een groot, waterrijk moeras enz. eenige weinige paren Aalscholvers
als tot dusver volkomen onbekende vreemdelingen verschenen, eenige
jaren achtereen daar broedden, misschien andere paren aanlokten,
waardoor weldra het aantal leden van de kolonie tot verscheidene
honderden paren was toegenomen. Men had ze dan allengs leeren kennen
als uiterst vraatzuchtige roovers, die het er op toelegden om den
vischvoorraad geheel te vernietigen. Alleen door een jarenlang
voortgezette, onmeedoogende vervolging gedurende den broedtijd kon
men ze eindelijk tot den aftocht nopen. De verdreven paren zochten dan
gezamenlijk, of vaker nog in verscheidene gezelschappen verdeeld, een
nieuwe vestigingsplaats op bij andere hiervoor geschikte, vischrijke
wateren, in den regel op vele mijlen afstands van de vroegere kolonie,
tot hen ook op hun nieuwe woonplaats een dergelijk lot werd bereid
als op de vorige. Zoo ontstonden en verdwenen in den loop der tijden
nu eens hier dan weer daar koloniën van Aalscholvers. Als op een
voor Aalscholvers geschikte plaats een Reiger- of Roeken-kolonie
voorkomt, wordt hierop door hen onmiddellijk beslag gelegd. De ledige
nesten worden zonder eenige plichtplegingen in bezit genomen; van
een deel der reeds bezette worden de eigenaars verdreven, indien
de pas aangekomen Vogels nog nesten te kort komen. Enkele nieuwe
nesten worden, zoo noodig, gebouwd. Aanvankelijk, en nog gedurende
jaren, broeden de Reigers of Roeken met de Aalscholvers gezamenlijk;
ten slotte behouden deze het rijk alleen, totdat de visschers om hun
bedrijf voor ondergang te behoeden, afdoende maatregelen nemen om de
rooverbende te verdrijven. Trouwens ook zonder tusschenkomst van den
mensch zullen de Aalscholvers slechts zeer zelden gedurende een lange
reeks van jaren op dezelfde plaats in het binnenland gevestigd kunnen
blijven. De reden hiervoor is gelegen in het uitgeput raken van den
voedselvoorraad. Daar waar de Aalscholvers in groote menigte voorkomen,
visschen zij in een niet al te lang tijdsverloop vijvers en meren
leeg; zoodra dit het geval is, moeten zij wel verhuizen. Gelukkig
zijn zij grootendeels zeevogels en ondergaat de rijkdom van de zee
door hun werkzaamheid geen merkbare vermindering. Bij voorkeur vangen
zij Visschen, die, zooals de Schol in zee en de Aal in het zoete
water, op den bodem zich ophouden. Om ze buit te maken, moeten zij
natuurlijk zeer diep, niet zelden tot 30 à 40 M. onder den waterspiegel
duiken. Zij kunnen, zegt men, 3 à 4 minuten onder water blijven.
In de zee voedt de Aalscholver zich waarschijnlijk uitsluitend met
Visschen; in het binnenland maakt hij ook jacht op andere Gewervelde
Dieren. In de diergaarde te Weenen merkte men op, dat de daar aanwezige
Aalscholvers zich in de vangst van Zwaluwen geoefend hadden; op heete
zomerdagen lagen zij met diep ingezonken lichaam in 't water en loerden
met achterwaarts gebogen kop en geopenden snavel op de heen en weer
schietende Zwaluwen; een gunstig oogenblik waarnemend, strekten zij
den hals, pakten de niets kwaads vermoedende Zwaluw, voordat deze
kon uitwijken, doodden haar met een krachtigen beet en verslonden
haar. Op de Fär-öer zijn de Aalscholvers gehaat, omdat zij zelfs
lammeren aanvallen, hun gaten in 't lijf vreten en ten slotte dooden.
De Aalscholvers bouwen hun nest bij voorkeur op boomen, maar behelpen
zich, in geval van nood, met holen in vooruitstekende rotsen en
dergelijke broedplaatsen. Gewoonlijk verschijnen de voor 't broeden
geschikte Vogels in April en leggen reeds in 't einde van deze maand
3 à 4 kleine, langwerpige eieren, welker stevige, gedeeltelijk met een
wit kalklaagje bedekte schaal een blauwachtig groene kleur heeft. Beide
ouders broeden beurtelings gedurende omstreeks 4 weken en voeren
gemeenschappelijk hunne jongen groot. Deze groeien betrekkelijk snel,
worden door hunne ouders zeer geliefd, maar in tijd van gevaar niet,
althans niet tegen den mensch, verdedigd.
Wegens hun sluwheid en voorzichtigheid zijn de Aalscholvers niet altijd
gemakkelijk te schieten; licht gelukt dit den jager, die hen opwacht
onder den boom, die hun tot slaapplaats dient, het best natuurlijk
in den voortplantingstijd.
De Gekuifde Aalscholver of Gekuifde Waterraaf (Phalacrocorax graculus)
bewoont met den zooeven genoemden het noordelijkste deel van diens
verbreidingsgebied en vervangt hem in nog noordelijker gewesten. Zijn
staart bestaat uit 12 pennen, de kuif, die echter alleen bij zeer
oude Vogels voorkomt, uit naar voren gekromde veeren van ongeveer 4
cM. lengte. Met uitzondering van de dofzwarte slag- en stuurpennen
zijn alle bovendeelen op zwarten, zwak koperachtig glinsterenden grond
schubsgewijs geteekend door de donker fluweelzwarte kanten der veeren;
alle overige deelen zijn glanzig zwartgroen. Het oog is saffiergroen,
de snavel zwart met weinige bruine vlekken, de ondersnavel aan den
wortel citroengeel, de voet zwart. Totale lengte 65 à 70 cM. De jongen
zijn van boven op grijsachtig vaalbruinen grond donkerder geschubd,
van onderen grootendeels wit.
Van de rotsachtige eilanden van Schotland en van 't zuiden van
Skandinavië strekt het verbreidingsgebied van den Gekuifden Aalscholver
zich naar 't noorden uit over alle kusten van de Poolzee, die tot de
Oude Wereld behooren; in den winter begeeft hij zich op den trek tot
op de breedte van Noord-Afrika. Na zware noordwesterstormen dwaalt
hij soms, doch zeer zelden naar onze kust af.
De Slanghalsvogels (Plotinae) omvatten slechts één gelijknamig
geslacht (Plotus); zij kenmerken zich door hun zeer gestrekten romp,
buitengewoon langen, dunnen hals, kleinen, platten kop en langen,
rechten, zwakken, spoelvormigen, aan de zijranden fijngezaagden,
zeer spitsen snavel. Er zijn slechts 3 soorten van dit geslacht bekend.
De Afrikaansche Slanghalsvogel (Plotus Levaillantii) is grootendeels
zwart met metaalachtig groenen weerschijn. Een zeer fraai effect maakt
de breede, zilverwitte streep op ieder van de veeren van den rug en
op de vleugeldekveeren; de buitenvlag der groote vleugeldekveeren is
grijsbruin of kastanjebruin; de hals is roestkleurig; een streep, die,
bij het oog beginnend, langs den hals naar beneden loopt, heeft een
zwartbruine kleur, eene andere daaronder is wit. Het oog is roodachtig
geel, de naakte plek aan den kop geelgroen, de snavel hoornkleurig,
de voet groenachtig grijs. Totale lengte 86 cM. Deze soort komt voor
op alle wateren ten zuiden van 15° N.B. tot aan Kaapland.
Bij den Indischen Slanghalsvogel (Plotus melanogaster), die op het
vaste land van Indië tot China, den Indischen Archipel en Australië
wordt aangetroffen, zijn de groote vleugeldekveeren wit of rosachtig
en hebben niet slechts aan den binnen-, maar ook aan den buitenrand
een zwarten zoom.
Bij den Amerikaanschen Slanghalsvogel of Anhinga (Plotus anhinga),
die van Paraguay tot in het zuiden van Noord-Amerika voorkomt, zijn
de groote vleugeldekveeren witachtig grijs zonder zwarten zoom aan
de buitenvlag.
De Slanghalsvogels bewonen stroomen, meren en moerassen, in welker
nabijheid boomen groeien, of liever nog zulke, die boomrijke eilanden
omgeven. Van de boomen vliegen zij 's morgens uit om op de jacht te
gaan; naar de boomen keeren zij terug om te slapen of te rusten; op de
boomen staat ook in den regel hun nest. Evenals de Aalscholvers rusten
en broeden zij soms ook wel op rotsen; dit geschiedt ongetwijfeld
alleen, wanneer het hun aan boomen ontbreekt.
Moeilijk zou men een beteren naam voor dezen Vogel kunnen bedenken dan
die, welke de Hottentotten hem gegeven hebben. Zijn hals herinnert
aan een Slang, niet slechts door de teekening, maar ook door de
beweging. Als de Vogel tusschen den waterspiegel en den bodem van
't meer zwemt, gelijkt zijn beweging op die van een Slang, zoo ook
wanneer de hals bliksemsnel vooruitgestoken wordt bij het afweren van
een vijand of bij het aanvallen op den buit. Alle Slanghalsvogels
zwemmen meesterlijk en duiken nog beter. Met hen vergeleken zijn
zelfs de Aalscholvers stumpers. Op plaatsen waar zij zich op
hun gemak met de vischvangst kunnen bezighouden en zich volkomen
veilig achten, zwemmen zij halflijfs ingedompeld aan de oppervlakte;
zoodra zij echter een mensch of een gevaarlijk dier bespeuren, laten
zij zich zoo diep zakken, dat alleen de dunne hals zich boven den
waterspiegel verheft. Door dit middel onttrekt de Slanghalsvogel zich
zeer gemakkelijk aan de waarneming; men kan dicht bij hem langs gaan,
zonder hem op te merken, zelfs wanneer hij zich in volkomen open water
beweegt. Tusschen riet, struiken en dergelijke voorwerpen weet hij
zich, als hem dit noodig voorkomt, zelfs voor het scherpzichtigste oog
te verbergen. Een afstand van meer dan 60 M. legt hij in minder dan
één minuut af; naar het schijnt, beweegt hij zich onder water veel
sneller dan zwemmend aan de oppervlakte. Hij heeft een waggelenden,
doch betrekkelijk snellen gang: in de boomtakken toont hij een
behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben; daar hij zich
niet slechts aan de takken kan vasthouden, maar ook op deze heen en
weer kan loopen; in 't laatstgenoemde geval moet hij zich echter met de
uitgespreide vleugels in evenwicht houden en ook den snavel tot steun
gebruiken. Zijn vlucht gelijkt zoozeer op die van den Aalscholver,
dat men den eenen Vogel voor den anderen zou kunnen houden.
Ook door hun wijze van visschen komen beide Vogels overeen; zij duiken
van den waterspiegel af in de diepte, waar zij door snel te roeien de
Visschen achterhalen, die zij vervolgens door het plotseling strekken
van den hals grijpen. Zij hebben zeer veel voedsel noodig, daar zij
buitengewoon vraatzuchtig zijn. Wel kunnen zij, evenals de overige
van jacht en vischvangst levende Vogels, zonder groot bezwaar dagen
achtereen vasten; gewoonlijk echter behoeven zij dit niet te doen,
daar hun disch ruim genoeg voorzien is.
De Slanghalsvogels broeden op boomen. Hunne nesten zijn van doode
takjes gebouwd en gelijken op die van Reigers. Gewoonlijk vindt men
er 4 à 8 op één hoogen boom, het liefst op zulk een, die in het water
staat. Van hun broeden valt over 't algemeen hetzelfde op te merken
als van dat van den Aalscholver; ook zij leggen 3 of 4 eieren, die
lichtgroen van kleur en met een kalklaagje bedekt zijn.
Bij behoorlijke verzorging kunnen zij het leven in gevangenschap even
goed verdragen als hunne verwanten; zeer spoedig worden zij eenigermate
tam; een innige gehechtheid aan hun verzorger komt voor bij exemplaren,
die door den mensch zijn grootgebracht.
In afgelegen gewesten, waar de mensch zich zelden vertoont, zijn
de Slanghalsvogels zoo weinig schuw, dat hun jacht weinig moeite
kost. De jager tracht gewaar te worden, op welken boom zij slapen,
gaat des namiddags onder dezen boom staan en wacht de komst van de
Vogels af. Na het schot laten alle overlevenden zich in 't water
vallen, als waren zij dood, duiken naar de diepte en verschijnen hier
en daar met den hals weer boven den waterspiegel, gewoonlijk echter
op plaatsen, waar zij tusschen riet of takken zeer goed verborgen zijn.
De Rotspelikanen (Sulinae) hebben een tamelijk grooten kop, een
forschen, rechten snavel, die den kop in lengte overtreft, van achteren
verdikt en afgerond, nader bij de spits zijdelings samengedrukt. De
bovensnavel is aan de spits een weinig naar beneden gekromd, aan de
zijranden met fijne, achterwaarts gerichte "tandjes" bezet; zijn rug
is door overlangsche groeven van de zijstukken afgescheiden, zoodat
het geheel aan drie boven elkander gelegen kaken doet denken; in
deze groeven zijn de zeer kleine neusgaten gelegen. Tusschen de beide
onderkaakshelften, die tot dicht bij de spits vaneengescheiden zijn,
blijft een groote ruimte over, welke gevuld is met een huid, waarvan
een smalle strook, die zich over 't midden tot aan de keel uitstrekt,
onbevederd is; de grenslijn tusschen de bevederde en de naakte huid
loopt onder het oog langs, buigt zich naar voren en is vervolgens
achterwaarts gericht tot aan den mondhoek. De dikke hals is middelmatig
lang; de smalle vleugels zijn lang, wegens de groote lengte van den
voorarm; de zeer korte voeten hebben 4 lange, naar voren gerichte,
door zwemvliezen vereenigde teenen; de beide middelste pennen van
den meer dan middelmatig langen staart zijn lansvormig verlengd. Het
glad aanliggende vederenkleed is meestal wit. De 9 bekende soorten
van deze onderfamilie gelijken veel op elkander. In den gematigden
gordel van het noorder en het zuider halfrond bewonen zij de zee,
die zij niet anders dan in den voortplantingstijd verlaten om bij
honderden en duizenden broedkoloniën te vormen op eenzame, steile,
hoog boven den waterspiegel uitstekende eilanden en klippen, vanwaar
zij zich gedurende den broedtijd nooit zeer ver verwijderen.
De Jan-van-Gent (Sula bassana) is, met uitzondering van de bruinzwarte
handpennen, wit, op den bovenkop en den achterhals met een geelachtigen
tint, in de jeugd op de bovenzijde zwartbruin met witte vlekken, aan
de onderzijde op lichten grond met donkerder vlekken en stippels. Het
oog is geel, de snavel blauwachtig, de voet groen, de naakte huid aan
de keel zwart. Totale lengte 98, vlucht 190, lengte van den vleugel
62, van den staart 26 cM. Het wijfje is iets kleiner.
Deze Vogel bewoont alle zeeën van het noordelijk halfrond van
70° N.B. tot bij den keerkring. Hij is veelvuldig in de buurt van
IJsland en van de Fär-öer, van de Orkaden en de Hebriden, zeldzamer
bij de Noorsche kust, 's winters aan onze kust niet zeldzaam na
stormachtig weer, hoewel men hier voor 't meerendeel jonge exemplaren
aantreft; hetzelfde geldt van Noord-Duitschland en Frankrijk; aan de
Amerikaansche kust en in het noordelijke deel van de Stille Zuidzee
komt hij in grooten getale voor. Enkele zijn tot diep in Duitschland
afgedwaald. Voor bepaalde eilanden of kustgedeelten toont hij een
zekere voorliefde. Zoo mogelijk brengt hij den nacht aan den vasten
wal door, in den regel op hooge, steile rotsen, welker voet door de
zee bespoeld wordt, waar hij de zee voortdurend kan zien. Op deze
rotsen broeden de Vogels gezellig. Aan zijn zuidelijkste broedkolonie,
het kleine, rotsachtige eiland Bass voor den ingang van den Firth of
Forth aan de oostkust van Schotland, waar duizende paren nestelen,
dankt de Jan-van-Gent zijn wetenschappelijken soortnaam en den naam
"Bassaangans", die hem soms gegeven wordt.
Hij vliegt voortreffelijk, hoewel minder goed dan de Stormvogels
en Meeuwvogels; minder dikwijls maakt hij van zijne zwemorganen
gebruik, misschien niet anders dan om gedurende korten tijd een
weinig te rusten; buiten den broedtijd bezoekt hij het land alleen
om te slapen. Reeds het staan schijnt hem te vermoeien; hij maakt
dan met zijn korte pooten een zeer linksche vertooning; zijn gang
is zeer onbeholpen en verdient nauwelijks den naam van waggelen;
ook het zwemmen heeft ondanks zijne krachtige zwempooten niet
veel te beteekenen. Zijn voedsel verkrijgt hij, door zich van een
zekere hoogte in 't water te storten, waarin hij met zooveel geweld
doordringt, dat hij zich soms op verborgen klippen den kop te pletter
stoot. Zijn stem bestaat uit kort afgebroken, krassende geluiden,
die men ongeveer door de teekens "rab rab rab" voorstellen kan. De
jongen maken, naar men zegt, een afschuwelijk krijschend geluid.
De Jan-van-Gent, wiens Nederlandsche naam misschien een verbastering
is van den Engelschen naam (Gannet) wordt in verschillende talen
aangeduid op een wijze, die hem als een buitengewoon dom dier aan de
kaak stelt. Zoo noemen de Duitschers hem "Tölpel", de Nederlandsche
vertaling van dit woord ("sul") gelijkt op den naam, die deze Vogel op
Fär-öer draagt ("Soela") en waarvan de wetenschappelijke term (Sula) is
afgeleid. Een verwante soort met bruine veeren, die de tropische zeeën
bewoont (Sula fusca), heet bij de Engelschen "Booby" (= "domkop"). Daar
deze Vogels niet in de gelegenheid zijn geweest om den mensch te leeren
kennen, gedragen zij zich in zijn tegenwoordigheid dikwijls zóó, dat
zij de bedoelde namen schijnen te verdienen. Vooral is dit het geval,
wanneer zij, door den storm buiten hun koers gebracht, naar den vasten
wal zijn afgedwaald, of op een andere wijze ergens zijn gekomen, waar
zij de zee niet meer kunnen zien. Zij zijn dan dadelijk hun bezinning
kwijt. Door het voor hen zeer ongewone vasten meer nog dan door de
langdurige vlucht uitgeput, blijven zij stil op den grond zitten en
laten zich, hoewel niet zonder tegenstand, met de handen grijpen of
mishandelen. Ook door langdurige vervolging schijnen zij niet wijzer te
worden. In het binnenland en zelfs op Noordzee-eilanden treft men ze
nooit anders dan in genoemden jammerlijken toestand aan. Het landvolk
zegt, dat deze Vogels uit de lucht regenen, daar zij soms na een hevig
onweer plotseling op een veld gevonden worden; men vindt ze hier echter
ook wel bij volkomen helder en stil weer. Het onnoozelst is het gedrag
van den Jan-van-Gent, nadat men hem zijn ei heeft ontnomen; naar men
zegt, gaat hij dan toch voort met broeden op het ledige nest en braakt
zelfs ten behoeve van zijn niet meer aanwezig jong de Visschen uit,
die hij met dit doel in den krop bewaard en medegevoerd heeft.
Jegens andere Vogels zijn de Rotspelikanen boosaardig en bijtlustig; op
plaatsen, waar zij in grooten getale bijeenkomen, komt aan het twisten
en bijten geen einde. Hun kolossale snavel is een zoo gevaarlijk wapen,
dat zij geen andere Zeevogels behoeven te vreezen; toch brengen,
naar het schijnt, de Fregatvogels en de Roofmeeuwen hen zoozeer in
't nauw, dat zij den pas verzwolgen buit aan hunne vervolgers afstaan.
Ieder, die Rotspelikanen in de nabijheid van hunne broedplaatsen
heeft waargenomen, begrijpt dat zij guanolagen kunnen doen
ontstaan. Hunne zwermen verduisteren het zonlicht; het geschreeuw
bij hunne broedkoloniën is oorverdoovend. Zij vertoeven er van het
einde van April tot omstreeks October. De nesten zijn zoo dicht
naast elkander gebouwd, dat er op vele plaatsen geen ruimte om te
gaan tusschen overblijft.
Het nest is een onordelijk opeengestapelde hoop zeeplanten. De
eerstaangekomen Vogels bouwen het zeer groot, de latere klein, omdat
zij tevreden moeten zijn met de overschietende ruimte. Ieder wijfje
legt slechts één betrekkelijk klein, door een kalkkorst omgeven ei,
dat er aanvankelijk wit uitziet, maar gedurende het broeden door de
werking van het nestmateriaal een vuil geelbruine kleur aanneemt. Op
St. Kilda wordt ieder jaar een ware slachting onder de jonge Vogels
aangericht. De buit wordt van de rotsen naar beneden in zee geworpen
en daar in booten gepakt; op de Edinburgsche markt zijn steeds koopers
voor dit wild te vinden.
De familie der Pelikaanvogels (Pelecanidae) bestaat uit de grootste
en meest in 't oog loopende leden van de orde; zij zijn vooral
gekenmerkt door den kolossalen, als totebel dienstdoenden snavel;
deze bestaat uit een door de onderkaak gevormden keelzak, waarop
de bovensnavel als een deksel past. Het deksel is zeer lang,
geheel en al vlak en van den wortel tot bij de spits nagenoeg
overal even breed, hier echter afgerond; de snavelrug strekt zich
als een duidelijk zichtbare kiel over den geheelen snavel uit en
vormt aan de spits een klauwvormigen, dikken haak. Aan de binnen- of
onderzijde van het deksel, aan het gehemelte, bevinden zich scherpe,
fijne dwarslijstjes en aan weerskanten een scherpkantige, dubbele,
overlangsche lijst, in welker tusschenruimte het raam van den keelzak
komt te liggen. Dit raam wordt gevormd door de zeer zwakke, dunne,
lage, buigzame onderkaakshelften, die aan de spits samenkomen; het
steunt den rand van den buitengewoon wijden, opmerkelijk rekbaren,
vliezigen keelzak. Het mannetje en het wijfje zijn gelijk van kleur,
de jongen en de ouden echter zeer verschillend.
De Pelikanen komen in alle werelddeelen voor en hebben een zeer
uitgestrekt verbreidingsgebied; zij bewonen den warmen aardgordel en
de naburige gedeelten van de beide gematigde zonen.
De algemeenste en meest verbreide van de 6 soorten dezer familie is
de Pelikaan of Kropgans (Pelecanus onocrotalus), met zijne verwanten
de grootste van alle zwemvogels. De kop prijkt met een kuif, die
uit lange, rondachtige veeren bestaat. Het vederenkleed is bij den
volwassen Vogel wit met rozeroode tint; de handpennen zijn echter
bruin, de voorborst is geel. Het oog is hoogrood, de naakte plek er
omheen geel, de snavel grijsachtig met roode en gele stippels, de
keelzak blauwachtig geel geaderd, de voet licht vleeschkleurig. De
kleur van den mantel der jongen is een mengeling van bruin en grauw;
de onderzijde is aschgrauw. De lengte kan bij het wijfje 140, bij
het mannetje 180 cM. bedragen, maar loopt zeer uiteen.
Van Zuid-Hongarije af is de Pelikaan over het grootste deel van
Afrika en Zuid-Azië verbreid. In Zuid-Europa komt hij tegen het
einde van April of in het begin van Mei op zijne broedplaatsen en
verlaat het land weer in October. Na den broedtijd zwerft hij rond
en overschrijdt dan soms de grenzen van zijn gebied; zelfs midden in
Duitschland heeft men hem aangetroffen. Aan het Boden-meer heeft zich
eens een troep van 130 stuks vertoond.
Het aantal der vischetende Vogels, die op de Egyptische meren en op die
van Noord-Afrika in 't algemeen voedsel vinden, is zoo onbeschrijfelijk
groot, dat iemand, die deze gewesten niet kent, er onmogelijk een
juiste voorstelling van kan verkrijgen. Bij de strandmeren van Egypte,
op het door den Nijl overstroomde land, verder zuidwaarts bij den
Witten en den Blauwen Nijl en de daarmede verbondene meren; voorts
op de Roode Zee ziet men soms zulke ontzaglijke Pelikanenzwermen,
dat het niet mogelijk is er een van te overzien. Zij bedekken in
den letterlijken zin van 't woord een oppervlakte van verscheidene
vierkante KM., drijven als reusachtige waterleliën op de meren of
omzoomen als een langen, witten muur het strand en de eilanden,
terwijl zij zich door de zon laten verwarmen of hun vederenkleed in
orde brengen. Op de kleine eilanden, waar deze Vogels neergestreken
zijn om te slapen; bedekken zij alle boomen zoo dicht, dat deze,
op een afstand gezien, niets anders schijnen te dragen dan groote,
witte bloemen, die de groene bladeren geheel verbergen. Vluchten
van 10 à 12 stuks zijn zeldzaam, troepen van honderden en duizenden
gewone verschijnselen. Als de lente nadert, verdeelen deze zwermen
zich eenigzins, omdat dan vele van de Vogels, die gedurende den winter
vereenigd waren, naar het zuiden van Europa trekken om daar te broeden
en zij, die in Egypte of andere landen van Noord-Afrika blijven, geen
broedplaatsen vinden, waar zij alle gezamenlijk kunnen nestelen; ook
dan nog ziet men talrijke troepen, die echter uit jonge Vogels bestaan.