Vogel voor den Ibis, die, naar zij ten onrechte meenen, in het land
der Pharaonen nog sterk vertegenwoordigd is. Van hier strekt zich
zijn woongebied over geheel Afrika uit, ook over Madagaskar en het
westen van Azië, Europa, vooral het zuiden, werd herhaaldelijk door
hem bezocht, een enkele maal zelfs is hij naar Engeland afgedwaald. In
Egypte en andere Nijllanden behoort hij tot de algemeenste Vogels. In
tegenstelling met zijne tot dusver genoemde verwanten, houdt hij
zich onbeschroomd in de onmiddellijke nabijheid van de dorpen op,
ook wanneer zij niet aan den waterkant gelegen zijn. Gewoonlijk houdt
hij verblijf op de akkers, die onder water worden gezet en verzamelt
slechts tijdelijk zijn voedsel aan de oevers van den stroom, van de
kanalen en meren. Met bijzondere voorliefde zoekt hij het gezelschap
van groote dieren; in Egypte vindt men hem op of bij grazende Buffels,
in Soedan tusschen en op de Olifanten. De Insecten, die het vee
kwellen, vormen dan een hoofddeel van zijn maal. Het vee geraakt
spoedig gewoon aan de werkzaamheden van den Koereiger en beschouwt
hem als een weldoener, waaraan het, evenals aan den Ossenpikker,
allerlei vrijheden veroorlooft. Een Buffel draagt dikwijls 8 of 10 van
deze schitterend witte Vogels op den rug en wordt er niet weinig door
opgesierd. De Koereiger verkeert op zeer goeden voet met de menschen in
zijn vaderland; daar zij hem nooit overlast aandoen, beweegt hij zich
onbeschroomd als een huisdier tusschen de op het veld werkende boeren.
De gevangen Koereiger is reeds op den eersten dag aan het verlies
van zijn vrijheid gewoon en gedraagt zich, alsof hij in de kamer is
grootgebracht; hij vangt Vliegen en andere Insecten, maakt gebruik
van het voedsel, dat hem toegeworpen wordt en is soms reeds na verloop
van een paar dagen zoo tam, dat hij uit de hand van zijn verzorger eet.
Bij de Ralreigers (Ardeola), die als 't ware het midden houden
tusschen de Dagreigers, de Roerdompen en de Nachtreigers, is de
snavel ongeveer even lang als de kop, de loop korter dan de middelste
voorteen, de binnenste voorteen korter dan de buitenste. De eenige
Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht, de 50 cM. lange
Ralreiger of Krabreiger (Ardeola ralloïdes) is kenbaar aan de kuif,
die zich van den bovenkop tot aan den nek uitstrekt en welker smalle,
zeer verlengde, op manen gelijkende veeren roestgeelachtig wit zijn
met zwarten zoom. De zijden van kop en hals zijn licht roestgeel,
de mantelveeren en de haarvormige pronkveeren van schouders en
rug roodachtig isabelkleurig, alle overige veeren wit. Het oog is
lichtgeel, de snavel zwartachtig, de voet groenachtig geel.
Zuid-Europa (noordwaarts tot in Hongarije), enkele landen van West-Azië
en geheel Afrika vormen het verbreidingsgebied van den Ralreiger. Soms
dwaalt hij naar noordelijker gewesten af: naar Duitschland, waar hij
eens in de nabijheid van Bremen gebroed heeft, naar Groot-Britannië
en naar Nederland. In den zomer van 1859 zijn bij Schollevaarseiland
en aan den Hoek van Holland verscheidene exemplaren van deze soort
geschoten; reeds vroeger was op het eerstgenoemde terrein een dergelijk
voorwerp gevangen en ook later (in den zomer van 1860) is dit éénmaal
geschied. De jeugdige leeftijd van de waargenomen Vogels gaf aanleiding
tot het vermoeden, dat de Ralreiger soms in deze streken zou broeden.
In vergelijking met zijne reeds beschreven verwanten leidt hij een
meer of min verborgen leven. Als broedplaats geeft hij de voorkeur
aan uitgestrekte moerassen met veel open water en aan met struiken
begroeide rivieroevers en eilanden; ook in zijne winterkwartieren
zoekt hij dergelijke plaatsen op. Evenals de Koereiger houdt ook hij
zich gaarne in de nabijheid van groote Zoogdieren op; in Hongarije is
hij de bestendige begeleider van de Zwijnen, daar deze aan dezelfde
terreinen als hij de voorkeur geven; bij hen zoekt hij in tijd van
gevaar een toevlucht. In vele opzichten wijken zijne gewoonten af
van die zijner verwanten. Door het sterk intrekken van den hals
schijnt de gestalte van den staanden Vogel veel meer ineengedrongen
dan zij is; wel neemt men ook bij hem zonderlinge standen waar,
echter niet de wonderlijke lichaamsverdraaiingen van de Kwakken. Bij
't gaan verzet hij bedachtzaam poot voor poot, maar sluipt niet met
zulke afgemeten passen voort als andere leden van zijn geslacht. Bij
't vliegen wordt de hals S-vormig gekromd; de slagwijdte van de
niet zeer breede vleugels is betrekkelijk gering, hun beweging
zacht. Zijn stem, een kort, snorkend, heesch of gedempt, als "karr"
of "charr" klinkend geluid, wordt zelden en niet op grooten afstand
gehoord. Ook de Ralreiger voedt zich bij voorkeur met Visschen;
hij kan echter geen andere dan kleine exemplaren en deze slechts in
ondiep water vangen. Bovendien maakt hij jacht op jonge Vorschen en
waterinsecten. De evenzeer op deze spijs beluste Zwijnen zijn hem
door hun wroeten behulpzaam bij het zoeken van buit.
Door geringe grootte, een slanken snavel, pooten met korten loop,
die tot aan het spronggewricht bevederd zijn, betrekkelijk lange
vleugels, een korten, zwakken staart en een niet bijzonder rijk
vederenkleed, welks kleur bij jongen en volwassenen, bij mannetjes en
wijfjes verschilt, onderscheidt zich het geslacht der Dwergroerdompen
(Ardetta), in Nederland en andere landen van Europa vertegenwoordigd
door het Woudaapje (Ardetta minuta) dat ook wel Kleine Butoor, Waffer,
Woudhopje, Woudpitoortje of Houtbutoortje wordt genoemd. Zijn lengte
bedraagt 40 cM. De veeren van bovenkop, nek, rug en schouders zijn
zwart met groenachtigen weerschijn, die van den bovenvleugel en van
de onderdeelen roestgeel, met zwarte vlekken aan de zijden van de
borst; de slag- en stuurpennen zijn eveneens zwart. De iris is geel,
de snavel op den rug bruin, overigens bleekgeel, de voet groengeel.
Bezuiden het midden van Zweden en de Orkney-eilanden komt het Woudaapje
in geheel Europa broedend of op den trek voor. In Nederland broedt
deze Vogel, hoewel in kleinen getale, in Noordbrabant, Noord- en
Zuid-Holland en Friesland; op den trek werd hij o. a. in Overijsel
waargenomen. Algemeen is hij in Oostenrijk, Hongarije, Turkije en
Griekenland, niet zeldzaam in Duitschland, het zuiden van Frankrijk
en Spanje. Van April tot October houdt hij zich bij ons op, blijft op
den trek geruimen tijd in Griekenland en overwintert in Noord-Afrika,
van waar hij allengs tot in de keerkringslanden en zelfs tot in het
zuiden van Afrika voortdringt. In den zomer houdt hij verblijf in
broeklanden, die met veel riet of althans met kreupelhout en hooge
moerasplanten begroeid zijn, of aan de met riet en hout bedekte
oevers van andere zoete wateren. Daarom gevoelt hij zich in Nederland,
Hongarije en Griekenland beter thuis dan in Duitschland.
Over dag zit het Woudaapje zeer goed verborgen en stil in het riet
op een boomtwijg; hij heeft er uitmuntend slag van een zitplaats te
kiezen, welker omgeving bij de kleur van zijn kleed past; bovendien
weet het zich onkenbaar te maken door de vaak zeer zonderlinge standen,
die het aanneemt. In de riethalmen beweegt het zich met een waarlijk
verbazingwekkende behendigheid. Gloger heeft hiervan de proef genomen
door in het hok van een gevangen exemplaar dunne en volkomen gladde
wandelstokken, die aan het bovenste einde niet dikker waren dan een
riethalm, te plaatsen; zoowel in horizontalen als in schuinschen
stand werden deze met groot genoegen als zitstokken gebruikt. "Als
ik het eene einde van den stok, waarop de Vogel zat, langzamerhand
liet zakken, bleef hij rustig zitten, hoewel ik den stok ten slotte
alleen bij den knop vasthield en loodrecht naar beneden liet hangen;
hij gleed zelfs dan niet van den stok af, als ik dezen heen en weer
slingerde." In zijn rietbosch acht het Woudaapje zich volkomen veilig;
het slaapt zeer licht en bemerkt den rustverstoorder lang voordat het
door dezen ontdekt wordt; het loopt over den grond weg in tijd van
gevaar, of verwijdert zich door van den eenen riethalm op den anderen
te klimmen. Over dag vliegt het niet op, hoewel men met steenen werpt,
met stokken in het riet slaat of op andere wijzen geraas maakt. 's
Avonds komt het vrijwillig uit zijn schuilplaats te voorschijn en
vliegt dan lang over het open water heen naar andere rietbosschen,
of strijkt op de kale oevers neer. "Hoewel deze Vogel zich in alle
omstandigheden opgewekter en gezelliger toont dan de meeste andere
Reigers", zegt Naumann, "zou men zich toch zeer vergissen, indien men
vertrouwen wilde schenken aan zijne sluwe blikken, daar hij even valsch
en moedig is als zijne verwanten. Ieder wezen dat hem te na komt, en
dat hij niet kan ontwijken, zal hij onverwachts, door den hals zeer
snel en met kracht te strekken, gevaarlijke stooten met den snavel
toebrengen; gewoonlijk zijn dezen naar de oogen, bij den mensch ook
naar de handen of andere niet met kleeren bedekte lichaamsdeelen
gericht." Het in 't nauw gebrachte Woudaapje verdedigt zich tot
den laatsten ademtocht. Met andere Vogels houdt het geen omgang;
het duldt niet eens gaarne soortgenooten in den plas, dien het als
zijn eigendom beschouwt In den paartijd hoort men van het mannetje 2-
of 3-maal achtereen een doffen bastoon, die door den klank "poemm" of
"poemb" kan worden nagebootst; na een lange pauze begint het gebrul
op nieuw; nooit roept de Vogel, wanneer hij weet, dat er menschen in
de nabijheid zijn. Angst ontlokt aan het mannetje zoowel als aan het
wijfje een als "gèth, gèth" klinkend gekwaak.
Het voedsel van het Woudaapje zal wel hoofdzakelijk uit kleine Vorschen
en Amphibiën bestaan; bovendien vangt het Wormen en Insecten in alle
ontwikkelingstoestanden. Het jaagt alleen 's nachts, het meest in de
morgen- en avondschemering.
Het groote, los en zonder kunst van riet en biezen gebouwde nest
staat gewoonlijk op oude rietstoppels boven het water, en bevat
in het begin of het midden van Juni 3 of 4 (soms 5 of 6) kleine,
dunschalige, gladde, glanslooze, blauwgroenachtig witte eieren,
waaruit de met roestgeelachtig dons bekleede jongen na een broedtijd
van ongeveer 16 dagen te voorschijn komen. Deze blijven, wanneer zij
niet gestoord worden, in het nest, totdat zij vliegen kunnen.
Gevangen Woudaapjes maken dadelijk gebruik van de visch, die men hun
als voedsel geeft, verschaffen hun verzorger veel genoegen en kunnen
in een groote ruimte gemakkelijk in 't leven worden gehouden. Ook
worden zij eenigszins tam, nooit echter gemeenzaam, steeds behouden
zij hun valschen aard. Meesterlijk verstaat deze Vogel de kunst om
de pogingen van den jager, die hem wil bemachtigen, te verijdelen.
De Roerdomp, bij Nijmegen Roerdommel, in Overijsel Iperom, in
Noordbrabant Butoor en Domphoren, in Limburg Rommeldoes, in 't
Friesch Reitdomp geheeten (Botaurus stellaris), kenmerkt zich door
een gedrongen romp, een langen, maar dikken hals, een smallen, hoogen
snavel, langteenige pooten, die bijna tot aan het spronggewricht
bevederd zijn en welker loop korter is dan de middelste teen, breede
vleugels, een uit tien pennen samengestelden staart en een dicht kleed
zonder eenige pronkveeren; alleen aan den hals zijn de veeren meer
dan gewoon verlengd. De bovenkop is zwart, de achterhals grauwzwart,
met geel gemengd, de overige veeren op roestgelen grond geteekend
met zwartbruine en roestbruine, overlangs en overdwars gerichte
vlekken, banden en strepen van den meest verschillende aard, die aan
den voorhals drie overlangsche reeksen vormen. De slagpennen zijn op
leikleurigen grond met roestkleurige banden voorzien, de staartveeren
op roodachtig roestgelen grond bruinzwart bespat. Het oog is geel,
de bovensnavel bruinachtig hoornkleurig, de ondersnavel groenachtig,
de voet licht sapgroen, aan de gewrichten geelachtig. De lengte
bedraagt 72 cM.
De Roerdomp komt hier te lande van Maart tot October veelvuldig voor
en broedt overal in rietvelden; sommige exemplaren blijven den winter
over, maar komen meestal om, indien deze streng wordt. In Duitschland
treft men dezen Vogel zelden, in de laaglanden van den Wolga en den
Donau algemeen aan; oostwaarts strekt zijn verbreidingsgebied zich over
geheel Middel-Siberië, westwaarts over Zuid- en Middel-Europa uit;
op den trek bezoekt hij Noord-Afrika, maar dringt, naar het schijnt,
niet ver in het binnenland door. In alle door hem bewoonde landen
vestigt hij zich bij voorkeur in het broekland of aan de oevers van
meren en plassen, voor zoover deze gedeeltelijk met hoog riet begroeid
zijn. Zoolang het riet nog kort is, houdt hij zich in het hout op.
Nog meer dan het Woudaapje heeft hij de gewoonte om zonderlinge
standen aan te nemen. Als hij rust en onbezorgd is, wordt de romp van
voren een weinig opgericht en de lange hals zoo ver teruggetrokken,
dat de kop op den nek rust; bij 't loopen is de hals meer opgeheven;
woede blijkt uit het ruige voorkomen van het kleed en den opgerichten
stand van de achterhoofdsveeren, terwijl tevens de snavel eenigszins
opengesperd wordt. Om zich te vermommen, zet hij zich op den loop
en strekt zich, zoodat de romp, de hals en de kop met den snavel in
elkanders verlengde liggen en scheef naar boven gericht zijn; hij
gelijkt dan meer op een ouden, spitsen paal of op een verdord bos
riet dan op een Vogel. Zijn gang is langzaam, voorzichtig en traag,
zijn vlucht zacht, onhoorbaar, langzaam en schijnbaar plomp. Als hij
des nachts vliegt, hoort men ook zijn gewone lokstem: een luid gekras,
herinnerend aan dat van de Raaf, dat men door de klankteekens "krah"
of "krauh" ongeveer kan voorstellen; want zijn berucht gebrul laat
hij slechts gedurende den paartijd hooren. Traagheid en langzaamheid,
angstvalligheid en argwaan, list en geveinsdheid, boosaardigheid
en valschheid zijn kenmerkende eigenschappen van den Roerdomp. Hij
leeft slechts voor zichzelf en schijnt ieder ander schepsel te haten;
de dieren, die hij verslinden kan, doodt hij; die, welke hiervoor te
groot zijn, hebben woedende aanvallen van hem te verduren, wanneer
zij hem te na komen. Zoolang mogelijk ontwijkt hij iederen grooten
tegenstander; in 't nauw gedreven, gaat hij hem dolkoen te lijf
en richt zijne snavelstooten zoo behendig, kwaadaardig en snel op
de oogen van zijn tegenpartij, dat zelfs de schrandere mensch zich
zeer in acht moet nemen om niet gevaarlijk gewond te worden. Door de
gevangenschap ondergaat zijn aard geen verandering.
Visschen (vooral Modderkruipers, Zeelten en Steenkarpers), Padden
en andere in 't water levende Amphibiën van verschillende soorten,
bovendien ook Slangen, Hagedissen, jonge Vogels en kleine Zoogdieren
van de grootte van de Waterrat of kleiner maken zijn voedsel uit. Soms
voedt hij zich bijna uitsluitend met Bloedzuigers, en wel hoofdzakelijk
Paardenbloedzuigers, zonder zich te bekommeren om hunne scherpe
zuigwerktuigen en zonder hen vooraf te dooden. Hij jaagt uitsluitend
's nachts, maar is van zonsondergang tot zonsopgang hiermede bezig,
heeft veel voedsel noodig om verzadigd te worden en brengt toch
nagenoeg geen merkbare schade teweeg, daar hij wegens zijne korte
pooten alleen in ondiep water kan visschen.
Het vreemdsoortige geschreeuw, dat de mannelijke Roerdomp gedurende den
paartijd voortbrengt, een gebrul, dat in stille nachten op een afstand
van 2 à 3 KM. hoorbaar is en op dat van een Rund gelijkt, bestaat
uit een voorslag en een hoofdtoon; het klinkt als "uuproemb". Tevens
zal iemand, die zich in de onmiddellijke nabijheid bevindt, nog een
gedruisch vernemen, alsof er met een rietstengel op het water wordt
geslagen. Voordat de Vogel geheel op zijn dreef is, klinkt zijn
lied ongeveer als "uu uu proemb", later als "uu proemb uu proemb
uu proemb". Soms, doch zelden, wordt aan het "proemb" nog de klank
"boeh" toegevoegd. Graaf Wodzicky heeft door zijne waarnemingen
de overoude verklaring van het ontstaan dezer buitengewoon sterke
geluiden bevestigd. "De muzikant", zegt hij, "stond op beide pooten,
hield den romp waterpas en had den snavel in 't water gestoken; toen
begon het gebrom; intusschen spoot het water aanhoudend omhoog. Na
eenige tonen hoorde ik de klank "uu", het mannetje lichtte den kop
omhoog, slingerde hem naar achteren, stak vervolgens den snavel in 't
water, waarop een gebrom volgde, dat mij verschrikt maakte. Hierdoor
kwam ik tot het besluit, dat de luidklinkende aanvangstonen ontstaan,
doordat de Vogel in den beginne het water hooger, tot in den hals,
opzuigt en het met veel grooter kracht naar buiten perst dan later. Bij
't voortzetten van de muziek wordt de kop niet meer teruggetrokken en
blijven de luide tonen achterwege. Naar het schijnt, duidt dit geluid
dus het bereiken van den grootsten trap van opgewondenheid aan en
herhaalt de "balderende" Vogel het niet meer, zoodra zijn hartstocht
bevredigd is. Het geplas, dat op het slaan met een riethalm in
't water gelijkt, wordt voortgebracht, doordat het mannetje twee-
of driemaal met den snavel op het water slaat, voordat hij hem
er insteekt en zijn lied begint. Het laatste, doffe geluid "boeh"
wordt veroorzaakt door het wegstuwen van het water, dat zich bij het
terugtrekken van den snavel nog in de mondholte bevindt.
Vooral op plaatsen waar de Roerdomp zich niet geregeld vertoont,
veroorzaakt zijn nachtelijk gebrul een bijgeloovige vrees bij
onontwikkelde lieden.
Wanneer men zich in het winterseizoen bij een van de Egyptische
meren ophoudt, wordt men hier en daar dikke boomen gewaar, die met
een talrijk gezelschap van Reigers bezet zijn. Deze kiezen gaarne
de sycomoren vóór of in de dorpen als rustplaats uit. Hier zitten
zij gedurende den geheelen dag bewegingloos met diep teruggetrokken
hals en gesloten oogen; eerst bij 't naderen van den avond beginnen
zij zich te bewegen. De eene opent de oogen half, draait den kop een
weinig zijwaarts en knipoogt tegen de zon, als om te onderzoeken,
hoe hoog deze nog aan den hemel staat, een andere pluist zich in
de veeren, een derde trippelt van den rechter op den linker poot,
een vierde spreidt de vleugels uit: kortom, er komt leven in de
brouwerij. Intusschen is de zonneschijf beneden de kim gezonken en
de schemering aangevangen. De nu geheel ontwaakte slapers huppelen
behendig van den eenen tak op den anderen, en komen al nader en nader
bij den top. Plotseling laat een hunner zijn kwakende lokstem hooren,
de geheele troep vliegt weg, begeeft zich naar een naburig moeras
en begint hier zijn dag- of liever nachtwerk. Soms vereenigen zich
verscheidene gezelschappen; in den eigenlijken trektijd althans ziet
men deze Vogels bij duizenden vliegen, zonder dat men kan nagaan, van
waar zij alle gekomen zijn. Zulk een schouwspel geniet men trouwens
niet slechts in Egypte, maar ook verderop in het binnenland van Afrika;
want de reis van deze in 't zuidoosten van Europa thuis behoorende
nachtvogels strekt zich uit tot aan de wouden bij den Blauwen en den
Witten Nijl.
De Kwak, Nachtreiger of Blauwe Kwak (Nycticorax griseus) is
60 cM. lang en onderscheidt zich van de andere Reigers door zijn
gedrongen gestalte en korten, dikken, van achteren zeer breeden, op
den rug gebogen snavel, door zijne middelmatig hooge, dikke voeten en
zeer breede vleugels en door zijn rijk voorzien kleed, welks veeren,
met uitzondering van drie draadvormige pronkveeren aan den achterkop,
nergens verlengd zijn. Bij den volwassen Vogel zijn de bovenkop,
de nek, de bovenrug en de schouders groenachtig zwart, de overige
bovendeelen en de zijden van den hals aschgrauw, de onderdeelen
licht stroogeel, de drie lange pronkveeren wit, zelden voor een deel
zwart. Het oog is prachtig purperrood, de snavel zwart, aan den wortel
geel, de naakte plek aan den kop groen, de voet groengeel.
Ook de Nachtreiger heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied. Eenige
eeuwen geleden kwam hij in Nederland zeer veelvuldig voor; thans
broedt hij in kleinen getale bij meren en plassen in Zuid-Holland. Hij
vertoeft hier van Mei tot September. Eénmaal werd een exemplaar
van deze soort in de provincie Groningen geschoten. In Duitschland
wordt hij verspreid en niet geregeld aangetroffen. Hij broedt er
zelden, waarschijnlijk echter vaker dan men meent. In grooten getale
bewoont hij de lage oeverlanden van den Donau en dergelijke gewesten
aan de Zwarte en de Kaspische Zee. Voorts vindt men hem in Italië,
Zuid-Frankrijk en Spanje; hij trekt iederen winter geheel Afrika door,
broedt in Palestina, het oostelijke deel van Middel-Azië, China, Indië
en op de Soenda-eilanden, bewoont het grootste deel van Noord-, Middel-
en Zuid-Amerika en werd slechts in Australië nog niet waargenomen. Een
gewest moet, om den Nachtreiger te behagen, rijk aan boomen zijn,
want deze heeft hij noodig voor slaap- en broedplaatsen.
Behalve in den broedtijd brengt hij den geheelen dag slapend of rustend
door; eerst wanneer de schemering aanvangt, begint hij te zwerven en te
jagen. Door zijne bewegingen verschilt hij in menig opzicht van andere
Reigers. Werkelijk schuw kan men hem niet noemen, hoewel hij altijd
een zekere voorzichtigheid toont. Hierbij valt op te merken, dat men
hem gewoonlijk slechts over dag ontmoet en dan met een slapenden of
althans slaperigen Vogel te doen heeft. Deze zelfde Vogel is, wanneer
de nacht aanbreekt, wel niet bijzonder opgewekt, maar toch wakker en
bedrijvig en tevens in alle omstandigheden voorzichtig: angstvallig
ontwijkt hij ieder naderend mensch en is nog schuwer, als hij zich
vervolgd ziet. Hij vischt ongeveer op dezelfde wijze als de Dagreigers,
althans geheel zonder gedruisch. In één opzicht onderscheidt hij zich
van vele zijner verwanten: hij is veel gezelliger van aard dan zij,
minstens even gezellig als de Koereiger.
De broedtijd valt in de maanden Mei tot Juli. De Kwakken vestigen
zich dan met leden van verwante soorten in bepaalde reigerbosschen
of vormen afzonderlijke broedkolonies.
In vroegere eeuwen was de jacht op Kwakken, naar het schijnt, een
geliefd bedrijf; het werd tot de groote jacht gerekend en de Vogels
werden als wildbraad hoog geschat. Tegenwoordig worden zij door
stroopers ijverig vervolgd wegens de drie witte nekveeren, die men
"Bismarckveeren" noemt en waarvan vederbossen worden gemaakt. Gevangen
exemplaren ziet men in de meeste diergaarden. Vermakelijk kan men ze
niet noemen, daar zij ook in gevangenschap den geheelen dag slapend
doorbrengen.
Tot het geslacht der Nachtreigers wordt ook nog wel gerekend een
zeer eigenaardige soort, de Schuitbek of Lepelbekreiger, de Savakoe
der Zuid-Amerikanen (Nycticorax cancrophagus of Cancroma cochlearia),
die wel in kleur en grootte veel overeenkomst vertoont met onzen Kwak,
maar van dezen en van alle overige Reigervogels verschilt door zijn
vreemdsoortigen, wanstaltigen, zwak gewelfden, buitengewoon breeden,
omgekeerd lepelvormigen bovensnavel, welks stompkantige rug van voren
haaksgewijs naar beneden gebogen is en welks eivormige, eenigszins
uitgeholde bovenvlakte als de bodem van een omgekeerd, platboomd
schuitje in den voorrand en de zijranden overgaat. Het voorhoofd,
de keel, de wangen en de voorhals zijn wit, de onderhals en de borst
geelachtig wit, de veeren van den rug lichtgrijs, het achterste deel
van de bovenhals en de buik tot aan den stuit roestroodbruin, naar de
zijden in zwart overgaande, de slagpennen en stuurpennen witachtig
grijs. De iris is bruin, van binnen met een grijzen rand, de snavel
bruin, aan den rand van de onderkaak geel, de voet geelachtig. De
lengte bedraagt 58 cM.
De Savakoe bewoont de struiken en het riet van de oevers van alle
stroomen der Braziliaansche wouden; hij leeft eenzaam of in den
broedtijd paarsgewijs. Men ziet hem in het dichte struikgewas van de
rivieroevers op tamelijk hoog boven het water gelegen twijgen zitten,
in de wouden van het binnenland veelvuldiger dan in de nabijheid van de
zee; bij 't naderen van een boot huppelt hij echter tamelijk behendig
van de eene twijg op de andere, om zich schielijk te verbergen. Zijn
voedsel bestaat, naar men zegt, uit allerlei waterdieren, hoewel niet
uit Visschen.
Een van de vreemdsoortigste Vogels van Afrika en van de geheele
wereld is de Schoenbek (Balaeniceps rex). Hij heeft een zwaren
romp, een dikken hals en een grooten kop met een kolossalen, op een
lomp gefatsoeneerden schoen of klomp gelijkenden snavel, welks wijd
uiteenstaande onderkaakshelften tot aan hun vereenigingspunt door een
lederachtigen huid verbonden zijn. De grondkleur van het vederenkleed
is fraai aschgrauw; de randen van de groote bekleedingsveeren zijn
lichtgrijs, de slagpennen en stuurpennen grauwzwart. Het oog is
lichtgeel, de snavel hoornkleurig, de voet zwart. De lengte bedraagt
140 cM.