naar hun nest, in Europa dus in de eerste maanden van het jaar. Alleen
die, welke hier zelden voorkomen, bouwen een afgezonderd staande
horst; alle overige soorten nestelen koloniesgewijs. Op een voor
dit doel geschikten rotswand of in een woud, dat aan de gestelde
eischen voldoet, is iedere bruikbare plaats bezet. Eenige soorten
nestelen uitsluitend op rotsen, andere slechts op boomen, nog andere
op den vlakken bodem. De meeste dulden in hun broedkolonie Vogels
van geheel verschillenden aard, b.v. Zwarte Ooievaars, zonder deze
eenigszins lastig te vallen. De op boomen staande horst stemt over
't geheel genomen met die van andere Roofvogels overeen. De eieren
(1 of 2) zijn rondachtig van vorm en grofkorrelig van schaal en
hebben op grijsachtigen of geelachtigen grond donkerder vlekken,
punten, stippels en vegen. Het met wollig dons bekleede jong is in de
hoogste mate leelijk en hulpbehoevend en wordt eerst na verscheidene
maanden zelfstandig.
De Gieren worden door verscheidene tegenstanders lastig gevallen, door
weinige in gevaar gebracht. Woekerdieren storen hun rust; Arenden,
Valken, Kraaien en andere gevleugelde kwelgeesten plagen hen zooveel
zij kunnen; het aas wordt hun door Maraboes en Honden betwist. De
mensch treedt tegen de groote Gieren, welker nut hij overal erkent,
slechts dan vijandig op, als zij van het pad der deugd afwijken en,
in plaats van doodgravers te blijven, voor een enkele maal beunhazen in
het bedrijf van andere Roofvogels. De meeste soorten echter beschouwt
hij met een soort van heiligen schroom. Een ware vriendschap acht
men hun niet waardig; in de "Erfstellingen van rijke en welgezinde
Mahomedanen" worden zij, in den tegenwoordigen tijd althans, niet meer
bedacht. Voor den aan zielsverhuizing geloovenden Indiër, die door
hen de lijken zijner dooden laat verslinden, zijn zij ongetwijfeld
heilige wezens. De bewoner van Centraal-Afrika laat hen eenvoudig
begaan, hoewel hij wel degelijk nu en dan het een of ander misdrijf
op hun rekening stelt.
Alle Gieren zijn taaie Vogels, die zelfs onze strengste winterkoude
kunnen trotseeren, omdat zij bij het opstijgen en neerdalen aan een
zeer groote afwisseling van temperatuur gewoon zijn. Zij nemen het
geringste voedsel voor lief en kunnen, als zij een tijd lang volop
voedsel gehad hebben, dagen, ja weken lang zonder voedsel blijven;
men kan ze daarom gemakkelijk in de kooi houden. Verreweg de meeste,
zelfs die, welke in volwassen toestand onder de heerschappij van
den mensch komen, worden weldra tam. Voor menig bezwaar van de
gevangenschap toonen zij zich onverschillig. Toch beschouwen enkele
geruimen tijd hun oppasser als een vijand, wien zij in voorkomende
gevallen op arglistige wijze hun kracht laten gevoelen. Het best
voldoen ons de Gieren, wanneer zij met andere groote Roofvogels
een ruime kooi bewonen. Hoewel zij ook dan gedurende het grootste
deel van den dag stil en rustig op de eens gekozen plaats blijven
zitten, geeft het verkeer met zulk een gemengd gezelschap niet zelden
aanleiding tot eigenaardige handelingen. Vooral de voedering brengt
een bijna onbeschrijfelijke opgewondenheid te weeg. Met alle wapens
wordt gestreden, ieder middel te baat genomen om het beste stuk te
bemachtigen. Het gaat echter hier zooals overal: de machtigste en
behendigste stelt de hoogste eischen, onderdrukt de overige leden van
't gezelschap en bevoordeelt zich te hunnen koste. Vooral de Vale of
Ganzengieren trekken dan de aandacht van den toeschouwer. Met ruig
opstaande veeren en ingetrokken hals zitten zij met fonkelende oogen
voor het vleesch, zonder het aan te raken, hoewel hun voornemen om het
tegen ieder ander te verdedigen duidelijk zichtbaar is. Bliksemsnel
wordt de lange hals in alle richtingen uitgestoken, alle leden van
het gezelschap blijven op eerbiedigen afstand uit vrees voor de hun
toegedachte beten. In zulke oogenblikken levert de houding van den
Valen Gier een merkwaardige overeenkomst op met die van een vergiftige
Slang, welke gereed is om te bijten. Dat zulk een twist steeds met
een hevig gesis, met grinnekend en kokkerend gekrijsch, klappen met
den snavel en wuiven met de vleugels gepaard gaat, met andere woorden,
dat een helsch geraas veroorzaakt, behoeft niet uitdrukkelijk verzekerd
te worden.
Herhaaldelijk hebben Gieren in de kooi een nest gebouwd, eieren gelegd
en met groote volharding gebroed; meestal werd het gewenschte resultaat
niet bereikt.
De Arendgieren of Kuifgieren (Vultur) kenmerken zich door een
krachtigen romp, een korten, dikken hals, een grooten kop met
krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel en breede vleugels. De
kop is met kort, kroes, wollig dons bekleed, dat aan den achterkop een
niet bijzonder hooge kuif vormt. De achterhals en eenige plekken van
den voorhals zijn naakt. Aan den hals komt een tot aan den achterkop
reikende kraag van korte, breede, bijna niet losbaardige veeren
voor. De top van de schaft steekt voorbij de vlag van de staartpennen
uit. De loop is korter dan de middelste teen.
Europa wordt bewoond door één vertegenwoordiger van dit geslacht,
de Monniksgier of Grauwe Gier (Vultur monachus). Hij is de grootste
Vogel van ons werelddeel; het mannetje is 1.1 M. lang en heeft 2.22
M. vlucht; de vleugel is 76, de staart 40 cM. lang. Het wijfje is 4
à 6 cM. langer. Het vederenkleed is effen donkerbruingrijs, het oog
bruin, de naakte ring er om heen paars, de snavel aan de washuid blauw,
op sommige plaatsen roodachtig, verderop licht paars en aan de spits
blauw, de voet vleeschkleurig met paarse tint; de onbevederde deelen
van den hals zijn licht loodkleurig grijs. De kraag strekt zich om
den geheelen hals uit.
De Monniksgier broedt in Spanje, op Sardinië en in alle gebergten
van het Balkanschiereiland, voorts in Slavonië, Kroatië en de
Donau-laaglanden, zelfs in de Karpaten.
Van hier strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over een groot
deel van Azië tot China en Indië. In Afrika, met uitzondering van
de Atlas-landen en een deel van de westkust, komt hij niet voor. De
in Duitschland geschoten exemplaren waren vermoedelijk uit Hongarije
afkomstig.
In het zuiden van Spanje ziet men ze eenzaam of in kleine vluchten van
3 à 5 stuks. Op het aas, waar men ze met de Ganzengieren aantreft,
gedragen zij zich veel rustiger en betamelijker dan deze. Hunne
handelingen zijn in volkomen harmonie met hun grooten, goed gevormden
kop, hunne bewegingen meer afgemeten dan die van de Krenggieren en,
waar zulks mogelijk is, volhardender en gelijkmatiger. Hun houding is
edeler, komt meer overeen met die der Arenden; hun oog heeft volstrekt
geen valsche, maar eerder een vurige en schrandere uitdrukking. Van
het aas verslinden de Monniksgieren vooral de spieren, doch ook wel
de beenderen,--de ingewanden alleen bij gebrek aan iets beters. De
jagers in de gebergten van Zevenburgen verzekeren eenstemmig, dat de
Monniksgieren ook levende dieren vangen en dooden.
De Monniksgier nestelt eenzaam en, in Spanje althans, uitsluitend
op boomen. Zijn groot nest rust op den dikken tak van een den of op
de breede kruin van een altijd groene eik, dikwijls niet meer dan 3
of 4 M. boven den bodem. Het bestaat uit een grondlaag van armdikke
takken, hierop volgt een tweede laag van dunnere takken en daarna
eerst het ondiepe, eigenlijke nest, dat van dunne, doode takjes
vervaardigd is. Tegen het einde van Februari bevat het één wit ei met
dikke schaal, niet grooter, dikwijls zelfs iets kleiner dan dat van
den Witten Krenggier. Het jong is aanvankelijk met een dicht, wit,
wollig dons bekleed en eerst na minstens 4 maanden in staat om te
vliegen. Het wordt door de ouders met vleesch van doode dieren gevoerd,
maar volstrekt niet zoo heldhaftig verdedigd, als men gewoonlijk meent.
De gevangen Monniksgier, waarover Leisler bericht, was aanvankelijk
zachtzinnig en goedhartig; later werd hij kwaadaardig; tegen ieder,
die hem naderde, stelde hij zich met snavel en klauwen te weer;
alleen voor zijn oppasser maakte hij een uitzondering. Hij at
even graag rottende lijken als versche en verslond ze met huid en
haar; zelfs de staart van een jongen Vos moest mede naar binnen; de
onverteerbare stoffen werden later weer uitgebraakt, beenderen van 12
à 15 cM. lengte echter geheel en al verteerd. Visschen waren niet naar
zijn smaak; levende dieren viel hij niet aan; een Raaf en een Kraai,
die maanden lang met hem verkeerden, werden niet lastig gevallen,
evenmin een Haas, die zich in zijn hok bevond, terwijl men hem honger
liet lijden. Doode Katten at hij zeer gaarne; toen er echter één met
een touw aan den poot in zijn hok geworpen en heen en weer getrokken
werd, sprong hij vol vrees op zijde, ging na eenigen tijd op het nu
stilliggende voorwerp af, haastig retireerende na iederen slag met
den poot, tot hij van den dood van het dier overtuigd was.
Een andere Monniksgier was koppig, zoo lang men hem opgesloten hield,
vroolijk en speelsch, nadat men hem had toegestaan vrij in den hof
rond te loopen. "Hij jaagt de Hanen schrik aan," bericht Graaf Lázár,
"maar doet ze geen kwaad, trekt de varkens bij den staart, loopt de
Honden na en drijft ze soms op de vlucht. Met alle menschen, die hem
niet plagen, leeft hij in goede verstandhouding; zelfs kinderen kunnen
zonder vrees in zijn nabijheid komen. Tegen iederen aanvaller verdedigt
hij zich evenwel dapper en deelt krachtige snavelhouwen uit. In
toorn laat hij de half geopende vleugels over den grond slepen en zet
de lange rugdekveeren op; met horizontalen romp en vooruitgestoken
hals trippelt en huppelt hij dan op zoo zonderlinge wijze rond, dat
men het lachen nauwelijks kan laten. Hij is even vraatzuchtig als de
Ganzengier, maar kan niet zoo lang honger verdragen. Water is voor hem
een behoefte: hij drinkt dikwijls en houdt veel van baden. Hoewel hij
ook Vogels eet, geeft hij aan het vleesch van Zoogdieren de voorkeur
boven al het andere. Visschen worden zelfs bij den grootsten honger
niet aangeroerd."
De Oorgier (Vultur auricularis), de reus van deze onderfamilie,
kenmerkt zich door een zeer grooten, krachtigen snavel, hooge pooten,
groote, breede, maar eenigszins afgeronde vleugels, een betrekkelijk
korten staart en een eigenaardig vederenkleed. De veeren van de
bovenzijde komen in vorm overeen met die van de andere groote Gieren;
de onderzijde echter is dicht bedekt met tamelijk lang dons van
witachtig grijze kleur, waarboven enkele lange, smalle, sabelvormige
veeren uitsteken. Ook aan den schenkel en den scheen zijn gewone
veertjes zeer schaars; het dons dat deze deelen bedekt, onderscheidt
zich echter door grootere lengte en een vaalgrijze kleur van het op
de borst groeiende. De kop, de helft van den achterhals en de geheele
voorhals zijn naakt; de huid van den kop vormt dwarse plooien; aan
weerszijden van den hals bevindt zich een overlangsche plooi. De kin
is met haarvormige veeren bekleed. Het mannetje is 100 à 105 cM. lang
en heeft 270 à 280 cM. vlucht; de vleugel is 69 à 72, de staart 34
à 36 cM. lang; het wijfje is aanmerkelijk grooter. Vaalgrijsbruin
is de heerschende kleur van het vederenkleed; de slagpennen en
de staartveeren zijn donkerder; de groote vleugeldekveeren hebben
lichtere randen. Het oog is donkerbruin, de snavel aan de zijden
hoornkleurig, op den rug en aan den ondersnavel donkergrijs, de
voet licht loodkleurig grijs, het naakte deel van den hals grijs,
de eveneens naakte wang paars. Wanneer de Vogel zeer opgewonden is,
worden alle naakte plekken van den kop en den hals, met uitzondering
van de kruin, rood.
De Oorgier is van Opper-Egypte af over geheel Afrika verbreid en
verheft zich in bergstreken tot een hoogte van 4000 M. Verscheidene
malen werd deze Vogel, naar men zegt, in Europa waargenomen.
In Indië wordt hij vervangen door den Kaalkoppigen Gier (Vultur
calvus), de Soekoeni der Hindoes, wiens verbreidingsgebied geheel
Vóór-Indië tot Birma omvat. De kop en hals zijn geheel naakt en
roodachtig vleeschkleurig; aan weerszijden van den hals ziet
men een groote, overlangsche huidplooi. De hoofdkleur van het
vederenkleed is zwartbruin, op 't achterste gedeelte van den krop
door wit afgebroken. De snavel is blauwachtig zwart, de washuid geel;
de pooten zijn donkergeel.
In Middel-Nubië en verder zuidwaarts gelegen landen mist men den
Oorgier zelden bij een kreng van eenigen omvang. Hoewel minder
goedvertrouwend dan de kleine Amerikaansche Raafgieren, schuwt hij den
mensch niet en komt onbeschroomd in de dorpen of op de slachtplaatsen
der steden. Op het aas speelt hij de rol van alleenheerscher; met
uitzondering misschien van de bijtlustige Ganzengieren, worden alle
gevleugelde concurrenten door hem van den buit verdreven. Den Honden,
die in geheel Noordoost-Afrika in het bedrijf van de Gieren beunhazen,
weet hij steeds ontzag in te boezemen. Hetzelfde wordt van zijn
Indischen verwant bericht.
Na iederen maaltijd vliegt de Oorgier naar het naastbijgelegen water,
om hier te drinken, zich te reinigen en vervolgens uit te rusten; nadat
hij zich, behaaglijk als een Hoen in het zand liggend, door de zon
heeft laten beschijnen, vliegt hij in kringen, dikwijls geruimen tijd
achtereen zonder de vleugels te bewegen, naar zijn slaapplaats. Deze
is niet altijd op een der grootste boomen gelegen, maar op elk
hiervoor geschikt gewas; dikwijls slaapt hij op een mimosa-struik,
die nauwelijks 3 M. hoog is. Hier zit hij met sterk teruggetrokken kop
en slap naar beneden hangenden staart in zeer rechtstandige houding,
als een mensch. Des morgens blijft hij minstens nog 2 uur na zonsopgang
op zijn slaapplaats en is dan zoo weinig schuw, dat het mogelijk is
onder hem te komen en hem door een schot hagel naar beneden te laten
tuimelen. De Oorgieren verschijnen nooit vóór 10 uur 's morgens op
het aas en blijven er hoogstens tot 4 of 5 uur 's namiddags; zij
zijn kenbaar aan hun bedaarde, fraaie vlucht en vooral ook hieraan,
dat zij, na het vinden van een aas, zich van een hoogte van veel meer
dan 100 M. naar beneden laten vallen, hierna de vleugels uitbreiden,
de pooten ver vooruitsteken en in schuinsche richting neerdalen. Zij
en de Monniksgieren verslinden hoofdzakelijk de spieren van het aas
en versmaden, naar het schijnt, de ingewanden.
Gedurende mijn langdurig verblijf in Khartoem maakte ik een
maand lang iederen dag jacht op Gieren, na ze door het neerleggen
van aas aangelokt te hebben. Dit geschiedde op een uitgestrekte
vlakte en achter een aarden wal, waardoor het ons mogelijk werd
het smullende gezelschap tot op een afstand van 20 schreden te
naderen. Wat ik bij deze jacht heb waargenomen, werd hierboven
medegedeeld. Herhaaldelijk is het mij gelukt door schielijk van
geweer te verwisselen verscheidene Oorgieren te dooden; eens heb
ik er zelfs vier met één schot neergeveld. Bovendien werden op dit
terrein vallen geplaatst; deze waren van de allereenvoudigste soort,
maar beantwoordden toch aan het doel. Ik had in korten tijd een vrij
groot aantal Gieren bijeen. Hierbij waren steeds verscheidene Oorgieren
en deze werden spoedig mijne lievelingen. Zij gedroegen zich in de
gevangenschap van den beginne af kalm en verstandig; in tegenstelling
met de Ganzengieren toonden zij geen vrees, maar een zekere mate
van vertrouwen. Alle waren vastgelegd aan touwen; geen van hen kwam
echter op het denkbeeld de kracht van hun kolossalen snavel op dezen
kluister te beproeven. Reeds op den derden dag van zijn gevangenschap
begon de eerste Oorgier, dien ik gekregen had, water te gebruiken; op
den vierden dag maakte hij een aanvang met het verslinden van een voor
hem liggende, doode Kat, die hij drie dagen lang versmaad had; op den
vijfden dag at hij reeds voor mijne oogen; van nu af ging hij geheel
op de gewone wijze zijn gang, zelfs als ik dicht bij hem stond. Later
nam hij mij het voedsel uit de hand.--In een groote gezelschapskooi
gedraagt de Oorgier zich even kalm als in vrijen toestand. Hij heeft
het bewustzijn van zijn kracht en verdraagt geen beleediging, maar
gaat nooit aanvallenderwijze te werk. Hij schijnt ons klimaat goed
te kunnen verdragen, hoewel hij zeer veel van warmte houdt.
De Ganzengieren (Gyps) kenmerken zich door een langwerpigen, slanken,
betrekkelijk zwakken snavel en korte pooten, maar vooral door hun
langen hals, welke op dien van een Gans gelijkt, overal even dik
is, zonder scherpe scheiding met den langwerpigen kop verbonden
en met witachtige, donzige borstels schaars begroeid is. Bij jonge
Vogels zijn alle veeren, vooral die van den halskraag, lang; jonge
Ganzengieren zijn dus kenbaar aan hunne lange, fladderende, de oude
aan hunne korte, losbaardige, haarvormige kraagveeren. Ook de kleur
wijzigt zich; de kraag is bij de jonge Vogels donker vaalbruin,
bij oude wit of geelachtig wit.
De Gewone of Vale Gier (Gyps vulfus), bereikt een lengte van 112, een
vlucht van 256 cM. (vleugel 68, staart 30 cM.). Zijn vederenkleed is
zeer gelijkmatig licht vaalbruin, op de onderzijde donkerder dan van
boven, iedere veer met een lichtere schaft. De breede, wit gezoomde
vleugeldekveeren vormen een lichten band op de bovenzijde van den
vleugel; de handpennen en stuurpennen zijn zwart, de armpennen
grijsbruin, op de buitenvlag met een breeden, valen rand. Het
oog is lichtbruin, de washuid donker loodkleurig grijs, de snavel
roestkleurig, de voet licht bruinachtig grijs. Bij jonge Vogels komen
de schaftstrepen beter uit en is het geheele kleed donkerder.
De Vale Gier komt veelvuldig voor in Zevenburgen, het zuiden van
Hongarije en het geheele Balkan-schiereiland, in Oost-, Zuid- en
Middel-Spanje, op Sardinië en op Sicilië, zeer zeldzaam daarentegen
op het Italiaansche schiereiland. Meer en meer verbreidt hij zich
over Krain, Karinthië en Salzkammergut, waar hij allengs de plaats
van den Lammergier inneemt. Niet al te zelden dwaalt hij naar
Duitschland af. Jaren geleden werd een exemplaar van deze soort te
Putten (Gelderland) geschoten. De noordelijkste broedplaatsen zijn
die van de Salzburger Alpen. Nog talrijker dan in Zevenburgen is
hij in geheel Egypte en Noord-Nubië, in Tunis, Algiers en Marokko,
ook in Noordwest-Azië tot aan den Himalaja wordt hij aangetroffen.
In Middel-Afrika is hij vervangen door den Sperwergier (Gyps
Ruppellii), het fraaiste lid van zijn geslacht (lengte 100, vlucht 225,
vleugel 63, staart 25 cM.). Bij den ouden Vogel zijn, met uitzondering
van de slag- en stuurpennen, alle veeren donker grijsbruin, versierd
met een vuilwitten, halvemaanvormigen, meer of minder breeden eindzoom,
waardoor het kleed bontgevlekt wordt. De doorschemerende, naakte huid
van den met slechts weinig dons bekleeden hals is grijsblauw en gaat
van voren en aan de zijden van den onderhals in vleeschrood over; de
naakte plekken op den schouder hebben een blauwachtig vleeschrooden
zoom. Het oog is zilvergrijs, de snavel aan den wortel geel, aan den
top loodkleurig, de washuid zwart, de voet donker loodkleurig grijs.
Alle Ganzengieren bewonen, naar het schijnt, hoofdzakelijk rotsen;
men ontmoet ze daarom het veelvuldigst in de nabijheid van gebergten
met steile wanden.
De bewegingen van de Ganzengieren zijn lichter en sierlijker dan die
van hunne reeds genoemde verwanten; vooral bij het afdalen uit groote
hoogten gedragen zij zich anders, daar zij bijna met de lichtheid
van een Valk onder veelvuldige zwenkingen naar beneden zweven,
in plaats van zich zonder beweging van de vleugels van een zeer
aanzienlijke hoogte te laten vallen, totdat zij dicht bij den bodem
zijn. Hun gang op den grond is zoo goed, dat een mensch zich zeer
moet inspannen om een loopenden Gier in te halen. Nog meer, hoewel
niet in hun voordeel, onderscheiden de Ganzengieren zich door hun
aard van de overige leden der onderfamilie: door hartstochtelijkheid,
oploopendheid en arglistigheid munten zij uit. Zij leven in groote
troepen bijeen en nestelen koloniesgewijs. Hoewel zij zich in den
regel ook met andere Gieren vereenigen, zijn en blijven zij altijd de
rustverstoorders, die het meest aanleiding geven tot twist. Steeds
weten zij zich spoedig van de opperheerschappij meester te maken;
doldriest verdedigen zij zich tegen ieder, die hen aanvalt. De door
een schot gewonde exemplaren stellen zich moedig en grimmig te weer,
gaan als kwaadaardige Honden op den mensch af en springen meer dan
een halven meter hoog van den grond op, terwijl zij den langen hals
onder duidelijk hoorbaar snavelgeklepper in de richting van het gelaat
van hun tegenstander strekken.
Bij het uit den weg ruimen van een aas vreten zij bij voorkeur de
lichaamsholte van het doode dier leeg. Met eenige snavelbeten scheuren
zij een rond gat in den buikwand en steken hierdoor hun langen hals
zoo ver mogelijk naar binnen. Zonder den kop uit de holte te halen,
verscheuren en verslinden zij de lever, de nieren en dergelijke
ingewanden; de darmen daarentegen worden eerst naar buiten getrokken,
door hevige achterwaartsche bewegingen losgerukt, daarna doorgebeten
en bij stukken verzwolgen.
In Spanje broedt de Vale Gier in de laatste helft van Februari of in
het begin van Maart. Zijn nest, een dunne laag van niet zeer dikke
takjes, bevindt zich gewoonlijk in een uitholling of althans onder
een uitstekende punt van een rots en bevat één wit, dikschalig ei,
zoo groot als dat van een Gans. Beide ouders broeden om beurten;
het mannetje zit gewoonlijk gedurende den voormiddag en de eerste
uren van den namiddag op het ei; het wijfje blijft gedurende den
overigen tijd op het nest. Op een gunstig gelegen broedplaats vindt
men altijd verscheidene nesten, op een afstand van ongeveer 100 of
200 schreden van elkander. Opmerkelijk is het, dat de Gieren, die
op zulke rotswanden gemeenschappelijk broeden, naast en onder zich
ook Lammergieren, Havikarenden en op de boomen in de onmiddellijke
nabijheid zelfs Zwarte Ooievaars rustig laten nestelen. Het jong,
dat op een prop wol gelijkt, wordt door beide ouders met veel liefde
behandeld en zorgvuldig gevoederd, aanvankelijk met vleesch, dat door
verrotting geheel week geworden is, later met krachtiger voedsel.
Slechts bij uitzondering wordt de Vale Gier tam. Een slager hield er
een verscheidene jaren achtereen in leven op de binnenplaats van zijn
woning. Deze Gier was zeer bevriend met een ouden Slagershond. Toen
deze stierf, werd zijn lijk den Gier voorgeworpen, die, hoewel hij
honger had, zijn dooden makker niet wilde aanraken; van stonden af
begon hij te kwijnen, weigerde te eten en bezweek op den achtsten dag.
In Egypte worden de veeren van den Valen Gier voor verschillende
doeleinden gebruikt; vooral de slagen stuurpennen dienen voor
versierselen en huishoudelijke artikelen. Op Kreta en in Arabië wordt
het vel gelooid en levert een zeer gezocht bont.
De Witte Krenggier (Neophron percnopterus), Aasgier, Drekgier,
Malteser Gier, Racham, Alimosj, "Pharao-hen" en hoe hij meer genoemd
moge zijn, is sedert overouden tijd bekend en beroemd. Hij is de Gier,
wiens afbeeldsel op de Oud-Egyptische gebouwen prijkt, die in den ouden
tijd bij de Egyptenaars en Hebreërs als een zinnebeeld van ouderliefde
werd geëerd en ook thans nog zijn ouden roem niet geheel verloren
heeft. Een raafachtige gestalte, lange, tamelijk spitse vleugels, een
lange, trapvormige staart en een eigenaardig vederenkleed kenmerken
hem. De zeer langwerpige snavel is voor meer dan de helft met een
washuid bekleed, de haakvormige spits van den bovensnavel ver naar
beneden gebogen, maar teer en zwak. Het aangezicht en de kop zijn
naakt, de nek en de achterhals met lange, smalle en spits toeloopende
veeren begroeid. Het grootendeels vuilwitte vederenkleed zweemt aan
den hals en de bovenborst min of meer naar donkergeel, maar is op den
rug en den buik zuiverder wit van kleur; de handpennen zijn zwart, de
schouderveeren grijsachtig. De iris is roodbruin of licht bronskleurig
geel, de snavel aan de spits blauwachtig, overigens helder oranjegeel,
evenals de naakte gedeelten van den kop en de kropvlek; de huid van de
keel is iets lichter van kleur dan de rand van den ondersnavel. Het
wijfje is 70 cM. lang en heeft 169 cM. vlucht (vleugel 50, staart
26 cM.).