Nadat de jongen uit den dop gekomen zijn, vermeerderen de zorgen van

de ouders; zij zijn dan nog waakzamer dan vroeger; nooit verwijderen

beide zich te gelijker tijd van het nest. Het eerste voedsel van de

jongen bestaat uit allerlei kleine dieren, Wormen, Bloedzuigers,

larven, Kevers, Sprinkhanen en andere Insecten; later krijgen zij

vasteren kost. Het voedsel, dat de oude Vogel in den krop aanvoert en

voor de jongen uitbraakt, wordt hun niet in den bek gestopt; reeds op

den eersten levensdag moeten zij zich de moeite geven het zelf op te

pikken. De ouders sporen hunne kinderen hiertoe aan door ze bij den

snavel te vatten en dezen naar beneden te drukken. Terwijl de oude

Vogel bezig is de jongen te voederen, slikt hij telkens een deel

van het uitgespuwde voedsel weer in, waarschijnlijk om het nogmaals

te verwarmen. Het noodige water wordt door de oude Vogels met het

voedsel in den krop aangevoerd en te gelijk met dit uitgespuwd. Als

het zeer warm weder is, worden ook de jongen, naar men zegt, met

water bespoten; de ouders gaan tevens aan den zonnigen kant van

het nest staan om hunne jongen schaduw te verschaffen; bij koud en

regenachtig weer daarentegen bedekken zij hen met hun lichaam.--Het

familieleven van de Ooievaars levert steeds een onderhoudend, maar

niet altijd een aangenaam schouwspel op. Het dak, waarop het nest rust,

wordt met hun drek afschuwelijk bevuild; de verrotting van het voedsel

dat buiten het nest gevallen is, veroorzaakt veel stank. Niet zelden

zal, tot ergernis van de vrouw des huizes, de oude Ooievaar eenige

der zooeven gevangen, nog half levende Hazelwormen, Ringslangen of

andere griezelige en gevreesde dieren, die hij medenam om er zijne

jongen mede te voederen, bij het nest verliezen, zoodat zij bij het

dak langs op het erf vallen.--Toch heeft men van het vogelgezin meer

genoegen dan last.--De jongen rusten in de eerste levensdagen op den

geheelen loop, later op de teenen; ervaren ouders behoeden hen dan

tegen het naar beneden vallen door het toevoegen van nieuwe takken en

rijsjes aan het nest. De jongen worden spoedig met hun omgeving bekend;

reeds vroeg toonen zij, dat hunne oogen voortreffelijk zijn, herkennen

op grooten afstand hunne ouders, die met voedsel beladen terugkomen,

begroeten hen aanvankelijk met gebaren, later met snavelgeklepper,

dat hun in 't eerst vrij onbeholpen afgaat. Hun groei duurt minstens

twee volle maanden. Tegen het einde van dit tijdperk beginnen zij

zich in 't gebruik van hunne vleugels te oefenen, gaan op den rand

van 't nest staan, bewegen hunne wieken en wagen het eindelijk van

het nest op den nok van het dak te vliegen. Zoodra zij op hunne

vleugels kunnen vertrouwen, maken zij met hunne ouders uitstapjes,

maar keren aanvankelijk iederen avond naar het nest terug om hier

den nacht door te brengen. Langzamerhand, naarmate de tijd nadert,

waarin ouden en jongen de reis naar de winterkwartieren ondernemen,

vermindert de gehechtheid van de Vogels aan het verblijf hunner jeugd.

Vóór het vertrek vereenigen alle Ooievaarsfamilies uit de

omstreken zich op bepaalde plaatsen, gewoonlijk op weeke, moerassige

weilanden. Aanhoudend neemt het aantal leden van het gezelschap toe en

tevens de duur van hun dagelijksch samenzijn. In den regel is tegen

het einde van Juli de troep voltallig; kort daarna wordt de aanvang

van de reis aangekondigd door een geanimeerd afscheidsgeklepper;

de Ooievaars stijgen omhoog, vliegen nog eenigen tijd in kringen

boven hun geboortegrond en verwijderen zich vervolgens schielijk

in zuidwestelijke richting. Waarschijnlijk vereenigen verscheidene

troepen zich onderweg en vormen zoo de groote zwermen, waarvan het

aantal leden door Naumann op 2000 à 5000 wordt geschat.

De Ooievaar geraakt, wanneer hij uit het nest genomen wordt, spoedig

aan de gevangenschap en aan een bepaalden verzorger gewoon, wordt

zoo tam, dat men hem kan toestaan naar eigen verkiezing af en aan te

vliegen, begroet zijne bekenden met snavelgeklepper en het uitspreiden

der vleugels, toont dankbaarheid voor weldaden en vriendelijke

behandeling, sluit vriendschap met groote huisdieren, maar maakt

zich jegens zwakke dieren aan misbruik van macht schuldig en kan voor

kinderen gevaarlijk worden. Als men een mannetje en een wijfje heeft en

deze eenige vrijheid laat, nestelen en broeden zij op het erf van hun

meester. Wanneer een tamme Ooievaar met een in vrijheid levenden paart

en met dezen naar 't zuiden trekt, keert hij in 't volgende voorjaar

naar 't erf van zijn meester terug en gedraagt zich hier als vroeger.

Het is gebleken, dat de Huismarter soms jonge Ooievaars overvalt

en om 't leven brengt; er is echter geen roofdier bekend, dat voor

de volwassen Vogels gevaarlijk is, tenzij misschien groote soorten

van Katten en Krokodillen, die nu en dan een Ooievaar in zijne

winterkwartieren buit maken. Toch merkt men geen vermeerdering van

het aantal Ooievaars op; zelfs is het in vele gewesten aanmerkelijk

verminderd, hoewel de mensch hen gelukkig nergens zoo sterk vervolgt,

als door enkelen gewenscht wordt.

De Zwarte Ooievaar (Ciconia nigra), die in den nazomer nu en dan in

ons vaderland wordt waargenomen, hoewel hij hier, voor zoover men weet,

niet broedt, is gemiddeld 105 cM. lang en heeft 198 cM. vlucht (lengte

van den vleugel 55, van den staart 24 cM.). De veeren van den kop,

den hals en de geheele bovenzijde zijn bruinzwart, met prachtigen

koper- of goudgroenen en purperen weerschijn; de bovenborst en de

verdere onderdeelen zijn wit, de slagpennen en staartveeren bijna

zonder glans. Het oog is roodachtig bruin, de snavel bloedrood,

de voet hoog karmijnrood.

De Zwarte Ooievaar bewoont Middel- en Zuid-, zeldzamer Noord-Europa,

vele landen van Azië en in den winter Afrika. Hij nestelt in

vele stille wouden van de Noord-Duitsche vlakte, komt in de

Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie vooral in Middel-Hongarije en

Galicië veelvuldig voor, broedt in Skandinavië in kleinen getale

tot 60° N.B., in Rusland en Polen hier en daar, in Denemarken op

geschikte plaatsen overal, niet zelden in de laaglanden bij den Donau

en in Turkije. In Azië strekt zijn broedgebied zich uit over geheel

Toerkistan en Zuid-Siberië, over Mongolië en China.

In tegenstelling met den Gewonen Ooievaar kiest hij steeds wouden,

nooit echter oorden, waar menschen wonen, tot verblijfplaats. Evenals

zijn naaste verwant verkiest hij de vlakte boven het gebergte,

waterrijke streken boven droge; toch vestigt hij zich ook wel in

een droge of bergachtige streek, als hij er in een stil, weinig

door menschen bezocht woud oude boomen met kale takken of dooden

top aantreft. Zulke boomen verschaffen hem een broedplaats en een

nachtverblijf.

De Reuzenooievaars (Mycteria) zijn de grootste leden van hun

familie. Zij hebben een gestrekten romp, een betrekkelijk langen

en tevens slanken hals, een tamelijk grooten kop en een zeer langen

snavel; deze heeft een nagenoeg rechtlijnigen of eenigszins naar boven

gekromden rug; de ondersnavel is daarentegen vrij sterk naar boven

gebogen; soms prijkt de bovensnavel met een zadelvormige washuid,

de ondersnavel met lellen.

Bij den Zadelbekooievaar (Mycteria senegalensis) zijn de veeren van

kop en hals, de bovendekveeren van den vleugel, de schouderveeren en

de staart zwart met metaalglans, de overige veeren, de slagpennen er

onder begrepen, schitterend wit. Het oog is hooggeel, de snavel aan

den wortel rood, verderop zwart, aan de spits bloedrood; de breede,

van achteren door een smallen zoom van zwarte veeren begrensde washuid,

die den snavelwortel als een zadel bedekt, kan in alle richtingen

bewogen worden en heeft, evenals de lellen, een hooggele kleur; de

loop is grijsbruin, de teengewrichten zijn karmijnrood. Het mannetje

is 146. cM. lang.

Alleen hij, die den Zadelbekooievaar levend en in de vrije natuur

heeft leeren kennen, die hem gezien heeft, terwijl hij staat of gaat,

of vliegend boven het donkere woud kringen beschrijft, kan den indruk,

dien deze kolossale Vogel wekt, begrijpen en zijn schoonheid ten volle

beseffen. Buitengewoon fier en recht is zijn houding gedurende het

gaan; zijne lange pooten doen hem dan nog grooter schijnen dan hij

werkelijk is. Het is een lust hem door 't luchtruim te zien zwieren;

de witte slagpennen maken dan nevens de zwarte bovendekveeren van

den vleugel een prachtig effect.

Daar men in de maag van den Zadelbekooievaar Visschen, Amphibiën

en Kevers vond, zal zijn voedsel wel in hoofdzaak gelijk zijn aan

dat van zijn inheemschen verwant. Andere onderzoekers leerden hem

als een Sprinkhanenverdelger kennen. Rüppell's jagers schoten er

een bij het aas; ook Von Heuglin heeft er een buit gemaakt, die

aan Gieren en Maraboes de overblijfselen van een gestorven Kameel

betwistte. Tegenwoordig komen deze Vogels niet bijzonder zelden in

onze diergaarden voor. Men kan ze met vleesch en visch zeer goed in

't leven houden; zij worden weldra even tam als andere Ooievaars,

leeren hun oppasser kennen en van andere menschen onderscheiden,

begroeten hem met geklepper, zoodra zij hem zien komen, gehoorzamen

zijn bevel en laten toe, dat hij hen aanraakt.

De Amerikaansche Reuzenooievaar, in Brazilië Jabiroe genoemd (Mycteria

americana), heeft een wit vederenkleed en een rooden ring om het

onderste gedeelte van den hals; de overige deelen van den hals,

de kop, de naar boven gekromde snavel en de pooten zijn zwart. Hij

houdt zich op aan de meren of moerassen van tropisch Amerika in de

nabijheid van bosschen, rust en nestelt op boomen, legt twee eieren

en kleppert met den snavel gelijk een Ooievaar.

De leelijkste van alle Ooievaars worden Kropooievaars (Leptoptilus)

genoemd, omdat hun slokdarm aan den onderhals een wijden zak vormt,

die wel is waar weinig op een echten krop gelijkt, maar toch

op dezelfde wijze gebruikt wordt. Overigens kenmerken zij zich

door den forschen, bijna plompen romp, den dikken, onbevederden

hals, den naakten of hoogstens met weinige donsveeren begroeiden,

met een afschilferenden huid bekleeden kop, den kolossalen, aan

den wortel zeer dikken, vierzijdigen, van voren in een wigvormige

spits uitloopenden, lichten snavel, de lange pooten, de zeer groote,

afgeronde vleugels en den middelmatig langen staart, de buitengewoon

sterk ontwikkelde onderdekveeren heeft. Deze veeren zijn onder den

naam van "Maraboe-veeren" algemeen bekend, worden als sieraad gedragen

en zijn hiervoor uitnemend geschikt wegens hare fijne, onderling niet

tot een vlag vereenigde baarden.

Bij den in Afrika levenden Maraboe (Leptoptilus crumenifer), is de kop

vleeschkleurig en slechts schaars bedekt met korte, haarvormige veeren,

zoodat men de als 't ware met korsten bedekte huid meestal duidelijk

kan zien; ook de hals is naakt en roodachtig vleeschkleurig. De

mantelveeren zijn donkergroen met metaalachtigen glans, de onderdeelen

en nek wit, de slagpennen en stuurpennen zwart en zonder glans; de

groote bovendekveeren van den vleugel hebben aan de buitenvlag een

witten rand. Het oog is bruin, de snavel vuil witachtig geel, de voet

zwart, maar in den regel wit bepleisterd met drek. Totale lengte 160,

vlucht 300, lengte van den vleugel 73, van den staart 24 cM.

Behalve door zijn grootte, trekt deze Vogel door zijn lachwekkende

deftigheid de aandacht. Hij doet, gelijk Vierthaler zegt, denken aan

een door veeljarigen dienst krom gebogen hoveling, die, uitgedost

in een blauwzwarten rok en witten spanbroek, het door een vuurrooden

pruik gedekt hoofd voortdurend schuw en angstvallig naar zijn strengen

gebieder keert, wiens bevelen hij afwacht. Hij herinnert mij aan

iemand, die voor de eerste maal een rok aanheeft en dit kleedingstuk

op niet zeer gracieuse wijze draagt. De wijze, waarop de Maraboe zich

beweegt, is niet minder vermakelijk dan zijn gestalte en zijn houding;

een onverstoorbare kalmte spreekt uit al zijne gebaren; zijn gang,

iedere stap, dien hij doet, elke wending van den kop is als 't ware

berekend, nauwkeurig afgemeten.

Waarschijnlijk is er geen Vogel, die den Maraboe in vraatzucht

evenaart. In de vrije natuur bestaat zijn voedsel gewoonlijk uit

allerlei Gewervelde Dieren, welker grootte afwisselt tusschen die

van een Rat of van een jongen Krokodil en die van de kleinste soort

van Muizen; hij eet echter ook Schelpdieren, Spinachtigen en Insecten

en houdt veel van aas. Men haalde uit zijn krop geheele runderooren

en runderpooten met hoeven en al, ook beenderen van zulk een grootte,

dat een andere Vogel ze in 't geheel niet zou hebben kunnen verzwelgen;

men heeft hem aarde, waarop bloed gestort was, en met bloed bemorste

vodden zien doorslikken; exemplaren, die vleugellam geschoten waren,

pakten, voordat zij vluchtten, nog in der haast een flinken hap. Met

de Gieren en de Honden ligt de Maraboe voortdurend overhoop. Hij

strijkt geregeld met de Gieren op het aas neer en weet zich op zijn

plaats aan dezen disch te handhaven.

De jacht op Maraboes is moeielijk, wegens hun buitengewone

schuwheid. Zelfs, wanneer men zich naar de slaapplaats van deze

schrandere dieren begeeft, kan men er niet vast op rekenen, hen te

zullen verschalken. Gemakkelijker is het, althans voor den inboorling,

aan wiens verschijning de Maraboes gewoon zijn, hen te vangen. Men

werpt een schapebout, die aan een stevig, lang touw gebonden is,

te midden van het overige afval. De Maraboe, die het lokaas inslokt,

zit als aan een hengel vast en wordt gevangen, voordat hij tijd heeft

gehad om het been uit te werpen.

In onze diergaarden ontbreekt de Maraboe gewoonlijk niet, omdat

hij meer dan eenige andere Vogel van zijn grootte de aandacht

trekt. Men kan hem bij allerlei gevogelte houden, zonder dat men

voor zijne metgezellen behoeft te vreezen, want reeds op den eersten

dag van hun samenzijn zullen allen zijn opperheerschappij erkennen;

grooten en kleinen gaan hem voorzichtig uit den weg en gunnen hem

den voorrang aan den voederbak. Zoodra hij zich verzadigd heeft,

is hij het goedaardigste dier van de wereld; nooit zal hij, zonder

geplaagd te zijn, met een ander dier twisten. Maar ook voor den

Maraboe behoeft men niet bezorgd te zijn, zelfs bij aanwezigheid van

gevaarlijke dieren. Een tam exemplaar, dat op ons erf in Khartoem

rondliep, wist in korten tijd zich door alle overige dieren te doen

eerbiedigen en deed zelfs onze jonge, plaagzieke leeuwin, die uit

pure baldadigheid een aanval op den Vogel had gewaagd, gevoelen, dat

het niet raadzaam was met hem gekheid te maken. Onmiddellijk nadat

de aanval gebeurd was, keerde de Maraboe zich tegen de Leeuwin en gaf

deze met den kolossalen, wigvormigen snavel zulk een gevoelige les, dat

"Bachida" het geraden achtte zoo snel mogelijk te retireeren en bij

een omheining naar boven klauterde om zich in veiligheid te stellen,

toen zij door den dapperen Vogel vervolgd werd.

De Gapers (Anastomus) hebben een dikken, zijdelings samengedrukten, aan

de randen binnenwaarts gebogen snavel, welks fijn getande zijranden

slechts aan den wortel en aan de spits samenkomen, in het midden

echter uiteenwijken.

De Afrikaansche Gaper (Anastomus lamelligerus) is een weinig kleiner

dan de Gewone Ooievaar. Zijn vederenkleed onderscheidt zich van dat

der overige Ooievaars, doordat de schaften van alle veeren aan hals,

buik en schenkels, ongeveer op dezelfde wijze als bij den Pestvogel

en het Sonnerat-hoen, aan de spits in lange hoornplaatjes veranderd

zijn. Deze plaatjes hebben, evenals de schaften, een groenachtigen

en purperkleurigen glans; zij verschaffen aan het vederenkleed,

dat er overigens zwart uitziet, een eigenaardige bekoorlijkheid.

Deze Vogel bewoont het midden en het zuiden van Afrika.

Vóór het aanbreken van den dag, dikwijls reeds in den diksten nevel,

vertoont hij zich in broeklanden en moerassen, bij regenvijvers en

ook aan de zeekust om Slakken en andere Schelpdieren, Visschen en

Kikvorschen te vangen. Slakken maken het hoofdbestanddeel van zijn

voedsel uit; naar het schijnt, behelpt hij zich vaak met Schaaldieren,

Sprinkhanen en Wormen en maakt ook van dierlijken afval gebruik. De

Slakken worden uit het water, de Mossels uit het slijk opgevischt;

hij weet de schelpen behendig te openen en van hun inhoud te berooven.

Aan de Ibissen herinneren de Nimmerzats (Tantalus). Zij hebben een

forsch gebouwden romp, een middelmatig langen hals en een tamelijk

grooten kop; de snavel is lang, afgerond en aan de scherpe zijranden

duidelijk naar binnen gebogen; de hooge en krachtige loop draagt

lange teenen, die door een breed vlies met elkander verbonden zijn;

de spits van de breede en lange vleugels wordt gevormd door de tweede

slagpen; de staart is kort, het kleed uit talrijke, hoewel kleine,

bij enkele soorten zacht en fraai gekleurde veeren samengesteld.

De Nimmerzat (Tantalus ibis) is wit, op den rug met rozerood waas;

de vleugeldekveeren en schouderveeren zijn geteekend met een vóór de

witte spits staande, rozeroode of purperkleurige vlek met smallen,

donkerder zoom; de slag- en stuurpennen zijn glanzig groenzwart, de

dekveeren van de onderzijde van den vleugel gelijken op die van de

bovenzijde, maar zijn nog prachtiger van kleur. Het oog is geelachtig

wit, de snavel wasgeel, de voet lichtrood, het naakte aangezicht

vermiljoenrood. De lengte bedraagt 90 à 104 cM.

Middel-Afrika is het vaderland van den Nimmerzat. Benoorden 18°

Z.B. heeft men hem aan alle wateren van het binnenland, in kleinen

getale ook aan de zeekust gevonden. In Augustus draagt hij zijn

prachtkleed; men mag het er dus voor houden, dat hij in September

broedt.

In de morgen- en avonduren houden deze Vogels zich met de jacht

bezig; naar het schijnt, vangen zij allerlei kleine dieren zonder

uitzondering, dus ook Zoogdieren en jonge Vogels, hoewel Visschen,

Wateramphibiën en Wormen wel het hoofdbestanddeel van hun voedsel

zullen uitmaken. Des middags ziet men ze gewoonlijk in talrijke scharen

op zandige eilanden in den stroom of in ondiep water staan, of ook wel

op boomen uitrusten. Door hun wijze van gaan en vliegen gelijken zij

zoozeer op onze Ooievaars, dat er eigenlijk geen belangrijk verschil

tusschen beider beweging valt op te merken.

In den laatsten tijd heeft men vaak jonge Nimmerzats uit West-Afrika

levend naar Europa overgebracht. Het is niet moeielijk hen hier in 't

leven te houden, daar zij tevreden zijn met soortgelijk voedsel als de

Ooievaars. Ons klimaat bevalt hun echter niet en vorst kunnen zij niet

verdragen. Hoewel hunne gewoonten aan die der Ooievaars herinneren,

steken zij bij deze gunstig af door hun zachtmoediger aard en hun

buitengewone verdraagzaamheid. Volgens Bodinus onderscheiden deze

Vogels zich door de eigenaardigheid, dat zij den geopenden snavel in

't water steken, alsof zij er op rekenen, dat de Visschen uit vrije

verkiezing hun in den bek zullen zwemmen. Deze waan zou slecht passen

bij den naam "Nimmerzat", dien zij trouwens niet verdienen, daar zij

volstrekt niet vraatzuchtiger zijn dan hunne verwanten.

De familie der Hamerkopvogels (Scopidae), die zich door den

vorm van den snavel en de zeer eigenaardige wijze van nestelen

onderscheidt, heeft tot eenigen vertegenwoordiger den Ombervogel

(Scopus umbretta). De romp is gedrongen en bijna rolvormig, de hals

kort en dik, de kop betrekkelijk groot, de snavel hoog, langer dan

de kop, zijdelings zeer sterk samengedrukt, recht, met naar beneden

gebogen spits; de voet is middelmatig lang, het vlies, dat de teenen

verbindt, diep uitgesneden. De vleugels zijn breed en sterk afgerond,

hun spits wordt door de derde slagpen gevormd; de middelmatig

lange staart bestaat uit 12 pennen. De kleine veeren zijn dicht

en lang; de achterkop prijkt met een groote, dichte kuif. De kleur

van het vederenkleed is bijna effen omberbruin, op de onderdeelen,

als naar gewoonte, iets lichter; de slagpennen zijn donkerder dan

de rug en glanzig; de stuurpennen hebben aan 't einde een breeden,

purperbruinen band en verscheidene onregelmatige, smalle banden aan

het wortelgedeelte. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet

zwartbruin of zwart. Totale lengte 56, staartlengte 16 cM.

Deze Vogel werd in nagenoeg alle gewesten van het Ethiopische gebied

met inbegrip van Madagaskar en het zuiden van Arabië aangetroffen; hij

schijnt echter nergens talrijk te zijn. Hij houdt zich bij voorkeur

in het lage land op, maar begeeft zich in de gebergten van Abessinië

tot een hoogte van 3000 M. Zittend trekt hij den hals zeer sterk

in en legt de kuif meestal zeer dicht tegen den rug aan, zoodat de

kop onmiddellijk op de schouders schijnt te rusten. Zonder de kuif

en de dunne steltpooten zou men hem bijna voor een Raafvogel kunnen

houden. Nog meer gelijkt hij op sommige Ibissen. In den regel ziet men

hem bij beken in 't woud, of althans aan de oevers van een stroom op

plaatsen waar het woud zich zoo ver uitstrekt. Visschen vormen een

hoofdbestanddeel van zijn maal; hij eet echter ook Schelpdieren,

Amphibiën (vooral Kikvorschen), kleine Slangen, Schaaldieren,

Wormen en larven van Insecten. Het bedrijvigst is hij in de morgen-

en avondschemering; over dag zit hij, blijkbaar slapend, bewegingloos

op een plaats of houdt zich in de donkerste gedeelten van het woud op.

Het kolossaal groote, kunstig van rijsjes en leem samengestelde nest,

dat aan een der zijden met een ronde toegangsopening voorzien is,

rust meestal op een der onderste stam- of takgaffels van een mimosa,

niet zeer hoog boven den grond; het wordt echter ook wel op een

boomtak of op hooge struiken gebouwd. Buitenwerks heeft het 1 1/2 à 2

M. middellijn; ongeveer even hoog is het koepelvormige dak. Het bevat

drie vertrekken, vaneengescheiden door volslagen tusschenschotten

met een opening er in; van de stoep vóór den ingang komt men in een

portaal, van hier in een proviandkamer, waarachter zich de slaapkamer

bevindt. De wanden van deze kamers zijn van binnen even netjes als

van buiten; alle openingen zijn zoo groot, dat de Vogel er juist door

kan. Daar het achterste en ruimste vertrek hooger gelegen is dan de

beide andere, kan het regenwater, dat er bij geval in doordringt,

wegvloeien; het geheele gebouw is echter zoo goed bewerkt, dat het

zelfs door hevige regenbuien niet beschadigd wordt; mocht dit een

enkele maal gebeuren, zoo wordt het gebrek spoedig en degelijk door

de bewoners hersteld. In de slaapkamer liggen op een zacht kussen van

plantendeelen 3 à 5 witte eieren, die door het mannetje en het wijfje

om beurten bebroed worden. Het middelste vertrek dient als bergplaats

voor den jachtbuit; voortdurend vindt men hier als een bewijs van

meer dan voldoenden voorraad, verdroogde of verrotte dieren. In de

voorkamer, die de kleinste is, houdt zich een schildwacht op, die

steeds op den uitkijk staat, en, zoodra hij onraad bespeurt, door

zijn heesch geschreeuw de andere bewoners van het huis waarschuwt en

tot vluchten aanspoort.

De laatste familie van de Stapvogels is die der Ibisvogels (Ibidae),

waarvan men omstreeks 30 soorten kent, die over de geheele aarde

verbreid voorkomen. Zij zijn middelmatig groot en bevallig gebouwd; hun

snavel is tamelijk zacht, slechts aan de spits hard en kan tweeërlei

vorm vertoonen; een groeve strekt zich bij beide van het neusgat tot

aan de spits uit. De voeten zijn middelmatig hoog, de voorteenen

door een kort spanvlies verbonden. De vleugel is tamelijk spits,

de staart recht afgeknot, het vederenkleed goed ontwikkeld. Deze

Vogels hebben een opmerkelijk korte, breede tong. Zij worden over

twee onderfamiliën verdeeld.

De Ibisachtigen (Ibidinae), die de eerste onderfamilie vormen, zijn

betrekkelijk kleine, maar krachtig gebouwde Vogels met middelmatig

langen hals, kleinen kop en slanken, langen, sikkelvormig naar beneden

gekromden snavel. Eenige soorten vallen in 't oog door de naaktheid

van 't aangezicht en van den hals, door de eigenaardige bekleeding

van deze lichaamsdeelen, door de grootere lengte van de veeren aan

de achterzijde van den hals enz. De mannetjes en de wijfjes vertoonen

een gering, de jongen en de ouden een aanmerkelijk kleursverschil.

De Ibisachtigen bewonen hoofdzakelijk den warmen gordel van alle

werelddeelen: enkele soorten worden in zeer verschillende landen

aangetroffen, andere hebben een meer beperkt verbreidingsgebied. Die,

welke in 't noorden leven, behooren tot de trekvogels; de overige

zwerven. Zij houden zich op in moerassen, broeklanden en wouden,

slapen 's nachts, verlaten tegen zonsopgang hunne slaapplaatsen om

voedsel te zoeken, zijn over dag werkzaam, rusten in de middaguren,

zoeken 's namiddags opnieuw voedsel en begeven zich 's avonds naar de

boomen, waarin zij gemeenschappelijk slapen; zij trekken niet anders

dan over dag, niet eens bij heldere maneschijn 's nachts. Hun stem

is onwelluidend, heeft altijd een doffen en heeschen of krijschenden,

klagenden en schellen klank; bij enkele soorten is zij zeer zonderling,

bij geen enkel lid der familie werkelijk aangenaam. Zij, die zich

bij voorkeur aan riviermonden of aan het zeestrand ophouden, eten

hoofdzakelijk Visschen, Schaaldieren en Weekdieren, zij, die het liefst

in moerassen leven, Visschen, allerlei soorten van Amphibiën en andere

kleine waterdieren. Hun nest bouwen zij steeds in een boomkruin of

in het struikgewas, tenzij een hier nestelende Vogel hen van deze

moeite ontheft; hier broeden zij op 3 à 6 effenkleurige eieren. De

jongen hebben minstens 2 jaar noodig voor hun ontwikkeling. De jager

laat hen meestal met vrede, hoewel hun welsmakend vleesch hem een

vergoeding zou schenken voor zijn moeite. Des te ijveriger is men er

op bedacht hen te temmen, daar zij niet slechts aan den mensch gewend

geraken, maar dezen ook door hun verstand en hun beminnelijken aard

veel genoegen verschaffen.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 19 / 31 段