Deze reus onder de moerasvogels leeft eenzaam, paarsgewijs en in

verspreide gezelschappen, zoo ver mogelijk verwijderd van alle door

menschen bewoonde oorden, in de ontzaglijk uitgestrekte, meestal

ontoegankelijke moerassen van den Witten Nijl en van eenige zijner

bijrivieren, vooral in het land van de Kitsj- en Noeër-negers, tusschen

5 en 8° N. B. Gewoonlijk ziet men hem hier visschen in poelen, die

met een dicht bosch van riet en papyruszeggen omringd zijn, soms ook

bewegingloos (en niet zelden op één poot) staan op een Termietenheuvel,

die zich boven een der droge plekken van het moeras verheft; hier heeft

hij post gevat om uit te kijken of om zijn spijs te verteren. Schuw

en voorzichtig vlucht hij bij de nadering van een mensch, wanneer

deze nog veraf is; onder luid gedruisch vliegt hij dan laag en log

over het riet, dat hem weldra aan het oog van den toeschouwer onttrekt.

Door zijn wijze van gaan en vliegen gelijkt de Schoenbek op den

Maraboe: hij houdt den romp echter meer horizontaal en laat den

zwaren kop op den krop rusten. Bij 't vliegen trekt hij den hals in,

zooals de Reigers doen. Het eenige geluid, dat hij maakt, is een luid

geklepper met den snavel, overeenkomende met dat van den Ooievaar.

Over een Schoenbek, dien W. Junker gedurende zijne reizen in Afrika

gevangen hield, wordt het volgende bericht: "Hij verschafte ons

aan boord van ons vaartuig en later in het station Djoer Ghattas

veel vermaak. Dagelijks liet ik in mijn grooten badkuip Visschen

zwemmen; grappig was het, te zien hoe de groote Vogel dikwijls

langen tijd achtereen roerloos in de nabijheid van het water stond,

daarna plotseling den kolossalen snavel er in stak, bliksemsnel een

Visch van bijna een voet lengte greep en dezen zonder eenig merkbaar

bezwaar doorslikte. Hij was ongeloofelijk bedaard en phlegmatisch van

aard, toonde aanvankelijk eenigen schroom, maar liet spoedig toe,

dat iemand bij hem ging staan. Vermakelijk was de invloed, die hij

oefende op de beide kleine Chimpanzees, die voor mijn tochtgenoot

Gessi aangekomen waren; zij lieten een grenzenlooze vrees voor onzen

Schoenbek blijken. Dit kwam ons zeer gelegen, want de beide Apen

gedroegen zich als stoute kinderen; met hun tandenknarsen, bijten en

schreeuwen tyranniseerden zij ons letterlijk gedurende onze maaltijden

en dwongen ons dikwijls op te staan en weg te loopen, waarna zij zelf

op de gevulde schotels aanvielen. De bedaarde en koelbloedige reus

kon echter weldra tot ons groot vermaak als oppasser dienst doen en

ons verlossen van den last, dien wij van onze indringerige vriendjes

hadden. Sedert dien tijd noemde Gessi hem altijd "den diender". Zoodra

in 't vervolg de Chimpanzees zich bij ons aan tafel onbehoorlijk

gedroegen, jankend met de voeten op den grond stampten en op

onbeschofte wijze om eten bedelden, werd er eenvoudig om "den diender"

geroepen. Dadelijk dreef dan een van de gedienstige negerjongens

onze lieve beschermengel naderbij; roerloos als een beeld bleef deze

staan en hoewel hij niet de minste notitie van de Chimpanzees nam,

poetsten deze tot aller blijdschap met teekenen van groote angst,

herhaaldelijk omkijkend, zoo schielijk mogelijk de plaat."

De Ooievaars (Ciconiidae) zijn betrekkelijk plomp gebouwde Stapvogels

met dikken snavel, en lange pooten, maar korte teenen. Hun snavel is

lang, recht, langwerpig kegel- en wigvormig, bij sommige een weinig

bovenwaarts gebogen, bij andere in het midden uiteenwijkend, aan de

spits zijdelings samengedrukt. De pooten zijn zeer lang en forsch,

tot ver boven het spronggewricht onbevederd; tusschen de met dikke,

bolle nagels gewapende voorteenen komen kleine spanvliezen voor. De

vleugels zijn groot, lang en breed; de korte, afgeronde staart bestaat

uit 12 pennen; de kleine veeren aan den kop en den hals zijn smal

en langwerpig of kort en afgerond, bij enkele soorten schaars en

wollig of zelfs haarachtig, bij andere eindelijk door hoornachtige,

lansvormige spitsen gekenmerkt. Het mannetje en het wijfje verschillen

in grootte; de jongen hebben doffere kleuren dan de volwassen Vogels.

In alle werelddeelen en in nagenoeg alle aardgordels komen Ooievaars

voor. De verblijfplaatsen van de 20 bekende soorten zijn ongelijk;

over het algemeen kan men echter zeggen, dat zij aan boschrijke,

vlakke, waterrijke gewesten de voorkeur geven boven hoogere en

drogere oorden en daarom in bergstreken, steppen en woestijnen niet

gevonden worden. De in 't noorden broedende soorten zijn trekvogels

en doorreizen meestal een verbazend groot gebied, de bewoners van

't zuiden zwerven. Zij zijn uitsluitend over dag werkzaam, hebben

een opgerichte houding met rechtstandigen of slechts zwak S-vormig

gekromden hals, gaan stappend met een zekere waardigheid, waden

gaarne in het water rond, zwemmen echter slechts bij uitzondering,

vliegen zeer fraai, licht en meestal hoog, laten zich niet zelden op

hunne wieken drijven, beschrijven dikwijls prachtige schreeflijnen,

steken onder 't vliegen den hals en de pooten recht uit en zijn

hieraan op een afstand kenbaar. Men hoort van hen geen ander geluid

dan een heesch gesis; zij vergoeden echter het gemis van stem door

een luid geklepper met den snavel, en geven hierdoor lucht aan

verschillende gemoedsaandoeningen. Zij gedragen zich op ernstige

en waardige wijze en toonen ook een groote mate van schranderheid

bij het beoordeelen van verschillende toestanden. Verscheidene

soorten hebben zich vrijwillig onder de bescherming van den mensch

geplaatst en zijn halve huisdieren geworden; zij hebben zich echter

niet in slavernij begeven, maar behouden in alle omstandigheden

hun onafhankelijkheid. Met hunne soortgenooten leven zij gezellig

en met de groote moeras- en watervogels in goede verstandhouding,

hoewel niet in vriendschap. Kleinere dieren hebben veel van hen te

lijden, want zij zijn roovers van beroep en maken niet slechts jacht

op Amphibiën, Visschen, Insecten en Wormen, maar in 't algemeen op

alle zwakkere dieren. Behalve van een door hen zelf gedooden buit,

maken zij ook gebruik van aas en zijn hierop niet minder belust dan

Hyenas en Gieren. Ondanks hun roofzucht, doen zij ons zelden overlast

aan; in den regel zijn zij voor ons eer nuttig dan schadelijk. Op

hooge boomen en gebouwen bevinden zich hunne uit doode takken en

rijsjes samengestelde, van binnen met zachtere stoffen gevoerde

nesten. Deze bevatten een klein aantal groote, ongevlekte eieren,

die uitsluitend door het wijfje uitgebroed worden, maar waaraan ook

het mannetje zeer gehecht is. Zoolang het wijfje broedt, brengt het

mannetje haar het noodige voedsel; bovendien bemoeit hij zich later

met het grootbrengen der jongen. Alle soorten kunnen getemd worden;

men kan ze gemakkelijk met voedsel voorzien en op deze wijze aan

den mensch, of liever aan diens woning, zoozeer gewennen, dat zij

niet slechts onbeschroomd af en aan vliegen, maar ook den winter hier

doorbrengen, of, indien de lust tot reizen hen te machtig is geworden,

in de volgende lente op hun vroegere standplaats terugkeeren. Zij

wekken onze belangstelling door hun schranderheid, door hun ernstige

en waardige houding en door hun gehechtheid aan den persoon, die hen

verzorgt; bovendien maken zij zich verdienstelijk door het verdelgen

van allerlei ongedierte. Daar zij veel voedsel noodig hebben, behooren

zij echter niet tot de goedkoopste kostgangers.

De eereplaats in deze familie komt toe aan den Ooievaar (Ciconia

alba); in het graafschap Zutphen heet hij Stork, in de Betuwe Uiver,

in de lage Veluwe, in Overijsel en een deel van Drente Eillèver, in

Groningen Eiber, in 't Friesch Earrebarre en Eibert, in het Oud-Friesch

Adebar. Zijne veeren zijn vuilwit, met uitzondering van de slagpennen

en de langste dekveeren, die een zwarte kleur hebben; het oog is

bruin, de snavel lakrood, de voet bloedrood, de kale plek om het oog

grauwzwart. Het mannetje is 110 cM. lang, het wijfje iets kleiner.

Met uitzondering van het hooge noorden, bezoekt de Ooievaar alle deelen

van Europa, hoewel hij niet overal broedt. Zoo komt hij tegenwoordig

in Engeland, waar hij vroeger veelvuldig geweest moet zijn, slechts

zelden voor. Ook in Griekenland wordt hij niet meer gevonden: de

bewoners van Morea hebben dezen in Turkije voor heilig gehouden Vogel

geheel verdreven. In Spanje is de Ooievaar in vele voor hem volkomen

geschikte oorden een zeldzame verschijning. Bovendien ontmoet men

hem in Zuid-Rusland, in de gewesten om de Kaspische en de Zwarte Zee,

in Syrië, Palestina, Perzië, het stroomgebied van den Oxus en Japan,

voorts aan den oostkant van de Oude Wereld in het Atlas-gebied en

op de Kanarische Eilanden; volgens Layard nestelt hij "ongetwijfeld"

ook in Zuid-Afrika. Op zijn winterreis trekt hij door geheel Afrika

en Indië. In Nederland houdt hij zich op van de eerste helft van

Maart tot in het laatst van Augustus. De datum van aankomst wisselt

af van 25 Februari tot 27 Maart en is dus gemiddeld 14 Maart. Enkele

voorloopers en achteraankomers zijn hierbij buiten rekening gelaten

(sommige komen reeds 20 Februari, andere eerst op 25 April). Evenzoo

varieert de tijd van vertrek van 6 Aug. tot 15 Sept. en is dus

gemiddeld 24 Augustus (sommige vertrekken reeds 1 Augustus, andere

eerst 29 Sept.). In Middel- en Noord-Duitschland wisselt de tijd

van aankomst van den Ooievaar af van den laatsten Februari tot den

eersten April. (Enkele komen reeds in het midden van Februari, andere

eerst in de tweede helft van April.) In het binnenland van Afrika

verschijnt hij weinige dagen na zijn vertrek van hier. Hij geeft de

voorkeur aan lage, vlakke, waterrijke gewesten, vooral aan poelen

en moerassen; hij vestigt zich echter het liefst in landstreken,

waar de mensch den bodem ontgonnen heeft. Wel is waar kiezen vele

Ooievaars verblijfplaatsen, die ver van menschelijke woningen in

de wouden gelegen zijn en bouwen hun groot nest op een dikken boom;

de meeste nestelen echter op boerenerven of althans op daken.

Als men zoo gelukkig is de aankomst van den geliefden dakgast te

kunnen waarnemen, zal men het paar, dat het vorige jaar hier nestelde,

plotseling van een onafzienbare hoogte langs een spiraalvormigen weg op

den nok van het dak zien neerdalen; van het eerste oogenblik af schijnt

het zich op deze plek zoo goed thuis te gevoelen, alsof het in 't

geheel niet op reis is geweest. Onmiddellijk na zijn terugkomst hervat

de Ooievaar zijne gewone werkzaamheden. Het nest dient hem werkelijk

tot woning; van hier vliegt hij naar akkers en weiden, naar poelen en

moerassen om te jagen, keert in de middaguren gewoonlijk terug, doet

's namiddags een tweede uitstapje, komt voor zonsondergang weer thuis,

kleppert een poos en gaat daarna slapen. Zoo besteedt hij zijne dagen,

totdat de voortplantingstijd aanvangt en de zorg voor het broedsel

een zekere afwijking van de gewone levenswijze teweegbrengt.

De Ooievaar heeft iets deftigs in zijne bewegingen. Met omhooggericht

lichaam stapt hij langzaam en afgemeten voort. Om op te vliegen

doet hij eenige weinige sprongen en klieft vervolgens betrekkelijk

langzaam de lucht; hij doet dit echter op sierlijke wijze en zonder

merkbare inspanning; onder het vliegen beschrijft hij fraai gebogen

lijnen, stijgt volgens een prachtige spiraallijn omhoog of daalt op

gelijke wijze naar beneden. Staande, buigt hij gewoonlijk den hals

een weinig naar achteren en richt de punt van den snavel naar den

grond; nooit is zijn houding zoo onbehaaglijk als die van de meeste

Reigers; zelfs in volle rust heeft hij een deftig voorkomen. Zelden

vervangt hij zijn stappenden gang door een snellere beweging; deze

zou hem te zeer vermoeien; op de gewone wijze voortschrijdend, kan

hij uren lang op de been blijven. Het vliegen vermoeit hem niet;

hij beweegt de vleugels zelden en ook niet vaak achtereen, maar

trekt op zeer geschikte wijze partij van iedere luchtstrooming;

op zijne wieken drijvend, rijst en daalt hij naar verkiezing; zijne

stuurorganen werken zoo uitstekend, dat iedere wending hem gelukt. Zijn

verstand is meer dan gewoon ontwikkeld. "Hij weet zich," zegt Naumann,

"naar den tijd en naar de menschen te schikken en overtreft in dit

opzicht bijna iederen anderen Vogel; hij weet uit te vorschen of

de menschen in zijn omgeving hem genegen zijn. De schuchtere en

voorzichtige Ooievaar, die weinige dagen geleden uit een vreemde

landstreek is overgekomen, aanvankelijk de menschen ontweek en iedereen

wantrouwde, legt onmiddellijk alle vrees ter zijde na het ontvangen

van de uitnoodiging, welke opgesloten ligt in het plaatsen van een

wagenrad, dat als grondslag voor zijn toekomstig nest kan dienen,

op een hoog dak, een boomstam of een staak. Weinige dagen na het

aanvaarden van het voor hem bestemde bouwterrein is hij reeds zoo

gemeenzaam geworden, dat hij zich van nabij laat bespieden zonder

eenige vrees te toonen. Spoedig leert hij zijn gastvriend kennen en van

andere menschen onderscheiden; zeer goed weet hij, welke personen hem

genegen zijn en welke hij niet moet vertrouwen." Ver van het nest is

de Ooievaar even schuw als al zijne verwanten. Hoewel hij de boeren,

de herders en de kinderen als onschadelijke wezens heeft leeren

kennen, vermijdt hij iedere toenadering en komt niet licht binnen

het bereik van het wapen van den jager, die hem dooden wil. Nog

veel voorzichtiger en schuwer gedraagt hij zich op den trek of in

't algemeen nadat hij zich vereenigd heeft met andere Vogels van

zijn soort. In Afrika wijkt hij voor landgenooten, voor Europeanen,

steeds op grooteren afstand uit dan voor inboorlingen.

Dikwijls hoort men den Ooievaar onschadelijk en goedaardig noemen,

toch bezit hij deze eigenschappen in geenen deele. "Zijn voedingwijze

maakt," zegt Naumann, "dat het moorden voor hem een zeer gewoon

bedrijf is; somtijds ontziet hij zelfs zijne soortgenooten niet. Er

zijn voorbeelden van bekend, dat van elders komende Ooievaars

een nest bestormden, op de jongen aanvielen en ze in weerwil

van den wanhopigen tegenstand der ouders om 't leven brachten;

op verscheidene plaatsen in hetzelfde gewest gedroegen zij zich op

deze wijze." Soms heeft men opgemerkt, dat getemde exemplaren, die

geplaagd werden, hun tegenstander te lijf gingen. De aangeschoten

Ooievaar verweert zich dapper; de snavelstooten, waarmede hij tot

aan zijn laatsten ademtocht zijne vijanden tracht te treffen, kunnen,

daar zij gewoonlijk op de oogen gericht zijn, licht gevaarlijk worden

voor menschen of Jachthonden.

Het eenige stemgeluid, dat de Ooievaar voortbrengen kan, is een

heesch gesis, dat niet nader beschreven kan worden. Het wordt zelden

gehoord, het meest nog van getemde exemplaren, die een buitengewone

blijdschap aan den dag willen leggen. Gewoonlijk geeft de Ooievaar

uiting aan zijn gevoel door snavelgeklepper; hij bespeelt dit

zonderlinge muziekinstrument op werkelijk doeltreffende wijze, nu

eens langer, dan weer korter, soms sneller, soms langzamer, sterker

of zwakker; hij kleppert van blijdschap en van verdriet, als hij

hongerig is en nadat hij zich verzadigd heeft; met geklepper doet

hij een liefdesverklaring aan zijn wijfje en klepperend liefkoost

hij zijne jongen. Deze leeren de merkwaardige, maar volstrekt niet

arme taal van hunne ouders nog eerder dan het vliegen en geven,

zoodra zij klepperen kunnen, hierdoor hunne aandoeningen te kennen;

vóór dien tijd hoorde men van hen jankende of tsjilpende geluiden.

Het voedsel van den Ooievaar bestaat uit dieren van allerlei

soort. Hij is een roofvogel in de uitgestrektste beteekenis van het

woord. Waarschijnlijk alleen omdat hij Amphibiën, Muizen, Insecten en

Regenwormen het gemakkelijkst kan vangen en op zijne gewone wandelingen

het meest ontmoet, geeft hij aan deze dieren de voorkeur; hij doodt

echter ook Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en zelfs vergiftige

Slangen. Hij eet even graag Visschen als Kikvorschen, maakt nu en dan

in troebel water ijverig jacht op hen en verzwelgt soms exemplaren,

die zoo lang zijn als een manshand. Als hij zeer hongerig is,

worden kleine Slangen zonder eenige voorbereiding doorgeslikt; nog

lang bewegen zij zich in zijn hals en sluipen soms weer naar buiten,

wanneer hij zich schielijk bukt om een nieuwe prooi te grijpen. Dit

maakt, dat zijn jacht een zeer vermakelijk schouwspel oplevert,

als hij op den grond verscheidene Slangen voor zich heeft. Ook de

vergiftige Adders zijn voor hem een lekkernij; hij pikt ze echter vóór

het doorslikken herhaaldelijk in den kop en doet dit zoo krachtig,

dat haar de lust tot bijten vergaat. Wanneer hij een enkele maal te

vlug en onvoorzichtig te werk gaat en door een Adder gebeten wordt, is

hij eenige dagen lang zeer ziek, maar herstelt weder geheel en al. Hij

rooft de eieren van alle op den grond nestelende Vogels; de jongen,

ook die van Patrijzen, doodt hij zonder genade; zelfs brengt hij soms

het geheele vogelnest met wat er in zit, aan zijn kroost. Op weiden en

akkers loert hij voor Muizengaten, spietst de Mollen aan zijn snavel,

zoodra zij uit den grond opduiken, pakt de jonge Hazen uit het leger

op, hoe dapper de moeder zich ook te weer stelt. Op bloemenrijke

weiden houdt hij zich ijverig met de vangst van Insecten bezig,

grijpt niet slechts die, welke zitten en kruipen, maar tracht ook de

vliegende exemplaren in de vlucht op te happen. Van Padden heeft hij

een afschuw; uit haat pikt hij ze dood, maar laat ze vervolgens liggen.

Daar de Ooievaar, zooals uit het zooeven gezegde blijkt, schade doet

aan de jacht en ook, naar men beweert, Bijen vangt, rekenen de jagers

en de bijenhouders hem tot de schadelijke Vogels en verlangen, dat

hij uitgeroeid zal worden. Enkele natuuronderzoekers plaatsen zich

aan hun zijde, berekenen het aantal door hem gedoode Kikvorschen en

verdedigen de stelling, dat hij de akkers en weiden uitmoordt. Het is

niet moeielijk de overdrijving aan te toonen, die in deze beweringen

schuilt. Zelfs wanneer men in haar vollen omvang de schadelijkheid van

den Ooievaar voor de jacht erkent, zal men zich nog wel even moeten

bedenken, voordat men over hem een veroordeelend vonnis velt. Hij roeit

de Hazen, Patrijzen, Zangvogels, Kikvorschen en Visschen niet uit,

vermindert hun aantal niet eens op noemenswaardige wijze; bovendien

doet hij geen nadeel aan den landbouw en de houtteelt, waarop toch wel

in de allereerste plaats gelet dient te worden. Opmerkzame landbouwers

hebben bevonden, dat in jaren, waarin de Ooievaars zeldzaam zijn, het

aantal Muizen op bedenkelijke wijze toeneemt en ook andere soorten van

ongedierte, vooral Adders, veelvuldiger voorkomen dan gewoonlijk. Dat

althans de eerstgenoemde meening gegrond is, zal ieder waarschijnlijk

achten, die uit het onderzoek van de uitgebraakte haarballen, het

waarlijk onberekenbaar groot aantal Muizen tracht af te leiden,

welke door den Ooievaar verdelgd worden. Zoowel de landbouwers als

de houttelers hebben dus gelijk, wanneer zij hem als een nuttigen

Vogel beschouwen en, met het oog op de door hem bewezen diensten,

de onloochenbare overtredingen, waaraan hij zich schuldig maakt,

over het hoofd zien.

Hetzelfde nest wordt telkens weer als broedplaats gebruikt:

er zijn nesten, die sedert meer dan een eeuw ieder jaar bewoond

worden. In den regel komt het mannetje een paar dagen vroeger terug

dan het wijfje. Wanneer slechts één van beide terugkeert, hetgeen

soms geschiedt, duurt het soms langen tijd, voordat zich bij den

overgebleven Vogel een nieuwe echtgenoot voegt; in den regel hebben

er dan hevige gevechten plaats om het nest, daar het de begeerlijkheid

opwekt van een ander paar, waarschijnlijk jonge Vogels, die gezamenlijk

de weduwe of den weduwnaar overvallen en hem of haar trachten te

verdrijven of te dooden, hetwelk hun dikwijls gelukt. In een dergelijk

geval ziet de mensch zich soms genoopt tusschenbeide te komen om den

vrede te herstellen. Uit tal van waarnemingen valt af te leiden, dat

de verbintenis van een paar Ooievaars voor het geheele leven gesloten

wordt en dat de beide echtgenooten elkander trouw blijven. Als het paar

geen stoornis ondervindt, begint het kort na zijn terugkomst in het

vaderland zijn nest te herstellen door nieuwe takken en rijsjes aan

te voeren en deze boven de oude, min of meer verrotte op te stapelen

en door de nestholte met een nieuwe bekleeding te voorzien. Hierdoor

worden de hoogte en zwaarte van het nest van jaar tot jaar grooter;

dit kan zoo ver gaan, dat de boom of de staak, waarop het nest

rust, het niet meer kan dragen en de hulp van den mensch nogmaals

vereischt wordt. Op de stevigheid van de woning valt trouwens niet te

roemen. Duimdikke takken en stokken, twijgen, doornen, aardkluiten en

kleine graszoden vormen er den grondslag van; de tweede laag bestaat

uit fijnere rijsjes, halmen en bladen van riet; droge bosjes gras,

mest, strootjes, lompen, stukken papier, veeren begrenzen de eigenlijke

nestholte. Alle bouwstoffen worden door beide echtgenooten in den

snavel aangevoerd; gewoonlijk houdt het wijfje zich meer bepaaldelijk

met het bouwen bezig. Beide werken zoo ijverig, dat een nieuw nest

binnen acht dagen voltooid is; het herstellen van een oud nest is

reeds in twee of drie dagen afgeloopen. Gedurende dezen tijd houdt

in den regel de eene Vogel de wacht bij het nest, terwijl de andere

uitvliegt om bouwstoffen te halen. Natuurlijk wordt intusschen op de

meest afwisselende wijze, men zou bijna kunnen zeggen, op allerlei

toonschalen en in verschillende tempo's, geklepperd uit blijdschap over

den voorspoedig volbrachten arbeid. Tegen het midden of het einde van

April legt het wijfje het eerste ei, dat binnen weinige dagen door 3

of 4 andere gevolgd wordt. Het is zuiver eivormig en heeft een fijne,

gladde, witte, soms eenigszins groenachtige of geelachtige schaal. Het

broeden duurt 28 à 31 dagen. Het mannetje en het wijfje broeden om

beurten, het wijfje echter gedurende het grootste deel van den tijd;

het mannetje draagt intusschen zorg voor de veiligheid van zijn gezin.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 18 / 31 段