De snavel van den Raafgier, Gallinazo of Oeroeboe, in Noord-Amerika

Zwarte Gier of Aaskraai genoemd (Catharista atrata), is dunner en

langer, de (recht afgesneden) staart korter en de pooten hooger

dan bij de vorige soort. Van den snavel over de kruin tot aan den

nek loopen zwakke, tamelijk regelmatig achter elkander geplaatste

dwarsrimpels. Het geheele vederenkleed is dofzwart met donker

roestbruinen weerschijn, wanneer het licht op een bepaalde wijze

invalt; het oog is donkerbruin, de snavel zwartbruin, aan de spits

hoorngrijs. Lengte 60, vlucht 136 cM.

Men heeft de beide genoemde soorten van Hoendergieren en de drie

andere, onderling weinig verschillende leden van hetzelfde geslacht

zoo dikwijls met elkander verward, dat het moeite kost in ieder

geval uit te maken, op welke soort de tot dusver bekend geworden

berichten meer bepaaldelijk betrekking hebben. Alle Hoendergieren

komen echter in levenswijze zoozeer overeen, dat een samenvoeging

van de belangrijkste dezer mededeelingen ongetwijfeld een tamelijk

juiste voorstelling zal geven van ieders aard en handelingen.

De Kalkoengier is bezuiden de Saskatschawan-rivier (die op 54°

N.B. in het Groot-Winipig-meer uitmondt) over geheel Noord-, Middel-

en Zuid-Amerika tot aan de Magalhäesstraat en van de kust van den

Atlantischen tot aan die van den Stillen Oceaan verbreid, maar komt

niet overal even veelvuldig voor; de Gallinazo daarentegen behoort

meer in Zuid-Amerika thuis, wordt in de Vereenigde Staten niet ten

noorden van Carolina aangetroffen, maar is zoowel in de landen, die

aan de Golf van Californië grenzen, als in Middel- en in Zuid-Amerika

een van de algemeenste Vogels.

Door levenswijze en gewoonten gelijken zij op de Gieren; zij zijn

echter nog minder schuw, daar in de meeste landen van Zuid-Amerika

ieder, die een dezer straatreinigers doodt, van overheidswege een zware

straf beloopt. Niet overal komen beide soorten gezamenlijk voor; ieder

hunner geeft aan bepaalde terreinen de voorkeur. Zoo leeft, volgens

Tschudi, de Kalkoengier meer aan 't zeestrand en bijna nooit in het

binnenland, terwijl de Gallinazo in groote getale in de steden, nu en

dan ook wel in 't gebergte, doch slechts zelden aan de oevers der zee

gezien wordt. "De Europeaan, die voor de eerste maal de kust van Peru

betreedt, verbaast zich over het ongeloofelijk aantal Aasgieren, die

hij aan het strand, op alle wegen, in alle steden en dorpen aantreft

en over de driestheid en gerustheid, waarmede deze Vogels den mensch

naderen." Zij schijnen te weten, dat hun zeer noodzakelijk beunhazen

op het terrein van de gebrekkig geregelde reinigingsdienst hun een

vrijbrief verschaft. In alle Zuid-Amerikaansche steden vervullen zij

de rol van onze straatvegers. "Zonder deze Vogels," verzekert Tschudi,

"zou de hoofdstad van Peru een van de ongezondste plaatsen van het

geheele land zijn, daar van overheidswege niets gedaan wordt voor

het wegruimen van het vuil. Vele duizenden van Gallinazo's leven

in en om Lima en zijn zoo weinig schuw, dat zij op de markt in het

dichtste menschengewoel rondhuppelen."

Hunne bewegingen gelijken op die van de Gieren. Zij gaan met hoog

opgericht lichaam rond en gelijken hierdoor op Kalkoenen, hetgeen

waarschijnlijk aanleiding gegeven heeft tot hun naam. Zij vliegen

zonder merkbare inspanning, laten zich vaak op hunne wieken drijven

en stijgen dikwijls tot groote hoogten op; gewoonlijk behoeven zij

zich echter niet veel in te spannen, omdat het hun zelden aan voedsel

ontbreekt.

Burmeister beschrijft op zeer aanschouwelijke wijze een van hunne

maaltijden. "De groote, zwarte Vogels, die ook in Brazilië de

rottende dierlijke stoffen uit den weg moeten ruimen, treft men

overal aan. Wanneer ergens een dier gevallen is, strijken zij met

hun twintigen, dertigen, veertigen of in nog grooter aantal op het

lijk neer, pikken het de oogen uit en wachten daarna met een vurig

verlangen, dat duidelijk uit al hunne gebaren blijkt, het heerlijke

oogenblik af, waarin de toenemende spanning van de gasvormige

rottingsproducten, die zich onder den invloed van de zomerwarmte

schielijk in het lichaam ontwikkelen, den door bederf verzwakten

buikwand zal doen barsten en zijn geurigen inhoud tot streeling van

hun gehemelte beschikbaar zal stellen. Dan ontstaat een vreeselijk

gedrang. Iedere Vogel pakt een stuk van de naar buiten tredende

ingewanden; in een oogwenk zijn de weeke, half verteerde darmen

verscheurd en verzwolgen. Volgepropt als zij zijn, begeven de Gieren

zich naar den naasten boom en zitten hier dicht opeengedrongen,

de oogen onverpoosd gericht op het aas, te wachten tot het door

verrotting voldoende verweekt is, om verder verslonden te worden. Van

tijd tot tijd strijkt een begeerige minimumlijder, die bij den eersten

maaltijd niet genoeg gekregen heeft, op het ontweide lichaam neer,

tracht op de een of andere plaats met den snavel een opening te maken,

pluist aan de wondranden en opent op deze wijze nieuwe banen voor de

steeds verder voortschrijdende verrotting. Wanneer de overige Vogels

bemerken, dat het streven van dezen voorvechter niet vruchteloos is,

volgen zij weldra zijn voorbeeld, hakken en rukken in het lichaam

om en verslinden het eene stuk na het andere, totdat de beenderen

geheel schoon afgekloven zijn. In twee dagen zijn zij met hun arbeid

gereed; als zij niets meer weten te vinden, is er nog altijd iets

voor de Vliegen over." De Gieren versmaden echter geen versch vleesch,

wanneer zij het in stukken kunnen scheuren; ook levende dieren vangen

en dooden zij, hoewel men vaak het tegendeel heeft beweerd. Door

hun driestheid en onbeschaamdheid worden zij lastig voor menschen en

dieren. Zoo zegt de Prins Von Wied, dat zij van alle kanten toesnellen,

zoodra er een schot in het woud gelost wordt. "Wanneer wij boven een

dicht beschaduwde woudbeek een Eend of zelfs maar een kleinen Vogel

schoten, waren zij onmiddellijk bij de hand; met hun achten, tienen

of meer hadden zij op de naburige boomen post gevat. Als wij ons maar

een oogenblik verwijderden, lag in 't volgende de geschoten Vogel

reeds op het droge om door hen verslonden te worden". De Jagoear

doet soortgelijke ervaringen op als de menschelijke jagers. "Bij

Joval", verhaalt Von Humboldt, "zagen wij den grootsten Jagoear

die ons ooit onder de oogen gekomen is. Hij lag in den schaduw van

een grooten mimosa en had juist een Waterzwijn gedood; op dezen nog

gaven buit rustte één van zijne pooten. De Gieren waren bij troepen

nader gekomen om de overblijfselen van het maal van den "Tijger" te

verslinden. De zonderlinge vereeniging van brutaalheid en schroom,

die wij bij hen opmerkten, vermaakte ons niet weinig. Zij waagden

zich tot op een afstand van 1/2 M. van den Jagoear, maar weken bij

de geringste beweging van het roofdier achteruit. Om de handelingen

van deze dieren meer van nabij te kunnen bespieden, begaven wij ons

in een klein vaartuig. Het gedruisch van de roeiriemen noopte den

Jagoear om langzaam op te staan en zich achter de struiken van den

oever te verbergen. Van zijn aftocht wilden de Gieren gebruik maken

om het Waterzwijn te verslinden; de "Tijger" echter sprong, ondanks

de nabijheid van ons vaartuig, midden tusschen de Vogels en sleepte

vol toorn, zooals bleek uit zijn gang en het slaan met den staart,

den buit in het woud".

Volgens Tschudi nestelt de Gallinazo op daken van huizen, op kerken,

bouwvallen en afgelegene, hooge muren; hij doet dit in Februari en

Maart. Hij broedt op 3 witachtig bruine eieren. Volgens denzelfden

berichtgever bouwt de Oeroeboe zijn nest op met zand bedekte rotsen

aan de zeekust of op kleine eilanden dicht bij de kust en legt hier

in den genoemden tijd 3 of 4 eieren, die meer afgerond en lichter van

kleur zijn dan die van den Gallinazo. Zeer dikwijls nestelen zij te

midden van Reigers en andere moerasvogels.

Tegenwoordig ziet men gevangen Hoendergieren niet zelden in

dierentuinen. Door Azara weten wij, dat zij buitengewoon tam en zelfs

echte huisdieren kunnen worden. Een vriend van dezen onderzoeker had

een tammen Hoendergier, die vrij uit- en invloog en zijn meester op

diens wandeltochten of jachten, ja zelfs op grootere reizen gezelschap

hield, als een gehoorzame Hond kwam, wanneer hij geroepen werd en

zich uit de hand liet voederen.

Waarschijnlijk niet ten onrechte heeft men een Roofvogel, die

door sommigen als een Havik, door anderen als een Gierbuizerd

wordt beschouwd, maar die een zeer eigenaardig voorkomen heeft, tot

vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie, die der Kraangieren

(Serpentariidae), verheven. Deze omvat slechts één soort.

De Secretaris (Serpentarius secretarius) onderscheidt zich van alle

overige Roofvogels door zijn buitengewoon langen loop; hierdoor

herinneren zijne pooten aan die van de Kraai. Hij is slank gebouwd

en heeft een tamelijk kleinen, breeden, op de kruin eenigszins plat

gedrukten kop; zijn hals is betrekkelijk lang en dun. De snavel is

korter dan de kop, dik, bijna van den wortel af gebogen. De vleugels

zijn lang, aan de spits echter bijna recht afgesneden, omdat de vijf

eerste pennen nagenoeg gelijke lengte hebben. De sterk trapvormige

staart is bijzonder lang; de beide middelste veeren zijn ver voorbij

de overige verlengd. Het vederenkleed is goed gevuld en uit groote,

voor 't meerendeel glad aanliggende veeren samengesteld, aan den

achterkop echter verlengd tot een kuif, die uit zes paar, naast en

achter elkander geplaatste, ongeveer 15 cM. lange veeren bestaat

en opgericht kan worden. De kleursverdeeling is eenvoudig, maar

bevallig. De bovendeelen zijn licht aschgrauw, met een bruinachtig

waas overtogen, de eenigszins versmalde en verlengde veeren van

den achterhals grijsachtig vaal, de oorstreek, de zijden van

den hals en de onderdeelen vuil grijsgeel; de pluim in den nek,

de hand- en armpennen benevens de dekveeren van de handpennen en

de langste schouderdekveeren, de staartwortel, de aarsstreek en de

onder-schenkels zijn zwart (de onderschenkels van het mannetje met

bruine en witte dwarsbanden), de stuurpennen grijsbruin, bij het

uiteinde zwart, aan de spits wit. Het oog is grijsachtig bruin, de

snavel donker hoornkleurig, aan de spits zwart, de washuid donkergeel,

de loop oranjegeel. De lengte van het mannetje bedraagt 115 à 125,

de vleugellengte 62, de lengte van de middelste staartveeren 68, de

hoogte van den loop 29 cM. Het wijfje is iets grooter dan het mannetje.

De Secretaris is over een groot deel van Afrika verbreid. Men heeft

hem van den Kaap tot aan den 16en graad N.B. en van de kust van

de Roode Zee tot aan den Senegal gevonden: zijn verbreidingsgebied

omvat dus Zuid-Afrika, Oost-Afrika tot aan den Samhara, West-Afrika

tot aan den Gambia en vermoedelijk ook uitgestrekte gedeelten van het

binnenland van dit werelddeel. Zijn eigenaardige lichaamsbouw brengt

ons reeds van te voren op het vermoeden, dat hij slechts uitgestrekte,

op steppen gelijkende vlakten bewoont. Een Roofvogel van 't maaksel

van den Secretaris moet den bodem bewonen en in meerdere of mindere

mate een vreemdeling zijn in 't rijk der lucht. Niet slechts het

woud, maar ook de nabuurschap van hooge boomen vermijdt hij: zijn

jachtgebied bestaat uit steppen, uit droge zoowel als vochtige, op

weilanden gelijkende vlakten, hier en daar misschien bovendien uit

schaars met houtgewas begroeide velden, maar niet uit wouden.

In verband met de groote lengte van zijn loop, is zijn gang lichter

en beter dan die van eenigen anderen Roofvogel. Met hoog opgericht

lichaam stapt hij met zeker vertoon van waardigheid mijlen ver over

den bodem voort, zonder vermoeid te worden. Jagend of vluchtend,

loopt hij met voorover gebogen romp bijna even snel als een Trap of

een andere Loopvogel; slechts ongaarne maakt hij van zijne vleugels

gebruik. Om zich in de lucht te verheffen moet hij trouwens eerst een

aanloop nemen. Het vliegen schijnt hem aanvankelijk moeite te kosten;

zoodra hij echter een zekere hoogte heeft bereikt, zweeft hij licht en

fraai, gewoonlijk over een grooten afstand zonder eenigen vleugelslag

verder. Hij strekt daarbij de pooten als een Ooievaar achterwaarts

en den hals dikwijls recht naar voren; dit verschaft hem zulk een

eigenaardig voorkomen, dat men hem niet licht verwarren kan met een

anderen vliegenden roover.

De Secretaris leeft paarsgewijs en bewoont een tamelijk uitgestrekt

gebied. Werkelijk talrijk is hij nergens, hoewel hij overal

voorkomt. Slechts bij bijzondere gelegenheden treft men deze

merkwaardige Vogels in grooter aantal aan. Wanneer b.v. vóór den

regentijd het gras van de steppe in brand gestoken wordt en de vuurzee,

die alle dieren der steppe voor zich uitdrijft, een breedte van vele

mijlen heeft bereikt, ziet men de van heinde en ver bijeengekomen

Kraangieren, die hier zeker zijn van een overvloedigen buit, uren

achtereen voor de steeds verder voortschrijdende vlammenlijn heen en

weer loopen en vliegen.

De Secretaris maakt hoofdzakelijk jacht op Reptiliën en Amphibiën,

hoewel hij ook andere Gewervelde Dieren niet versmaadt, wanneer hij

ze op zijn weg ontmoet; gedurende een deel van 't jaar maken Insecten

een hoofddeel van zijn voedsel uit. Zijn eetlust is bijzonder groot:

men kan hem bijna onverzadelijk noemen. Levaillant haalde uit den krop

van een door hem gedood exemplaar 21 kleine Schildpadden, 11 Hagedissen

en 3 Slangen, bovendien nog een groot aantal Sprinkhanen; de groote

maag bevatte een massa beenderen van Gewervelde Dieren, pantsers

van Schildpadden en vleugels van Insecten, die later waarschijnlijk

uitgebraakt zouden zijn. "Hij schroomt niet", zegt Levaillant,

"de gevaarlijkste Slangen aan te vallen en vervolgt de vluchtende

zoo snel, dat hij boven de oppervlakte schijnt te zweven. Als de

Slang achterhaald is, zich te weer stelt en al sissend den hals sterk

opblaast, breidt de Vogel een vleugel uit, gebruikt deze als een schild

ter beschutting van zijne voeten, slaat daarmede het aanvallende

Reptiel terug, huppelt voor- en achteruit en maakt de zonderlingste

sprongen. De beten van de Slang vangt hij met den eenen vleugel op,

mat hierdoor zijn verraderlijke vijandin af, velt haar neer door een

slag met den anderen vleugel, werpt den op deze wijze verdoofden buit

soms bovendien nog met den snavel in de lucht, bijt hem den schedel

stuk en verzwelgt hem ten slotte, nadat hij hem verscheurd heeft."

Drayson zegt, dat men den Secretaris ook vliegend ziet jagen. "Een van

deze Vogels zweefde op een hoogte van ongeveer 60 M. boven den bodem,

staakte plotseling zijn beweging, streek op den bodem neer en liep op

den gevonden buit af, breidde zijne vleugels uit, viel met den snavel

op den vijand aan en gebruikte de vleugels als verdedigingsmiddel. Soms

maakte hij hooge luchtsprongen, waarschijnlijk op het oogenblik,

dat zijn tegenstander wiens listen hem welbekend zijn, zich hevig

te weer ging stellen, kwam echter onmiddellijk daarna ongeveer 6

M. verder op den grond terug en hervatte den aanval, totdat het

gewenschte doel bereikt was." Heuglin zag, dat een Secretaris door

een slag met den krachtigen poot het pantser van een Woestijnschildpad

verbrijzelde. Volgens vroegere berichten zou onze Vogel groote Slangen

naar boven medevoeren en ze van een aanzienlijke hoogte op den bodem

laten vallen om ze te verpletteren; de reisbeschrijvingen uit lateren

tijd maken hiervan geen melding; deze mededeeling is echter volstrekt

niet onwaarschijnlijk, daar andere Roofvogels ook zoo handelen.

Tot dusver heeft men nog niet met zekerheid kunnen uitmaken, of de

Secretaris aan de gevolgen van een beet van een niet uitgeputte, groote

Vergiftige Slang bezwijkt of tot op zekere hoogte tegen slangengif

bestand is; wel heeft men opgemerkt, dat hij doode Vergiftige

Slangen met tanden en al zonder eenige aarzeling verzwelgt, en zich

dus blootstelt aan het gevaar van door de tanden inwendig gewond en

vergiftigd te worden.

Het nest van den Secretaris bevindt zich bijna altijd op den top

van een hoogen en dichten struik, meestal van een mimosa, maar

ook wel op alleenstaande boomen. Opeengestapelde takjes, welker

tusschenruimten met leem dicht gemaakt zijn, vormen den grondslag

van het nest, plantenwol, veeren en andere zachte stoffen de voering

van de ondiepe nestholte. Niet vóór Augustus legt het wijfje hierin

hare 3 of 4 eieren. Deze hebben bijna de grootte van een ganzenei,

maar een meer ronden vorm; zij zijn soms zuiver wit, soms met weinige

roodachtige vlekken geteekend. Het wijfje bebroedt ze gedurende 6

weken en wordt intusschen door het mannetje van voedsel voorzien. De

jongen zijn bij het verlaten van de eischaal met sneeuwwit dons bedekt.

Bij zorgvuldige behandeling worden de Kraangieren weldra tam;

zij wekken belangstelling door hun edele houding, hun fieren gang,

hunne mooie, vurige oogen en het levendige gebarenspel van hunne

nekveeren. Zij laten echter, zooals Von Heuglin ondervond, hun

roofzuchtigen aard nooit geheel varen, worden hierdoor dikwijls

schadelijk voor het pluimvee en durven zelfs een aanval te wagen op

Katten en Honden, die zij (waarschijnlijk alleen uit strijdlust en

overmoed) niet zelden gevaarlijke, altijd naar den kop gerichte slagen

met den voet toebrengen. Zij zijn met iedere soort van voedsel, dat

met hun aard overeenstemt, tevreden, maar buitengewoon vraatzuchtig;

zij verzwelgen merkwaardig groote brokken en geven zich dikwijls

niet eens de moeite den buit met den snavel te verscheuren. In onze

dierentuinen behooren zij nog altijd tot de zeldzaamheden. Vroeger

hield men in Kaapland tamme Kraangieren op het erf wegens hun grooten

ijver bij het verdelgen van allerlei ongedierte en had toen, naar

't schijnt, niet over hen te klagen.

In het Kaapland wordt het dooden van dezen nuttigen Vogel met een zware

straf bedreigd. Men heeft getracht, hem ook op Martinique in te voeren

en te acclimatiseeren, om de buitengewoon gevaarlijke Lanskopslangen,

die een plaag zijn voor dit eiland, te verdelgen; deze poging is

evenwel mislukt, niet, omdat de Secretaris het vreemde klimaat niet

verdragen kon, maar omdat men de bepalingen tot bescherming van dezen

Afrikaanschen bondgenoot niet kon handhaven.

Van oudsher draagt de Kraangier den naam van "Secretaris", omdat

hij wegens zijn vederenpluim vergeleken wordt met een schrijver,

die zijn pen achter het oor heeft gestoken. De Arabische namen van

dezen Vogel zijn dichterlijker, maar minder goed te verklaren. In het

westen van Soedan heet hij het "Paard des duivels", in het noordoosten

"Vogel van het noodlot".

In de tweede groep der Stootvogels, die der Stapvogels

(Pelargo-herodii), worden de vijf familiën van de Reigervogels,

Schoenbekken, Ooievaars, Ombervogels en Ibisvogels vereenigd, die zich

alle kenmerken door de aanzienlijke lengte van den snavel en van de

pooten, welker achterteen even laag is ingeplant als de voorteenen.

"Wat aard en beweging betreft, bestaat er tusschen de Stapvogels

een duidelijk merkbare overeenkomst. Zij leven in laagvlakten,

in moerassen en aan waterkanten, aan het zeestrand, bij lagunen,

op zandbanken en in de nabijheid van riviermonden. Men ontmoet ze

aan de zeekust, veelvuldiger echter op geschikte plaatsen in het

binnenland. Op den vlakken bodem bewegen zij zich altijd langzaam

stappend, nooit rennend. Dikwijls waden zij tot aan den romp in

't water; ook zwemmen zij meer of minder goed, wanneer de nood

hen er toe dwingt. Hun vlucht is rustig en gelijkmatig. Vele laten

zich na eenige vleugelslagen gedurende geruimen tijd op hunne wieken

drijven. Bij gemeenschappelijk ondernomen reizen vormen zij groepen,

die in een bepaalde orde gerangschikt zijn. De Stapvogels begeven

zich alleen dan op den bodem, wanneer zij voedsel gaan zoeken; zij

rusten op boomen en rotsen (de Schoenbekken maken hierop echter tot op

zekere hoogte een uitzondering). Hun voedsel bestaat uit Weekdieren,

Schaaldieren, Insecten en Gewervelde Dieren, vooral uit Visschen,

Reptiliën en Amphibiën; het wordt altijd op den bodem, op weiden,

in moerassen en in ondiep water, gezocht. De Stapvogels kenmerken

zich, behoudens eenige uitzonderingen, door een zekere neiging tot

gezelligheid; dit blijkt niet slechts bij het reizen, maar ook bij

het broeden; de vereenigingen, die zij dan vormen, bestaan niet

uitsluitend uit soortgenooten, maar bevatten ook leden van andere

soorten hunner afdeeling; zelfs zien zij zonder tegenzin (of dulden

althans) de tegenwoordigheid van nog minder met hen verwante vormen

in de oorden, waar zij hunne nesten bouwen. In den regel geschiedt

dit op boomen, alleen daar waar deze ontbreken, op den bodem, in het

riet van meren en moerassen en in lage struiken. Hunne nesten zijn

dikwijls zeer los uit rijshout samengevoegd, soms van binnen met riet

bekleed. Zij broeden op 3 à 5 eieren, die meestal effen van kleur,

wit of blauw, minder vaak bruinachtig, soms echter op witten grond

gevlekt zijn. De vorm van de eieren is ovaal of langwerpig spits. De

meeste Stapvogels hebben een stemorgaan, dat doffe en heesche, of

krijschende en schelle geluiden voortbrengt; enkele missen dit orgaan;

snavelgeklepper is dan hun eenig geluid. Men vindt de Stapvogels over

de geheele wereld verbreid, met uitzondering van het hooge noorden. Zij

zijn nestblijvers: hunne jongen worden in het nest door de ouders

met voedsel voorzien, totdat zij volkomen in staat zijn om te vliegen."

De hoogst ontwikkelde en soortenrijkste familie van de groep is die

der Reigervogels (Ardeidae). Hun romp is in 't oog loopend zwak en

buitengewoon smal, de hals zeer lang en dun, de kop klein, smal en

plat. De snavel is in den regel langer dan de kop, minstens even

lang als deze, tamelijk dik, recht, zijdelings sterk samengedrukt,

op den rug en de kiel smal, aan de eenigszins ingetrokken zijranden

scherp als een mes, bij de spits getand, nagenoeg overal (de omgeving

van de neusgaten uitgezonderd) met een gladde, harde hoornmassa

bekleed. De pooten zijn middelmatig hoog, de teenen lang; de klauw

van den middelsten voorteen is aan de binnenzijde fijn kamvormig

getand. De vleugels zijn lang en breed, van voren echter stomp,

omdat de tweede, derde en vierde handpen ongeveer gelijke lengte

hebben; de korte, aan de spits afgeronde staart bestaat uit 10 à 12

pennen. De bekleedingsveeren zijn zeer overvloedig, zacht en los, op

de kruin, den rug en de bovenborst dikwijls verlengd, gedeeltelijk ook

losbaardig; haar kleur is zeer verschillend en niet zelden bevallig,

hoewel werkelijk prachtige kleuren niet voorkomen. De beide seksen

onderscheiden zich naar het uitwendige alleen door een gering verschil

in grootte; de jongen hebben een minder fraai kleed dan de volwassen

Vogels.

De Reigervogels bewonen alle werelddeelen, alle hoogtegordels

en alle landen, met uitzondering van het hooge noorden. Reeds in

den gematigden gordel zijn zij talrijk; in de keerkringsgewesten

maken zij een hoofdbestanddeel uit van de bevolking der moerassen

en binnenwateren. Eenige soorten bewonen bij voorkeur de zeekust,

andere rivieren, nog andere moerassen, eenige houden van open streken,

andere van kreupelhout of zelfs van wouden.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 10: De Stootvogels · 第 15 / 31 段