zonderlingste standen aan, die echter geen van alle aanspraak kunnen
maken op bevalligheid. Zij zijn tamelijk goed in staat om zich te
bewegen: bij hen echter heeft iedere beweging in vergelijking met die
van andere Stapvogels iets plomps of althans iets onbehaaglijks. Hun
gang is gemakkelijk, langzaam en voorzichtig; zij zijn volstrekt
niet onbekwaam in 't vliegen, maar doen dit op een eenvormige wijze
en zonder veerkracht. Een zekere behendigheid bij het klimmen in
het riet of in de twijgen mag men hun niet ontzeggen, hoewel zij
daarbij een onbeholpen vertooning maken; zij kunnen zwemmen, maar
doen dit zoo, dat men er onwillekeurig om lachen moet. Hun stem is
een onaangenaam gekrijsch of een luid, ver hoorbaar gebrul, dat bij
velen huivering wekt; het gejank der jongen is afschuwelijk. De oogen
zijn ongetwijfeld hunne meest ontwikkelde zintuigen; hoewel fraai en
meestal licht van kleur, herinneren zij aan die der Slangen door hun
eenigszins valsche uitdrukking, welke door den aard van den Reiger
niet gelogenstraft wordt. Deze mag men wel als de arglistigste en
boosaardigste van alle Stapvogels beschouwen. Hoewel zij dikwijls in
groote gezelschappen bijeenleven, kan men ze bezwaarlijk gezellig
noemen: vervuld van afgunst over elkanders geluk, nemen zij iedere
gelegenheid te baat om hun booze gezindheid te luchten. Jegens groote
dieren vol vrees, zooals blijkt uit hun vlucht of uit pogingen om
zich door het aannemen van een zonderlinge houding onkenbaar te maken,
toonen zij zich jegens kleine dieren moordzuchtig en bloedgierig, op
zijn minst genomen vijandig en twistziek. Visschen zijn hun liefste
buit; Insecten vormen het hoofdvoedsel van de kleinste leden der
familie; ieder ander dier, dat zij bemachtigen kunnen, is hun echter
welkom. Zij verslinden kleine Zoogdieren, jonge en onbeholpen Vogels,
allerlei soorten van Amphibiën (Padden misschien uitgezonderd), voorts
Weekdieren en Wormen, misschien ook Kreeften. Hoogst omzichtig en
zonder geluid te maken laten zij, begeerig naar buit, hunne blikken
over het water waren en houden, terwijl zij wadend voortsluipen,
den langen hals zoo ver teruggetrokken, dat de kop op de schouders
rust en de onderkaak tegen den hals aanligt; door het plotseling
strekken van den hals treft de snavel als een met kracht geworpen
lans hun meestal reddeloos verloren slachtoffer. Op soortgelijke wijze
verdedigen zij zich tegen hunne belagers. Zoo lang mogelijk vluchten
zij voor iederen sterkeren vijand; maar vallen hem vol woede aan,
als hij hen in 't nauw gebracht heeft, trachten hem steeds in 't oog
te treffen en kunnen hoogst gevaarlijke wonden toebrengen.
Alle Reigervogels nestelen gaarne in gezelschap van hunne soortgenooten
of van verwante en niet verwante Vogelsoorten. Hunne nesten zijn groot
en lomp van maaksel; zij rusten op boomen; in het rietveld echter op
geknikte halmen. Het wijfje broedt op 3 à 6 ongevlekte, groenachtig
witte of groenachtig blauwe eieren, en wordt intusschen door het
mannetje met voedsel voorzien. De jongen verlaten het nest eerst,
als zij kunnen vliegen, of kort voor dien tijd en worden vervolgens
nog een tijdlang door hunne ouders gevoederd.
Goed bezette reigerkoloniën leveren een indrukwekkend schouwspel
op, waarvan de beschrijving van Baldamus een denkbeeld kan geven:
"De maand Juni is pas begonnen; de riethalmen hebben een hoogte van
2 M. bereikt en bedekken den troebelen waterspiegel van het Witte
Moeras. Zoover het oog reikt, vindt het nergens een rustpunt op deze
eindelooze vlakte, bij welker groen en blauw echter merkwaardige,
gele, grijze, witte en zwarte gestalten prachtig afsteken: Zilver-,
Purper- en Ralreigers, Kwakken of Nachtreigers, Lepelaars, Ibissen,
Aalscholvers, Zeezwaluwen, Meeuwen, Ganzen en Pelikanen. Op de hier
en daar voorkomende, hoogstammige wilgen en populieren nestelen de
Reigers. Een van hunne koloniën heeft hoogstens een omvang van eenige
duizenden schreden; het aantal nestendragende wilgen bedraagt niet meer
dan 100 à 150. maar op vele van deze rusten 10 à 20 nesten. Die van
den Blauwen Reiger staan op de dikste takken van de grootste wilgen
en dienen dikwijls zelve tot steun voor die van den Kwak. Op zwakkere
en hoogere takken zijn de nesten van den Kleinen Zilverreiger en van
den Kleinsten Aalscholver gebouwd, terwijl verder benedenwaarts op
de slanke zijtakken de kleine, doorzichtige nesten van den Ralreiger
heen en weer schommelen. Op de hier bedoelde nestelplaats is, zooals
gewoonlijk, de Kwak het talrijkst vertegenwoordigd; dan volgen de
Kleine Zilverreiger en de Blauwe Reiger, het minst talrijk zijn de
Ralreigers. Met uitzondering van de Kleinste Aalscholvers zijn alle
zoo weinig schuw, dat het weken lang voortgezette schieten hen niet
van de plaats verdreven heeft. Hoewel een schot hen doet opvliegen,
strijken zij spoedig weer neer, zelfs blijven zij niet zelden zitten
op den boom, dien een der jagers bezig is te beklimmen. Men behoeft
zich slechts korten tijd stil te houden in de boot onder de boomen,
om de bevederde bewoners van dit oord weldra weer hunne werkzaamheden
te zien hervatten; men krijgt dan zulk een groote verscheidenheid van
verrassende tafereelen te aanschouwen, dat de aandacht voortdurend
gespannen blijft. Het eerst dalen de Kwakken onder luid geschreeuw en
met vreemdsoortige gebaren uit de bovenste twijgen af naar hunne lager
gelegen nesten, waaraan zij steeds het een of ander te verbeteren
hebben: zij verschikken de eieren, keeren zich naar alle zijden en
sperren met een heesch gekras den grooten, rooden snavel tegen een
al te dicht bij hen komenden buurman ver open. Daarna komen de Kleine
Zilverreigers op onhoorbare wijze aanvliegen, de eene heeft een voor
het nest bestemd, dood takje in den bek, de andere stapt behendig van
de eene twijg op de andere, tot hij zijn nest bereikt heeft. Intusschen
ziet men de prachtig gele Ralreigers, welker onhoorbare wijze van
vliegen aan die der Uilen herinnert, terugkeeren. Eindelijk naderen
iets voorzichtiger de Blauwe Reigers. Het oor wordt verward en vermoeid
door het getier, gekrijsch, gesteen, gekras en geknor, dat men hier
hoort, het oog door het gewemel van sneeuwwitte, gele, grijze en zwarte
vluchtige gestalten op den lichtblauwen achtergrond. Eindelijk wordt
het gezelschap rustiger, het getier vermindert. Verreweg de meeste
Vogels zitten broedend op, of wakend naast het nest, slechts enkele
vliegen, neststoffen aandragend, af en aan. Plotseling komt een zich
vervelende Kwak op het denkbeeld, dat een rijsje van het nest van zijn
buurman hem te pas kan komen; dit geeft aanleiding tot een versterking
van het sinds kort een weinig verminderde geschreeuw. Nogmaals een
»piano", want werkelijke pauzen komen hier niet voor. Waarom nu op
eens dit schrikwekkende »fortissimo"? Kijk! een Wouw die 50 schreden
verder zijn horst heeft, grijpt op zijn gemak met elken poot een
jongen Aalreiger. De moeder verlaat morrend en dreigend haar nest,
maar laat den roover stil met hare beide kinderen vertrekken, hoewel
zij zich door een enkele poging om haar gevaarlijk wapen en haar
kracht te gebruiken op den moordenaar van haar kroost op afdoende
wijze had kunnen wreken. Eenige Kwakken begeleiden schreeuwend den
ongenooden rustverstoorder, maar worden eensklaps door een nieuw en
sterker gekrijsch teruggeroepen. Hier heeft een Ekster, ginds een Bonte
Kraai gebruik gemaakt van de afwezigheid der Vogels om eenige eieren
weg te sleepen. De buren van de beroofden vliegen onder ontzettend
geschreeuw omhoog, terwijl andere leden van het diefachtig gespuis
op de pas verlaten nesten aanvallen en bliksemsnel met hun buit
wegsnellen. Nog weerklinkt het verwarde angst- en wraakgeschreeuw,
maar eensklaps wordt een ruischen in de lucht vernomen, dat aanleiding
geeft tot een doodsche stilte. De machtige koning der lucht, een
reusachtige Arend, trok voorbij, over de broedplaatsen heen naar het
gindsche, ontoegankelijke rietbosch, waar het luide gesnater van de
Ganzen en Eenden plotseling verstomt. Daar knalt een schot van uit de
weidegronden aan de overzijde; alle bewoners van de broedkolonie, zelfs
de Kwakken, vliegen op en vermengen zich met de duizendtallen, die
daar ginds uit het moeras zijn opgejaagd en na een poos rondgezworven
te hebben zich eindelijk weer te water begeven."
De Reigers worden ijverig vervolgd, omdat zij aan het vischwater meer
schade toebrengen dan eenig ander visschenroovend dier.
Jonge Reigers kan men temmen en gewennen om zich vrij te bewegen,
zoodat zij het grootste deel van hun voedsel zelf zoeken. Veel
genoegen kan men van de bij ons voorkomende Blauwe en Purperreigers
niet verwachten, wel van de kleine, fraai gekleurde soorten uit
zuidelijke landen, die in dierentuinen zeer de aandacht trekken. In
de kooi planten vele soorten zich voort.
Een snavel, welks lengte die van den kop verre overtreft, en een uit
12 pennen samengestelde staart, kenmerken het geslacht der Reigers
of Dagreigers (Ardea), dat in verscheidene ondergeslachten wordt
gesplitst.
De 90 cM. lange Purperreiger of Roode Reiger [Ardea (Phoyx) purpurea],
die een gelijknamig ondergeslacht vertegenwoordigt, nadert tot
de Roerdompen door de groote lengte zijner teenen en door zijn
levenswijze, o. a. door het nestelen in 't riet. De bovenkop en
de kuifveeren zijn zwart, zoo ook een streep tusschen den snavel
en den achterkop en een aan iedere zijde van den hals; de zijden
van kop en hals, de wapperende schouderveeren en de schenkels zijn
kaneelroodbruin, de kin en de keel wit; de wapperende veeren voor aan
den hals zijn roestvaalwit met zwarte schaften, de achterhals en de nek
aschgrauw, de overige bovendeelen donker grijsbruin met grijsachtigen
weerschijn, de vleugeldekveeren lichter, de slagpennen zwart,
de dekveeren aan den handrand en de onderdekveeren van den vleugel
geelbruinachtig rood, de staartveeren grijsbruin; de zijden van borst,
buik en schenkels zijn donker purperbruinrood, de overige onderdeelen
zwart. Bij den jongen Vogel is de hoofdkleur der veeren roestrood, aan
de onderdeelen met vaalwitte zoomen. Het oog is oranjegeel, de naakte
huid om en voor de oogen bleekgeel, de snavel groenachtig wasgeel,
de loop en de teenen zwartachtig bruin (bij de jongen bleek groengeel).
Het verbreidingsgebied van dezen Reiger omvat Middel-, Zuid-,
Oost- en West-Europa, het grootste deel van Middel- en Zuid-Azië en
Afrika. Hij is op de Soenda-eilanden en Celebes veel menigvuldiger,
in Europa echter veel minder talrijk dan de Blauwe Reiger, ontbreekt
hier op vele plaatsen geheel en behoort over het algemeen, ook in ons
land, tot de meer zeldzame Vogels. Hij houdt zich in Nederland op van
April tot September, broedt in kleine koloniën aan de meren in Noord-
en Zuid-Holland en Utrecht, zwerft na den broedtijd rond en wordt
dan ook in andere provincies waargenomen, in de noordelijke echter
slechts zelden. Meestal houdt hij zich in of bij het riet schuil en
komt niet of zelden aan open plaatsen, zooals de Blauwe Reiger in
den regel doet. Zijn voedsel bestaat uit Wormen en waterinsecten. Men
vindt zijn groot, uit riet of biezen bestaand nest in het riet of in
struiken dicht bij den grond; het bevat 3 of 4 bleek-groenachtige
eieren. De Purperreiger is in Duitschland zeldzaam, maar broedt
ook in Hongarije, Galicië en de oeverlanden van de Middellandsche,
Zwarte en Kaspische Zee.
De Blauwe Reiger, in Friesland Aalreiger, in 't Friesch Ielregel
genoemd (Ardea cinerea) is de meest bekende vertegenwoordiger van
het ondergeslacht der Reigers i. e. z. (Ardea). Het voorhoofd en de
bovenkop zijn wit; de hals is grijswit, de rug aschgrauw, door de
witte, verlengde veeren bandvormig geteekend; de onderdeelen zijn
wit, de flanken echter zwart; een streep, die aan het oog begint en
naar den achterhals loopt, de drie lange kuifveeren, een drievoudige
reeks van vlekken aan den voorhals en de slagpennen zijn zwart,
de schouderveeren en de stuurpennen grijs. Het oog is goudgeel,
de naakte plek in 't aangezicht groengeel, de snavel stroogeel,
de voet bruinachtig zwart. De lengte bedraagt 100 à 106 cM.
Noordwaarts reikt het verbreidingsgebied van den Blauwen Reiger tot
aan den 64en graad; in bijna alle verder zuidwaarts gelegen landen van
de Oude Wereld komt hij voor, niet slechts als trekvogel, maar ook als
broedvogel. In het noorden is hij trek-, in het zuiden zwerfvogel. Ons
land bewoont hij van April tot October; een klein getal blijft echter
den winter over. Langzaam volgt hij op zijn reis naar 't zuiden den
loop der groote stroomen, verschijnt in October overal in Zuid-Europa
en vliegt eindelijk naar Afrika over. Hij broedt koloniesgewijs in
de bosschen van ons geheele vaderland.
Bij den in Afrika en Indië inheemschen Reuzenreiger (Ardea nobilis)
zijn de bovenkop en de pluim, de kop en de vleugelbocht kastanjebruin,
zoo ook de onderdeelen, met uitzondering van de witte keel; de zijden
en het achterste deel van den hals zijn lichter, de overige bovendeelen
blauwachtig aschgrauw, de wapperende veeren van den voorhals op
de buitenvlag wit, op de binnenvlag zwart, de schaften dikwijls
roestbruin. Het oog is geel, de teugel groen, de bovensnavel zwart,
de ondersnavel aan de spits groengeel, aan den wortel viooltjeskleurig,
de voet zwart. De lengte bedraagt 136 cM.
Allerlei wateren, zoowel de zee als de beek in het gebergte, dienen
tot verblijfplaats en tot jachtgebied van den Blauwen Reiger (wiens
levensbeschrijving wij voldoende achten). De eenige eisch, die hij
aan het water stelt, is geringe diepte. Daar hij ijveriger vervolgd
wordt dan zijne verwanten, is hij schuwer en vreesachtiger. Iedere
donderslag vervult hem met ontzetting, iedere mensch in de verte
boezemt hem argwaan in. Een oude Reiger let op ieder gevaar,
gaat bij zijn vlucht met overleg te werk en laat zich daarom zeer
moeielijk verschalken. Zijn krijschende stem klinkt als "krèiek";
om te waarschuwen schreeuwt hij "ka".
Zijn voedsel bestaat uit Visschen van hoogstens 20 cM. lengte,
Kikvorschen, Slangen (vooral Ringslangen), jonge Moeras- en
Watervogels, Muizen, Insecten, die in het water leven, Schelpdieren
en Regenwormen.
"De Blauwe Reiger," schrijft Schlegel, "nestelt gezellig op boomen
en somtijds bij duizenden in groote bosschen ver van het water,
hetwelk hij echter dagelijks opzoekt om te gaan visschen. Zoodanige
bosschen noemt men "reigerbosschen". Behalve op de boomen der wouden
in de heidelanden nestelt de Blauwe Reiger ook in boschjes, zelfs in
het hakhout. Het grootste reigerbosch in ons land is het Soerensche
woud in Gelderland. Daar er in dit bosch jaarlijks eenige duizenden
paren Reigers broeden, en de ver in 't rond uitgestrekte heide het
paardrijden veroorlooft, biedt het een der geschikste gelegenheden
tot de jacht met Valken op Reigers aan, en deze had er ook, tot in
het jaar 1854, jaarlijks in de maanden Juni en Juli op groote schaal
plaats." Het vluchtbedrijf op Reigers, dat vroeger in geheel Europa
beoefenaars vond, is tegenwoordig alleen nog bij de Aziaten, b. v. in
Indië, en ook bij eenige Arabische stammen van Noord-Afrika in zwang.
Alle vervolgingen ten spijt keeren de bewoners van de reigerbosschen
ieder jaar terug, zelfs indien deze van het naastbijgelegen water
10 KM. of meer verwijderd zijn. In de nabijheid van de zeekust,
nestelen in deze koloniën in den regel ook Aalscholvers, die hier in de
gelegenheid zijn om zonder moeite een broedplaats te verkrijgen. (Een
voorbeeld hiervan leverde het voormalige Schollevaarseiland.) De boomen
en de grond worden door den drek van de Vogels met een witte laag
bedekt, die al het groen doet verwelken. De voor hun taak ongeschikte
bladen vallen af, de ontbladerde twijgen bezwijken door den schok
bij het af- en aanvliegen der Vogels, of worden door hen afgebroken
en voor den nestbouw gebruikt, de met nesten zwaar beladen takken
zijn niet bestand tegen de werking van den storm. Dit verklaart den
treurigen toestand, waarin de boomen der reigerbosschen verkeeren;
te recht worden dus de Reigers als nadeelig voor de boschkultuur
beschouwd. Een niet gering bezwaar tegen hun aanwezigheid leveren
ook de tallooze overblijfselen van het voedsel der jongen, waarmede
de grond als bezaaid is en die door hun rotting de omgeving verpesten.
Het nest van den Blauwen Reiger heeft ongeveer 1 M. middellijn,
maar een geringe hoogte; het is zonder eenige kunstvaardigheid
samengesteld uit doode takken en rijsjes, bladen en halmen van riet,
stroo enz. en bevat een ondiepe holte, slordig bekleed met borstels,
haar, wol en veeren. Het aantal eieren bedraagt 3 of 4. Deze zijn
iets grooter dan kippeneieren en hebben een spoedig verbleekende,
groene, dikke en gladde schaal. De jongen, die na een broedtijd van 3
weken den dop verbreken, zijn leelijke, hulpbehoevende schepseltjes,
die ongelooflijk veel eten en voortdurend honger hebben; zij worden
rijkelijk met voedsel voorzien, maar stooten dit voor een groot
deel door hunne gulzige bewegingen over den rand van 't nest naar
beneden. Ruim vier weken blijven zij in hun wieg, leggen zich neer,
zoodra zij de waarschuwende stem van hunne ouders hooren, maar staan
overigens dikwijls rechtop. Zij verlaten het nest, wanneer zij een
goed gebruik van hunne vleugels kunnen maken, worden nog eenige dagen
door hunne ouders onderricht en gaan vervolgens hun eigen gang. Alle
bewoners van de kolonie beginnen in Juli rond te zwerven; van deze
maand tot in de tweede helft van Maart is het reigerbosch verlaten.
De volwassene Vogels worden aangevallen door Edelvalken en groote
Uilen, ook wel door enkele Arenden; de zwakkere Valkvogels, de Raven
en de Kraaien plunderen de nesten. "Opmerkelijk", zegt Baldamus, "is
de vrees van de Reigers voor alle Roofvogels en zelfs voor Kraaien en
Eksters; waarlijk belachelijk is zij bij wezens, die met zulk een goed
wapen zijn uitgerust. De roovers zijn zeer goed bekend met den indruk,
dien zij maken, gaan daarom met de grootst mogelijke onbeschaamdheid
te werk en halen de eieren en jongen midden uit een dichten zwerm van
Vogels weg, zonder dat deze iets anders doen dan vreeselijk schreeuwen,
schroomvallig achteruitwijken en den bek wijd opensperren; hoogstens
hebben de dieven een zwakken vleugelslag te duchten."
Gevangen Reigers kan men met Visschen, Vorschen en Muizen gemakkelijk
in 't leven houden; het is echter niet raadzaam ze bij andere
huisvogels te brengen, daar zij zich niet ontzien jonge Hoenderen en
Eenden te grijpen en te verslinden.
Door den slanken bouw van romp en ledematen, den langen hals, den
betrekkelijk zwakken snavel en het eigenaardige, schitterend witte
vederenkleed kenmerkt zich de 104 cM. lange Groote Zilverreiger [Ardea
(Herodias) alba], van het ondergeslacht der Zilverreigers. Zeer
sterk ontwikkeld zijn bij hem de los- en langbaardige rugveeren;
bij den volwassen Vogel reiken zij verder dan de staart; tot
pluimen samengevoegd, worden zij onder den naam van "egretten" of
"reigerbossen" als versierselen hoog geschat. Het oog is geel, de
snavel donkergeel, de naakte huid van de wangen groenachtig geel,
de voet donkergrijs.
De Groote Zilverreiger bewoont het zuiden (maar vooral het zuidoosten)
van Europa, voorts Middel- en Zuid-Azië, Afrika en Australië. Naar
Nederland dwaalt hij zeer zelden af. "In Januari en Februari 1855
werden twee voorwerpen bij Zutfen geschoten en in dienzelfden
tijd eenige bij Breda en Maastricht" (Albarda). Ook in Duitschland
behoort hij tot de zeer zeldzame Vogels, hoewel men met zekerheid kan
aantoonen, dat hij hier vroeger gebroed heeft. In de Donau-laaglanden
is hij veel minder talrijk dan voorheen, in Griekenland, Italië en
Spanje ook niet overvloedig; in aanzienlijken getale daarentegen
bewoont hij nog de landen om de Kaspische zee en Noord-Afrika.
De Kleine Zilverreiger [Ardea (Garzetta) garzetta], die het
ondergeslacht der Egretreigers vertegenwoordigt, is slechts 62 cM. lang
en, evenals de vorige soort, geheel wit. De losbaardige rugveeren
zijn echter fraaier en naar verhouding langer; ook de veeren van
den onderhals zijn verlengd; twee smalle veeren van den nek steken,
evenals bij den Blauwen en den Purperreiger, ver voorbij de overige
uit, maar zijn wit van kleur. Het oog is hooggeel, de snavel zwart,
de voet zwart, in de gewrichten groengeel.
De Kleine Zilverreiger bewoont dezelfde landen als de Groote, maar is
overal veel talrijker. In de laaglanden van den Donau, den Wolga en
den Nijl is hij niet zeldzaam; in de reigerbosschen is hij een van de
sterkst vertegenwoordigde soorten. Op den trek begeeft hij zich tot
in Zuid-Azië; op de boomen bij de sawahs op Sumatra (waar hij onder
den naam van Bangoh Poetih bekend is) komt hij zoo veelvuldig voor,
dat deze op een afstand met groote, witte bloemen getooid schijnen te
zijn. Ook de Purperreiger (de Bangoh) is hier zeer overvloedig. Naar
Nederland dwaalt hij uiterst zelden af. In het Museum te Groningen
wordt een voorwerp bewaard, dat jaren geleden, tusschen Kollum en Burum
(Friesland) geschoten werd.
De beide laatstgenoemde soorten komen in levenswijze zoozeer overeen,
dat wij ons tot de geschiedenis van den Grooten Zilverreiger kunnen
bepalen. Deze bewoont, evenals de Blauwe Reiger, allerlei wateren, bij
voorkeur echter uitgestrekte moerassen en hierin de plaatsen, welke ver
verwijderd zijn van de tooneelen van menschelijke werkzaamheid, waar
dus de grootst mogelijke rust heerscht. Overal is hij voorzichtig en,
voor zoover hij vervolgingen te verduren had, buitengewoon schuw. Zijn
gedrag steekt gunstig af bij dat van den Blauwen Reiger. Zijn zeer
eenvoudig, maar toch sierlijk kleed maakt een bekoorlijken indruk.
De Groote Zilverreiger bewoont in de Hongaarsche moerassen in den
regel ontzaglijk groote rietvelden, hoewel hij de boomen niet vermijdt.
Geloofwaardige personen uit Semlin verhaalden aan Naumann, dat deze
Vogel geregeld nestelt op een eiland in den Donau, hier zijn nest bouwt
in den top van de hoogste boomen. Baldamus, die in den broedtijd van
de Reigers de Donau-laaglanden bezocht, ontving dezelfde mededeeling;
de door hem gevonden nesten van den Grooten Zilverreiger kwamen echter
niet voor in bosschen, maar in het rietveld van het Witte Moeras. Het
is zeer moeielijk in dit gebied door te dringen. "Twee tamelijk groote
schuiten werden ieder met drie man bezet en met proviand voor twee
dagen voorzien; om 4 uur 's morgens begon de reis. De beide dappere
gidsen hadden, evenmin als wij, een juiste voorstelling van het gevaar,
dat wij zouden loopen. Het kostte ons ontzaglijk veel moeite om in
deze eenvormige en vreeselijk verwarde wildernis van oud en nieuw
riet, dat soms meer dan 3 M. hoog was, van afgebroken stompen, boven
en onder de oppervlakte van het hoogstens 1 1/2 M. diepe water en van
bodemloos slijk den terugweg te vinden. Wij vonden op den 23en Juni,
behalve eenige nesten van Purperreigers, vijf nesten van Groote
Zilverreigers, ieder met 3 of 4 eieren. Het nest rust op stoppels
en riethalmen, die uit een tamelijk grooten kring bijeengebogen en
omgeknikt zijn; het bestaat uit een groote hoop van dit materiaal
en is van binnen met rietbladen bekleed. Deels door de menigte tot
steun dienende, geknikte halmen, deels door de massa bouwstoffen,
die er opgestapeld zijn, hebben de nesten zulk een draagkracht,
dat ik op verscheidene kon staan. Het aantal eieren schijnt af te
wisselen tusschen 3 en 4". Zij zijn grooter en gladder dan die van den
Blauwen Reiger, langwerpiger van vorm en meer blauwachtig getint. In
den regel komt de Groote Zilverreiger tegen het midden van April
(een week later dan de Purperreiger) in zijn zomerherberg. Hij wordt
in zijn vaderland ijverig vervolgd, vooral wegens zijne prachtige
rugveeren. De Hongaren en Walachen beschouwen het als een kunststuk
een van deze voorzichtige Vogels te verschalken. Men ontmoet ze
tegenwoordig in alle diergaarden; in die van Berlijn hebben zij
herhaaldelijk gebroed en jongen voortgebracht.
Een allerliefste Vogel is de 50 cM. lange Koereiger [Ardea (Bubulcus)
Ibis], kenbaar aan zijn gedrongen gestalte, korten hals, korten en
krachtigen snavel, betrekkelijk korte pooten en schitterend witte
kleur. In het bruiloftskleed dragen de bovenkop, de voorborst en
de rug lange, losbaardige pronkveeren. Zijn vederenkleed is van
roestroode kleur.