plaatsen, waar hun eenig gevaar zou kunnen bedreigen. Zij visschen
in open water, om een vrij uitzicht te hebben in alle richtingen en
wachten zich vooral voor rietbosschen. Een boot, die op hen afgestuurd
wordt, ontwijken zij reeds op grooten afstand. Daar ieder ongewoon
verschijnsel hen schrik inboezemt, is het volstrekt niet gemakkelijk
hun leven in de vrije natuur na te gaan. Zelfs wanneer men ze dagelijks
voor oogen heeft, krijgt men geen volkomen duidelijk denkbeeld van hun
levenswijze, zonder een goeden verrekijker. Gewoonlijk staan zij tot
het spronggewricht in 't water; minder dikwijls begeven zij zich naar
de duinen of naar zandige eilanden, het minst naar die, welke op de een
of andere wijze begroeid zijn. In het water en op het land nemen zij
zeer zonderlinge standen aan. De hals wordt op een eigenaardige wijze
ineengekronkeld, "geknoopt" voor de borst gelegd, de kop vervolgens
naar den rug gebogen en onder de schouderveeren verborgen. Steeds
rust het lichaam dan op slechts één poot; de andere wordt schuins
achterwaarts gestrekt, of gebogen en tegen den buik aangelegd, zoodat
het spronggewricht achter het lichaam uitsteekt. De Flamingo is gewoon
in deze eigenaardige houding te slapen. Als hij volkomen wakker is,
kromt hij den hals ook wel als een Reiger S-vormig, zoodat de kop kort
boven den nek komt te liggen. Alleen wanneer hij door schrik of op een
andere wijze van streek geraakt, heft hij den kop zoo hoog op, als de
lange hals toelaat. Terwijl de Flamingo visschend door het water waadt,
is de lange hals zoo diep gebogen, dat de bovensnavel in het slijk
kan worden gedrukt om het hierin aanwezige voedsel op te sporen. Bij
het onderzoeken van den bodem van 't water beweegt hij zich aanhoudend
met kleine pasjes voor- en achteruit, opent en sluit den snavel, die,
geholpen door den tong, als een fijngevoeligen zeeftoestel werkt, al
wat eetbaar is, terughoudt en het onbruikbare verwijdert. Het trippelen
met de voeten is noodig, om de kleine waterdieren, die hem tot voedsel
dienen, uit hunne schuilplaatsen op of in het slijk te verdrijven; hij
kan ze het gemakkelijkst vangen, wanneer zij in beweging zijn gekomen.
De Flamingo vliegt zonder merkbare inspanning, zoodra hij zich in de
lucht verheven heeft. Zijne tamelijk snel opeenvolgende vleugelslagen
brengen een soortgelijk gedruisch teweeg als die van de Eenden en
Ganzen; door eenige berichtgevers wordt het geluid van een plotseling
opvliegende troep Flamingo's vergeleken met het rollen van den donder
in de verte. Hun hard en heesch, als "krak" klinkend gekras wordt als
't ware met moeite voortgebracht en is volstrekt niet welluidend;
soms wisselt het af met hoogere toonen, die ook als "krak" klinken,
maar op meer kraaiende wijze uitgestooten worden.
De Flamingo leeft van kleine waterdiertjes, vooral van schelpdieren
uit de bovenste slijklaag, van allerlei Wormen, Schaaldieren, kleine
vischjes en sommige plantaardige stoffen. Gevangen exemplaren kan
men met gekookte rijst, geweekte tarwe, gebroken gerst, broodpap en
eendenkroost geruimen tijd in 't leven houden, maar hebben om gezond
te blijven bovendien dierlijke stoffen noodig en kunnen dan vele jaren
lang de gevangenschap verduren. Wanneer zij lang achtereen uitsluitend
plantaardig voedsel krijgen, verliest hun vederenkleed het teere,
rozeroode waas; het herkrijgt en behoudt zijn volle schoonheid bij
voedering met een mengsel, zooveel mogelijk overeenstemmend met dat,
hetwelk zij in de vrije natuur zelf zoeken.
De Flamingo bouwt zijn nest in het water op ondiepe plaatsen, door
met de voeten een kegelvormigen hoop modder bijeen te krabben,
die, waarschijnlijk ter wille van de stevigheid, met waterplanten
enz. gemengd is; aan den top bevindt zich de nestholte, ongeveer
5 d.M. boven den waterspiegel. Op vlakke, slechts met zeer lage
planten begroeide eilandjes bestaat het nest, volgens het getuigenis
der Arabieren, uit een in den grond uitgekrabd, ondiep kuiltje,
dat met een onbeduidend laagje waterplanten en rietbladen gevoerd
is. Het aantal eieren bedraagt gewoonlijk 2; deze hebben een zachte,
krijtachtige, effen witte schaal. Ongetwijfeld gaat de Vogel bij het
broeden met samengeknikte pooten op het nest zitten; soms strekt hij
echter één van zijne pooten achterwaarts en laat hem over den rand
van het nest naar beneden hangen. Naar men zegt, duurt de bebroeding
30 à 32 dagen en noodigt het wijfje haar echtgenoot van tijd tot tijd
door luid geschreeuw uit om haar af te lossen.
Voor de Flamingo-jacht wordt de grootst mogelijke voorzichtigheid
vereischt. Over dag is het den jager niet mogelijk zoo dicht bij deze
vreesachtige dieren te komen, dat hij ze met den buks kan treffen;
bij het zoeken van voedsel houden steeds verscheidene volwassene
Vogels de wacht en waarschuwen het geheele gezelschap voor een naderend
gevaar. Des nachts evenwel laten zij zich gemakkelijker verschalken. De
Arabieren gebruiken hiervoor twee schuiten, waartusschen gewone
vischnetten uitgespannen zijn en waarmede zij te midden van een
rustenden zwerm Flamingo's zeilen; de verschrikte dieren vliegen op
en geraken in de netten verward. Op deze wijze vangt men er soms 50 of
meer te gelijk. Over een veel zonderlinger wijze van vangst hoort men
de visschers aan het Mensalehmeer spreken. Nadat zij de slaapplaats
van de Vogels hebben opgespoord, begeven zij zich 's nachts hoogst
voorzichtig daarheen op een van rietstengels vervaardigd vlot en
trachten den schildwacht van den troep te ontdekken. Deze houdt den kop
omhoog, de andere Vogels hebben hem onder de vleugels verborgen. Een
visscher begeeft zich geheel ontkleed te water en tracht, gedekt door
een bos rietgras, dat hij voor zich uit duwt, half boven, half onder
water zwemmend en kruipend, den waakzamen Vogel te bereiken; deze
wordt gegrepen, dadelijk met den kop onder water gehouden en door
het omdraaien van den nek gedood; de visschers grijpen vervolgens
eenige der slapende Vogels met de handen en dooden deze op dezelfde
wijze. Op de markten van de Noord-Egyptische steden vindt men deze
fraaie Vogels dikwijls bij dozijnen aan een lang touw gebonden. Als
wild zijn zij zeer gezocht. Volgens de oude schrijvers waren zij dit
reeds bij de Romeinen, die vooral hoogen prijs stelden op de tong
en de hersenen van den Flamingo. Ik heb dezen kost geproefd en zeer
smakelijk bevonden, vooral de tong. Het vleesch is rozerood en heeft
volgens sommigen een tranigen of vischachtigen smaak; hiervan heb ik
echter niets kunnen bespeuren.
De Roeivoetigen (Steganopodes), die de vierde en laatste groep
van de onderorde der Worgvogels vormen, ontleenen hun naam aan het
maaksel hunner voeten; deze hebben een korten loop en lange teenen
en verschillen van andere zwemvoeten, doordat het zwemvlies alle
teenen onderling verbindt, dus ook den steeds aanwezigen, eersten
teen, die hier binnenin plaats van achterwaarts gericht is. De romp
is gestrekt, de hals middelmatig lang, de kop klein; de snavel
vertoont verschillende vormen, die in zooverre overeenstemmen,
dat bij alle een naakte, meer of minder zakvormig verwijde huid de
beide onderkaakshelften verbindt; de vleugels zijn lang en afgerond
of zeer lang en spits; de staart is verschillend van vorm. Het nauw
aansluitende vederenkleed, dat zich op het middelmatig lange onderbeen
tot aan het spronggewricht uitstrekt, is bij sommigen vast en hard,
bij andere zijdeachtig zacht; de kleur verschilt bij het mannetje en
het wijfje weinig of niet, bij jongen en ouden meestal aanmerkelijk.
De Roeivoetigen mogen zeebewoners heeten, hoewel slechts van twee
familiën dezer groep gezegd kan worden, dat zij zich vrijwillig nooit
van de zee verwijderen. De overige zwerven gaarne ver over het land
rond; sommige vestigen zich hier. Op de zee, waar enkele Roeivoetigen
zelden verschijnen, gevoelen alle zich zoo thuis, dat zij er maanden
lang blijven en, zoo niet het land, dan toch het zoetwater ontberen
kunnen. Enkele zetten zich om te rusten op rotsachtige eilanden
en kusten neer, andere op het strand, de meeste op boomen, indien
hiervoor gelegenheid bestaat; eenige soorten zijn echte woudvogels. In
het noorden van hun verbreidingsgebied dwingt de winter hen tot
trekken; in het zuiden zwerven zij, den loop der stroomen of van
de zeekust volgend, onregelmatig heen en weer. Zonder overdrijving
kan men zeggen, dat de leden dezer groep geen der bewegingswijzen
missen, die men bij de overige Zwemvogels opmerkt. Er zijn onder
hen "stootduikers" en "zwemduikers"; zij vliegen voortreffelijk,
enkele evenaren in dit opzicht de echte oceaanvogels; hun gang,
hoewel slecht, is toch beter dan die van de andere zwemvogels;
ook kunnen zij zich in de boomen redden. Hunne zintuigen zijn goed
ontwikkeld, hunne geestvermogens tamelijk gering; enkele kunnen
echter afgericht worden. Ondanks hun neiging tot gezelligheid,
zijn zij niet vredelievend van aard, maar afgunstig, hebzuchtig
en tot vechten geneigd; ook zijn zij boosaardig en valsch en toch
bij ontmoetingen met andere dieren echt lafhartig. Eendrachtige
samenwerking, hulpvaardigheid van allen ten behoeve van enkelen,
zooals men die bij de echte oceaanvogels aantreft, komt bij de
Roeivoetigen niet voor: zij helpen elkander bij de vischvangst,
maar niet bij het afslaan van een vijandelijken aanval. Om andere
dieren bekommeren zij zich niet, tenzij (wat bij enkele voorkomt)
op de wijze van een parasiet en zijn gastheer. Verscheidene soorten
nestelen te midden van Reigers en van andere Vogels, en verdrijven deze
soms uit hunne nesten of ontrooven hun materialen voor den nestbouw;
er bestaat dus geen vriendschappelijke verhouding tusschen hen en de
overige leden der broedkolonie.
Zij bouwen hun nest op boomen of in spleten van het gesteente, op
rotsterrassen en bergtoppen, zeldzamer op eilandjes in moerassen en
broeklanden. Zooveel mogelijk laten zij dit werk door andere Vogels
verrichten, die althans de grondslag voor hun nest vervaardigen,
dat zij daarna eenvoudig naar hun smaak wijzigen. Als zij zelf
de noodige bouwstoffen aanvoeren, worden deze op kunstelooze
wijze opeengestapeld. Zij broeden op één ei, ook wel op 2, 3 of 4
eieren. Deze zijn betrekkelijk klein en zeer langwerpig van vorm;
de eigenlijke schaal is gewoonlijk met een grove en onregelmatige,
dikwijls onvolledige, kalkachtige laag bedekt; minder dikwijls zijn de
eieren glad van schaal en op lichteren grond donker gevlekt. Beide
ouders broeden en doen dit zoo ijverig, dat zij zich bijna niet
van 't nest laten verjagen; beide brengen hun kroost een grooten
overvloed van voedsel. Enkele soorten broeden, naar het schijnt,
dikwijls tweemaal in één zomer.
Alle Roeivoetigen verdelgen een ontzaglijk groote hoeveelheid Visschen
en zouden daarom zonder uitzondering tot de zeer schadelijke Vogels
gerekend moeten worden, als zij ons niet op een eigenaardige wijze
lieten profiteeren van de schatten der zee. Aan hen heeft Peru het
grootste deel van zijne inkomsten te danken; sedert jaren reeds
houdt een talrijke vloot zich met het vervoer van de guano bezig,
die door Roeivoetigen werd voortgebracht. Op hun vraatzucht berust
hun beteekenis voor de menschelijke maatschappij: deze vermindert den
vischrijkdom onzer binnenwateren en brengt op eenzame rotsen schatten
voor ons bijeen. Andere diensten bewijzen de Roeivoetigen ons nagenoeg
niet. Eenige trekken de aandacht van de bezoekers van diergaarden en
beestenspellen; andere verschaffen voedsel aan den mensch, die hen van
hunne eieren en jongen berooft: het op deze wijze verkregen voordeel
is echter gering. De Chineezen richten een lid van deze groep voor
de vischvangst af; de Arabieren eten het vleesch van andere soorten,
hoe slecht het ook is; de Zuidzee-eilanders eindelijk tooien zich met
de lange staartveeren van een dezer Vogels: meer voordeel bezorgen
zij den mensch niet.
De groep der Roeivoetigen omvat 4 familiën: de Aalscholvervogels
(Phalacrocoracidae) (met de onderfamiliën van Aalscholverachtigen,
Slanghalsvogels en Rotspelikanen), de Pelikanen (Pelecanidae), de
Fregatvogels (Atagenidae) en de Keerkringvogels (Phaëtornidae).
De Aalscholverachtigen (Phalacrocoracinae) hebben een zeer
langwerpigen, maar krachtigen, en rolvormigen romp, een langen
of zeer langen, slanken of dunnen hals, een kleinen kop, welks
middelmatig lange snavel aan de spits sterk haakvormig omgebogen is,
stevige pooten met zijdelings samengedrukten, korten loop en groote
teenen; de vleugels, hoewel lang, eindigen stomp wegens de kortheid
der handpennen; de staart, die uit 12 à 14 stuurpennen bestaat,
is middelmatig lang of tamelijk lang en bijna geheel vlak.
De leden van deze onderfamilie, welke 35 soorten omvat, zijn
over alle werelddeelen verbreid; zij leven in de zee en ook op de
binnenwateren. Enkele bewonen het hooge noorden, de meeste behooren in
de gematigde en warme aardgordels thuis. Eenige verwijderen zich zelden
van de zee en vestigen zich op rotsachtige eilanden; andere bewonen
riet- en boschrijke moerassen en broeklanden bij meren en dergelijke
wateren en dwalen slechts bij uitzondering een enkele maal naar de
zeekust af. Groote stroomen volgen zij tot diep in het binnenland;
over 't algemeen zwerven zij gaarne rond en blijven slechts gedurende
den broedtijd in hetzelfde oord. De bewoners der noordelijke landen
trekken, de overige zwerven.
Onder de Roeivoetigen behooren zij tot de bekwaamste duikers; ook in
andere opzichten ontbreekt het hun volstrekt niet aan behendigheid. Op
den vlakken grond bewegen zij zich waggelend op tamelijk onbeholpen
wijze; opmerkelijk vlug klauteren zij in de boomkronen rond; zij
vliegen sneller dan men van hen verwacht zou hebben, daar hun vlucht
den indruk maakt van zeer vermoeiend te zijn. Zooveel mogelijk houden
zij zich in 't water op, zwemmend en duikend met een vaardigheid en
volharding, die de bewondering van den toeschouwer moet wekken. Van
hunne overige eigenschappen valt niet veel te zeggen, wat hun tot
roem kan strekken. Zij zijn scherpzinnig, schrander, vlug van begrip
en listig, maar tevens in de hoogste mate twistziek, boosaardig en
valsch; onderling leven zij wel is waar in vriendschap, maar alleen,
omdat zij, elkander aanvallend, op een even verwoede ontvangst kunnen
rekenen, als door hen aan anderen wordt bereid; alle overige Vogels
mishandelen zij, of trachten althans hen te kwellen en te pijnigen.
Alle Aalscholverachtigen vreten zoolang zij kunnen; een gevulde maag
weerhoudt hen niet, begeerig aan te vallen op een buit, die hun dan in
den weg komt. De zeer groote Visschen, die zij wegens de rekbaarheid
van hun slokdarm kunnen inslikken, worden buitengewoon snel verteerd
door de steeds nieuwen toevoer verlangende maag. In landen, waar de
mensch als heerscher optreedt, kunnen zij niet geduld worden, omdat
zij aan de visscherij een zeer gevoelige schade berokkenen.
Alle soorten van deze onderfamilie nestelen gezellig en vormen
koloniën, die soms uit vele duizenden paren bestaan. De nesten bevinden
zich op rotsachtige eilanden, n.l. in spleten, holen, op rotsterrassen
enz., of op boomen, soms 40 of 50 op één boom. Als zij genoodzaakt zijn
zelf te bouwen, stapelen zij dikke takken onordelijk opeen en vullen
de ruimte daarbinnen met riet en andere grassen slordig aan. Bijna
nooit zorgen zij voor het drooghouden van het nest; dikwijls is
het zoo nat, dat de eieren, ten getale van 2 à 4, letterlijk in den
modder liggen. Deze zijn langwerpig en betrekkelijk zeer klein; zij
hebben een dikke, groenachtig witte, ongevlekte schaal, die door een
iets lossere, kalk- of krijtachtige laag omgeven is. Beide ouders
broeden beurtelings met een zelfverloochening, die men misschien
liever hardnekkigheid moet noemen; beide zorgen voor de opvoeding der
jongen. Deze komen bijna naakt ter wereld; het korte, somber gekleurde
dons, dat zij later krijgen, wordt eerst, als zij halfwassen zijn, door
veeren vervangen. Zij blijven lang in het nest, volgen daarna hunne
ouders in 't water, krijgen een paar dagen lang onderricht en worden
vervolgens aan zichzelf overgelaten. Gevangen Aalscholverachtigen
trekken de aandacht door de verscheidenheid hunner standen, die ieder
iets vreemdsoortigs hebben, bovendien door hun onvermoeidheid en
opgewektheid en door de listigheid, waarmede zij jacht maken op alles
wat leeft en doorgeslikt kan worden. Bij goede verzorging planten
zij zich in de kooi voort; zij zijn echter dure kostgangers.
De Aalscholver of Schollevaar [1], in Noordbrabant Waterraaf genoemd
(Phalacrocorax carbo), is de meest bekende en misschien ook de meest
verbreide soort. De bovenkop, de hals, de borst, de buik en de onderrug
zijn glanzig zwartgroen, met zachten metaalachtigen weerschijn,
de voorrug en de vleugels bruinachtig, met bronsachtigen glans en
(wegens de donkerder vederzoomen) als 't ware geschubd; de slag-
en stuurpennen zijn zwart; een witte, achter het oog beginnende vlek
omgeeft de keel, een andere, afgeronde komt op de flanken voor. Het oog
is zeegroen, de snavel zwart, aan den wortel geelachtig, de naakte huid
van het aangezicht en van de keel geel, de voet zwart. Totale lengte
81 à 92, vlucht 135 à 150, lengte van den vleugel 36, van den staart
18 cM. De jonge Vogel is meer of minder grijs; de bovendeelen zijn
donker aschgrauw en op soortgelijke wijze als bij de ouden geschubd;
de onderdeelen zijn geelachtig of lichtgrijs.
Van Middel-Noorwegen af treft men den Aalscholver in geheel Europa
en gedurende den winter in verbazend grooten getale in Afrika
aan; bovendien leeft hij zeer veelvuldig in Middel-Azië en ook in
Noord-Amerika: van hier naar West-Indië, van daar naar Zuid-Azië
trekkend. Hier te lande broedt hij in kleine koloniën, bij meren
en plassen van Noord- en Zuid-Holland. Hij bewoont de zee en het
binnenwater, al naar de ligging van zijn woonplaats. Steeds ontmoet men
hem in groote rivieren of stroomen, die door bosschen ingesloten zijn;
zelfs vestigt deze brutale indringer zich in de onmiddellijke nabijheid
van bewoonde oorden, van waar men hen bijna niet (en steeds met groote
moeite) verdrijven kan. Eens is het gebeurd, dat Aalscholvers in een
stad verschenen en den kerktoren als rustplaats kozen. In nog grooter
aantal komen zij voor aan de zee, hoewel slechts op bepaalde plaatsen,
n.l. daar, waar de kust rotsachtig en moeielijk genaakbaar, althans
door een krans van klippen omgeven is. In niet geringe hoeveelheid
houden zij gedurende den winter in zuidelijke zeeën verblijf.
Zij zijn zeer gezellig en blijven daarom in den regel tot groote of
kleine zwermen vereenigd. Gedurende de morgenuren visschen zij met
grooten ijver; de namiddag is aan de rust en aan de spijsvertering
gewijd; tegen den avond gaan zij nogmaals ter vischvangst uit; met
zonsondergang begeven zij zich te ruste. Als nachtkwartier dienen in
't binnenland hooge boomen, die op eilanden in de stroomen of meren
staan; dezelfde boomen worden later als broedplaatsen gebruikt. Op
zee slapen zij op rotsachtige eilanden, waar zij een vrij uitzicht
hebben naar alle zijden en gemakkelijk af en aan kunnen vliegen. Zulke
eilanden zijn reeds op een afstand kenbaar aan de witte laag drek,
waarmede de Vogels hen bedekt hebben; deze zou ook bij ons ten slotte
een guanolaag worden, indien ons klimaat minder regenachtig was en wij
hier de tropische zon hadden, die onder Peru's hemel den vogeldrek
doet uitdrogen. Zulk een bevoorrechte zitplaats in zee trekt steeds
de aandacht van den zeeman of van den reiziger, het meest natuurlijk,
wanneer zij met Aalscholvers bedekt is. Op reeksen gerangschikt,
ongeveer in den trant van een troep soldaten, zitten de zwarte Vogels
in schilderachtige houding op de rotspunten, alle in dezelfde richting,
naar de zee, kijkend; slechts weinige zitten hier onbeweeglijk,
ieder beweegt minstens één zijner lichaamsdeelen, hetzij den hals en
den kop, of de vleugels en den staart. Het kwispelen en waaien met
de vleugels houdt soms meer dan een kwartier aan en heeft blijkbaar
ten doel alle veeren geheel te drogen; want later ziet men de Vogels
roerloos in de zon zitten. Op zulke rustplaatsen behoudt trouwens
iedere Aalscholver de eens gekozen plek, om de eenvoudige reden, dat
het gaan hem moeite kost. Als men in een boot een rotsachtig eiland
in de zee nadert, ziet men de Vogels in de eerste plaats den hals
strekken en den kop bewegen, vervolgens op plompe wijze heen weer
trippelen en ten slotte vluchten. Slechts weinige verheffen zich
echter in de lucht en vliegen met fladderende vleugelslagen rond;
de meeste springen, bijna als Kikvorschen, van de rotsen af in zee,
duiken en zwemmen zoo ver mogelijk onder water, voordat zij weer aan
de oppervlakte verschijnen; de schrandere, zeegroene oogen blijven
voortdurend op de boot gericht; het duiken wordt zoo noodig herhaald,
totdat de gewenschte veiligheid verkregen is.
Zij bewegen zich intusschen zoo snel, dat zelfs de beste, door flinke
roeiers bemande boot ze niet kan inhalen, kunnen tot op aanzienlijke
diepten duiken en lang onder water blijven, keeren daarna voor een
oogenblik naar den waterspiegel terug om snel te ademen en verdwijnen
weer. Bij het vervolgen van hun buit strekken zij het lichaam, maken
lange, krachtige streken met de roeiorganen en doorklieven het water
als een pijl uit den boog.
De vatbaarheid van de Aalscholvers voor ontwikkeling blijkt uit het
bekende feit, dat ze--o. a. ook de bij ons inheemsche soort--door de
Chineezen voor de vischvangst afgericht worden en tot tevredenheid van
hunne meesters arbeiden. De jongen worden reeds vroeg medegenomen op
het water, springen er op bevel van hun eigenaar in, duiken en brengen
den gevangen Visch naar boven. "Bij hoog water," verhaalt Doolitle,
"zijn de bruggen in Foetsjoe dicht bezet met toeschouwers, die met
belangstelling deze vischvangst gadeslaan. De visscher staat op een
vlot van bamboe, dat ongeveer 1 M. breed en 5 à 6 M. lang is, en brengt
dit met een roeiriem in beweging. Hij stoot of werpt de Aalscholvers
in het water; deze duiken dadelijk, of worden door het slaan met
den roeiriem gedwongen om zich naar de diepte te begeven. Zoodra één
hunner een Visch heeft buitgemaakt, komt hij boven water met de prooi
in den snavel en wil haar verslinden, hetgeen verhinderd wordt door een
draad of metalen ring, die hem los om den hals is gelegd; goedschiks
of kwaadschiks is hij dus wel genoodzaakt naar het vlot terug te
zwemmen. De visscher ijlt zoo snel mogelijk toe om te verhoeden,
dat de buit hem weder ontkomt, daar deze zijn best doet om zich
aan zijn vijand te ontworstelen hetgeen, vooral aan groote Visschen
soms na hevigen strijd gelukt. Met een zakvormig net, dat aan een
stok bevestigd is, wordt de Vogel op het vlot geheschen; hier wordt
hem den Visch afgenomen en krijgt hij tot belooning eenig voedsel;
dit kan eerst geschieden, nadat de ring weggenomen en hierdoor het
slikken mogelijk gemaakt is. Een korte rust wordt den Vogel gegund,
voordat men hem op nieuw aan 't werk zet."
Daar de Aalscholvers een onberekenbare schade toebrengen aan de
visscherij, kunnen zij op de binnenwateren niet geduld worden. Hun
vraatzucht is voorbeeldeloos groot. Eén van deze Vogels gebruikt meer
voedsel dan een mensch en evenaart in dit opzicht een Pelikaan. Een
gevangen Aalscholver kreeg eens van mij zooveel Visschen als hij hebben
wilde: in den loop van den morgen verslond hij 26, in de namiddaguren
bovendien nog 17 Voorns van gemiddeld 20 cM. lengte. Deze vulden
aanvankelijk niet slechts de geheele maag, maar ook den slokdarm,
die hierdoor tot een wanstaltige wijdte werd uitgezet, en staken
voor een deel zelfs boven het keelgat uit; zij werden echter zoo
schielijk verteerd, dat de keelholte en de slokdarm binnen twee
uren reeds leeg waren. "De Aalscholvers zouden," schrijft Schlegel,
"in een bebouwd en overal bewoond land als het onze, waarschijnlijk
sedert lang tot de zeldzaamheden behooren, indien er niet eenige
plaatsen waren, waar men ze, in gezelschap van Lepelaars en Reigers,
rustig laat broeden. Dit zijn b.v. het Horstermeer, tusschen
Amsterdam en Utrecht, en het zoogenaamde Schollevaarseiland, tusschen
Rotterdam en Gouda gelegen."--Prof. P. Harting heeft in Mei 1864 het
Schollevaarseiland bezocht, en van zijn bevinding verslag gegeven
in het "Album der Natuur". Aalscholvers nestelden er toen reeds
sedert 3 jaren niet meer, wel Reigers, Kwakken, Kleine Reigers
en eenige Lepelaars. Het Schollevaarseiland, dat dus reeds voor
35 jaar alleen historische rechten kon doen gelden op het eerste
gedeelte van zijn naam, verloor ongeveer 8 jaren later door de
droogmaking van den Prins-Alexander-polder ook alle aanspraak op den
naam van eiland. In de nabijheid van deze vroeger zoo merkwaardige
broedplaats van watervogels, n.l. langs de rivier de Rotte, komen,
volgens mededeelingen van den Heer Van Pelt Lechner, de Aalscholvers
ook thans nog overvloedig voor; zij broeden er vooral op plekken,
waar veel riet en lischdodden groeien.