komt hij voor in Zwitserland; zelfs heeft een paar bij Genève
genesteld. Verder zuidwaarts is hij veel talrijker. In het Zuiden
van Frankrijk ziet men hem niet zelden; hij broedt in de omstreken
van Nizza, op het voorgebergte Argentar; opmerkelijk is het, dat
hij op Sardinië, het bevoorrechte woongebied van andere Gieren,
niet als broedvogel voorkomt; in Spanje vindt men hem overal,
hoewel niet zeer overvloedig; in Griekenland en op het geheele
Balkan-schiereiland is hij algemeen. Tot zijn broedgebied behooren
ook de Krim en Zuid-Rusland; hij is hier trekvogel; slechts weinige
exemplaren blijven er den winter over. Standvogel is hij daarentegen
in Afrika (misschien met uitzondering van de westelijke kustlanden)
en in een groot deel van West- en Zuid-Azië.
Schuw en voorzichtig is de Krenggier slechts in Zuid-Europa. In alle
gewesten van Afrika, die nog niet hebben geleden door de moordzucht
der Europeanen, vertrouwt hij den mensch. Hij is alles behalve dom,
onderscheidt zeer juist verschijnselen die hem voordeel kunnen brengen
van die, welke hem schade kunnen doen en toont dikwijls, terwijl hij in
zeer moeielijke omstandigheden den kost wint, een zekere list. Evenmin
kan men hem van traagheid beschuldigen, daar hij zeer veel in beweging
is en dikwijls uren achtereen spelenderwijs vliegt. Daarentegen blijft
hij na een overvloedig maal geruimen tijd rustig zitten. De loopende
Aasgier gelijkt op onze Raaf; de vliegende herinnert eenigszins aan
onzen Ooievaar, maar ook aan den Lammergier; zijn vlucht is echter
veel langzamer en minder sierlijk. Met één sprong verlaat hij den
bodem, verkrijgt door eenige langzame wiekslagen de noodige snelheid
en zweeft daarna vlug, zonder vleugelbeweging verder. Bij fraai weer
stijgt hij al hooger en hooger, soms tot 1000 à 1200 M. boven den
bodem. Het liefst rust hij op rotsen; hij houdt niet van boomen;
in groote wouden treft men hem in 't geheel niet aan. Even dikwijls
als op rotsen, ziet men hem op oude gebouwen zitten, in Noord-Afrika,
Indië en Arabië op tempels, moskeeën, monumenten en huizen. Gezellig
is hij niet minder dan zijne verwanten. Eenzaam ziet men hem hoogst
zelden, vaker paarsgewijs, het meest echter in groote of kleine
troepen. Hij houdt zich bij andere soorten van Gieren op, omdat zijn
beroep dit medebrengt, maar altijd slechts voor korten tijd; zoodra het
gemeenschappelijke maal afgeloopen is, bekommert hij zich niet meer om
zijne verwanten. Het besef van zijn zwakheid maakt hem vredelievend en
verdraagzaam. In Zuid-Egypte en Zuid-Nubië ziet men talrijke vluchten
van Krenggieren, die zich uren lang met prachtige vliegoefeningen
vermaken, gemeenschappelijk hunne slaapplaatsen opzoeken en op voedsel
uitgaan, steeds zonder twist of strijd. Bescheiden houden zij zich op
den achtergrond, terwijl de grootere Gieren op een kreng gastmalen,
en kijken angstig naar hunne woeste gebaren.
De Krenggier is niet kieskeurig, elke kost is hem welkom. Zijn
voornaamste voedsel bestaat echter niet uit lijken van dieren. Wel
verschijnt ook hij op ieder kreng en tracht hiervan partij te trekken
naar de maat van zijne zwakke krachten; hij pikt het lijk de oogen
uit, maakt bij den aars een opening en doet zijn best om er de
ingewanden uit te halen; ook wacht hij, totdat de groote Gieren zich
verzadigd hebben en knaagt dan de beenderen af, die zij overlieten:
een dergelijke smulpartij valt hem echter slechts bij uitzondering ten
deel. Een betere gelegenheid om in zijn onderhoud te voorzien vindt hij
aan de oevers van groote rivieren of aan de zeekust. De stroom werpt
soms een aas of althans doode Visschen op het droge en levert allerlei
lagere dieren op. Hij overvalt ook Ratten, Muizen, kleine Vogels,
Hagedissen en andere Kruipende Dieren, plundert nesten met eieren en
vangt behendig Sprinkhanen in velden en dreven. Een Ortolaan, dien hij
het geluk had te vangen, doodde hij met een enkelen snavelhouw, hield
hem vast en verslond hem onmiddellijk. Don Lorenzo Maurel verhaalde
aan Bolle, dat het moeielijk is op de Kanarische Eilanden Pauwen te
fokken, omdat de Krenggieren de hennen overal achterna sluipen om de
pas gelegde eieren weg te nemen. Toch helpt zoomin het rooven als het
stelen deze Gieren op voldoende wijze aan den kost. Zij weten zich
gelukkig op eene andere wijze te redden. In geheel Afrika en zelfs
reeds in Zuid-Spanje maakt menschendrek hun voornaamste voedsel uit.
Nauwkeurige berichten over de voortplanting van de Krenggieren geeft
Bolle: "Zij nestelen gaarne gezellig en vestigen zich overal, waar een
steile rotswand geschikte nestplaatsen aanbiedt, zonder zich veel te
bekommeren over de meer of minder warme ligging van het terrein. Door
de groote hoeveelheid uitwerpselen, die zich naast en onder de nesten
ophoopt, zijn deze op een afstand zichtbaar. De Gieren schijnen er
geen behoefte aan te gevoelen hun veiligheid te bevorderen door de
keuze van een verborgen broedplaats, maar zich alleen te verlaten op
de ontoegankelijkheid van den door hen bewoonden rotswand." Het nest
bevat gewoonlijk 2 eieren; deze zijn langwerpig van vorm, meestal op
geelachtig witten grond leemkleurig of roestbruin gevlekt en gemarmerd;
enkele zijn als 't ware met bloedzwarte, groote vlekken en strepen
besmeerd. De jongen, die aanvankelijk met een grijswitachtig dons
bekleed zijn, worden uit den krop gevoederd, blijven lang in het nest
en daarna nog eenige maanden in het gezelschap van hunne ouders.
Jong gevangen Krenggieren worden zeer tam, volgen ten slotte
hun verzorger als Honden op den voet na en begroeten hem met
vreugdegeschreeuw, zoodra hij zich vertoont. Ook oude dieren geraken
spoedig aan de gevangenschap gewoon en verdragen het verlies van hun
vrijheid vele jaren.
Nevens den Witten Krenggier komt in Middel- en West-Afrika een iets
kleinere, donkerbruine soort van hetzelfde geslacht voor--de Kapgier
(Neophron pileatus). Deze zou men bijna een huisdier kunnen noemen. Hij
is minstens even driest als onze Bonte Kraai en evenaart in dit opzicht
bijna onze Huismusch. Zonder schroom loopt hij voor de huisdeur op
en neer, houdt zich in de onmiddellijke nabijheid van de keuken op
en vliegt, als hij uitrusten wil, hoogstens in den top van een der
naastbijgelegen boomen. Des morgens wacht ook hij voor een hut op de
uitwerpselen der bewoners en is onmiddellijk bij de hand om hiermede
zijn maag te vullen. Op iedere slachtplaats is hij een gewone gast;
nooit neemt hij echter iets weg, wat hem niet toekomt; nooit rooft
hij een kuiken of een ander levend klein huisdier.
Door zijn houding is de Kapgier een zeer fraaie Vogel en een echte
Gier. Zelfs wanneer hij vliegt, kost het dikwijls moeite hem van
zijne grootere verwanten te onderscheiden, terwijl zijn neef, de Witte
Krenggier, reeds op een afstand kenbaar is aan zijne witte vleugels
en wigvormigen staart. Een eigenaardigen tooi verschaffen hem de
heldere kleuren van de onbevederde gedeelten van den kop en de keel,
die alle tinten vertoonen, welke men aan de naakte huidwoekeringen
van den Kalkoen opmerkt. Zijn naam ontleent hij aan een breede,
met bruinachtig grijs, fluweelachtig dons bekleede strook, die,
boven op den kop aanvangend, zich langs den achterhals uitstrekt.
De Kapgier wordt evenmin vervolgd als zijne overige verwanten. Het
is niet moeielijk hem te schieten, omdat hij overal, waar men hem
aantreft, den mensch vertrouwt. Ook kan men hem zeer gemakkelijk
vangen. Hij wordt zeer tam en is, behoudens zijn neiging voor het
eten van vuil, een knappe, flinke Vogel. Soms, doch steeds nog zelden,
krijgt men deze soort in diergaarden te zien.
Het meest in 't oog vallende kenmerk van de Gieren der Nieuwe Wereld
(Sarcorhamphidae), die als een afzonderlijke familie worden beschouwd,
is gelegen in hunne groote, langwerpig ronde neusgaten, welke
toegang verleenen tot neusholten, die door een onvolledig verbeend
middelschot vaneengescheiden zijn en dus in het geraamte met elkander
in gemeenschap staan. Voorts kenmerken deze Vogels zich door een meer
of min langwerpigen snavel, welks bovenhelft aan den wortel met een
zachte washuid bekleed en vóór deze ingesnoerd is; de spits van den
bovensnavel is sterk gekromd en haakvormig. De pooten zijn krachtig en
hebben een dikken loop; de vleugels zijn lang en spits; de staart is
tamelijk lang. De kop en de bovenhals zijn naakt en prijken meestal
met kamvormige huidwoekeringen op den snavelwortel en het voorhoofd,
benevens schel gekleurde opzwellingen en plooien aan den hals. Het
inwendig maaksel dezer Vogels verschilt aanmerkelijk van dat der
Gieren van 't Oostelijk halfrond.
Als de edelste leden van deze familie worden de Kamgieren
(Sarcorhamphus) beschouwd; hun naam danken zij aan den kam, die den
snavelwortel en het voorhoofd van het mannetje versiert.
Den Kondor (Sarcorhamphus gryphus) is hetzelfde lot ten deel gevallen
als den Lammergier. Evenals deze heeft men hem miskend en belasterd,
de wonderlijkste verhalen over hem in omloop gebracht en geloofd. Voor
deze eeuw bleef de taak bewaard, de natuurlijke geschiedenis van
dezen Vogel van fabelen te zuiveren.
Het vederenkleed van den volwassen Kondor is zwart met zwakken,
donker staalblauwen glans; de vleugelveeren zijn dof zwart, de
buitenste dekveeren van alle drie rangen en de halskraag, die uit
zachte, harig-wollige, maar tamelijk lange veeren bestaat, zijn
wit, de armpennen op de buiten vlag wit gezoomd. De achterkop, het
aangezicht en de keel zijn zwartachtig grijs; een smalle huidplooi
aan de keel en de beide, met wratten bezette huidplooien aan iedere
zijde van den hals van het mannetje hebben een helder roode kleur;
de hals is vleeschrood, de kropstreek bleekrood. Het oog is vurig
karmozijnrood, de snavel aan den wortel en op den rug hoornzwart,
aan de zijden en de spits hoorngeel, de voet donkerbruin. Volgens
de metingen van Von Humboldt bedraagt de lengte van het mannetje
102, de vlucht 275, de vleugellengte 115, de staartlengte 37 cM.;
de lengte van het wijfje is 2 1/2, haar vlucht 24 cM. geringer.
Het vaderland van den Kondor strekt zich van Quito tot dicht bij
de zuidspits van Zuid-Amerika uit. Hij bewoont hier de bergstreken
der Andes, bij voorkeur den hoogtegordel tusschen 3000 en 5000 M.;
bij de Magalhaes-straat en in Patagonië nestelt hij op steile klippen
onmiddellijk aan de kust. Ook in Peru en Bolivia daalt hij dikwijls tot
aan de kust af; in hooge streken is hij echter minstens tienmaal zoo
talrijk als in de lage. Volgens A. von Humboldt ziet men hem dikwijls
boven den Chimborazo zweven, zesmaal hooger dan de wolkenlaag, die
boven de vlakte ligt, 7000 M. boven de zee.
De levenswijze en de gewoonten van de Kondors zijn in hoofdzaken
gelijk aan die van de Gieren. Zij leven in den voortplantingstijd
paarsgewijs, overigens in troepen, kiezen steile rotspunten als
rustplaatsen uit en keeren geregeld daarheen terug. Bij het opvliegen
verheffen zij zich door langzame vleugelslagen en zweven vervolgens
met gelijkmatige snelheid voort, zonder de vleugels te bewegen. Als
een van hen iets eetbaars opmerkt en zich naar den bodem begeeft,
volgen alle Kondors, die dit zien, schielijk zijn voorbeeld. "Het
is", zegt Tschudi, "dikwijls onbegrijpelijk, hoe in minder dan een
kwartier op een lokaas een menigte Kondors zich verzamelen, terwijl
vóór dien tijd zelfs het scherpzichtigste oog geen enkelen Vogel van
deze soort ontdekken kon". Na een gelukkige reis keeren zij tegen
den middag naar hunne rotsen terug en verdroomen hier eenige uren.
De Kondors eten, evenals de Gieren, bij voorkeur aas. Humboldt bericht,
dat zij met hun tweeën niet slechts het Hert van de Andes en den
Vicuña, maar ook den Guanaco en zelfs kalveren aanvallen, deze dieren
vervolgen en zoo lang wonden, totdat zij ademloos neerstorten. Tschudi
verzekert, dat de Kondors de wilde en tamme kudden volgen en zich
oogenblikkelijk van ieder gestorven dier meester maken. Soms schieten
zij neer op jonge lammeren, kalveren en zelfs op gewonde Paarden,
die zich niet tegen hen verweren kunnen. In dit geval vreten zij
het vleesch rondom de wond weg, tot zij de borstholte bereikt en
hun slachtoffer om 't leven gebracht hebben. Bij het ontweien van
gedoode Vicuñas of Andes-herten is de jager in den regel omringd
door scharen van Kondors, die met gulzige haast op de weggeworpen
ingewanden aanvallen en daarbij niet den minsten schroom voor den
mensch aan den dag leggen. Op gelijke wijze letten zij, naar men zegt,
op den jagenden Poema en maken gebruik van 't geen er van zijn maal
overblijft. "Als de Kondors", zegt Darwin, "neerstrijken en daarna
eensklaps alle te zamen omhoogstijgen, weet de Chileen, dat het de
Poema was, die bij het bewaken van een door hem buitgemaakt en gedood
dier de Roofvogels verjaagd heeft." In den lammertijd van de Schapen
beloert de Kondor de kudden en neemt iedere gunstige gelegenheid te
baat om Geiten of lammeren te rooven. In de door Kondors bewoonde
gewesten, zijn de Herdershonden er op afgericht om het neerdalen van
den roover te voorkomen, door zoolang hij in de lucht zichtbaar is,
naar boven te kijken en te blaffen. Op het zeestrand verschaffen de
op 't droge geworpen lijken van groote zee-zoogdieren, die in groote
getale langs de kust van Zuid-Amerika leven, den Kondor voedsel. Hij
mijdt de menschelijke woningen en valt nooit kinderen aan. Wanneer
kinderen door hunne ouders, die op hooggelegen plaatsen arbeiden,
medegenomen worden, zooals dikwijls geschiedt, slapen zij in de open
lucht, zonder gevaar te loopen van de roofzucht der Kondors. Volgens
het eenstemmig gevoelen der Indianen is de Kondor niet gevaarlijk voor
den mensch. Bij den maaltijd gedraagt hij zich geheel op de wijze van
de Gieren. Daarna is hij traag en kan zich moeilijk bewegen. Wanneer
de nood hem dwingt om te vluchten, braakt hij, evenals andere Gieren,
eerst het in den krop aanwezige voedsel uit. "De Kondor", zegt Tschudi,
"is een fiere, statige Vogel, als hij op zijne uitgebreide, bijna
beweginglooze vleugels drijft, of met naar voren gestrekten hals op
een uitstekende rotspunt staande, naar buit zoekend, met scherpzichtig
oog de omgeving bespiedt. Wanneer hij echter met onbeschrijfelijke
gulzigheid zijn buit verslindt, groote stukken aas doorzwelgt en,
nadat hij zich dikgevreten heeft, bijna ongeschikt voor eenige
beweging, naast de overblijfselen van zijn de omgeving verpestend
maal ineengehurkt op den grond zit, is hij niets anders dan een
walgingwekkende Aasgier."
De broedtijd van den Kondor valt in onze winter- of lentemaanden. Zijn
nest staat op een ontoegankelijke rots en verdient nauwelijks dien
naam, want dikwijls legt het wijfje hare 2 eieren op den naakten
grond. De eieren zijn glanzig wit en ongevlekt. De jongen komen in een
grijsachtig donskleed ter wereld, groeien langzaam, blijven lang in
het nest en worden, nadat zij reeds uitgevlogen zijn, nog door hunne
ouders gevoederd en in tijd van gevaar met grooten moed verdedigd.
Om Kondors te vangen gebruiken de Indianen een met bedwelmende
kruiden volgestopt kreng als lokaas; de Vogels, die na dezen
maaltijd rondwaggelen, alsof zij beschonken zijn, kunnen gemakkelijk
vermeesterd worden. In de vlakten leggen de jagers vleesch neer binnen
een omheining, wachten, totdat de Kondors zich volgegeten hebben,
rennen er heen, zoo snel de Paarden loopen willen en slingeren hunne
werpkogels te midden van het nu half versufte gezelschap. Een andere,
zeer merkwaardige vangwijze heeft reeds Molina beschreven; de juistheid
van de mededeelingen van den Chileenschen geleerde (schrijver van een
"Natuurlijke Geschiedenis van Chili", 1782) wordt door de onderzoekers
uit lateren tijd, waaronder Tschudi, volkomen bevestigd. Een versche
koehuid, waaraan nog stukken vleesch vastzitten, wordt op den bodem
uitgebreid, zoodat een daaronder liggende Indiaan, die met de noodige
hoeveelheid touwen voorzien is, er geheel door bedekt wordt. "Deze
schuift, nadat de Aasvogels zich op het vel hebben neergezet, het
stuk van de huid, waarop de Kondor zit, bij den poot van den Vogel
omhoog en bindt er een touw omheen. Nadat eenige Kondors op deze wijze
gekluisterd zijn, komt de Indiaan van onder het vel te voorschijn;
zijne stamgenooten snellen toe, werpen den Vogels mantels over den
kop en brengen hen naar het dorp, waar zij voor het "stierenhitsen"
worden bewaard. Een week lang voor het begin van dit wreede vermaak
laat men de Kondors honger lijden. Op den bepaalden dag wordt iedere
Kondor op den rug van een stier gebonden, die vooraf met lanssteken
bloedig gewond werd. De hongerige Vogel verscheurt nu met zijn snavel
den rug van het gemartelde dier, dat tot groote vreugde der Indianen
als dol door het strijdperk holt.--In de provincie Hoearochirin
bevindt zich op de hoogvlakte een plaats, waar deze Vogels met gemak
in grooten getale gedood worden. Daar is een groote, door de natuur
gevormd, ongeveer 20 M. diepe trechter, die een opening van ongeveer
20 M. middellijn heeft. Aan den buitensten rand wordt een lijk van
een Muildier of van een Lama neergelegd. Dit kreng, waarop de Kondors
spoedig afkomen, stort in de diepte, terwijl zij bezig zijn het te
verscheuren; de Vogels volgen hun buit om dezen niet te verliezen en
kunnen, na zich volgegeten te hebben, van den nauwelijks 5 M. wijden
bodem van den trechter niet opvliegen. Met lange stokken gewapend
dalen de Indianen in den kuil af en slaan de Vogels dood."
Sommige Kondors worden in de gevangenschap zeer tam, andere blijven
wild en bijtlustig. Haeckel heeft er geruimen tijd twee gehad, die
zeer beminnelijk waren. Gourcy zegt van deze dieren: "Merkwaardig
is hun genegenheid voor hun meester. Het mannetje springt op diens
bevel van den grond op een zitstok, van hier op zijn arm, laat zich
door hem ronddragen en liefkoost op zeer vleiende wijze zijn gelaat
met den snavel. Haeckel steekt den vinger in den bek van het dier,
gaat op zijn rug zitten, bijna zonder op den grond te steunen, trekt
het den halskraag over den kop en laat het als een Hond allerlei
kunstjes doen. Intusschen wordt het wijfje, dat naar voedsel verlangt,
ongeduldig en trekt haar meester aan den rok, totdat het iets te eten
krijgt. Over 't algemeen zijn zij zoo ijverzuchtig op de liefkoozingen
van hun verzorger, dat één hunner hem dikwijls de kleeren verscheurt,
bij het streven om hem van den anderen, waarmede hij speelt, af te
trekken." Aan de Gieren, die met hen gevangen zitten, weten zij achting
af te dwingen en deze te behouden. Wanneer het tot bijten komt, weten
zij zich met hun snavel zoo flink, behendig en krachtig te verweren,
dat zelfs de bijtlustige Ganzengieren eerbiedig plaats voor hen maken.
"Een dergelijken indruk, als de Kondor maakte op de eerste
reizigers in Peru", zegt Tschudi, "wekte de Gierenkoning in Mexico
en Zuid-Amerika bij zijne ontdekkers. Reeds bij Hernandez vindt men
hem vermeld. Aan zijn levendig gekleurd, sierlijk vederenkleed,
dat hem van alle andere Roofvogels onderscheidt, heeft hij den
naam "Koning" te danken". Bovendien laat hij, evenals alle groote
leden van zijn familie, die met kleinere verkeeren, deze voor zijn
lichaamskracht en halsstarrigheid bukken en werpt zich dus tot hun
vorst en beheerscher op.
De Gierenkoning (Sarcoramphus papa) is 84 à 89 cM. lang en heeft 1.8
M. vlucht, met vleugels van 52 en een staart van 23 cM. Het kleed van
den volwassen Vogel is werkelijk prachtig. De halskraag is grijs;
het voorste deel van den rug en de bovenste vleugeldekveeren zijn
helder roodachtig wit, de buik en de onderdekveeren van den vleugel
zuiver wit, de vleugel- en staartveeren donkerzwart, de slagpennen
op de buitenvlag met grijzen zoom. Korte, stijve, borstelvormige
veeren bedekken de vleeschroode huid van de kruin en van het gelaat;
de rondachtige wratten, die achter en onder het oog voorkomen, en
een gezwollen huidplooi, die zich tot aan den achterkop uitstrekt,
zijn donkerrood, de hals en de kop lichtgeel. Het oog is zilverwit,
de hooge, in lobben verdeelde kam, die ook bij het grootere wijfje
gevonden wordt, zwartachtig, de snavel aan den wortel zwart, in
het midden vuurrood, aan den top geelachtig wit, de washuid geel,
de voet zwartgrijs.
De Gierenkoning is ten noorden van den 32en graad Z. B. over alle lage
landen van Zuid-Amerika, tot Mexico en Texas verbreid, en is, naar
men zegt, zelfs in Florida waargenomen. In het gebergte komt hij niet
hooger dan 1500 M. boven den zeespiegel. Zijn eigenlijk gebied zijn
de oerwouden of de met boomen bedekte vlakten. In de boomlooze steppen
en de gebergten zonder bosschen ontbreekt hij geheel. Den nacht brengt
hij, op lage boomtakken zittend, meestal in gezelschap door; naar het
schijnt, keert hij iederen avond naar bepaalde slaapplaatsen terug;
zoodra de morgen aanbreekt, vliegt hij uit en zweeft langs en in de
nabijheid van het woud om te onderzoeken of bijgeval een Jagoear voor
hem de tafel heeft gedekt. Als hij het geluk heeft, een kreng op te
merken, stort hij zich in suizende vlucht van een aanzienlijke hoogte
er op neer, gaat echter vooraf op geringen afstand van het doel zitten
en werpt slechts nu en dan een blik op het lekkere maal. Dikwijls
verschaft hij eerst na een kwartier of een half uur voldoening aan
zijn eetlust, want hij is altijd voorzichtig en tracht zich vooraf
zoo zorgvuldig mogelijk van zijn veiligheid te overtuigen. Ook hij
overlaadt zijn spijskanaal dikwijls in zulk een mate, dat hij zich
niet meer bewegen kan. Als zijn krop met voedsel gevuld is, verbreidt
hij een onverdraaglijke krengenlucht; na afloop van de spijsvertering
ruikt hij sterk naar muscus. Bij het einde van den maaltijd vliegt
hij in een hoogen, liefst dooden boom en houdt hier zijn middagslaap.
Gewoonlijk hebben de overal veelvuldige Kalkoengieren nog vroeger
dan de Gierenkoning een kreng opgespoord en kondigen dit door hun
gewemel aan. Schomburgk zegt: "Al zijn ook honderden van Aasgieren met
het verslinden van hun buit bezig, voor den naderenden Gierenkoning
maken zij onmiddellijk plaats om op de naastbijgelegen boomen of,
zoo deze ontbreken, op den grond zittend, met begeerige en afgunstige
blikken te wachten, totdat hun meester zijn honger gestild en zich
verwijderd heeft. Nauwelijks is dit geschied, of zij hervatten met
woeste, door het wachten nog vermeerderde gretigheid hun deerlijk
verminderd maal en verslinden de door hun machtigen voorganger versmade
overblijfsels. Daar ik zeer dikwijls getuige ben geweest van zulk een
voorval, kan ik verzekeren, dat geen andere Vogel zich beroemen kan
op een dergelijke voorkomendheid en zelfopoffering van den kant der
kleine Aasgieren. Wanneer deze, ijverig bezig zijnde aan hun maal,
den Gierenkoning in de verte zien aankomen, gaan zij oogenblikkelijk
uit den weg; bij het verschijnen van hun meester maken zij zeer
eigenaardige kopbewegingen tegen elkander. Het is, alsof zij hem
begroeten; mij kwam het althans voor, dat dit de beteekenis kon zijn
van het vooruitsteken van den kop en het hiermede gepaard gaande op-
en neer bewegen van de vleugels. Nadat de Gierenkoning plaats genomen
heeft aan hun disch, zitten zij volkomen stil en kijken met hongerige
maag toe, zoolang hij bezig is met het verslinden van den door hen
opgespoorden buit."
In de gevangenschap wordt de Gierenkoning licht tam; hij toont
zich echter alleen aan zijn verzorger gehecht en is jegens vreemden
dikwijls zeer onvriendelijk; door zijn bijtlust weet hij zelfs den
mensch eerbied af te dwingen.
De Raafgieren of Hoendergieren (Catharista) bewonen geheel
Amerika. Onder hen kenmerkt zich de Kalkoengier, Jota of Aura
(Catharista aura) door den betrekkelijk korten, maar dikken snavel,
welks washuid zich tot den voorrand van de groote, langwerpig ronde
neusgaten uitstrekt, door den van boven naakten hals, den trapvormigen
staart en den betrekkelijk korten loop. De kop is van voren naakt en
karmijnrood, van achteren met opzwellingen bedekt en blauwachtig rood,
om de oogen bleekrood; van den hals is het naakte deel vleeschrood,
het bevederde deel, evenals de bovenrug en de onderdeelen, zwart met
groenachtigen metaalglans. De iris heeft een zwartbruine, de snavel
een licht hoorngele, de voet een witte kleur. De lengte bedraagt 78,
de vlucht 164 cM.; de vleugel is 49, de staart 26 cM. lang.