken kan worden;

meer dan eens heeft men gevangen Pelikanen met de hand Visschen uit

de maag genomen.

Hun gang gaat gepaard met een tamelijk rechtstandige houding van den

romp en is langzaam en waggelend, hoewel eigenlijk niet plomp; soms

doen zij betrekkelijk lange wandelingen te voet; ook in de boomkronen

weten zij zich zeer goed te bewegen. Als er boomen in de nabijheid

zijn, zoeken zij deze in den regel op, om in de kroon te rusten, zich

door de zon te laten koesteren of hunne veeren in orde te brengen. Zij

zwemmen zonder merkbare inspanning, snel en langen tijd achtereen. Hun

wijze van vliegen is prachtig. Vermoedelijk zijn hunne zintuigen niet

minder scherp dan die van de overige Roeivoetigen; hunne verstandelijke

vermogens schijnen grooter te zijn dan die van hunne verwanten. Op

plaatsen, waar zij de menschen niet vertrouwen, gedragen zij zich

buitengewoon voorzichtig, op andere plaatsen daarentegen zijn zij

zoo argeloos als tamme Vogels; in de havensteden van het zuidelijke

gedeelte der Roode Zee b.v. zwemmen zij onbezorgd rond tusschen de

schepen en laten zich door de schippers voederen, gelijk onze Zwanen

door de wandelaars. Zij letten echter op iedere poging tot vervolging

en onderscheiden een mensch, die hen eens bedreigd heeft, zonder fout

van alle overigen. De gevangen Vogels kunnen merkwaardig tam worden en

geraken zonder opzettelijke africhting aan het vrij uit- en invliegen

gewoon. Een tamme Pelikaan, die te Sao Paulo de Loanda vrij rondliep,

mengde zich 's avonds gaarne onder de menschen, die voor hun vermaak

wandelden en luisterde schijnbaar met genoegen naar de muziek.

De Pelikanen hebben een geregelde dagverdeeling. De vroege morgenuren

worden voor de jacht gebruikt. Tegen 10 uur in den voormiddag hebben

alle zich verzadigd en begeven zich nu naar een voor hen bijzonder

aanlokkelijke zandplaat of boomgroep, om hier uit te rusten, hun

spijs te verteren en tevens hunne veeren te ordenen en op nieuw in te

smeren. Tot tegen den middag komen voortdurend nog Vogels aanvliegen;

van minuut tot minuut wordt het gezelschap dus talrijker. Des namiddags

tusschen 3 en 4 uur begint het weer af te nemen; bij troepen te gelijk

gaan de Vogels nogmaals visschen. Deze tweede jachttocht duurt tot

zonsondergang; daarna begeven alle zich naar hun slaapplaats.

In Zuid-Europa zijn de broedkoloniën der Pelikanen in moerassen en

meren gevestigd. "Deze plaatsen zijn uiterst moeielijk te bereiken,"

zegt Graaf Von der Mühle; "op de hier voorkomende drijvende eilanden

bevinden zich dicht opeengedrongen de meestal natte of vochtige

nesten, die door het neertrappen van riet en biezen op lompe wijze

vervaardigd zijn. De geheele omtrek is bedekt met hunne vloeibare,

witte uitwerpselen; deze en de talrijke Visschen, die bij het voederen

van de jongen verloren gingen en nu verrotten, verbreiden in dit warme

jaargetijde een walgingwekkenden, onverdraaglijken, verpestenden

stank." Het nest moet voor het broeden 3 à 5 betrekkelijk kleine

eieren bevatten; de blauwachtig witte eischaal is altijd met een

dikke kalklaag bedekt. De jongen, die na een broedtijd van 38 dagen

het ei verlaten, komen in een grijs donskleed ter wereld, zien er

zeer onnoozel uit, maken groot misbaar met hun heesche en sjirpende

stem en zijn in alle opzichten leelijke schepsels.

De jager, die bij de slaap- of rustplaatsen van de Pelikanen post vat,

kan zonder veel moeite zoovele van deze Vogels dooden, als hij wil;

zij hebben reeds aan eene lading fijne hagel genoeg.

Beter dan eenige andere zeevogel kan de Fregatvogel (Atagen aquila)

met een Arend vergeleken worden. De door hem vertegenwoordigde familie

der Fregatvogels (Atagenidae) kenmerkt zich door den slanken romp,

den krachtigen hals, een middelmatig grooten kop met een snavel,

die anderhalf maal zoo lang is en van voren in een haakvormig naar

beneden gebogen spits uitloopt, door den zeer korten, krachtigen

voet met bevederden loop en lange teenen, waarvan drie naar voren

gericht en door zeer diep uitgesneden zwemvliezen verbonden zijn (ook

de achterteen is door een vlies, dat echter zeer smal is, aan den

binnensten voorteen gehecht; elke teen is met een scherp gebogen,

puntigen klauw gewapend), door de buitengewoon lange en scherpe

vleugels en den zeer langen en diep gegaffelden staart. Het geraamte

is buitengewoon licht, het luchtzakkenstelsel zeer uitgestrekt;

opmerking verdient een vliezigen keelzak, die willekeurig met lucht

gevuld en geledigd kan worden.

Het vederenkleed van het volwassen mannetje is bruinachtig zwart

met metaalachtig groenen en purperen weerschijn op den kop, den nek,

den rug, de borst en de zijden, grijsachtig getint op de vleugels,

bruinachtig op de bovenarmpennen en staartveeren. Het oog is

donkerbruin, dikwijls grijsbruin, omgeven door een purperblauwe,

naakte plek; de snavel is lichtblauw aan den wortel, wit in het

midden en donker hoornkleurig aan de spits; de keelzak is oranjerood,

de voet aan de bovenzijde licht karmijnrood, aan de onderzijde

oranjekleurig. Hoewel de totale lengte van dezen Vogel 103, zijn vlucht

230, de lengte van den vleugel 65, die van den staart 47 cM. bedraagt,

weegt hij toch slechts weinig meer dan 1.5 KG.

De Fregatvogel bewoont den oceaan tusschen de keerkringen. Hoewel men

hem op een afstand van 200 à 400 zeemijlen van het naastbijgelegen

land aangetroffen heeft, verwijdert hij zich gewoonlijk niet verder

dan 15 of 20 zeemijlen van de kust, die hij geregeld, vooral bij

ongunstige weersgesteldheid, weer opzoekt. Als de morgen aanbreekt,

verlaat hij zijn slaapplaats en trekt, nu eens onder het beschrijven

van kringen boven in de lucht, dan weer in den wind op vliegend, naar

zee, vischt hier, tot hij verzadigd is en keert met gevulden maag en

slokdarm naar het land terug; wanneer er een storm in aantocht is,

doet hij dit reeds in den voormiddag, anders eerst in de namiddaguren.

Audubon is, evenals andere waarnemers, geneigd, om den Fregatvogel voor

den snelst vliegenden zeevogel te houden. De Zeezwaluwen en de Meeuwen,

hoe behendig zij ook zijn, worden door hem zonder moeite ingehaald. "De

Havik, de Slechtvalk en de Giervalk, die ik voor de snelste Valken

houd, moeten hun prooi wel over een afstand van 800 M. vervolgen,

voordat zij haar kunnen grijpen: de Fregatvogel daarentegen, wiens

scherpzichtige oogen een wijden kring beheerschen, schiet van een

groote hoogte bliksemsnel neer op den Vogel, die zoo even het geluk

had een Visch te vangen, snijdt hem iederen uitweg af en dwingt hem

den reeds verzwolgen buit weer uit te spuwen." Onder het vliegen geeft

hij voortdurend acht op de bewegingen der roofvisschen en Dolfijnen,

stort zich, zoodra de door hen vervolgde Vliegende Visschen boven

het water opgestegen zijn, te midden van deze, vangt er één in de

vlucht of schiet den in 't water teruggekeerden buit nog in de diepte

achterna. Indien hij zijn prooi niet op de meest doelmatige wijze met

den snavel gegrepen heeft, laat hij haar weer los, achterhaalt haar

onder 't vallen, nog voordat zij het water bereikt heeft en tracht

haar dan op een betere wijze te vatten. Dit geschiedt soms twee- of

driemaal achtereen. Niet zelden vliegen de Fregatvogels uren lang in

hooge luchtlagen rond, even vlug en vaardig als Gieren en Arenden,

waaraan zij trouwens ook in vele andere opzichten herinneren. Soms

jagen zij elkander spelenderwijs na, en maken dan de verwonderlijkste

draaiingen en zwenkingen; alleen wanneer zij zich in een bepaalde

richting voortspoeden, slaan zij langzaam met de vleugels. Op den

vasten grond kunnen zij zich niet redden; op het water schijnen

zij niet veel bekwamer te zijn; men heeft ze althans nog nooit zien

zwemmen. Van het dek van een schip kunnen zij niet opvliegen; op een

vlakken, zandigen oever zijn zij verloren, wanneer een vijand hen

bedreigt. Daarom kiezen zij tot rustplaats geen andere boomen dan die,

welke een voldoende speelruimte voor het wegvliegen aanbieden.

Alle zintuigen van den Fregatvogel zijn zeer goed ontwikkeld,

vooral zijn gezicht is uitmuntend. Op een groote hoogte kan hij,

naar men zegt, zeer kleine vischjes, die dicht bij den waterspiegel

zwemmen, goed onderscheiden en dus een uitgebreid gebied volkomen

beheerschen. Een eigenaardigen indruk schijnen heldere kleuren op

hem te maken. A. von Chamisso verhaalt, dat Fregatvogels op de bonte

wimpels van zijn schip als op een buit toeschoten; een dergelijk feit

werd ook door Bennett herhaaldelijk opgemerkt. Woedend stellen zij

zich te weer, als zij aangevallen worden; zelfs tegen sterke Honden

weten zij met goed gevolg hun leven te verdedigen.

Vliegende Visschen maken, naar het schijnt, het voornaamste voedsel

van den Fregatvogel uit, hoewel hij vermoedelijk geen der overige

kleine Gewervelde Dieren zal versmaden.

In de noordelijkste gedeelten van hun verbreidingsgebied beginnen de

Fregatvogels omstreeks het midden van Mei hun nest te bouwen; op de

als broedplaatsen dienende eilanden, die telkens weer voor dit doel

worden gebruikt, zijn alle geschikte plaatsen bezet; soms zijn hier

500 of meer paren verzameld. De nesten worden bij voorkeur gebouwd

op boomen, welker takken zich boven 't water uitstrekken, gewoonlijk

aan de naar 't water gekeerde zijde, enkele laag, andere boven in

de kroon, niet zelden vele op denzelfden boom. Het nest bevat 2 of 3

eieren met dikke schaal, van groenachtig witte kleur. De jongen, die

er aanvankelijk uitzien, alsof zij geen pooten hebben, komen in een

geelachtig wit donskleed ter wereld en blijven zeer lang in het nest,

daar voor de ontwikkeling van hunne vliegwerktuigen een geruimen tijd

wordt vereischt.

Gevangen Fregatvogels komen nu en dan in diergaarden voor en kunnen

bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi leven.

"Zoon van de zon" noemde Linnaeus een Vogel, die voor den zeeman een

kenteeken is, dat zijn vaartuig den heeten aardgordel bereikt heeft;

daar men ze uiterst zelden in de gematigde zone ontmoet. Toch zijn

soms enkele exemplaren van deze Keerkringvogels tot onze breedten

afgedwaald, o.a. naar de buurt van Helgoland; zij zijn hier echter

zeldzame uitzonderingen.

De Keerkringvogels (Phaëtornidae), waarvan men drie soorten

onderscheidt, vormen een afzonderlijke familie; hare kenmerken zijn:

een ineengedrongen lichaam van geringe grootte; de snavel is zoo lang

als de kop, zijdelings samengedrukt, langs den rug flauw gebogen,

spits, aan de zijranden fijn getand, met nauwelijks merkbaren haak; de

binnenteen of eerste teen is naar achteren gericht en met den tweeden,

den binnensten voorteen, slechts door een smal vlies verbonden; de

vleugels zijn lang; de staart bestaat uit 12 of 14 pennen, waarvan de

beide middelste sterk verlengd zijn en bijna geen vlag hebben; hieraan

danken zij den Franschen naam "Paille-en-queue"; de bekleedingsveeren

vormen een dicht kleed, dat met teere kleuren prijkt.

De meest bekende en verst verbreide soort is de Keerkringvogel

(Phaëton aethereus). De kleine veeren zijn wit met rozeroodachtige

tint; een breede, naar achteren smaller wordende teugelstreep is zwart;

de mantel, de rug en de staartwortel zijn door den zwarten eindzoom

der veeren met golflijnen geteekend; de handpennen hebben een zwarte

buitenvlag, de achterste armpennen een zwarten en witten zoom; de

staartpennen zijn wit en hebben witte schaften, met uitzondering van

de beide middelste, welker schaft aan den wortel zwart is. Het oog

is bruin, de snavel koraalrood, de voet geel, met uitzondering van

de zwarte zwemvliezen en teenen. De lengte van den Vogel bedraagt

ongeveer 1 M., met inbegrip van de beide middelste staartveeren, die

50 à 75 cM. lang zijn en in 't laatstgenoemde geval 60 cM. voorbij

de stuurpennen uitsteken.

In alle zeeën van den tropischen aardgordel treft men Keerkringvogels

aan. Het verbreidingsgebied van de bovengenoemde soort--waarop alle

volgende mededeelingen toepasselijk geacht kunnen worden--strekt zich

tusschen de aangewezen grenzen uit over den Atlantischen, Indischen

en Grooten Oceaan. Zooals reeds gezegd werd, dwaalt hij soms naar

den gematigden gordel af.

Gewoonlijk ziet men de Keerkringvogels over dag en in de nabijheid

van de kust rondzwerven; Lesson zag hen echter in stille nachten

bij lichte maan even rusteloos rondvliegen als over dag; Bennett

ontmoette ze op een afstand van 1000 zeemijlen van de kust. Over 't

algemeen rekenen de zeelieden er op, dat de tochten van deze Vogels

zich over een afstand van 300 zeemijlen uitstrekken.

Alle reizigers, die den Keerkringvogel nauwkeurig nagegaan hebben,

zijn vol bewondering over hun schoonheid en bevalligheid. De eerste

indruk, dien hij maakt, is, volgens Tschudi, volstrekt niet die van

een zeevogel; men meent een landbewoner voor zich te zien, die naar

de onafzienbare, eenzame vlakten van den Oceaan is afgedwaald. "De

Keerkringvogels," zegt Bennett, "behooren zonder eenigen twijfel tot

de schoonste Vogels van den Oceaan; vooral wanneer de zonnestralen

door hun prachtig vederenkleed weerkaatst worden, wekken zij ieders

bewondering. Zij zijn even lieftallig van aard als bevallig van

bewegingen; het is een lust hen gade te slaan, terwijl zij in de

lucht dartelen. Schepen schijnen dikwijls hun aandacht te trekken;

zij komen nader, vliegen om het vaartuig heen, dalen uit de bovenste

luchtlagen volgens schroeflijnen al lager en lager af en blijven

een tijdlang op een geringe hoogte boven het vaartuig "staan";

soms, ofschoon zeer zelden, gaan zij op de ra zitten. Als zij niet

gestoord worden, begeleiden zij op deze wijze het schip dagen lang,

tot het eindelijk het door hen bewoonde gebied overschrijdt, of een

andere reden hen den terugtocht doet aanvaarden. In haar vollen omvang

toonen zij hun geschiktheid tot beweging bij 't visschen. Evenals de

groote soorten van Zeezwaluwen blijven zij boven een bepaalde plek

in de lucht "staan", bespieden aandachtig het watervlak onder hen en

storten zich vervolgens plotseling met tegen het lichaam aanliggende

vleugels in bijna loodrechte richting op het water neer. Dit geschiedt

met zulk een kracht, dat zij steeds onder de oppervlakte verdwijnen,

een voet diep inzinken en met vleugels en pooten krachtig arbeiden

moeten om weer boven te komen." Hun voedsel bestaat uitsluitend uit

Visschen en andere in de bovenste waterlaag zwemmende zeedieren.

De broedtijd schijnt te verschillen in verband met de ligging van de

eilanden, waarop zij broeden. Men heeft opgemerkt, dat in oorden,

waar men hen nog niet verontrustte, het ei eenvoudig op den grond,

meestal onder struiken, wordt gelegd; op eilanden, die door den

mensch bezocht worden, is hun broedplaats steeds een holte of

spleet in de klippen. Het wijfje legt slechts één betrekkelijk

groot ei; dit heeft een glanslooze schaal en is op licht grijsachtig

leemkleurigen, grijsachtig rozerooden of grijsachtig paarsen grond

met donkerpaarse ondervlekken benevens omberkleurige of roestbruine

bovenvlekken en stippels, ook wel met zwartachtige krullen, soms

kranswijze, geteekend. De jongen gelijken, naar Bennett zegt, meer

op een poudre-de-riz-kwast dan op een Vogel, zijn bolrond en dicht

bedekt met teere donsveeren, die op de bovendeelen een aschgrauwe,

op het voorhoofd en de onderdeelen een sneeuwwitte kleur hebben. In

het derde jaar verschijnt de rozeroode tint en ontwikkelen zich de

lange staartveeren. De bewoners van de Vriendschaps-eilanden en van

andere archipels in den Grooten Oceaan gebruiken deze veeren als pronk

en zijn zeer op haar bezit gesteld. Om ze te verkrijgen wachten zij

den broedtijd van den Keerkringvogel af, vangen hem, terwijl hij op

zijn nest zit, trekken hem de veeren uit en laten hem weer vliegen. Op

dezelfde wijze handelen de Europeanen op Mauritius.

De beide familiën van de Zoetwaterduikers of Fuuten (Colymbidae [2])

en van de Zeeduikers (Urinatoridae) vormen samen de groep der Duikers

(Colymbourinatoris). Deze zijn met twee groepen van uitgestorven Vogels

(Hesperornithes en Enaliornithes) tot de onderorde van de Fuutvogels

(Colymbiformes) vereenigd, die tot de orde der Stootvogels behoort

en dus met de Worgvogels en Gansvogels op één lijn wordt gesteld.

De Duikers hebben een langwerpigen, maar toch krachtigen romp, die,

vooral bij de Fuuten (en het meest aan de buikzijde), opmerkelijk

breed en plat is. Voorts kenmerken hen de ver achterwaarts geplaatste,

korte pooten (het onderbeen is bijna geheel onder de huid van den

romp verborgen), waardoor het staan en gaan zeer bemoeilijkt, het

zwemmen daarentegen zeer bevorderd wordt. Bij het staan laten zij

dikwijls den geheelen loop op den grond rusten en heeft de romp

een nagenoeg verticale richting. Zij hebben kleine, d.w.z. korte,

smalle en spitse vleugels en een dicht aanliggend vederenkleed, dat

wel goed gevuld, maar tevens hard en glad is. De bevedering strekt

zich uit tot aan het spronggewricht; de loop is kort en zijdelings

sterk samengedrukt; hij draagt 4 teenen, waarbij drie zeer lange, die

naar voren zijn gericht en één zeer korte, die achterwaarts gekeerd

en hoog aangehecht is. De voorteenen zijn door volslagen zwemvliezen

vereenigd, of omzoomd door een breede "zwemlob"; de buitenste voorteen

is de langste; de achterteen heeft een vliezigen zoom. De staartpennen

zijn zeer kort of ontbreken geheel.

De Zoetwaterduikers, Fuuten of Zwemlobduikers (Colymbidae) hebben een

langen en tamelijk dunnen hals, een kleinen, langen en lagen kop,

een langwerpig kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel met

ingetrokkene, zeer scherpe zijranden, waarvan de onderste een weinig

in de bovenste ingrijpt. De voeten zijn geheel aan 't einde van den

romp geplaatst en hebben een zeer eigenaardige samenstelling: alle

voorteenen zijn van den wortel tot aan het eerste gewricht door een

spanvlies verbonden, van hier te beginnen wel is waar gescheiden,

maar aan weerszijden voorzien met een breeden, niet gelobden, van

voren afgeronden zoom (zwemlob), waarop de breede, platte nagels

liggen. Een staart ontbreekt geheel; zijn plaats wordt ingenomen

door een pluimpje van losbaardige veeren. In het bruiloftskleed is

de kop van den ouden Vogel prachtig versierd met een breeden kraag

of bovendien met een in twee deelen gesplitste pluim, die zich in den

regel door een meer sprekende kleur van de overige veeren onderscheidt.

De Zoetwaterduikers zijn bewoners van den gematigden aardgordel,

hun verbreidingsgebied strekt zich niet ver naar 't noorden en

evenmin ver naar 't zuiden uit; zij houden zich op in stilstaand,

bij uitzondering ook wel in langzaam stroomend water, welks oevers

met riet en zeggen begroeid zijn, en begeven zich slechts in enkele

gevallen voor korten tijd naar de zee. "De Fuuten," zegt Naumann,

"gaan slechts in den hoogsten nood aan land, en blijven ook dan nog

dicht bij het water, om zich dadelijk te water te kunnen begeven,

wanneer zij overrompeld worden. Hun leven bestaat uit zwemmen en

duiken. Andere Zwemvogels zoeken om zich te ontspannen, om te rusten

en zich door de zon te laten koesteren, een plekje aan den oever of

elders op, waar zij vasten grond onder de voeten hebben; de Fuuten

blijven op den waterspiegel en bereiken hier hetzelfde doel. Als

zij geheel in rust verkeeren, ligt hun romp zoo weinig ingezonken

op den waterspiegel als een stuk kurk; de pooten worden naar voren

opgeheven en op de draagveeren langs de vleugels gelegd; de snavel

wordt tusschen den rug en schouderveeren gestoken. Zoo rusten en

slapen zij bij stil weer op onbewogen water, gewoonlijk ver van het

land. Wanneer het water niet geheel in rust is, ontkomen zij aan het

gevaar van naar den oever af te drijven, door de pooten in 't water

te laten hangen; vermoedelijk blijven zij dan door zeer eigenaardige

bewegingen van hunne roeiwerktuigen op dezelfde plaats. Onder water

zwemmen zij zoo snel, dat een langs den oever loopend mensch hen

niet kan bijhouden. Zij strekken in dit geval het geheele lichaam en

roeien met de voeten zoo hard zij kunnen. Een lichte ruk brengt hen

onder den waterspiegel, een stoot in bovenwaartsche richting er weer

op. Het zwemmen is hun mogelijk bij elke houding van het lichaam,

terwijl dit intusschen willekeurig diep ingedompeld kan zijn.

Zoo gemakkelijk het hun valt, zich zwemmend te bewegen, zooveel moeite

kost het hun, op den vasten wal te staan of te gaan. Zij nemen hierbij

een zeer zonderlinge houding aan en zien er dan zeer vreemd uit. Van

den vasten wal kunnen zij niet opvliegen, wel na een langen aanloop van

den waterspiegel af. De lange hals en de kop worden dan naar voren,

de breede voeten rechtuit naar achteren gestrekt en de vleugels zeer

snel, fladderend bewogen.

Waarschijnlijk zijn hunne zintuigen weinig minder ontwikkeld dan

die van andere zwemvogels en hunne verstandelijke vermogens hieraan

geëvenredigd. Altijd zijn zij wantrouwig, schuw en listig; wel leeren

zij langzamerhand ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke

vijanden onderscheiden, maar toch gaan zij met gene ongaarne een

inniger betrekking aan, leven, om kort te gaan, steeds op zich zelf,

bij paren of hoogstens familiesgewijs, zonder zich om andere wezens

meer dan noodig is, te bekommeren.

Vischjes, Insecten, kleine Kikvorschen en kikvorschlarven maken hun

voedsel uit. Zij halen hun buit uit de diepte, maar verslinden haar

eerst, nadat zij weer bovengekomen zijn.

Het mannetje en het wijfje zijn innig aan elkander gehecht, trekken

gezamenlijk en keeren met elkander terug naar den plas, die hun in

't vorig jaar een woonplaats verschafte. Hier bouwen zij een drijvend

nest, verschillend van dat van alle andere Vogels, doordat het niet uit

droge, maar uit natte stoffen is samengesteld, zoodat de eieren steeds

in de vochtigheid, ten deele zelfs in het water moeten liggen. De

neststoffen worden van den bodem opgedoken, aan eenige oude riethalmen

bevestigd en op een hoogst slordige wijze opeengestapeld, zoodat het

geheel meer een bijeengedreven hoop ruigte dan op een nest gelijkt.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 23 / 31 段