lange voeten, tamelijk breede, afgeronde vleugels, een betrekkelijk
korte staart en een dicht vederenkleed, dat slechts den teugel
onbedekt laat, zijn de kenmerken van het geslacht der Sikkel-ibissen
(Plegadis), in Europa vertegenwoordigd door den Gewonen Ibis (Plegadis
falcinellus). De hals, de borst, de buik, de schenkels en het bovenste
deel van de vleugels zijn kastanjebruinrood; de kruin is donkerbruin
met rooden weerschijn, de rug zwartbruin met paarsen of groenachtigen
glans; dezelfde kleur hebben de pennen van de vleugels en van den
staart. Het oog is bruin en met een naakten, groengrijzen kring
omgeven, de snavel vuil donkergroen, de voet groengrijs. Lengte 60
cM. (waarvan er 11 op den snavel en 9 op den staart komen), vlucht 98,
lengte van den vleugel 35 cM. In het winterkleed zijn de kop en de
achterhals zwart, welke kleur naar onderen lichter wordt, alle veeren
hebben een witten zoom; overigens is de kleur der bovendeelen een
mengsel van koperkleur en groen, de onderdeelen zijn bruingrijs. Bij
de jongen is het bruinrood der onderdeelen door grijsbruin vervangen
en heeft het groen der bovendeelen een gelen tint.
De Ibis komt in alle vijf werelddeelen voor. In Europa bewoont hij
de lage landen aan den Donau, Rusland en het zuiden van Polen, in
kleinen getale ook Zuid-Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje, in Azië
alle landen van de Kaspische en de Zwarte Zee, Anatolië, Perzië,
Syrië en geheel Indië; in Afrika nestelt hij aan de strandmeren van
het noorden, misschien ook in het midden, het westen en het zuidoosten
van dit werelddeel, waarheen hij zich geregeld op den trek begeeft;
in Australië komt hij op voor hem geschikte plaatsen overal voor;
in Amerika heeft men hem van 46° N.B. tot 40° Z.B. waargenomen. Uit
Hongarije en Rusland dwalen nu en dan enkele exemplaren naar 't westen
en noorden, zelfs naar IJsland af. In Nederland zijn er sedert 1812
twaalf geschoten. In Hongarije is hij geen standvogel zooals in Egypte,
maar een zomergast, die geregeld in het einde van April of het begin
van Mei komt en in Augustus, op zijn laatst in September vertrekt en
zich intusschen ophoudt in de uitgestrekte vlakten aan den benedenloop
van den Donau, den Sau en den Drau, die door deze stroomen tijdelijk
onder water worden gezet. In 't algemeen bezoekt hij bij voorkeur
strandmeren en broeklanden of slijkerige gronden, ook moerassen;
hierbij of hierin bevinden zich zijne broedplaatsen. Bijna altijd
vliegen deze Vogels in vrij groote troepen, steeds hoog boven den
grond, soms in stomp wigvormige rangorde, vaker echter naast elkander
op een lange lijn, zoo dicht opeengedrongen, dat de vleugelspitsen
van iederen Vogel die van zijne buren schijnen aan te raken; deze lijn
beweegt zich met bevallige, slangsgewijze kronkelingen vooruit. "Het
is een prachtig schouwspel", zegt Naumann, "deze lange reeks door de
lucht te zien zwieren. Zij herinnert aan een herfstdraad, die door
een zachte koelte in dwarse richting wordt voortgedreven, blijft niet
zuiver recht, maar maakt hoogst bevallige, zeer verschillende, zacht
opklimmende en afdalende, telkens veranderende kronkelingen. Hoewel
de golvingen van deze reeks voortdurend afwisselen, blijft zij steeds
gesloten en behoudt iedere Vogel dezelfde richting als zijn buurman."
De Sikkel-ibissen, hoewel deftig en ernstig van voorkomen, zijn
vroolijk en zelfs overmoedig van aard; af en toe plagen zij niet
slechts elkander, maar ook andere Vogels. Zij zijn even voorzichtig
en schuw als de overige moerasvogels en behooren tot de schranderste
leden hunner familie.
Gedurende den zomer bestaat hun voedsel waarschijnlijk grootendeels
uit larven van Insecten en wormpjes, doch ook uit volkomene Insecten,
vooral Sprinkhanen, Waterjuffers, Kevers, enz.; des winters maken zij
Weekdieren, Wormen, vischjes, kleine Amphibiën en anderen Weekdieren
buit.
In de gevangenschap houden zij zich zeer goed, kunnen met allerlei
Vogels goed overweg en worden zeer tam; ook broeden zij in de kooi.
Wegens zijn prachtige kleur vermelden wij nog de Roode Ibis (Plegadis
ruber), die Middel- en Zuid-Amerika bewoont. De volwassen Vogel is
karmijnrood, alleen de toppen der slagpennen zijn zwart. In grootte
komt hij met den Heiligen Ibis overeen.
De Nijlstroom werd door het volk der Pharaonen beschouwd als de
voortbrenger en onderhouder van al wat leeft; hierdoor kwam de
Ibis, die met het wassen van den stroom in Egypte verscheen, in hoog
aanzien. Men beschouwde hem als een heilige Vogel en zorgde er voor,
dat zijn stoffelijk overschot voor bederf bewaard werd en gedurende
duizenden van jaren onveranderd bleef. In een der piramiden van
Sakhara vindt men duizenden mummiën van deze Vogels in urnen of ook
wel in kamers laagsgewijs opeengestapeld.
Niet slechts de Egyptenaars, maar ook vreemdelingen, die het land
der wonderen bezochten, verkondigden den lof van den Ibis. Herodotus
verhaalt, dat deze Vogel Draken, vliegende Slangen en ander ongedierte
doodt en daarom bij de bewoners van Egypte in hooge eer wordt
gehouden. Plinius bericht, dat de Egyptenaren bij het naderen van
Slangen gebeden tot den Ibis opzonden. Volgens Josephus nam Mozes,
toen hij tegen de Ethiopiërs te velde trok, Ibissen in papyrus-kooien
mede om de Slangen af te weren. Piraeus verhaalt, dat Krokodillen en
Slangen door aanraking met een Ibis-veer betooverd worden, onbewegelijk
blijven of zelfs onmiddellijk sterven. Nog bij veel latere schrijvers
vindt men vermeld, dat het voedsel van den Ibis uit Slangen en andere
Kruipende Dieren bestaat. "Hij heeft," volgens Belon (1517-1564),
"een onbedwingbare begeerte naar slangenvleesch; zijn haat tegen
de Kruipende Dieren in 't algemeen is zoo groot, dat hij ze, zelfs
wanneer hij verzadigd is, nog steeds tracht te dooden." Diodorus van
Sicilië beweert, dat de Ibis dag en nacht aan den oever de Kruipende
Dieren beloert, hunne eieren opzoekt en tevens Kevers en Sprinkhanen
vangt. Cicero merkt op, dat de Egyptenaren alleen aan de dieren die
hun nuttig zijn, goddelijke eer bewijzen.
De Ibis of Heilige Ibis (Ibis aethiopica of religiosa), wordt als
vertegenwoordiger beschouwd van een gelijknamig geslacht, dat zich
van het vorige onderscheidt door den minder slanken, aan den wortel
tamelijk dikken snavel, de naaktheid van kop en hals bij het oude
dier en het maaksel der schouderveeren, die aan de spits losbaardig
zijn. Het vederenkleed is wit, onder de vleugels geelachtig; de
schouderveeren en de spitsen van de slagpennen zijn blauwachtig
zwart. Het oog is karmijnrood, de snavel zwart, de voet zwartbruin. De
naakte, zwarte huid van den hals is fluweelachtig voor het gevoel en
kleurt merkbaar af. Totale lengte 75, staartlengte 16 cM.
Opmerkelijk is het, dat de Ibis tegenwoordig Egypte niet meer
bezoekt, althans niet meer geregeld en er waarschijnlijk slechts bij
uitzondering nestelt en broedt. Als voorbode van het wassen van den
Nijl treedt hij eerst in 't zuiden van Nubië op. Reeds bij Khartoem
broeden eenige paren; verder zuidwaarts is dit een zeer gewoon
verschijnsel. Onmiddellijk na hun terugkomst begeven deze Vogels
zich naar hunne broedplaatsen, die met de uiterste zorg gekozen
zijn en maken van hier uit meer of minder verre tochten om voedsel
te zoeken. Men ziet ze bij paren in de steppe Sprinkhanen vangen;
zij houden zich op aan de oevers van rivieren en regenplassen en
zeer dikwijls ook, meestal in gezelschap van den kleinen Koereiger,
bij het vee; voor de herders, voor de inboorlingen in 't algemeen,
toonen zij niet de minste vrees. De houding van den Ibis is deftig,
zijn gang afgemeten, steeds stappend, nimmer rennend, zijn vlucht
zeer licht en fraai, ongeveer gelijk aan die van zijn Europeeschen
verwant. Zijn stem klinkt als "Krah" of "Gah".
Het is wel mogelijk, dat de Ibis kleine Slangen verslindt; met groote
en gevaarlijke laat hij zich echter niet in. Gedurende den regentijd
bestaat zijn voedsel, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk,
uit Insecten. In de maag van gedoode exemplaren vond men Sprinkhanen of
allerlei soorten van Kevers, vooral Mestkevers; gevangene exemplaren
aten met smaak de kleine Amphibiën, die men hun toewierp, maar gaven
toch aan Insecten de voorkeur.
De jonge Ibissen, die wij grootbrachten, werden aanvankelijk met
stukken rauw vleesch "gepropt" en aten dit voedsel zeer gaarne. Honger
gaven zij te kennen door en vreemdsoortig geschreeuw, dat men even goed
door "tsiek tsiek tsiek" als door "tierr tierr tierr" kan nabootsen;
het ging gepaard met een trillende beweging van den kop en den hals
en soms ook met hevige vleugelslagen; deze moesten als 't ware aan
hun geschreeuw een grooteren nadruk geven. Na weinige dagen aten zij
het voor hen bestemde voedsel uit de hand; reeds in den loop van de
eerste week was al wat eetbaar is, hun welkom. Het liefst slobberden
zij hun voedsel, vooral het brood, evenals de Eenden, met den snavel
uit het water op.
Deze jongen gedroegen zich reeds op den eersten dag van hun leven
in gevangenschap stil, ernstig en verstandig, werden mettertijd
tam en gemeenzaam, kwamen, als men ze riep en volgden hun verzorger
ten slotte door het geheele huis. Zij hadden de hoogst zonderlinge
gewoonte van zich gaarne op zachte voorwerpen neer te vleien. Telkens
wanneer het van leeren riemen gevlochten, veerkrachtige onderstel
van het op Soedaneesche wijze vervaardigde bed buiten werd gebracht,
kon men er zeker van zijn, na verloop van korten tijd de Ibissen
hierop uitgestrekt te zullen vinden; zij lagen steeds plat op den
buik met achterwaarts gerichte pooten, schenen zich zeer op hun gemak
te gevoelen en stonden niet op, als iemand bij hen kwam. Met alle
overige Vogels van ons erf leefden zij in goede verstandhouding;
nooit althans waren zij de aanvallende partij. Onderling twistten
zij nooit; zij waren steeds bijeen; zelden verwijderde een hunner
zich ver van de overige; 's nachts sliepen zij dicht naast elkander.
De Egyptenaars hebben waarschijnlijk indertijd den Heiligen Ibis in
half wilden toestand gefokt. Bij goede verzorging broedt deze Vogel
ook wel in onze diergaarden.
De Soedaneezen maken niet opzettelijk jacht op den Ibis, hoewel zijn
smakelijk vleesch de moeite wel zou loonen; een toevallig gevangen
exemplaar eten zij echter gaarne. De vrije negers gebruiken de
losbaardige veeren van dezen Vogel als hoofdtooi.
Ook de onderfamilie van de Lepelaarachtigen (Plataleinae) is zoowel
in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd. Hare leden zijn
grooter en krachtiger dan de Ibissen, hunne naaste verwanten, van
welke zij zich onderscheiden door den langen, nagenoeg rechten, lagen,
van voren buitengewoon sterk afgeplatten en spatelvormig verbreeden
snavel; het afgeronde uiteinde van den bovensnavel verlengt zich tot
een kleine, benedenwaarts gebogen spits of nagel; de binnenzijde van
de kaken is met overlangsche groeven voorzien. De voeten zijn krachtig
en tamelijk lang, de drie voorteenen aan den wortel door betrekkelijk
breede spanvliezen verbonden, de klauwen stomp en klein. De vleugels
zijn groot en breed; de korte, eenigszins afgeronde staart bestaat uit
12 pennen. Aan den achterhals komt soms een kuif voor; de gorgel en
meestal ook een deel van den bovenkop zijn onbevederd. De kleur van
hun vederenkleed is in den regel nagenoeg effen; bij het mannetje en
het wijfje, in den zomer en in den winter gelijk; tusschen de jongen
en de volwassenen bestaat eenig verschil.
Nederland, de laaglanden bij den Donau, geheel Middel-Azië tot
Middel-Indië, alsmede de Kanarische Eilanden en de Azoren vormen
het vaderland van den Lepelaar, die soms Lepelgans wordt genoemd
(Platalea leucorodia). Met uitzondering van een geelachtigen band om
den kop, is hij zuiver wit, het oog karmijnrood, de ring er om heen
geelachtig groen, de snavel zwart, op het schijfvormige gedeelte geel,
de keel groenachtig geel. Totale lengte 80, vlucht 140, lengte van
den vleugel 44, van den staart 13 cM.
In Indië en Zuid-Azië in 't algemeen is de Lepelaar waarschijnlijk,
evenals in Egypte, een standvogel; in noordelijker landen komt en
vertrekt hij met de Ooievaars. Hier te lande houdt hij zich op van
April tot September en broedt op moerassen en plassen in de nabijheid
van de monden der groote rivieren. Het zoogenaamde Schollevaarseiland,
welks omgeving door de bedijking van den Prins Alexander-polder is
droog gelegd, was een zijner meest bekende verblijfplaatsen, zoo ook
het Horstermeer, tusschen Amsterdam en Utrecht, en het Zwanenwater bij
Calantsoog. Gaarne begeeft hij zich naar slibrijke plaatsen; b.v. naar
de Zeeuwsche stroomen, naar het noordelijk gedeelte van Texel en
Vlieland, enz. Na den broedtijd zwerft hij eenigen tijd rond en bezoekt
dan ook de andere deelen van ons land. Broedkolonies van dezen Vogel
zijn echter alleen in Noord- en Zuid-Holland en Noordbrabant gevonden.
Het broeden van den Lepelaar in Nederland is een zeer opmerkelijk
verschijnsel, daar zijne overige broedplaatsen in Europa veel
zuidelijker liggen, n.l. in Hongarije. In Griekenland komt hij
geregeld op den trek, maar broedt er niet, evenmin in Italië, waar
hij, vooral in de moerassen op de kust van Sardinië, overwintert, ook
niet in Frankrijk, waar hij in 't voor- en najaar, vooral in Bretagne,
vertoeft, noch in Spanje. In zijn vaderland zoowel als in den vreemde
geeft hij duidelijk de voorkeur aan strandmeren en moerassen boven
de zee; hij is geen zeevogel, maar bezoekt soortgelijke oorden als
zijne naaste verwanten, de Ibissen. Wel zijn de ondiepe en modderige
kustgedeelten van de zee een zeer geliefd jachtveld van den Lepelaar,
doch ook deze zou men als een groot moeras kunnen beschouwen. Oevers,
die met hoog opgaande planten begroeid zijn, vermijdt hij steeds;
het zijn de slijkerige waterkanten, die hem aantrekken. Met afgemeten
passen en ver voorovergebogen bovenlijf stapt hij hier, zoolang hij
voedsel zoekt, meestal wadend rond en doorzoekt, terwijl hij den
snavel voortdurend heen en weer beweegt, op soortgelijke wijze als de
Kluit, het water en de slib. Zelden (alleen om zich te vergewissen,
dat geen gevaar hem bedreigt) strekt hij den hals naar boven; in
tijden van rust is dit lichaamsdeel in den vorm van een ver naar
voren uitpuilende lus gekromd, zoodat de kop nagenoeg tusschen de
schouders komt te liggen. De gang van den Lepelaar, hoewel deftig en
afgemeten, is toch bevalliger dan die van den Ooievaar. Zijn vlucht
is zeer licht en fraai; hij beschrijft dikwijls kringen in de lucht
en laat zich vaak op zijne wieken drijven. Van den vliegenden Reiger
verschilt hij dan door den steeds recht vooruitgestoken hals, van den
vliegenden Ooievaar door de veelvuldigere en sneller opeenvolgende
vleugelslagen. Op den trek vliegen de Lepelaars meestal in een lange
dwarsreeks. Zij reizen over dag, maar schijnen geen bijzondere haast
te maken; onderweg houden zij zich overal op, waar de gelegenheid
bestaat om op hun eigenaardige wijze voedsel te zoeken.
Een Lepelaar is voorzichtig en schrander, weet zich in de
omstandigheden te schikken en leert iedere gebeurtenis spoedig op
haar juiste waarde te schatten. Hij is betrekkelijk gemeenzaam op alle
plaatsen, waar hij niets te vreezen heeft, uiterst schuw daarentegen
overal, waar op Moerasvogels jacht wordt gemaakt. In het verkeer
met zijne soortgenooten toont hij zich in hooge mate gezellig en
vreedzaam. Evenals de meeste Stapvogels, werkt de Lepelaar over dag;
het heldere maanlicht verlokt hem echter dikwijls tot nachtbraken;
hij gaat dan ook 's nachts een poos voedsel zoeken. Zijn vangst
bestaat ongetwijfeld grootendeels uit Visschen. Exemplaren van 10 à
15 cM. lengte kan hij verzwelgen; deze worden zeer behendig met den
snavel aangepakt, omgedraaid, totdat zij in de juiste positie komen
en met den kop vooruit ingeslikt. Voorts verzwelgt hij Mossels en
Slakken met schelp en al en eet waarschijnlijk ook allerlei andere
kleine waterdieren, Schaaldieren, in 't water levende Amphibiën,
Insecten in alle ontwikkelingstoestanden, enz.
De stem van den Lepelaar, een kwakend geluid, wordt zelden waargenomen
en is slechts op geringen afstand hoorbaar.
De Lepelaars broeden gezellig in streken waar zij veelvuldig voorkomen;
elke boom in hunne kolonies draagt zooveel nesten als er op geplaatst
kunnen worden. Hun nest is los en slordig gebouwd van droge takjes en
riethalmen en van binnen bekleed met droge bladen en pluimen van riet
en biezen. Het bevat, als het broeden aanvangt, 2 of 3 (zelden 4)
betrekkelijk groote eieren. Op de dikke, grofkorrelige, glanslooze
schaal komt op witten grond een uit vele roodachtig grijze en gele
vlekken bestaande teekening voor, die zeer verschillend kan zijn.
Voorheen werd ook de Lepelaar met Valken gejaagd; tegenwoordig doodt
men hem hier en daar nog ter wille van zijn eetbaar, hoewel niet
bijzonder smakelijk vleesch.
De Flamingo's (Phoenicopteridae), die vroeger als Zwemvogels werden
beschouwd, moeten volgens latere, nauwkeurigere onderzoekingen meer in
de buurt van de Stapvogels staan. Zij vormen met eenige uitgestorvene
Vogels (Palaelodidae) een afzonderlijke groep van de onderorde der
Worgvogels, n.l. die der Flamingovogels (Phoenicopterii).
De Flamingo's hebben een slanken romp, een zeer langen hals en een
grooten kop; de snavel is iets langer dan de kop, meer hoog dan
breed, maar dik, in het midden stomphoekig benedenwaarts gebogen; de
bovenkaak is veel kleiner en smaller dan de onderkaak en zoo plat, dat
zij als 't ware het klepdeksel is van den doosvormigen ondersnavel; de
zijranden van beide kaken zijn bezet met uitsteeksels, die aan tanden
herinneren. De bovensnavel is aan den wortel met een tamelijk zachte
huid bekleed, aan de spits echter hard; de ruimte tusschen de beide
helften van den ondersnavel is door een zachte huid gevuld. De snavel
is geheel gevuld met de groote tong, welker achterste helft zeer dik
en van binnen vet is, terwijl de voorste helft naar voren afhelt. De
pooten zijn buitengewoon lang en dun, de drie voorteenen door volslagen
zwemvliezen verbonden, die aan den rand ondiep uitgesneden zijn;
de achterteen is kort en hoog aangehecht, bij één soort zelfs tot
een klein stompje verminderd. De vleugels zijn middelmatig lang;
de uit 12 pennen samengestelde staart is kort; het dichte en vaste
vederenkleed is buitengewoon zacht en prachtig gekleurd.
Deze familie bevat slechts één geslacht met 6 over de Oude Wereld en
Amerika verbreide soorten.
Het grootendeels witte vederenkleed van den Flamingo (Phoenicopterus
roseus), heeft een zeer fraaie en teere rozeroode tint; de
bovendekveeren van den vleugel zijn karmijnrood, de slagpennen
zwart. Het oog is geel, de oogkring karmijnrood, de snavel aan den
wortel rozerood, aan de spits zwart, het onbevederde deel van den
poot karmijnrood. Het mannetje is 120 à 130, het wijfje hoogstens 110
cM. lang. De jongen, die aanvankelijk geheel wit zijn (de hals grijs,
de bovendekveeren van den vleugel gesprenkeld), verkrijgen eerst in
hun derde levensjaar de kleur der volwassenen.
De oeverlanden van de Middellandsche en van de Zwarte Zee zijn de kern
van het verbreidingsgebied van den Flamingo, dat zich zuidwaarts aan
den eenen kant over het noorden van de Roode Zee, aan den anderen
over de Kaapverdische eilanden uitstrekt. Bovendien komt hij vrij
geregeld voor aan de groote meren van Middel-Azië en aan de zeekusten
van Zuid-Azië. Enkele malen zijn exemplaren van deze soort, steeds
jonge Vogels, naar Duitschland afgedwaald. In Nov. 1896 werd er één
te Woensdrecht (bij Bergen-op-Zoom) geschoten.
Strandmeren met zout of brak water zijn hunne meest geliefde
verblijfplaatsen; wanneer zij een enkele maal bij zoetwater
aangetroffen worden, blijven zij er nooit lang. Dikwijls ziet men hen
echter bij de zee, natuurlijk slechts daar, waar de bodem ondiep en
vlak is en zij zich dus op de gewone wijze kunnen bewegen. Zij behooren
tot de zwerfvogels, maar schijnen zoo regelmatig te zwerven, dat men
bij hen misschien wel van trekken kan spreken. Die, welke men aan
de strandmeren van Sardinië aantreft, begeven zich in Maart of in de
eerste dagen van April naar Afrika en komen van daar in het midden van
Augustus terug; waarschijnlijk broeden exemplaren, die zich gedurende
den winter in Italië ophouden, aan de strandmeren van de zuidelijke
oevers der Middellandsche Zee. De meeste daar broedende Flamingo's
blijven er gedurende het geheele jaar en zijn dus standvogels.
Het is een prachtig schouwspel de Flamingo's bij duizendtallen aan de
oevers van de door hen bewoonde strandmeren vereenigd te zien. "Als
men des morgens te Cagliari naar de meren kijkt," zegt Cetti,
"zou men kunnen meenen, dat deze òf door een rooden dam omgeven,
òf met een groot aantal drijvende, roode bladen bedekt zijn. De op
rijen geschaarde Flamingo's brengen door hunne rozeroode vleugels dit
verschijnsel teweeg. Nimmer tooide Aurora zich met schoonere kleuren
dan die, welke de Flamingo-vleugels versieren; de rozengaarden van
Paestus prijkten met geen schitterender gloed. Het is een helder,
vurig rozerood, het rood der pas ontloken rozen. De Grieksche
naam van dezen Vogel is op de kleur der vleugeldekveeren gegrond"
(de bij Aristoteles voorkomende naam "phoinikopteros" beteekent
"purpervleugel"); "de Romeinen namen dezen naam over; de Franschen
werden door dezelfde beweegreden geleid, toen zij onzen Vogel "flamant"
(oorspronkelijk "flammant") noemden".
Den eersten indruk, dien de Flamingo's op mij maakten, zal ik
nooit vergeten. Ik keek naar de duizenden en tienduizenden Vogels,
die zich op en bij het uitgestrekte Mensalehmeer bevonden (zonder
overdrijving zou ik van honderdduizenden kunnen spreken). Mijne oogen
bleven gevestigd op een lange, vurige lijn, die een wonderbaarlijk,
onbeschrijfelijk prachtig effect maakte. De zonnestralen brachten op de
schitterend wit en rozerood gekleurde veeren der op een rij geschaarde
Vogels een heerlijk kleurenspel teweeg. Door de een of andere oorzaak
opgeschrikt, steeg deze zwerm omhoog; de aanvankelijk heerschende bonte
verwarring hield weldra op; de levende rozen voegden zich aaneen tot
een lange, wigvormige vluchtlijn, welke op die der Kranen geleek en
zich als een vurige streep langs den blauwen hemel voortbewoog. Het
was een verrukkelijk schoon schouwspel! Langzamerhand streken de
Vogels neer en stelden zich weder op in hun gewone orde. Door den
verrekijker kon men opmerken, dat de Flamingo's niet werkelijk op
één lijn zijn geschaard, hoewel den zwerm op grooten afstand gezien,
den indruk maakt van een goed geordend leger. De Singalezen noemen
hunne Flamingo's "Engelsche soldatenvogels", bij de Zuid-Amerikanen
heeten zij "Soldaten". A. von Humboldt verhaalt, dat de inwoners
van Angustura kort na de stichting van hun stad in zeer groote
verslagenheid geraakten door een troep Reigers en "Soldatenvogels",
die uit het zuiden kwamen. Zij waanden zich bedreigd door een aanval
van de Indianen en herkregen hun kalmte niet eerder, dan toen de Vogels
zich in de lucht verhieven, om koers te zetten naar de Orinoko-delta.